2-263

2-263

Belgische Senaat

2-263

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 23 JANUARI 2003 - OCHTENDVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen inzake het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten (Stuk 2-1369) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen (Stuk 2-1357) (Evocatieprocedure)

Regeling van de werkzaamheden

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Stuk 2-1367) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 71 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Stuk 2-1368)

Regeling van de werkzaamheden

Wetsontwerp betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen (Stuk 2-1357) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en om medisch onverklaarbare redenen overlijden van een kind van minder dan achttien maanden (Stuk 2-409) (Tweede behandeling)

Berichten van verhindering


Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter

(De vergadering wordt geopend om 10.20 uur.)

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen inzake het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten (Stuk 2-1369) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw De Schamphelaere verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1573/11.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen (Stuk 2-1357) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Wille, rapporteur, verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het feit dat hier maar drie senatoren aanwezig zijn illustreert nogmaals dat de paarsgroene meerderheid niet deelneemt aan het parlementaire debat. Gelukkig tonen verkiezingsuitslagen in buurlanden aan dat de kiezer de roede niet spaart voor de partijen die zoveel minachting vertonen tegenover het democratische debat. Wellicht zal dat ook binnenkort in ons land blijken. Wij zullen er in onze campagne in elk geval op wijzen dat de besluitvorming niet meer in het parlement plaatsvindt.

Gisteren bij de bespreking van de genocidewet in de commissie voor de Justitie was niets meer te merken van de minimale beleefdheid die twaalf jaar lang heeft bestaan. De commissie zette haar werkzaamheden voort hoewel de CD&V-fractie de nieuwjaarsreceptie van de partij moest bijwonen. Dat was vroeger anders. Wij zorgden er altijd voor dat de commissievergaderingen bij zulke gelegenheid om vijf uur beëindigd waren, om de leden de kans te geven de receptie van hun partij bij te wonen. Van een minimale vorm van democratisch fatsoen en beleefdheid ten opzichte van de belangrijkste oppositiepartij van de Senaat is vandaag geen sprake. Ik zal mij tot het einde van de regeerperiode in elke uiteenzetting blijven beklagen over de manier waarop de CD&V-fractie door de meerderheid wordt gebrutaliseerd.

We nemen het niet dat meerderheid in achter- en zolderkamertjes met de betrokken belangengroepen beraadslaagt en niet reageert op de argumenten die we aanvoeren in het parlementaire debat waaraan we willen deelnemen en waarbij we amendementen willen indienen. In navolging van Pim Fortuyn zou ik aan de leden van de commissie voor de Justitie kunnen vragen hoeveel boeken ze hebben geschreven. Waar halen ze de pretentie vandaan om de CD&V-fractie zo minachtend te behandelen en het parlementaire debat te negeren? Ik zie mij genoodzaakt die kritiek hier te formuleren omdat ik moet vaststellen dat in de commissie wordt afgestapt van de geplogenheden die jarenlang hebben gegolden en omdat de commissievoorzitter zich gedraagt als de voorzitter van de meerderheid in plaats van als voorzitter van de commissie.

Ik kom nu tot het wetsontwerp betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen. Aan de basis van het ontwerp liggen de arresten van het Arbitragehof waaruit kon worden afgeleid dat er een gelijkschakeling moest komen op het gebied van de aansprakelijkheid voor de werknemers van de privé- en de openbare sector.

Het debat over de aansprakelijkheid is zeker niet onbelangrijk. Door allerlei omstandigheden zijn er kansen verloren gegaan om in de commissie een interessant parlementair debat te houden over het probleem. Ik zei het al, nooit voorheen werd de oppositie zo gediscrimineerd. Ik zie mij dan ook verplicht in openbare vergadering terug te komen op het onderwerp.

Sommigen zullen misschien zeggen dat de mensen van het probleem van de aansprakelijkheid niet wakker liggen. Met zulke uitspraak kan natuurlijke elke discussie in het parlement worden gebanaliseerd. Ik dacht dat een representatieve democratie als taak heeft bezig te zijn met de problemen van de maatschappij ook als de mensen nog niet beseffen dat er een probleem is.

De jongste tijd zien we een oerwoud aan wetten en besluiten ontstaan. Dat is voor mij een verrassing, want ik dacht dat met de groenen in de regering de bossen zouden worden gespaard. Het vertrouwen in de politiek kan maar worden herwonnen als wetten worden aangenomen die beantwoorden aan een fundamenteel rechtsgevoel van een brede meerderheid van de bevolking. Die heeft niets aan bureaucratische regels die op geen enkel ogenblik grondig zijn besproken in het parlement.

Uit de rechtspraktijk blijkt dat er veel gevallen van buitencontractuele aansprakelijkheid opduiken. Jaarlijks worden er tientallen gevallen behandeld inzake de aansprakelijkheid van de overheid. Ook wat de kostprijs voor het afwikkelen van het geschil betreft, is het van belang over duidelijke teksten te beschikken.

In voorliggende tekst wordt de aansprakelijkheid in het openbaar ambt in wezen gelijkgesteld met de aansprakelijkheid in de privé-sector.

Niet de mogelijke slachtoffers van foutief overheidsoptreden maar wel de mogelijke auteurs ervan staan centraal in het voorliggende ontwerp. Dat is niet noodzakelijk een foute benadering. Het is inderdaad belangrijk dat personen die in dienst staan van de overheid er enig vertrouwen in kunnen hebben dat zij niet zullen moeten opdraaien voor ieder gevolg van een mogelijke fout die zij hebben begaan. Het is normaal en zelfs nuttig dat de overheid zelf een belangrijk deel van het risico draagt dat ze opneemt door een aantal diensten te verlenen aan de gemeenschap. Een omgekeerde werkwijze zou er ongetwijfeld toe leiden dat de overheid eraan verzaakt deze diensten te verlenen, hetgeen zeker niet de bedoeling kan zijn.

Toch blijft er bij ons een wrang gevoel bestaan omdat de regering het niet nodig vindt een discussie te voeren over het beperken van de schade die mensen lijden door foutief overheidsoptreden. Ze wenst enkel in te gaan op de problematiek van de aansprakelijkheid van haar medewerkers. In die zin is de titel van het ontwerp bijzonder ongelukkig gekozen, vermits het enkel de onderlinge verhouding tussen de overheid en haar medewerkers betreft, en geenszins raakt aan de aansprakelijkheidsregeling voor overheidshandelen.

Het belangrijke onderwerp dat overheidsaansprakelijkheid is, verdient beter dan de paarse nonchalance van de opstellers van het ontwerp, een keurmerk van de huidige meerderheid als het ware.

De Raad van State heeft er al op gewezen dat artikel 6 van het ontwerp zonder voorwerp is, aangezien het ontwerp de aansprakelijkheid regelt van de personeelsleden van het vrij onderwijs die niet onderworpen zijn aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Zoals de Raad van State opmerkte, bestaan dergelijke personeelsleden niet. We regelen hier dus de aansprakelijkheid van personen die niet bestaan! Les anges passent au Sénat...

De heer René Thissen (CDH). - Dat komt door het internet: het zijn virtuele personen...

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Vroeger werd gelachen met degenen die in engelen geloven. Vandaag kunnen we lachen met degenen die in virtuele personen geloven. Het is bijzonder jammer dat de bevoegde minister niet de moed heeft dat toe te geven en niet bereid is artikel 6 te schrappen. Of om het met de woorden van de zopas overleden Françoise Giroud te zeggen: Wat is intelligentie zonder moed? De meerderheid zou er goed aan doen over die oneliner eens grondig na te denken. De schrapping van artikel 6 zou de samenhang van het ontwerp zeker niet bedreigen.

Veeleer dan te kiezen voor een echte wetgevende politiek in de tweede kamer gericht op de keurigheid van de norm, bewijst de paarse regering voor de zoveelste maal dat ze naar de Senaat komt om haar meerderheid, de meest dociele meerderheid sedert 1831, nogmaals te verplichten met alles in te stemmen, zelfs met fictieve artikelen, voor fictieve personen met een fictieve aansprakelijkheid. Het paarse beleid biedt stof genoeg voor de studentenrevues die in aantocht zijn.

Ernest Claes zei: "Het is om te lachen, maar met een traan in de ogen". Dat is het gevoel dat bij me opkomt als ik zie met welk gebrek aan ernst deze wetgevende problematiek wordt behandeld. Even ondoorzichtig is de situatie die ontstaat door artikel 8 van het ontwerp, dat alle afwijkende aansprakelijkheidsregelingen voor bepaalde categorieën van personeelsleden van openbare rechtspersonen onverlet laat.

Is dat de manier waarop men de mensen klaar wil laten zien in hun verhouding tot de overheid? Een dergelijke bepaling is de ontkenning zelf van de doelstellingen van de wet, namelijk een eenheidsstatuut voor het overheidspersoneel inzake aansprakelijkheid. Met artikel 8 wordt de deur wijd opengezet voor een stortvloed aan afwijkende regelingen die de rechtszekerheid in het gedrang zullen brengen en die noch voor de overheid, noch voor haar personeel, noch voor de bevolking enige meerwaarde hebben.

Samengevat kan ik over het ontwerp maar één ding zeggen: de overheidsaansprakelijkheid verdient veel beter. Het gaat om een dermate belangrijk vraagstuk dat het pijnlijk wordt te moeten vaststellen hoe het op een drafje wordt afgeraffeld. Hoe belangrijker het onderwerp, hoe lachwekkender de afhandeling in de Senaat. Wie van de commissie Binnenlandse Zaken is hier aanwezig? We missen de eeuwige voorzitster van de commissie Binnenlandse Zaken, de eminente mevrouw Lizin, die zich beweegt op de kracht van de kernenergie door plaatsen, duinen en landschappen. Ze komt wellicht straks en we hopen dat ze de Senaat dan in lichterlaaie zet. Maar op dit ogenblik is ze afwezig. Waarom? Omdat het over ernstige zaken gaat, over zaken waarvoor je wat geduld moet opbrengen. In een nieuwe wet heeft elk woord zijn betekenis. Een tekst die het aansprakelijkheidsrecht grondig wijzigt, vereist reflectie en kennis van de materie. Snel de vergaderingen binnen en buiten lopen is daarbij uit den boze. (Men glimlacht)

Bij een onderwerp waarvan we toch van de paarsgroene coalitie hadden verwacht dat ze aandacht zou hebben voor de medeburgers, voor de slachtoffers van de daden van de overheid, is de slordigheid en de juridische onkunde die hier wordt tentoongespreid, onaanvaardbaar. Ik zal daar in mijn amendementen op terugkomen. Het is misschien een kenmerk van revoluties dat ze niet doordacht zijn en spontaan verlopen, maar het is evenzeer een kenmerk van wetgeving die naam waardig, dat ze wel doordacht is en blijk geeft van een minimale coherentie.

Omdat de voorliggend tekst juridisch niet coherent is, geschreven is zonder kennis van zaken, niet tegemoetkomt aan de verschillende vragen die ik in de commissie heb gesteld, kan de CD&V- fractie dit ontwerp onmogelijk goedkeuren. Vanzelfsprekend zijn we het ermee eens dat er geen discriminatie mag bestaan tussen het aansprakelijkheidsrecht in de privé-sector en in de openbare sector, zoals ook blijkt uit meerdere arresten van het Arbitragehof. Daarom zullen we niet tegen het ontwerp stemmen.

Ik wens echter de aandacht te vestigen op het feit dat de toepassing van deze wetgeving aanleiding zal geven tot nieuwe problemen. Het is eens te meer een voorbeeld van het kernpunt van het paarsgroene beleid: de organisatie van de maatschappelijke onzekerheid.

-De algemene bespreking is gesloten.

(De vergadering wordt geschorst om 10.45 uur. Ze wordt hervat om 11.10 uur.)

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Ik stel voor de bespreking van het wetsontwerp betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen even uit te stellen, aangezien de bevoegde minister vastzit in het verkeer, dat vanochtend volkomen chaotisch verloopt. We zullen dan nu de bespreking van het eerste punt van de agenda aanvatten. Wij danken minister Duquesne voor zijn geduld.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Dank u, mevrouw de voorzitter. Ik probeer steeds stipt aanwezig te zijn in de Senaat die ik verlaten heb maar waar ik na de komende verkiezingen hoop terug te keren.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Stuk 2-1367) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 71 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Stuk 2-1368)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Ik stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)

De heer Dallemagne verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Sinds het begin van de jaren negentig hebben internationale conflicten geleid tot een stroom van ontheemden naar de Europese landen, waaronder het onze. Dit heeft de Raad van de Europese Unie ertoe gebracht na te denken over een bescherming van deze personen, zonder de asielprocedure stil te leggen, alsmede over de mogelijkheid om tussen de lidstaten van de Unie een financiële en logistieke solidariteit te organiseren.

Een eerste stap in die richting werd gedaan door een resolutie van 1995 betreffende de opvang en het tijdelijk verblijf van ontheemden. In 1996 werd een alarm- en spoedprocedure gestart voor de verdeling van de lasten van de opvang en het tijdelijk verblijf van deze personen.

De basisvaststelling van de richtlijn waarop het ontwerp gebaseerd is, is dat een massale toestroom van ontheemden in de Unie zo een zware druk op het asielbeleid legt dat specifieke regelingen onontbeerlijk zijn om de betrokken personen onmiddellijk bescherming te kunnen geven en om te voorkomen dat de asielprocedures vastlopen, wat niet alleen nadelig is voor de betrokken lidstaten, maar ook voor diegenen die buiten de massale toestroom asiel vragen.

De richtlijn heeft twee doelstellingen: in de nationale wetgevingen de minimumnormen voor het verlenen van bescherming bij massale toetroom van ontheemden doen implementeren en maatregelen uitwerken om de inspanningen van de lidstaten voor de opvang van deze ontheemden te spreiden. Het ontwerp zet deze doelstellingen om in Belgisch recht.

Het valt evenwel te betreuren dat niet met alle opmerkingen van de Raad van State rekening werd gehouden noch met deze van het leescomité, dat in het verleden al meermaals goede diensten bewezen heeft bij de bespreking van wetsvoorstellen en - ontwerpen. Bovendien voldoet artikel 14, dat in de oorspronkelijke versie verder ging dan de richtlijn, nu niet langer aan die richtlijn. De richtlijn geeft eveneens een bescherming aan de langdurig samenwonende partner, maar het ontwerp vermeldt alleen de echtgenoot.

CD&V is blij met de omzetting van de richtlijn en erkent de noodzaak van een bijkomende bescherming voor deze kwetsbare groep, zeker nu dit in georganiseerd Europees verband kan gebeuren. Wij hebben steeds gepleit voor een regeling van het asielbeleid op Europese vlak. Dit kan een eerste stap zijn.

Op het vlak van migratie- en asielbeleid werden de voorbije jaren veel te weinig structurele maatregelen genomen. De voogdijwetgeving over minderjarige vreemdelingen is de enige structurele maatregen van de meerderheid de voorbije vier jaar. De federale regering bereikte evenwel geen akkoord met de gemeenschappen over de bevoegdheidsverdeling inzake de opvang van niet-begeleide minderjarigen.

Het aantal opvangplaatsen voor onbegeleide minderjarige asielzoekers werd opgetrokken tot ongeveer 350 plaatsen. Door de gemeenschappen werd een beperkt aantal extra plaatsen gecreëerd voor onbegeleide minderjarige niet-asielzoekers.

De opsluiting van minderjarigen in gesloten centra ging onverminderd voort. Het aantal opgesloten minderjarigen steeg, vooral omdat ook volledige gezinnen werden opgesloten. Dat konden we zelf vaststellen tijdens ons recente bezoek aan gesloten centra.

Inzake het statuut van niet-begeleide minderjarigen kwamen er geen nieuwe wetgevende initiatieven. De dienst Vreemdelingenzaken stelde wel een interne nota op over de opdrachten van het bureau Minderjarigen. Die geeft aan dat minderjarigen een tijdelijk statuut in België kunnen krijgen indien geen hereniging met familie of voogd mogelijk is.

De federale regering pakt er graag mee uit dat het aantal asielaanvragen in ons land in 2002 met een kwart is gedaald in vergelijking met vorig jaar, van 24.549 naar 18.805 aanvragen. Deze cijfers staan evenwel in schril contrast met de realiteit. Ikzelf en verschillende collega's en instanties krijgen hoe langer hoe meer te maken met mensen die in België aankomen en die zelfs geen asielaanvraag meer indienen. De regering mag dan wel zichzelf feliciteren en zeggen dat de nieuwe aanpak volgens het principe last in, first out (LIFO) werkt, maar de keerzijde is dat heel wat nieuwe asielzoekers gewoon geen aanvraag meer indienen. We zien dat heel goed aan het aantal mensen dat zich in het zwartwerk stort.

Het aantal asielzoekers dat als vluchteling wordt erkend, daalt wel, maar desondanks schiet het regeringsbeleid zijn doel voorbij.

Het aantal asielzoekers dat om technische redenen uit de procedure wordt gezet, stijgt onrustwekkend. In 2002 werden door het commissariaat-generaal 5.263 asielzoekers om technische redenen uit de procedure gezet. Hun dossier werd gewoon niet inhoudelijk beoordeeld. Ze kregen een negatieve beslissing omdat ze niet opdaagden op een interview, niet antwoordden op een brief, ... Uit eigen onderzoek van dossiers blijkt dat heel wat mensen nooit een uitnodiging voor een interview hebben gekregen. De regering zou er goed aan doen om zelf ook eens na te gaan om welke technische reden mensen uit de procedure worden gezet.

Bovendien blijft de achterstand bij het verwerken van de dossiers enorm. Oude dossiers worden gewoon niet meer behandeld. Daardoor krijgen we geregeld mensen op bezoek die al vier, vijf jaar in het land zijn, maar nog altijd geen antwoord hebben gekregen op hun asielaanvraag. Bij het commissariaat-generaal bedraagt de achterstand nu meer dan 30.000 dossiers. Bij de Raad van State is de achterstand eveneens aanzienlijk en ook bij de vaste beroepscommissie groeit ze. De keerzijde van de LIFO-aanpak is dat asielaanvragen van 1999 en vroeger nu gewoon blijven liggen. Hoelang nog? Misschien tot een nieuwe regularisatie niet meer te vermijden is? Of ziet de minister het nog altijd mogelijk die 30.000 dossiers die al van 1999 en vroeger dateren, nu snel af te handelen?

We moeten in ieder geval ermee ophouden de bevolking voor te liegen dat het vluchtelingenprobleem zich stilaan vanzelf oplost. Iedereen ziet in zijn eigen buurt dat dit niet het geval is. Zelfs in de kleine gemeente waar ik woon, blijven de vluchtelingen toestromen.

De CD&V-fractie heeft altijd gepleit voor een hervorming van de asielprocedure. De regering beloofde bij haar aantreden daar inderdaad werk van te maken. De eerste maanden bezorgde de eerste minister ons een heel pakket met voorstellen. Maar drieëneenhalf jaar later is daar nog heel weinig van gerealiseerd.

Met CD&V in de regering was dat misschien wel gelukt. Wij hebben geprobeerd de minister van Binnenlandse Zaken te ondersteunen, maar hij heeft blijkbaar geen steun gekregen van zijn coalitiepartners. De regering is er niet in geslaagd om snelheid te verzoenen met kwaliteit en rechtvaardigheid. De procedure is bijzonder complex en moet veranderen.

Hoewel er extra personeel werd ingezet, blijven we met een achterstand worstelen. Het gevolg is dat vooral de betere dossiers blijven liggen. De achterstand is het grootst bij de behandeling ten gronde en de oude asielaanvragen zijn hiervan het slachtoffer. De Raad van State kampt met een uitzichtloze achterstand en er dreigt nu ook een probleem te ontstaan bij de vaste beroepscommissie.

De menselijke en maatschappelijke kosten van deze achterstand zijn hoog. Voor de asielzoekers zelf zorgt het lange wachten voor psychische, sociale en materiële problemen. Voor de Belgische overheid brengt de achterstand hoge financiële kosten mee. Een ander gevolg is het zwartwerk. De asielzoekers kunnen immers niet overleven met de beperkte middelen die ze van de overheid ontvangen.

Tot slot heeft de kwaliteit sterk te lijden onder te korte beslissingstermijnen en onder de algemene druk om snel veel dossiers te verwerken. Een en ander wordt aangetoond in het OCIV-dossier De werking van de Belgische asielprocedure. Januari-oktober 2001. Het is belangrijk rekening te houden met de aanbevelingen van OCIV.

De regering is er evenmin in geslaagd een netwerk te scheppen dat procedurebegeleiding garandeert aan elke asielzoeker. Momenteel is de situatie op het vlak van procedurebegeleiding in België verre van bevredigend. De begeleiding door het personeel van opvangcentra en OCMW's is zeer verschillend van aard en kwaliteit en, ondanks veel goede bedoelingen, vaak ontoereikend. NGO's en andere particuliere diensten beschikken over veel te weinig personeel om die taak goed te kunnen uitvoeren.

Ik kom tot de invoering van een bijkomend beschermingsstatuut. Het vluchtelingenverdrag uit 1951 moet in de breedst mogelijke zin worden geïnterpreteerd. Zelfs in dat geval blijven er asielzoekers buiten het toepassingsgebied vallen. De regering stelde eerst een bijkomend beschermingsstatuut in het vooruitzicht - in het kader van de hervorming van de asielprocedure - maar voerde dit nadien af. In 2002 werd uiteindelijk een heel beperkte maatregel genomen: een uitstel van vertrekregeling voor asielzoekers die een niet-terugleidingsclausule krijgen van de commissaris-generaal.

Een aanverwant probleem is dat van de technisch niet-verwijderbaren. Ik vraag me overigens af wat er zal gebeuren indien er oorlog uitbreekt in Irak en er een nieuwe vluchtelingenstroom op gang komt. Vallen die vluchtelingen onder de nieuwe wet? De wet moet natuurlijk eerst gepubliceerd worden.

Hoe gebeurt de inschatting van de situatie in de herkomstlanden? Dit probleem bestond ook in de vorige regeerperiode. Wij hebben vaak op dat probleem gehamerd. Thans wordt de verzamelde informatie gebundeld in rapporten. Deze rapporten zijn niet publiek en zelfs niet beschikbaar voor advocaten of NGO's die asielzoekers begeleiden. De rapporten worden ook niet voorgelegd aan instanties zoals Amnesty International of Human Rights Watch.

Bovendien worden de eindbeslissingen inzake asiel steeds vaker uitsluitend op grond van die rapporten gemotiveerd. Het zou ons inziens goed zijn dat deze rapporten worden ingekeken door personen of organisaties die zich met de asielproblematiek bezighouden.

De opvang van asielzoekers was toe aan bijsturingen en ik moet toegeven dat er zich positieve ontwikkelingen hebben afgetekend. In 2001 werd onder meer het Federaal Agentschap voor de Opvang (Fedasil) opgericht, dat de opvang van asielzoekers moet coördineren en sturen. Het aantal opvangplaatsen steeg. Wij vinden dus niet alles negatief. Wat goed is, is goed. Wij durven dat toe te geven. Het OCIV laakte wel de manier waarop de opvang werd bijgestuurd en wij kregen wel gelijk met onze waarschuwing voor ongewenste negatieve neveneffecten voor de asielzoekers zelf.

Andere belangrijke knelpunten werden echter niet of onvoldoende aangepakt. De concentratie van asielzoekers in slechte huisvesting in de achtergestelde wijken van grootsteden blijft een ernstig probleem. De kwaliteit van opvang en begeleiding tussen en binnen de verschillende opvangmodi blijft sterk uiteenlopen. Bovendien verdwijnen er door de huidige regeling met de vier centra waar asielzoekers tijdens de procedure van Raad van State worden geconcentreerd, nog steeds een ontstellend groot aantal asielzoekers spoorloos.

De regering heeft de voorbije periode heel wat geïnvesteerd in het gedwongen uitwijzingsbeleid. Dit ging ten koste van het aanmoedigen van de vrijwillige terugkeer waarvoor mevrouw de Bethune en ik zelf jarenlang hebben geijverd. Nu moet de vrijwillige terugkeer enkel nog worden gestimuleerd voor die nationaliteiten die niet gedwongen kunnen worden uitgezet. Voor een reeks van nationaliteiten werd de terugkeerpremie afgeschaft. Uitgeprocedeerde asielzoekers krijgen maar vijf dagen tijd om te beslissen vrijwillig terug te keren. Bovendien wordt het Centrum voor Vrijwillige Terugkeer en Ontwikkeling, dat werd opgericht om de vrijwillige terugkeer te stimuleren, door de regering hoegenaamd niet au sérieux genomen. Ik ontmoet hoe langer hoe meer mensen die met de handen in het haar zitten als ze na een jarenlang verblijf in België plots op vijf dagen het land moeten verlaten. Ze krijgen dat niet georganiseerd en verdwijnen uiteindelijk in de illegaliteit.

Ook de druk om de gesloten centra te laten renderen is sterk toegenomen. Lege plaatsen moeten zo snel mogelijk worden opgevuld. De druk om bijkomende plaatsen te creëren in gesloten centra is ook voelbaar.

Wat detentie en gedwongen uitwijzingen betreft, is het gebrek aan een transparante regelgeving en controle flagrant. De controle van de Raadkamer op de detentie is marginaal. Inzake gedwongen uitwijzingen is er niet eens een controlemechanisme.

Er moet een geïntegreerd beleid worden gevoerd om de oorzaken van de vluchtelingenstromen aan te pakken. Al heel lang dringen wij aan op samenwerking met andere departementen, onder andere met Ontwikkelingssamenwerking. In het begin kregen wij nochtans de indruk dat het de minister niet aan goede voornemens ontbrak. Wij hebben zelfs gesprekken gevoerd met staatssecretaris Boutmans.

De gezinshereniging van erkende vluchtelingen met hun partner en minderjarige kinderen is een recht, maar in de praktijk stoten betrokkenen op vele obstakels. Ten einde raad komen deze mensen bij politici terecht, maar wij kunnen hen evenmin helpen. Ik stel ook vast dat heel wat dossiers van gezinshereniging waarin de band tussen ouders en kinderen met DNA-testen is aangetoond, toch geblokkeerd blijven. Ik ken een concreet geval van een gezin dat al twee jaar wacht. Onze diensten weigeren de gezinshereniging en aanvaarden de DNA-testen niet als een bewijs van een bloedband. Moeten wetenschappers misschien nieuwe wetenschappelijke methoden ontwikkelen? Het is schrijnend hoe deze mensen van valse beloften naar echte ontgoochelingen zwalpen.

Ik kom tot het besluit dat, ondanks enkele positieve punten, elke structuur in het asielbeleid van de regering zoek is en dat de regering eigenlijk al vier jaar de problemen voor zich uitschuift.

Hoe meer asielzoekers er zonder enige begeleiding uit de erkenningsprocedure worden gezet, hoe meer illegalen er op het grondgebied zullen vertoeven.

Ik vrees dat we het uitzonderlijke belang van die begeleidingsprocedure moeilijk kunnen inschatten. Er zullen misschien wel geen repercussies zijn in de nabije toekomst, maar over enkele jaren, wanneer de illegale asielzoekers opnieuw `uit de bosjes' zullen komen, zal duidelijk zijn wat er op gang is gebracht. We mogen ook de gevolgen van de algemene achterstand in de behandeling van de dossiers niet onderschatten.

Om af te sluiten volgend voorbeeld uit de praktijk. Een persoon die zich vluchteling verklaart, wordt in het centrum vastgehouden. Wanneer zijn dossier niet binnen een redelijke termijn wordt behandeld, moet het commissariaat de persoon in kwestie in vrijheid stellen, in de hoop dat hij zich later komt aanmelden voor de verdere behandeling van zijn dossier. Wanneer die persoon in vrijheid gesteld wordt, komt hij vaak in één of andere grootstad in het illegale circuit terecht. De plattelandsdorpen en gemeenschappen hebben hier iets minder mee te maken, maar toch stellen we al een zekere doorstroming vast. Iedereen kent wel ergens iemand, ook in de kleinere gemeenten.

Aangezien er geen structurele oplossing wordt geboden, zullen we binnen de kortste tijd een nieuwe en nog meer omstreden massale regularisatie nodig hebben. De huidige regering zal hiervoor de verantwoordelijkheid dragen.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Deze wetsontwerpen tot instelling van een Europees statuut van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden passen volkomen in het humane en evenwichtige asielbeleid dat ik voer sedert mijn ambtsaanvaarding als minister van Binnenlandse Zaken.

Als deze teksten worden aangenomen, zal ik mijn belofte gehouden hebben om een passend statuut uit te werken voor personen die gevlucht zijn voor een oorlogssituatie.

Ik ben in deze aangelegenheid altijd voorstander geweest van een Europese aanpak. In de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken heb ik dan ook krachtig en vastberaden geijverd voor de Europese richtlijn betreffende de tijdelijke bescherming die in juli 2001 werd aangenomen.

Door de regelingen van de tijdelijke bescherming te harmoniseren, wilde de Europese Unie de vergissingen voorkomen die ze tijdens de Kosovo-crisis begaan heeft. Toen hebben de lidstaten zonder overleg regelingen van tijdelijke bescherming ingevoerd en nadien weer afgeschaft. Het gevolg was dat ongelukkigen door Europa begonnen te zwerven en sommigen onder hen het slachtoffer werden van mensenhandel.

Door enerzijds minimumnormen vast te stellen voor het verlenen van een tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en anderzijds maatregelen te nemen om de inspanningen voor de opvang van die personen evenwichtig over de lidstaten te verdelen, heeft Europa blijk gegeven van solidariteit en logica.

Om al die redenen wou ik dat de Europese tekst zo vlug mogelijk in ons recht werd omgezet. Hierdoor is België één van de eerste lidstaten die hun Europese verplichtingen zijn nagekomen.

Concreet voorziet het voorontwerp van wet in het instellen van een beschermingsmechanisme in geval van massale toestroom van ontheemden, zoals personen die gevlucht zijn uit gebieden waar gewapende conflicten woeden of personen die het slachtoffer waren van systematische of algemene schendingen van de mensenrechten.

Het is een aanvulling op het statuut dat voortvloeit uit het Verdrag van Genève inzake vluchtelingen, in die zin dat het niet vooruitloopt op de erkenning van het statuut van vluchteling. De persoon die tijdelijke bescherming geniet, kan steeds een asielaanvraag indienen, die na afloop van de tijdelijke bescherming wordt onderzocht.

Overeenkomstig de Europese richtlijn mag de bescherming voor maximum drie jaar worden toegekend.

Tijdens hun verblijf in België hebben de begunstigden van de tijdelijke bescherming verschillende rechten, inzonderheid inzake sociale bijstand, toegang tot arbeid en onderwijs, en inzake gezinshereniging.

Als de regeling van de tijdelijke bescherming vervalt, kan de terugkeer van die personen worden georganiseerd.

De instelling van een gemeenschappelijke regeling voor Europees asiel kan niet beperkt blijven tot een Europees statuut van tijdelijke bescherming. Het moet mogelijk zijn andere even fundamentele teksten snel om te zetten of aan te nemen, want mijn Europese collega's en ikzelf hebben dezelfde politieke opvatting. We stellen vast dat de asielprocedure in bijna 90% van de gevallen wordt misbruikt, ten koste van degenen die werkelijk nood hebben aan een Europese bescherming.

Mevrouw Thijs kwam terug op de algemene migratie- en asielproblematiek. Ik dank haar voor de nuances die ze heeft aangebracht. Ik heb in de commissie al meermaals op die vragen geantwoord.

Om dit asielmisbruik tegen te gaan, sturen we immigratieambtenaren naar de landen van herkomst om uit te leggen onder welke voorwaarden de Conventie van Genève kan worden toegepast. De betrokkenen zijn immers zeer vaak het slachtoffer van zeer machtige netwerken van mensenhandelaars die er alleen op uit zijn de schaarse bezittingen van deze mensen in te pikken. Ze weten zeer goed dat de asielaanvraag in de meeste gevallen zal worden geweigerd en dat de mensen worden teruggestuurd.

Deze organisaties moeten niet alleen op Belgisch, maar ook op Europees vlak strafrechtelijk worden aangepakt. Ze zijn een van de hoofdoorzaken van de migratiestromen en brengen heel wat criminele randfenomenen met zich mee zoals drugshandel en wapenhandel. Ook hier moeten grote middelen worden ingezet.

De internationale samenwerking moet worden versterkt. Ik begrijp niet waarom niet meer aandacht wordt besteed aan de landen van herkomst van die migratiestromen.

Tijdens het Belgisch voorzitterschap werden al deze thema's besproken op een grote internationale conferentie. De conclusies van die conferentie zullen de komende jaren de leidraad van onze acties zijn.

België heeft grote inspanningen gedaan om nieuwe aanvragen te ontmoedigen. Zo hebben we de financiële hulp, die een grote aantrekkingskracht had, afgeschaft en werd de behandeling van de dossiers versneld zodat de meeste dossiers thans binnen een termijn van twee maanden kunnen worden afgehandeld. Ook werd werk gemaakt van een echt uitzettingsbeleid. Zo konden we merkbare resultaten boeken.

De achterstand bij de Dienst Vreemdelingenzaken werd weggewerkt. Bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen is er nog een achterstand, maar ook die vermindert en zal in de komende jaren geheel verdwijnen. Een nieuwe regularisatiecampagne zal niet nodig zijn.

Bij de Raad van State is nog een grote achterstand, maar het gaat hier om een schijnachterstand. Velen dienen een beroep in bij de Raad van State in de hoop sociale hulp en bijstand te krijgen. Ik heb enkele voorstellen gedaan en enkele teksten laten goedkeuren die een snelle afhandeling mogelijk maken van die beroepen, die enkel een manier zijn om het verblijf in ons land een beetje te rekken zodat de asielaanvragers geloven dat er meer kans is dat hun aanvraag wordt aanvaard of dat ze zullen worden geregulariseerd.

Het aantal asielzoekers is sterk gedaald: met 25 procent tegenover vorig jaar en met 55 procent tegenover het jaar voordien. Tegelijk is het aantal uitzettingen met 40 procent toegenomen. Hieruit blijkt duidelijk dat we vastberaden zijn.

De streven naar grotere samenwerking binnen Europa, niet alleen met het oog op overeenkomsten van wedertoelating, maar ook om een terugkeerbeleid naar het land van oorsprong te voeren.

Zelf ben ik voorstander van een beleid van vrijwillige terug. Alleen als het niet anders kan, moet de terugkeer onder dwang en onder begeleiding gebeuren. In de meeste gevallen keren asielzoekers vrijwillig terug. Dat het aantal teruggekeerden vermindert, heeft natuurlijk ook te maken met de daling van het aantal asielzoekers zelf.

Voor bepaalde landen werd de terugkeerpremie afgeschaft, namelijk voor de kandidaat-lidstaten van de Europese Unie. We gaan ervan uit dat, behalve in uitzonderlijke gevallen, de burgers van deze landen geen reden meer hebben om asiel bij ons aan te vragen. Sommigen hadden een echte carrousel georganiseerd. Ze kwamen naar België om er een terugkeerpremie te verdienen.

Er zijn inderdaad nog altijd illegalen die rondzwerven op zoek naar het meest gunstige regime in Europa, wat erop wijst dat een Europees beleid noodzakelijk is. Velen willen naar Groot-Brittannië omdat ze denken dat ze daar gemakkelijker kunnen onderduiken. Daarom heb ik, samen met mijn Franse collega Nicolas Sarkozy, contact met David Blunkett, de Britse minister van Binnenlandse Zaken. Ook Europa tracht het Verenigd Koninkrijk ervan te overtuigen dat het zijn beleid moet verstrengen. U zal zelf al gemerkt hebben dat de Britse overheid beseft dat ze terzake inspanningen moet doen.

Iedereen is het erover eens dat een strenger beleid nodig is dat kadert in een meer algemeen Europees beleid, met inbegrip van de gemeenschappelijke controle van de buitengrenzen en het uitzettingsbeleid.

Rekening houdend met de conventie van Genève moet een strenger asielbeleid worden gevoerd, moeten doeltreffende, snelle en eengemaakte procedures worden uitgewerkt, procedures die zowel de rechten van de asielzoekers waarborgen als de lidstaten in staat stellen misbruiken en vertragingsmanoeuvres tegen te gaan. Deze procedures moeten snel gaan. Hoe meer tijd verloren gaat, hoe moeilijker uitzetting wordt.

België heeft altijd gepleit voor Europese harmonisering. Dat daarvoor Europese richtlijnen moeten worden goedgekeurd, mag geen voorwendsel zijn voor laksheid.

De harmonisering van de asielwetgevingen van de lidstaten heeft allereerst tot doel asielshopping tegen te gaan en te vermijden dat een of andere lidstaat aantrekkelijker is voor een mogelijke asielzoeker.

Zo zullen we ook de secundaire bewegingen binnen de Unie kunnen beperken.

Sommigen geloven graag of doen graag geloven dat Europa niets doet. Ze vergissen zich: alle lidstaten, en België in het bijzonder, hebben inspanningen gedaan om de doelstellingen van Tampere, die nadien in Laken en Sevilla werden verfijnd, te halen. Europa is dus op de goede weg. Ook al trachten sommige lidstaten soms hun nationale regelgevingen te behouden, allen zijn ze ervan overtuigd dat een gemeenschappelijke aanpak dringend nodig is. Dit probleem kan alleen op Europees vlak worden aangepakt.

Europa heeft in dit domein heel wat vooruitgang geboekt. Naast de richtlijn betreffende de tijdelijke bescherming werden ook de richtlijn tot vaststelling van minimumvoorwaarden voor de opvang van asielzoekers, de oprichting van het Europees Vluchtelingenfonds en de verordening Dublin II goedgekeurd. Ook beslisten alle lidstaten vanaf 15 januari de Eurodac-verordening toe te passen.

Het huidige Griekse voorzitterschap en het toekomstige Italiaanse voorzitterschap hebben duidelijk laten verstaan dat ze het beleid van hun voorgangers willen voortzetten door de goedkeuring van twee nieuwe richtlijnen inzake asielbeleid. De ene betreft de voorwaarden voor de toekenning van de vluchtelingenstatus of de internationale beschermingsstatus, de andere betreft de asielprocedures. Eens deze teksten zullen zijn goedgekeurd, zullen we een van de doelstellingen van Tampere, namelijk een gemeenschappelijk Europees asielregime, hebben bereikt.

Het is niet aangewezen om in deze materie als individueel land maatregelen te nemen omdat het dan moeilijker wordt om op Europees vlak normen aan te nemen. Telkens een nationaal parlement van een lidstaat nieuwe maatregelen inzake asielbeleid goedkeurt, moet men ervan uitgaan dat die lidstaat die maatregelen op Europees vlak verdedigt en niet bereid is aanpassingen te aanvaarden of toegevingen te doen. Deze teksten moeten door alle lidstaten unaniem worden goedgekeurd. Een kleine toevoeging aan de nationale wetgeving of een compromis over een kleinste gemene deler is geen oplossing omdat dan zowat niets zou worden geharmoniseerd. Volgens Europees commissaris António Vitorino elke Europese beslissing een meerwaarde inhouden tegenover de situatie in de afzonderlijke lidstaten. De individuele belangen moeten worden afgewogen en er moet een akkoord worden bereikt over een gemeenschappelijke sokkel. Dat is de Belgische houding tijdens de onderhandelingen. Het gaat er niet om dat we onze ideeën, principes en prioriteiten afzweren, maar dat het gemeenschappelijk belang van alle lidstaten primeert op het belang van een individuele lidstaat.

Ik ben ervan overtuigd dat de Senaat deze wetsontwerpen zal goedkeuren. Ze betekenen niet alleen een stap voorwaarts in de richting van een Europees asielbeleid, maar bieden ook afdoende bescherming aan duizenden sukkelaars die voor conflicten op de vlucht moeten.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Volgens de minister is de achterstand in de behandeling van de dossiers weggewerkt. Toch zijn sommige oude dossiers van vóór 1990 nog steeds niet afgerond. Ik dring erop aan dat daartoe het nodige wordt gedaan.

Voorts zouden er minder nieuwe vluchtelingen worden geteld. Volgens de statistieken klopt die bewering, maar uit getuigenissen van politiediensten en OCMW's blijkt dat veel vluchtelingen geen asielaanvraag meer indienen wanneer ze ons land binnenkomen.

De heer Georges Dallemagne (CDH). - Ik verontschuldig me omdat ik vanmorgen niet aan de bespreking kon deelnemen.

Mijn fractie is blij met de omzetting van deze Europese richtlijnen in onze wetgeving omdat hierdoor de tijdelijke bescherming van ontheemden die op de vlucht zijn voor de oorlog wordt verbeterd.

Toch wil enkele opmerkingen maken.

Allereerst had ik gewild dat de Senaat deze zaak nog grondiger had besproken vooraleer een Europese richtlijn in onze wetgeving om te zetten. Het had een belangrijke en interessante discussie kunnen zijn.

Dit soort van discussies vindt meer en meer op Europees niveau plaats. De lidstaten nemen er actief aan deel en de minister van Binnenlandse Zaken heeft ons verzekerd dat hij hieraan veel belang hecht.

Met de commissievoorzitter zijn we overeengekomen de minister van Binnenlandse Zaken geregeld te ontmoeten om te weten welke standpunten België in de Europese commissie Justitie en Binnenlandse Aangelegenheden zal innemen en eventueel vooraf een debat daarover te houden. Dat gebeurt soms in de Kamer, maar ook de Senaat heeft met een reeks wetsvoorstellen aangetoond dat hij al heel lang in deze problematiek geïnteresseerd is. Het zou dan ook nuttig zijn de Senaat nauw bij deze besprekingen te betrekken.

Deze wetsontwerpen betekenen een belangrijke vooruitgang omdat tijdelijke bescherming niet onder het Verdrag van Genève valt. Het aantal personen dat het statuut van vluchteling aanvraagt in het kader van het Verdrag van Genève zal daardoor verminderen en we zullen een oplossing kunnen vinden voor de uitermate ernstige menselijke problemen die zich soms aan onze grenzen voordoen.

Ik heb in de commissie al gezegd dat deze bepalingen in sommige gevallen niet van toepassing zullen zijn, bijvoorbeeld wanneer alleen België een toevloed van ontheemde personen kent. Ik heb het voorbeeld aangehaald van Rwanda, van waaruit enkele honderden personen naar ons land kwamen. Het is weinig waarschijnlijk dat het Europese niveau zich in een dergelijke situatie aangesproken voelt en dat Europese solidariteit zich opdringt. Vandaag beschikken we nog niet over een stevige wettelijke basis om dit soort kwesties aan te pakken.

Mijn fractie zal deze wetsvoorstellen natuurlijk wel goedkeuren.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Stuk 2-1367) (Evocatieprocedure)

(Voor de tekst verbeterd door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 2-1367/3.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van artikel 71 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Stuk 2-1368)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-2045/3.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Ik stel voor de bespreking van het wetsontwerp houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid tot vanmiddag uit te stellen. (Instemming)

Wetsontwerp betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen (Stuk 2-1357) (Evocatieprocedure)

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1736/5.)

De voorzitter. - Op het opschrift heeft de heer Vandenberghe c.s. amendement 8 ingediend (zie stuk 2-1357/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement 8 strekt ertoe het opschrift te wijzigen.

Nu de minister van Ambtenarenzaken aanwezig is, zal ik de belangrijkste punten van mijn uiteenzetting even herhalen.

Ik heb in de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden vragen gesteld die werden beantwoord op een tijdstip dat ik in een andere commissie aanwezig moest zijn. De drie voorwaarden van het klassieke drama - eenheid van persoon, plaats en tijd - waren dus niet vervuld. De minister herinnert zich ongetwijfeld nog wat we in dat verband over Racine hebben geleerd.

Sommige elementen uit mijn vragen werden niet beantwoord. Ik ben niet van plan de discussie die we hierover in de commissie hebben gehad, te hernemen, maar ik wil toch dit ene voorbeeld aanhalen: de draagwijdte van het arrest van 1997 van het Hof van Cassatie over de aansprakelijkheid van de organen, waarbij de immuniteit van de organen in het leven werd geroepen en de weerslag ervan op het systeem.

De regering antwoordt dat met de term organen niet de zelfstandige organen worden bedoeld. De institutionele organen zouden bijgevolg buiten de wet vallen. De aangestelde organen vallen onder de toepassing van artikel 1384. Ik heb er in dat verband op gewezen dat in het openbaar ambt het misbruik van de functie verbrekend is. Volgens artikel 1384 is dat evenwel niet het geval. Men kan zich afvragen of dat een uiting is van de paarse cultuur van `alles mag, alles kan'. De basisregel dat de overheid niet aansprakelijk is wanneer een orgaan van de overheid misbruik maakt van zijn functie, wordt veranderd in een regeling die bepaalt dat de overheid wel degelijk aansprakelijk is. Volgens mij is dat betwistbaar. Het is niet mogelijk alle punten te herzien, maar ik ben van oordeel dat de wet onvolledig is. Als het stemgedrag van de kiezers wordt beïnvloed door de goedkeuring van deze wet, zullen we na de verkiezingen de gelegenheid krijgen de positieve ideeën die we tijdens deze regeerperiode hebben naar voren gebracht, eindelijk te realiseren.

De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Ik dank de heer Vandenberghe voor zijn essentiële bijdrage tot het debat. Ik heb in grote lijnen proberen te antwoorden op zijn vragen, maar jammer genoeg kon hij toen niet aanwezig zijn. Daardoor werd het een niet klassiek drama, dat we aan het Hof niet zouden mogen opvoeren omdat het niet beantwoordde aan de regels van de eenheid van tempus, actio, actores en locus. In die omstandigheden is het debat wel enigszins verarmd. We hebben inderdaad niet de verantwoordelijkheid van alle mogelijke actores geregeld in dit ontwerp. We hebben ons gealigneerd op een gelijkaardige situatie in het arbeidsrecht. In een aantal gevallen betekent dit inderdaad een versoepeling voor het individu en een verzwaring van de last voor de organisatie. Dat is uiteraard de prijs die we bewust betaald hebben en in dat opzicht kan men van mening verschillen.

Ik twijfel er niet aan dat ook deze wet nog kan worden verbeterd. Toch hebben we een belangrijke stap gezet voor een eenduidige regeling, zodat er geen discussie meer over mogelijk is. Ook de rechtszekerheid die we het vrij onderwijs hebben geboden is een belangrijke stap. We spreken ons in het ontwerp niet uit over het feit of de betrekking contractueel of pseudo-statutair is. Het ontwerp kan dus niet worden gebruikt bij een discussie over de natuur van een betrekking in het vrij onderwijs. Het is voor elkeen belangrijk dat we daar niet aan raken, het is trouwens onze bevoegdheid niet.

De voorzitter. - Artikel 2 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe c.s. amendement 1 ingediend (zie stuk 2-1357/2) dat luidt:

Artikel 3 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe c.s. amendement 2 ingediend (zie stuk 2-1357/2) dat luidt:

Artikel 4 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe c.s. amendement 3 ingediend (zie stuk 2-1357/2) dat luidt:

Artikel 5 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe c.s. amendement 4 ingediend (zie stuk 2-1357/2) dat luidt:

Artikel 6 luidt:

De heer Vandenberghe c.s. stelt voor dit artikel te schrappen (amendement 5, zie stuk 2-1357/2).

Artikel 7 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe c.s. amendement 6 ingediend (zie stuk 2-1357/2) dat luidt:

Artikel 8 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe c.s. amendement 7 ingediend (zie stuk 2-1357/2) dat luidt:

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Wetsontwerp houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en om medisch onverklaarbare redenen overlijden van een kind van minder dan achttien maanden (Stuk 2-409) (Tweede behandeling)

Algemene bespreking

Mevrouw Ingrid van Kessel (CD&V), rapporteur. - Dit wetsvoorstel werd in de Senaat al behandeld op 29 november 2001. Op 3 december 2001 werd het wetsontwerp overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, die het op haar beurt heeft geamendeerd. Het wetsontwerp zoals het nu voorligt werd door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden besproken en, na amendering, aangenomen op 8 januari 2003. Daarvan wil ik graag verslag uitbrengen, maar eest wil ik een opmerking maken met betrekking tot het opschrift.

De Taaldienst suggereert dat om de Nederlandse tekst in concordantie te brengen met het Frans, in het opschrift het woord `onverklaarbare' moet vervangen worden door `onverklaarde'. Als rapporteur zou ik daarmee instemmen, het lijkt mij een goede aanpassing.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ik wil geen uitspraak doen ten voordele van deze of gene formulering, maar ik denk dat men moet kijken wie de indieners waren en vanuit welke taal ze vertrokken zijn.

Mevrouw Ingrid van Kessel (CD&V). - Ze zijn vertrokken vanuit het Frans en de aanpassing strekt ertoe de Nederlandse tekst daarmee in concordantie te brengen: in het Frans staat er `inexpliqué' en als germanist vind ik ook dat `onverklaarde' beter is dan `onverklaarbare'.

Tijdens de tweede bespreking in de Senaatscommissie diende de heer Monfils c.s. een amendement in dat ertoe strekt artikel 3 van het wetsontwerp, zoals het werd teruggezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers, te vervangen door de tekst die door de Senaat tijdens de eerste behandeling werd aangenomen.

De heer Remans verwijst naar de unanimiteit die er tijdens de eerste behandeling bestond in de Senaatscommissie voor de Sociale Aangelegenheden omtrent het recht van de ouders om een autopsie aan te vragen in geval van een onverwacht en medisch onverklaard overlijden van hun kind en over de verplichting voor de arts hen hierover in te lichten, zonder dat de uitvoering van de autopsie echter een automatisme wordt. Hoewel dit laatste element in het initiële wetsvoorstel werd opgenomen, ontstond ingevolge de besprekingen in de Senaatscommissie een consensus om dit te wijzigen.

De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft twee aanpassingen doorgevoerd: niet enkel werd de periode van één jaar op achttien maanden gebracht, maar bovendien werd de tekst in die zin aangepast dat de autopsie toch automatisch gebeurt. Amendement nr. 64 van de heer Monfils c.s. wil nu de consensus die in de Senaatscommissie bestond herstellen en strekt er bijgevolg toe om het automatisme te schrappen uit artikel 3 van het wetsontwerp.

De heer Remans herinnert aan de argumenten die tijdens de bespreking in de Senaat naar voren werden gebracht en waarbij meerdere leden zich hebben aangesloten: de bekommernis om de ouders hun verdriet te laten verwerken, de vrijheid die in hunnen hoofde moet bestaan om te weten maar ook om niét te weten en het gegeven dat de medische informatie die door de autopsie wordt ingewonnen slechts in uitzonderlijke omstandigheden voor een afdoende verklaring voor het overlijden kan zorgen. Het argument, dat het automatisch uitvoeren van een autopsie kan zorgen voor de vooruitgang in de medische wetenschap is belangrijk, maar weegt volgens spreker en een aantal andere leden niet op tegen de rechten van de patiënt die een informed consent vereisen. In tegenstelling tot wat sommigen beweren, is ook uit de bespreking in de Kamer van volksvertegenwoordigers niet gebleken dat deskundigen aandringen op een dergelijk automatisme; wel dringen zij aan op een automatisme in de communicatie van de arts met de betrokken ouders over het `waarom' van de vanzelfsprekendheid van een autopsie.

De verplichte informatie aan de ouders moet hen toelaten met kennis van zaken de uitvoering toe te staan of te weigeren. Meerdere leden vonden het heel belangrijk dat een expliciete toestemming van de ouders vereist was en de autopsie niet automatisch gebeurt.

Volgens de heer Vankrunkelsven pleitten experts die in de Kamer werden gehoord, wel voor een automatische uitvoering. Niet iedereen was het daarmee eens.

De heer Barbeaux en ook mevrouw van Kessel dienen een amendement in dat dezelfde draagwijdte heeft als het amendement van de heer Monfils c.s.

De heer Destexhe herinnert eraan dat het initiële wetsvoorstel van zijn hand werd aangepast in functie van de bespreking in de senaatscommissie teneinde in deze commissie een consensus te bereiken. Hij stelt vast dat de amendementen die de Kamer na grondige bespreking heeft aangenomen, opnieuw in de richting gaan van de initiële tekst.

Mevrouw Van Riet treedt de mening van de heer Destexhe bij.

Het aldus geamendeerde wetsontwerp werd aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

De voorzitter. - Ik wil er nu al op wijzen dat alleen amendementen ingediend kunnen worden op artikelen die de Kamer heeft geamendeerd. Dit belet niet dat in de algemene bespreking het geheel van het ontwerp bespreekbaar is.

De heer Jan Remans (VLD). - Het initiële wetsvoorstel van de heer Destexhe om systematisch een autopsie te doen, werd grondig gewijzigd in de senaatscommissie Sociale Aangelegenheden.

Ik spreek vooreerst mijn respect uit voor collega Destexhe, die de evidentie van een autopsie na wiegendood ter sprake heeft gebracht, maar die ook begrip getoond heeft bij de wijziging van zijn initieel voorstel, wijziging die goedgekeurd werd eerst door de senaatscommissie en later door de plenaire vergadering van 29 november 2002, telkens zonder één enkele tegenstem.

Toch heeft de Kamer van Volksvertegenwoordigers opnieuw de autopsie na wiegendood vrijwel verplicht. Alleen als de ouders zich uitdrukkelijk verzetten, kan het niet.

Precies deze opstelling vindt een meerderheid van de senaatscommissie Sociale Aangelegenheden onverantwoord. Ook ik huiver bij een dergelijke onmenselijke verplichting.

Het amendement 64 dat de heren Monfils, Malmendier en ikzelf hebben ingediend bij de evocatie, werd goedgekeurd in de senaatscommissie van 8 januari met 10 stemmen tegen 1 bij 1 onthouding. Dit bewijst dat de Senaat aan zijn visie vasthoudt en dat het bicamerisme wel degelijk een bestaansreden heeft. De druk op de Kamer is des te groter omdat het in deze legislatuur de eerste keer is dat een voorstel, dat gewijzigd werd in de Kamer, na evocatie mogelijk opnieuw geamendeerd naar de Kamer zal worden teruggestuurd.

Ik hoop dat de kamerleden de verslagen zullen lezen en rekening zullen houden met de visie van de senatoren, die de voorbije vier jaar heel wat ervaring hebben opgedaan inzake ethische problemen.

Het doel van het wetsvoorstel is drieledig. Ten eerste wil het de ouders `helpen' de oorzaak van het overlijden te achterhalen, wat een positieve invloed kan hebben op het rouwproces. Vervolgens wil het de artsen `helpen' hun taak te vereenvoudigen omdat ze niet langer worden verplicht een akkoord `af te dwingen' op een pijnlijk moment van groot verdriet. Ten slotte zullen het onderzoek en de preventie van wiegendood worden bevorderd.

Om die drie doelstellingen te bereiken is geen verplichte of automatische autopsie nodig na het onverwachte en medisch onverklaard overlijden van een kind van minder dan 18 maanden.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Ten eerste willen we de ouders en de zorgsverstrekkers helpen. Die hulp houdt in dat een goede organisatie moet worden uitgebouwd om de ouders goed op te vangen, te begeleiden en de voordelen van een autopsie uit te leggen. De voornaamste voorwaarde daartoe is dat enkele ervaren personen zich onbeperkt en voor deze opvang onvoorwaardelijk kunnen vrijmaken. De ouders hebben voorrang op artsen en wetenschappers.

De informed consent is een fundamenteel patiëntenrecht. Voor elke medische akte wordt de informed consent van de patiënt verwacht. Een autopsie is een ingrijpende medische akte. Ook al is het voorstel van een medische akte evidence-based medicine, dit impliceert nog niet dat deze handeling `systematisch' dient te gebeuren, maar wel dat de informatie systematisch gebeurt. Dit geldt ook voor een autopsie.

Als de autopsie een automatisme wordt, tenzij de ouders expliciet en met een handtekening weigeren, dan is ze geen verrijking in de procedure voor de informed consent.

In het verleden kon het voorstel voor autopsie overkomen als een agressie op de ouders, maar nu kan ook de melding van de systematische autopsie als een agressie overkomen, want het gevaar van gebrek aan dialoog tussen ouders en zorgverstrekkers blijft dan even groot.

In de Kamer van Volksvertegenwoordigers werden de getuigenissen van experts die spraken over een `vanzelfsprekendheid', geïnterpreteerd als `automatisme'. Dat is niet hetzelfde: een `vanzelfsprekendheid' van de autopsie is niet hetzelfde als een verplichting voor de ouders om een papier van weigering te ondertekenen.

Wat is belangrijk? De verplichting tot communicatie en begeleiding bij de wiegendood, de verplichting om de ouders te informeren over het waarom van de vanzelfsprekendheid van een autopsie.

Een vanzelfsprekendheid is nog geen verplichting. Het recht van toestemming en het recht van weigering zijn vanzelfsprekend. In die situatie zullen de ouders wel goed moeten worden begeleid en zal de informed consent zijn echte betekenis invullen.

De motivatie voor een goede communicatie van de zorgverstrekkers wordt gegarandeerd. Zo moet de toelating of de weigering tot autopsie specifiek in het dossier worden genoteerd. Ook bepaalt de regelgeving dat de vermelding `wiegendood' op het overlijdenscertificaat slechts kan geschreven worden in geval van autopsie.

Ik zeg dit uit respect voor de wet op de patiëntenrechten, vanuit mijn overtuiging als arts, op basis van het advies van de voorzitter van de Wetenschappelijke Vereniging voor Huisartsen, op basis van contacten met de zorgverstrekkers en referentiecentra, en vooral op basis van persoonlijke contacten met ouders die de wiegendood meegemaakt hebben.

Die overtuiging blijft, ook na het lezen van het verslag over de besprekingen in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. In welke mate hebben de volksvertegenwoordigers onze argumentatie gelezen? Om welke redenen hebben ze het advies van experts en patiëntengroepen op een andere manier geïnterpreteerd dan de senatoren?

In het verslag van de rapporteur tijdens de plenaire senaatszitting van donderdag 29 november 2002 over het nieuwe wetsvoorstel lees ik: "Het voorstel verplicht de arts de ouders er op te wijzen dat ze recht hebben op een autopsie, maar de leden waren het er ook mee eens dat de ouders niet verplicht kunnen worden een autopsie te laten uitvoeren en dat ze een dergelijke verplichting als zeer bedreigend kunnen ervaren. We hebben dus geprobeerd een te onderlijnen maximale omkadering en een maximale stimulans te geven zonder de ouders ooit te verplichten." Einde citaat.

Het geamendeerde wetsvoorstel helpt de ouders en de zorgverstrekkers in hun communicatie, maar het helpt eveneens de andere doelstelling, het onderzoek.

Sedert de preventiecampagne in 1995 blijft het aantal wiegendoden in Vlaanderen schommelen rond gemiddeld iets meer dan 40: 44 in 1996, 46 in 1997, 42 in 1998, slechts 34 in 1999 en 42 in 2000, het laatst beschikbare cijfer. De cijfers in Brussel en Wallonië zijn vergelijkbaar. Dus gaat het in totaal om jaarlijks ongeveer 100 gevallen van wiegendood in België.

In ons land zijn 67 referentiecentra: twee in Aalst, Leuven, Luik, Mons, Namen, Roeselare en Doornik, zes in Gent en tien in Brussel. Wat een versplintering van energie en een verlies aan ervaring! Waar halen de referentiecentra hun ervaring als per centrum jaarlijks nog niet één expertise wordt uitgevoerd? Volgens de cijfers wordt immers slechts bij 30 tot 50% van de wiegendoden een autopsie uitgevoerd, wat evenwel met informed consent zal verhogen tot 50 à 80%, het percentage van de ons omringende landen, die werken met een vergelijkbare vorm van informed consent. Daarom vraag ik te investeren in de communicatie en begeleiding van de ouders en in de deskundigheid van een beperkt aantal centra, geografisch en demografisch verdeeld over het land.

Het koninklijk besluit van 22 juli 1991 ter vaststelling van de normen waaraan de ziekenhuizen en de diensten moeten voldoen voor preventie en diagnose van wiegendood, werd om procedurele redenen vernietigd door de Raad van State in het arrest 58.398 van de Raad van State op 23 februari 1996. Sedertdien gebeurde niets meer op dit vlak. Ik verzoek de minister dan ook zonder uitstel maatregelen te nemen, opdat de centra zouden voldoen aan de normen op het vlak van kwaliteit en expertise, niet louter anatomo-pathologisch, maar ook en vooral op het vlak van informatie van en communicatie met de ouders.

Niet het absolute aantal onderzoeken maken de statistieken zinvol, maar wel een voldoende aantal. Expertise vereist ervaring. Het toenemen van ervaring behoeft niet te komen uit een automatisme van de autopsie. Kwaliteit en ervaring kunnen veel meer in de hand worden gewerkt door een beperking van het aantal referentiecentra.

In dit verband heb ik nog een tweede vraag voor de minister van Volksgezondheid en voor zijn collega van Sociale Zaken. Waarom maken ze niet een tegemoetkoming mogelijk voor de kosten van een autopsie na een onverwacht en medisch onverklaard overlijden van ook anderen, ik meen oudere kinderen, adolescenten of volwassenen? Uiteraard op voorwaarde van een informed consent, als dichte verwanten om een autopsie vragen. Ik ken gevallen van kinderen die via een autopsie te weten wilden komen waaraan hun onverwacht overleden ouder precies was gestorven en die hun vraag afgewezen zagen. Ze wilden de doodsoorzaak kennen, onder andere met het oog op preventie bij henzelf. Nu kan een autopsie in een dergelijk geval heel moeilijk en bestaat er in ieder geval geen tegemoetkoming. Nochtans is een autopsie in die gevallen even belangrijk als bij het onverklaard overlijden van kinderen minder dan 18 maanden oud.

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - Het hoeft niet nog eens gezegd dat een kind verliezen een verscheurend drama is, zeker als dat gebeurt door wiegendood. De ouders staan dan ook voor een raadsel, want hun kind is gestorven zonder enige aanwijzing, zonder dat ze het ziektebeeld kennen en bovendien totaal onverwacht. Daarom laat wiegendood de ouders, zoals het zo treffend verwoord staat in het verslag van de Kamer, wezenloos achter.

Dit wetsontwerp is een echte evenwichtsoefening, niet alleen inzake de vraag of we autopsie verplicht maken dan wel overlaten aan de vrije keuze van de ouders, maar ook een evenwichtsoefening tussen Kamer en Senaat.

Over een paar artikelen zijn de twee kamers het wel eens. De autopsie moet plaatsvinden in een erkend centrum. Dat moet niet alleen garanderen dat de autopsie goed en efficiënt en vooral met veel respect voor het lichaampje van het kind gebeurt, maar ook dat er begeleiding van de ouders is, voor, tijdens en na de autopsie.

Over één artikel zijn Kamer en Senaat het fundamenteel oneens. Maken we autopsie verplicht of laten we de autopsie over aan de vrije keuze? Alleen autopsie kan een verklaring geven voor wiegendood, maar dikwijls beginnen ouders zich pas na een paar weken of maanden af te vragen waaraan hun kind is gestorven. Ze willen dan een antwoord op hun vragen, alvorens aan een tweede of derde kind te beginnen.

Het grote voordeel van de verplichte autopsie is dat ze dan zo goed als altijd gebeurt. De arts kan de ouders dan nog altijd informeren dat ze het recht hebben van een autopsie af te zien. Dat is de keuze van de Kamer. De Senaat heeft zowel bij de eerste als bij de tweede bespreking een andere keuze gemaakt. Wij verplaatsen ons als het ware in de huid van de ouders en laten hen de vrije keuze. Dat moet echter een goed geïnformeerde keuze worden en daarom moet de arts de ouders helpen bij hun reflectie, zodat het echt hun keuze is als ze een autopsie willen. Ik twijfel er niet aan dat veruit de meeste ouders voor autopsie zullen kiezen.

Door de rechten van de ouders centraal te zetten, zoals we dat ook gedaan hebben met de rechten van de patiënt, heeft de Senaat de juiste keuze gemaakt. De Agalev-fractie geeft dan ook zijn volle steun aan het wetsontwerp zoals het door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is gewijzigd en goedgekeurd.

De heer Paul Galand (ECOLO). - We wilden terugkeren tot het standpunt waarover in de Senaat een consensus was bereikt. Ik dank mevrouw De Roeck en de heer Remans voor hun goed onderbouwde uiteenzetting.

De commissie voor de Sociale Aangelegenheden heeft niet zonder meer teruggegrepen naar haar tekst die in de plenaire vergadering met een ruime meerderheid was goedgekeurd. We hebben rekening gehouden met het debat in de Kamer. We stellen de menselijkheid niet tegenover het onderzoek. We willen de dialoog centraal stellen, niet met het oog op een eventuele weigering door de ouders maar met het oog op hun toestemming.

In de tekst van de Senaat worden de dialoog en de begeleiding van de ouders benadrukt. De ouders mogen niet de indruk hebben dat hun overleden kind `in de handen' van een arts is en in hun verdriet moeten ze kunnen weigeren. Het is hún kind dat overleden is. Zij moeten instemming geven na een dialoog, waarbij ook wordt ingegaan op hun verdriet.

Het argument dat het voor de ouders moeilijk is een beslissing te nemen omwille van hun verdriet geldt zowel voor een weigering als voor een toestemming.

De senatoren wilden erop wijzen dat de beslissing het resultaat moet zijn van een dialoog waaraan de nodige tijd wordt besteed.

Het is goed dat de heer Remans respect vraagt voor de wet op de patiëntenrechten. We hebben die wet goedgekeurd na langdurige debatten. We kunnen dan ook niet van mening veranderen in deze bijzonder pijnlijke en moeilijke aangelegenheid.

De Kamer heeft onbewust voor een gemakkelijkheidsoplossing gekozen. In deze dramatische omstandigheden moeten we dat vermijden. De minister moet ervoor zorgen dat de medische begeleidingsteams over voldoende tijd, middelen en kwaliteitscriteria beschikken om die door de senatoren gewenste dialoog ouders-artsen tot een goed einde te brengen.

De heer Michel Barbeaux (CDH). - Mijn interventie sluit aan bij deze van mevrouw De Roeck en van de heer Galand.

Voor een gezin is het overlijden van een baby natuurlijk onaanvaardbaar. In België worden jaarlijks een honderdtal gezinnen getroffen door het plotse overlijden van een baby. We moeten er alles aan doen om dit aantal te verminderen.

Niemand zal ontkennen dat een autopsie op een overleden zuigeling belangrijk is om de doodsoorzaak te kennen en de medische kennis over dit syndroom vooruit te helpen.

We ontkennen evenmin dat de autopsie en de mededeling van de resultaten ervan de ouders kan helpen het overlijden te aanvaarden zodat het rouwproces kan beginnen.

Maar een automatische autopsie bij elk onverwacht overlijden, zoals de tekst van de Kamer voorschrijft, is voor ons onaanvaardbaar omdat daardoor het wetenschappelijke belang gaat primeren boven het menselijke aspect.

Het onverwachte overlijden van een zuigeling betekent in de eerste plaats lijden, een verschrikkelijke pijn voor de ouders. We vinden dat met deze pijn meer rekening moet worden gehouden dan met het eventuele wetenschappelijke belang.

Tijdens de uren die volgen op het overlijden van het kind zijn de ouders bijzonder kwetsbaar en moeten ze begeleid worden. Zeker in hun relatie tot de wetenschappers zijn ze de meest kwetsbare partij en moeten ze beschermd worden.

Mevrouw van Kessel heeft goed verslag uitgebracht over de commissiewerkzaamheden. De CDH-fractie vindt het onaanvaardbaar dat een autopsie wettelijk wordt opgedrongen en dat de ouders deze uitdrukkelijk moeten weigeren.

Na verschillende experts gehoord te hebben, is de meerderheid van de senaatscommissie Sociale Aangelegenheden van oordeel dat de begeleiding van de ouders in het rouwproces impliceert dat de arts hen meedeelt dat een autopsie hen meer informatie kan verschaffen over de doodsoorzaak. De ouders moeten hierin vrij gelaten worden; overigens zullen ze heel vaak een autopsie vragen om te weten waaraan hun kind gestorven is.

Het medisch en wetenschappelijk corps moet zich aanpassen aan de ouders en niet omgekeerd. Het verheugt ons dan ook dat de meerderheid van de commissieleden zich voor het initiële voorstel heeft uitgesproken. De CDH-fractie zal het opnieuw geamendeerde ontwerp goedkeuren.

Mevrouw Ingrid van Kessel (CD&V). - Een kind verliezen door wiegendood is afschuwelijk. De doelstelling van het wetsvoorstel bestaat erin de reden van dit onverklaarbare overlijden te achterhalen. Ik onderschrijf volmondig die doelstelling.

Volgens deskundigen zullen de meeste ouders ingaan op de vraag om een autopsie te laten uitvoeren op hun overleden baby indien de arts de tijd neemt om op een tactische manier een gesprek over autopsie te voeren en de redenen ervan uit te leggen. Manu Keirse zei dat ook in de commissie. De ouders vragen zich immers zelf af waarom hun baby overleden is.

In de verslagen van de Kamer wordt vermeldt dat een heleboel artsen uit schroom de vraag over een autopsie niet durft te stellen. Het gesprek over autopsie is heel moeilijk, maar het is verkeerd als de arts die vraag niet stelt. De verplichting om de ouders te informeren over de mogelijkheid tot autopsie is dus op zijn plaats. Verplichting is echter niet op zijn plaats voor wat de autopsie zelf betreft. In het ontwerp dat van de Kamer gekomen is, staat - net zoals in het initiële voorstel van de heer Destexhe - dat bij overlijden een autopsie moet worden uitgevoerd, tenzij de ouders er zich tegen verzetten. Dit gaat te ver.

De ouders moeten centraal staan. Het is goed dat het wetsvoorstel opnieuw werd aangepast. Er werd rekening gehouden met de bespreking in de Kamer. Wij vinden het wetsvoorstel dat is aangepast door de Senaat beter omdat het tegemoet komt aan het bereiken van de doelstelling om meer autopsies te laten uitvoeren, terwijl de ouders toch centraal staan. Het is een evenwichtiger voorstel dan het voorstel van de Kamer. Wij zullen het huidige wetsvoorstel steunen.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Zowel in de Senaatscommissie als in de Kamer was het debat sereen. Als bevoegd minister denk ik dat de regering de tekst van de Senaat kan steunen. Wij delen uw bekommernis en argumentatie immers ten volle.

De verantwoording van de heren Monfils, Remans en Malmendier bij hun amendement op artikel 3 zou ik echter graag gecorrigeerd zien om te voorkomen dat er later misverstanden ontstaan. De laatste zin van deze verantwoording luidt als volgt: "In de Senaatscommissie had de minister trouwens zelf aangegeven dat die oplossing hem een aanvaardbaar compromis leek tussen het respect voor de rouw van de ouders en het belang van het wetenschappelijk onderzoek." De woorden zijn van mijn voorgangster, maar men heeft mij laten weten dat haar eerste bekommernis niet het belang van het wetenschappelijk onderzoek was, maar wel de vaststelling dat op het ogenblik van het overlijden ouders zich vaak niet bekommeren om de doodsoorzaak en het onderzoek ernaar, maar die vraag op een later ogenblik in het rouwproces wel stellen. Als er dan geen autopsie werd uitgevoerd, kunnen zij geen antwoord meer krijgen op hun vraag.

Centraal stond dus de eerbied voor de rouw op het ogenblik van het overlijden en de bekommernis om te kunnen antwoorden op de vraag naar de doodsoorzaak. Op grond van de beschikbare gegevens kan er uiteraard ook wetenschappelijk onderzoek worden gevoerd. Wij bekijken het echter vanop het standpunt van de ouders. Deze correctie aan de verantwoording wijzigt overigens niets aan de wettekst zelf.

Voorts kan ik volledig instemmen met de verschillende leden.

De vragen van de heer Remans zal ik tot de mijne maken. Kunnen 67 referentiecentra wel expertise opbouwen als ze maar één expertise per jaar of nog minder uitvoeren? Dat probleem rijst soms ook in andere domeinen. Iedereen wil graag hét centre de référence zijn, maar kwaliteit is nu eenmaal gedeeltelijk gelinkt aan het aantal gevallen. Niet iedereen kan aan de kwaliteitsnorm voldoen. Dat probleem zal in een volgende zittingsperiode worden aangepakt.

Aangezien de wet toch aandringt op het uitvoeren van een autopsie wordt er terecht gevraagd of de kosten van de autopsie door de ziekteverzekering worden terugbetaald.

De heer Galand wees erop dat de dialoog centraal moet staan. Daar streven we naar en dit sluit aan bij de logica van de wet op de patiëntenrechten.

Ik ben het hiermee volledig eens, zolang de nadruk wordt gelegd op de begeleiding van de ouders. Hieronder versta ik ook informatie.

Mevrouw Van Kessel heeft dat heel duidelijk gezegd. Wij moeten de verplichting niet bij de ouders leggen, maar bij de arts. Het gaat om een verplichting tot voorlichting. Dezelfde logica werd ingebouwd in de wet op de patiëntenrechten. Met goede voorlichting en begeleiding zullen de ouders denkelijk bijna altijd vragen om een autopsie te verrichten.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 2-409/11.)

De voorzitter. - Artikel 8 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Remans amendement 70 ingediend (zie stuk 2-409/12) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Remans amendement 72 ingediend (zie stuk 2-409/12) dat luidt:

De heer Jan Remans (VLD). - Ik dacht dat mevrouw de Bethune zei dat deze amendementen wel konden worden besproken, maar dat er niet kon over gestemd worden omdat ze geen betrekking hebben op een artikel dat in de Kamer gewijzigd is.

Aangezien de Kamer artikel 8 niet gewijzigd heeft, kan ik daar niet op terugkomen. Toch vraag ik de minister om bij het opstellen van zijn koninklijke besluiten met mijn amendementen rekening te houden.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De heer Remans stelt een terechte vraag. Wij wensen de artsen echter niet te overstelpen met bijkomende formulieren. Wanneer er onderzoeken worden gedaan, moeten de gegevens op een eenvoudige manier verzameld worden, zodat daaruit ook conclusies kunnen worden getrokken. Ik verbind er mij toe om dit te beschouwen als het logische gevolg van de wet.

De voorzitter. - Artikel 7 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Remans amendement 69 ingediend (zie stuk 2-409/12) dat luidt:

De heer Jan Remans (VLD). - Ik ben van mening dat er geen statistisch materiaal kan worden vrijgegeven als er geen minimum standaardprotocol is. In dit geval is het beter om het standaardprotocol in consensus te laten opstellen door de vertegenwoordigers van de referentiecentra.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ik verzet mij niet echt tegen dit amendement, maar ik stel mij enigszins terughoudend op omdat ik van oordeel ben dat de wetgever wel echt ingrijpt in de procedure. Ik heb uw opmerking in het achterhoofd dat wij 67 referentiecentra hebben. Ik vrees dat het onmogelijk is om die allemaal rond de tafel te brengen om een formulier op te stellen. We zouden dat soepeler kunnen oplossen door gewoon de instemming van iedereen te vragen.

De voorzitter. - Ik wijs er nogmaals op dat alleen amendement 69 op artikel 7 en amendement 71 op artikel 9 ontvankelijk zijn.

De heer Jan Remans (VLD). - Ik verwijs naar de consensus met betrekking tot de in-vitrofertilisatie, waarbij de gespecialiseerde centra het standaardprotocol hebben opgesteld en mede betrokken werden in de normering en de voorzieningen voor terugbetaling.

Ik ben bereid dit amendement in te trekken als de minister in samenwerking met afgevaardigden van de referentiecentra een standaardprotocol wil opstellen dat wordt ingevuld door de pathologen-anatomen van de centra. Dat is een absolute noodzaak om de cijfers correct te kunnen interpreteren.

De voorzitter. - Artikel 9 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Remans amendement 71 ingediend (zie stuk 2-409/12) dat luidt:

De heer Jan Remans (VLD). - Dit amendement is gebaseerd op de ervaringen die we hebben opgedaan bij de toepassing van de euthanasiewet en andere ethische wetten.

Wanneer er geen uitvoeringsbesluiten zijn op het ogenblik dat een wet in werking treedt, rijzen er technische problemen. Daarmee werd rekening gehouden in de wet op het onderzoek op embryo's, die bepaalt dat de wet pas van toepassing is op de dag van de inwerkingtreding van de uitvoeringsbesluiten.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Artikel 9 luidt: "Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na die waarin ze in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt."

In normale omstandigheden moet de uitvoerende macht in staat zijn de uitvoeringsbesluiten binnen die termijn uit te vaardigen. Aangezien we het einde van deze regeerperiode naderen, zouden er problemen kunnen ontstaan aangezien de regering na de ontbinding van het parlement enkel nog de lopende zaken afhandelt. De formulering van de heer Remans zou op dat vlak uitkomst kunnen bieden.

De heer Jan Remans (VLD). - Dit is een bijkomend element, dat ik wel in mijn achterhoofd heb, maar dat ik hier niet laat gelden. Wat ik wel bedoel, is de aanpassing die we aangebracht hebben in het wetsvoorstel betreffende het onderzoek op embryo's in vitro. Daar hebben we dezelfde aanpassing gedaan, rekening houdend met de ervaring van de euthanasiewet, waar de uitvoeringsbesluiten niet tijdig opgesteld geraakten ondanks dat ook de goede bedoeling bestond om het binnen de drie maanden geregeld te krijgen. Daarom stel ik voor dit artikel te wijzigen opdat de wet in werking zou treden op de dag van de inwerkingtreding van de uitvoeringsbesluiten. Dit is nu nog meer nodig dan voor de embryo's in vitro, gezien de tijdspanne die rest tot het einde van de legislatuur.

De heer Michel Barbeaux (CDH). - We staan voor het volgende dilemma: ofwel neemt de regering snel uitvoeringsbesluiten, ofwel bestaat het risico dat de wet niet voor het einde van de regeerperiode in Kamer en Senaat wordt goedgekeurd.

Als de Senaat in plenaire vergadering een amendement aanneemt, dan zal de procedure aanzienlijke vertraging oplopen.

De minister zou de koninklijke besluiten nu reeds kunnen voorbereiden zodat ze kunnen worden uitgevaardigd zodra de Kamer zich heeft uitgesproken.

De heer Paul Galand (ECOLO). - Ik ben het eens met de heer Barbeaux.

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

De voorzitter. - We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 13.05 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Kestelijn-Sierens en de heren Roelants du Vivier en Wille, in het buitenland, mevrouw Lizin, met opdracht in het buitenland, de heren Moureaux en Vandenbroeke, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.