4-104

4-104

Belgische Senaat

4-104

Handelingen - Nederlandse versie

VRIJDAG 18 DECEMBER 2009 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van een voorstel

Wetsontwerp betreffende de strijd tegen piraterij op zee (Stuk 4-1561) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp betreffende de strijd tegen piraterij op zee en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 4-1562)

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake migratie en asiel (Stuk 4-1564)

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake volksgezondheid (Stuk 4-1559) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van ... betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook (Stuk 4-1549) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel (Stuk 4-1563) (Evocatieprocedure)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 96 van de Programmawet van ... december 2009 (van de heer Philippe Fontaine c.s., Stuk 4-1574)

Regeling van de werkzaamheden


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.30 uur.)

Inoverwegingneming van een voorstel

De voorzitter. - Aan de orde is thans de bespreking over de inoverwegingneming van het wetsvoorstel tot aanpassing van titel 1, 2 en 3 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis en tot invoering van een crisispremie (van de heer Johan Vande Lanotte c.s.; Stuk 4-1575).

Ik verzoek de leden die opmerkingen mochten willen maken, mij daarvan vóór het einde van de vergadering kennis te geven.

Indien intussen van geen bezwaren blijkt wordt het voorstel in overweging genomen en verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden. (Instemming)

Wetsontwerp betreffende de strijd tegen piraterij op zee (Stuk 4-1561) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Tony Van Parys (CD&V), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Onze fractie heeft geen bezwaar tegen de behandeling van het ontwerp hoewel het verslag nog niet helemaal is vertaald. Iedereen hier aanwezig zal dan ook moeten vaststellen hoe welwillend en opbouwend onze fractie zich opstelt.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-2214/4.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp betreffende de strijd tegen piraterij op zee en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 4-1562)

Algemene bespreking

De heer Tony Van Parys (CD&V), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Ik beschik alleen over het verslag van het wetsontwerp betreffende de strijd tegen piraterij op zee (stuk 4-1561), maar niet over het wetsontwerp betreffende de strijd tegen de piraterij en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek (stuk 4-1562).

De voorzitter. - Ik heb het hier nochtans voor mij.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Dat betwist ik niet, maar wij hebben het niet.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik begrijp de opmerking van de heer Vande Lanotte niet, want het verslag werd rondgedeeld in de commissie voor de Justitie, waarvan de heer Vande Lanotte lid is. Misschien was hij al weg toen het werd rondgedeeld.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Indien het verslag niet is rondgedeeld in de commissie, dan moet het volgens het reglement worden rondgedeeld in de plenaire vergadering. Anders mogen we de voorlezing van het verslag vragen.

De voorzitter. - Het document wordt nu rondgedeeld.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De oppositie speelt het spel van de procedure, wat haar goed recht is. Maar als ze beweert dat nieuwe verkiezingen de crisis kunnen oplossen, dan heb ik zo mijn twijfels. Ze zou beter inhoudelijke voorstellen doen.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - De afspraak was niet dat de commissie zou bijeenkomen tijdens de plenaire vergadering. Volgens het reglement hebben er overigens geen commissievergaderingen plaats tijdens de plenaire vergadering.

Aangezien onze fractie niet zo groot is, kunnen we moeilijk deelnemen én aan de plenaire én aan commissievergadering. Na de plenaire willen we gerust voortwerken in de commissie.

De voorzitter. - Het gebeurt geregeld dat commissies en de plenaire vergadering tegelijkertijd vergaderen. Wellicht kunnen we de commissie vragen haar werkzaamheden een tijdje te onderbreken, tenzij wij de openbare vergadering even schorsen tot de commissie klaar is.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Ik vrees dat de vergadering in commissie nog zeker een uur zal duren. Ik stel voor eerst de agenda van de openbare vergadering af te werken en daarna kan de commissie haar werkzaamheden voortzetten, en we zullen daar graag aan meewerken. Voor alle duidelijkheid, de commissie kon haar werkzaamheden gisteren niet beëindigen omdat de minister er niet kon zijn. Vandaag kan dat wel en komt de commissie dus opnieuw bijeen.

De voorzitter. - Dat was zo gepland, mijnheer Vande Lanotte.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Er was gezegd dat de commissie om half drie zou beginnen en rond drie uur klaar zou zijn. De bespreking blijkt nu langer te duren en, voor alle duidelijkheid, dat komt ook door leden van de meerderheid. Dan vind ik het ook correct de commissievergadering even te schorsen tot na de plenaire vergadering.

Wij zullen geen stemming uitlokken om te zien hoeveel leden hier wel aanwezig zijn en we willen zeker in de commissie aanwezig zijn, maar dan moet er wel correct kunnen worden gewerkt zowel in de commissie als in de plenaire vergadering.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het is al meermaals gebeurd dat er een commissie vergadert tijdens de plenaire vergadering. Ik stel voor dat we onze werkzaamheden voortzetten zoals gepland. Dat wil zeggen dat de commissies die moeten vergaderen, kunnen vergaderen en dat ook de plenaire vergadering doorgaat. En ik stel voor dat we daarover stemmen bij zitten en opstaan.

De voorzitter. - We stemmen bij zitten en opstaan over het voorstel van de heer Vandenberghe.

-Het voorstel wordt aangenomen bij zitten en opstaan.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Ik vraag - ik heb dat recht - dat het verslag over het wetsontwerp betreffende de strijd tegen piraterij op zee en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek integraal wordt voorgelezen.

De heer Tony Van Parys (CD&V), rapporteur. - Ik heb de eer verslag uit te brengen over het wetsontwerp betreffende de strijd tegen piraterij op zee en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 4-1562). Ik ben bijzonder vereerd met de aandacht van de senatoren voor dit verslag.

Dit wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering. Het werd op 17 december 2009 door de Kamer van volksvertegenwoordigers aangenomen met 112 stemmen tegen 13 bij 10 onthoudingen. Het werd aan de Senaat overgezonden op 18 december 2009 en op dezelfde dag naar de commissie voor de Justitie verzonden. De commissie heeft het ontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 15 en 18 december 2009, in aanwezigheid van de minister van Justitie. Met toepassing van artikel 27.1, tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie de bespreking van dit wetsontwerp aangevat vóór de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers. De commissie onderzocht ook het wetsontwerp betreffende de strijd tegen de piraterij op zee (Stuk 4-1561).

De inleidende uiteenzetting door de minister.

De piraterij op zee neemt vandaag in belangrijke mate toe. De bijzonderheden van deze criminaliteit in aanmerking genomen, dient de internationale gemeenschap samen te werken om de piraterij op zee efficiënter te bestrijden. Deze samenwerking wordt specifiek vastgelegd in artikel 100 van het Verdrag van de Verenigde Naties van Montego Bay van 10 december 1982 inzake het recht van de zee, dat de staten oplegt samen te werken ter onderdrukking van de piraterij.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Ik denk dat u het verkeerde verslag aan het voorlezen bent.

De voorzitter. - Nee, ik denk het niet.

De heer Tony Van Parys (CD&V), rapporteur. - Ik lees het verslag voor dat u van mij vraagt.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Het verslag dat de voorzitter liet uitdelen en dat ik daarnet gekregen heb, is niet het verslag dat ik u hoor voorlezen.

De heer Tony Van Parys (CD&V), rapporteur. - Dat ben ik wel degelijk voor u aan het voorlezen. Het gaat om het verslag met nummer 1562/3 en ik ben intussen op bladzijde 2.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Oké, maar wat ik hoor is niet hetzelfde als wat ik hier lees. Het verslag moet worden voorgelezen zoals het gedrukt is.

De voorzitter. - Wilt u voorlezen, mijnheer Van Parys?

De heer Tony Van Parys (CD&V), rapporteur. - Ik lees dan nu het verslag vanaf de tweede paragraaf.

De bijzonderheden van deze criminaliteit in aanmerking genomen, dient de internationale gemeenschap samen te werken om de piraterij op zee efficiënter te bestrijden. Deze samenwerking wordt specifiek vastgelegd in artikel 100 van het Verdrag van de Verenigde Naties van Montego Bay van 10 december 1982 inzake het recht van de zee, dat de staten oplegt samen te werken ter onderdrukking van de piraterij.

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft in dit opzicht verschillende resoluties aangenomen waarin ze haar bezorgdheid uitdrukt over de toename van de daden van piraterij voor de Somalische kust en de noodzaak van een ruime deelname van de internationale gemeenschap tegen de bestrijding van de piraterij benadrukt.

Op regionaal niveau heeft de Raad op 10 november 2008 een gemeenschappelijk optreden aangenomen inzake de militaire operatie van de Europese Unie, teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust. De Belgische Marine neemt deel aan deze militaire opdracht, genaamd Atalanta.

Hoewel onderhavig wetsontwerp een bredere bestemming heeft, tracht het een stevige wettelijke basis te bieden voor de deelname van de Belgische Marine aan de operatie Atalanta. Momenteel bestaat er geen geschikt wetgevend instrument dat het de Belgische Marine mogelijk maakt de piraterij op zee efficiënt te bestrijden.

De regering heeft gevraagd dit wetsontwerp met spoed te behandelen omdat het fregat Louise-Marie aan de operatie Atalanta deelneemt. Die deelname zal meer dan waarschijnlijk in 2010 worden hernieuwd.

Overeenkomstig het advies van de Raad van State van 11 augustus jongstleden werd het wetsontwerp in twee gesplitst. Het eerste ontwerp bevat de bepalingen zoals bedoeld in artikel 78 van de Grondwet en het tweede die als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Beide ontwerpen zijn nauw met elkaar verbonden.

Het wetsontwerp betreffende de strijd tegen de piraterij op zee bevat de definities van de begrippen piraterij en piratenschepen, voert een nieuw strafbaar feit in - piraterij op zee - met aangepaste straffen en geeft oorlogsschepen of Belgische militaire beschermingsteams op burgerschepen de bevoegdheid daden van piraterij te voorkomen en te onderdrukken.

Het tweede wetsontwerp lost de procedurele aspecten op die rijzen als gevolg van de specificiteit van de strijd tegen de piraterij op zee en schept een extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges wanneer piraterij wordt gepleegd tegen een Belgisch schip of wanneer de piraten gevat worden door een Belgisch oorlogsschip of door Belgische militairen.

Die bevoegdheid is slechts mogelijk in twee beperkte gevallen, die een aanknopingspunt met België hebben, en zelfs in die gevallen zal de federale procureur, afhankelijk van de concrete omstandigheden van elke zaak en krachtens het beginsel van de opportuniteit van de vervolging, beslissen of hij de vervolging al dan niet in België instelt.

Meer bepaald in verband met de piraterij in volle zee bij Somalië moet worden onderstreept dat de regering en de Europese Unie de wil hebben voorrang te geven aan vervolgingen in de staten van de regio waar de piraterij gepleegd is, zoals blijkt uit het sluiten van een akkoord tussen de Europese Unie en Kenia. Dat akkoord, dat in maart jongstleden werd gesloten, legt de voorwaarden vast voor de transfer naar Kenia van personen die verdacht worden van daden van piraterij en die gevat werden door schepen die aan de operatie Atalanta deelnemen.

Voorliggende wetsontwerpen kwamen tot stand in nauw overleg met de militairen en de magistraten die ze zullen moeten toepassen.

Ik kom nu tot het verslag van de algemene bespreking.

De heer Hellings begrijpt dat een Belgisch gerecht mogelijk bevoegd kan zijn om piraten te vervolgen die in volle zee en in internationale wateren werden aangehouden, maar wat als zij werden aangehouden in de territoriale wateren van een andere staat? Is het in een dergelijk geval logisch om de piraten voor een Belgische rechtbank te berechten? Moeten zij niet eerder worden verwezen naar een gerecht van de staat in wiens territoriale wateren de feiten werden gepleegd?

Spreker vraagt overigens of er precedenten bestaan van aanhoudingen van piraten door Belgische militaire beschermingsteams. De minister antwoordt ontkennend op deze vraag.

Wat de mogelijke extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische rechtbanken betreft, antwoordt de minister dat ze zowel van toepassing is op daden die zijn begaan in internationale wateren als op daden die zijn begaan in de territoriale wateren van andere staten wanneer een internationale overeenkomst bepaalt dat verschillende landen samenwerken om piraterij in deze wateren te bestrijden.

Spreker verwijst in dit verband naar artikel 3, §3, van wetsontwerp 4-1561, betreffende daden in een andere maritieme ruimte dan de volle zee. Deze daden worden gelijkgesteld met piraterij als bepaald in paragrafen 1 en 2, `in de mate bedoeld door het internationaal recht'.

De heer Monfils meent dat de begeleiding van schepen door strijdkrachten op termijn niet houdbaar is. Indien de daden van piraterij talrijker worden, zal men naar andere oplossingen moeten zoeken om schepen te beschermen. Dat zal des te moeilijker worden naarmate piraten over betere uitrusting beschikken. Het is nu al niet meer uitzonderlijk dat zij in volle zee toeslaan, zeer ver uit de kust. Spreker pleit er dan ook voor dat men nadenkt over het wapenbezit van bemanningsleden van schepen, en over de mogelijkheid om aan een privébedrijf het recht toe te kennen om te helpen bij de verdediging van een schip.

De heer Monfils verwijst vervolgens naar de slotopmerking van de Raad van State: `Krachtens artikel 105 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee zijn de gerechten van de staat die de inbeslagneming van schepen of goederen betrokken bij een daad van piraterij op zee heeft uitgevoerd, bevoegd om te beslissen over de te nemen maatregelen in verband met de in beslag genomen schepen en goederen, met inachtneming van de rechten van derden te goeder trouw. Het voorliggende voorontwerp bevat geen bepaling daaromtrent.'

Welk gevolg heeft de regering aan deze opmerking gegeven? De minister antwoordt dat deze vraag behandeld werd tijdens de besprekingen in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Hij wijst op de centrale rol die dit wetsontwerp toekent aan de federale procureur. Er wordt geen absolute prioriteit gegeven aan het Belgisch recht en de Belgische gerechten. Het komt de federale procureur toe om met de betrokken staten te overleggen over de beste strategie om piraterij te beteugelen. Indien een aantal waarborgen in acht worden genomen, kan de federale procureur beslissen de zaak te brengen voor de gerechten van de nationaliteitsvlag van het schip, van de staat waaruit de dader afkomstig is, of van de staat waar hij werd aangehouden.

De heer Monfils kan het eens zijn met deze oplossing, voor zover men piraten niet overlevert aan landen die geen waarborgen bieden dat de daders effectief zullen worden vervolgd.

De heer Mahoux wijst erop dat piraterij op zee niet alleen voor de Somalische kust voorkomt. In juli laatstleden werd een Russisch schip in de Noordzee aangevallen en omgeleid naar de Afrikaanse kust.

Spreker wijst erop dat de ruime beoordelingsbevoegdheid die het wetsontwerp aan de federale procureur verleent, niet zonder gevolgen is. Indien hij zich vergist in het beoordelen van de waarborgen inzake onpartijdigheid en onafhankelijkheid van het buitenlandse gerecht waarvoor hij de zaak laat brengen, kan dat de nietigheid van de procedure tot gevolg hebben.

De minister antwoordt dat het wetsontwerp een vrij nieuwe problematiek wil aanpakken. De regering heeft gekozen voor een specifieke wet in plaats van de invoeging van nieuwe bepalingen in het Wetboek van strafvordering. Hij wijst erop dat reeds een soortgelijke wetgeving bestaat voor de koopvaardij, die een belangrijke interventierol verleent aan de kapitein van het schip.

Naast de algemene regel inzake extraterritoriale bevoegdheid in artikel 12bis van het Wetboek van strafvordering, voorziet het ontwerp in een specifieke extraterritoriale bevoegdheidsregel voor daden van piraterij tegen een Belgisch schip of wanneer de verdachten werden aangehouden door Belgische militairen.

Deze oplossing past in een internationale context van solidariteit. De federale procureur is belast met het organiseren van het vervolgingsbeleid, en hij oordeelt of er vervolgd moet worden, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. De procureur moet de meest aangewezen rechtbank vinden waarvoor hij de zaak zal brengen. Deze rechtbank moet de nodige waarborgen bieden inzake onafhankelijkheid, onpartijdigheid en billijkheid. Waarschijnlijk zal deze aangelegenheid in de toekomst worden geregeld door internationale verdragen. Hoe dan ook moet de kwestie ondertussen juridisch worden geregeld.

De heer Monfils verwijst naar de definitie van piraterij op zee. Paragraaf 1 van artikel 2 bepaalt dat de persoon die op heterdaad wordt betrapt bij piraterij, van zijn vrijheid kan worden beroofd hetzij op initiatief van de commandant van het schip, hetzij op initiatief van de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip. Wat bedoelt men met een burgerschip? Moet dat een schip met een Belgische vlag zijn? Kunnen militaire beschermingsteams ook aan boord gaan van schepen die niet onder Belgische vlag varen?

De minister antwoordt dat het artikel ook geldt voor het geval dat Belgische militaire beschermingsteams aan boord gaan van schepen die niet onder Belgische vlag varen. Het kan bijvoorbeeld gaan om schepen die deel uitmaken van een humanitair konvooi in het kader van een wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties.

De heer Vandenberghe vraagt welk recht in een dergelijk geval van toepassing is. Hij haalt het voorbeeld aan van een Belgisch militair beschermingsteam dat zich aan boord van een schip met Luxemburgse vlag zou bevinden. Wordt dan het Luxemburgse maritieme recht toegepast?

De minister antwoordt bevestigend.

Mevrouw Taelman verwijst naar de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij. Blijft deze onverminderd van toepassing? Er wordt immers in de voorliggende teksten nergens naar betreffende wet verwezen.

Een volgende vraag betreft het praktisch functioneren, het commando ter zake. Wie neemt het commando indien een schip wordt aangevallen. Spreker neemt aan dat dit het beschermingsteam is, maar wordt eerst om een formele toestemming gevraagd van de eigenaar van het schip? Hoe verloopt dit in de praktijk indien men op volle zee zit?

Een laatste vraag betreft de kosten. Wie zal er opdraaien voor de kosten indien een piratenschip wordt weggesleept? Is er in een verbeurdverklaring voorzien na een uitspraak door een Belgische rechter?

De minister antwoordt dat de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en zeevisserij onverkort van toepassing blijft. Bij het opstellen van deze wetsontwerpen werd beslist inspiratie te putten uit de inhoud en de structuur van de wet van 5 juni 1928. Die wet bevat definities, strafmisdrijven en is voorzien van straffen en bepalingen inzake rechtspraak en procedure. Het is een wettelijke basis voor de strijd tegen de piraterij, maar de wet geldt alleen voor de koopvaardij en kon moeilijk worden aangepast om ook voor de marine te gelden.

Wat de vraag over de inbeslagname van schepen betreft, onderstreept de minister dat dit beslag steeds bewarend is. Het loopt niet vooruit op de grond van de zaak.

Over het praktische verloop van de operaties zegt de minister dat er akkoorden worden gesloten tussen de beschermingsteams aan boord en de eigenaar van het schip. Die akkoorden leggen de verantwoordelijkheden vast wanneer het schip bij de operaties averij oploopt.

De heer Vandenberghe meent dat voorliggend wetsontwerp zeer interessant is, waarbij voor de vragen van bevoegdheid en van welk recht dient te worden toegepast, een geglobaliseerde benadering geldt die moet streven naar materieel eenheidsrecht.

Spreker suggereert dat de regering binnen de Raad van Europa conventies zou kunnen nastreven met materieelrechtelijke bepalingen inzake piraterij op zee, wat ongetwijfeld een betere juridische methode is dan telkens een nationale rechtbank bevoegd te maken. In Somalië zijn er bijvoorbeeld geen rechtbanken. Men moet naar globalisering streven. Hetzelfde geldt voor het sportrecht.

De minister antwoordt dat bij de VN een groep tegen de piraterij voor de kust van Somalië bestaat. Die groep bereidt de oprichting voor van een internationale strafrechtbank die daden van piraterij moet berechten.

Een andere mogelijkheid is de oprichting van bijzondere kamers die rechtstreeks in Kenia of in Somalië worden geïnstalleerd. De oprichting van een internationale strafrechtbank vereist het goedkeuren van een resolutie door de Verenigde Naties en doet een probleem van kostprijs rijzen. Inmiddels moet elk land, bij ontstentenis van internationale wetgeving, zijn nationaal wetgevend arsenaal aanpassen om de strijd tegen de piraterij op zee mogelijk te maken.

De heer Vandenberghe stelt voor dit thema te agenderen bij de Raad van Europa. Deze zou alsdan een voorbeeldfunctie kunnen hebben voor de VN.

Ik kom tot de artikelsgewijze bespreking.

De voorzitter. - Mijnheer Vande Lanotte, wenst u een voorlezing van dit deel van het verslag?

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Neen, dat hoeft niet, aangezien de artikelsgewijze bespreking nog aan bod komt.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-2215/5.)

De voorzitter. - Artikel 3 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Swennen amendement 1 ingediend (zie stuk 4-1562/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Swennen amendement 2 ingediend (zie stuk 4-1562/2) dat luidt:

De heer Swennen heeft amendement 3 ingediend (zie stuk 4-1562/2) dat luidt:

-De stemming over de amendementen en over de artikelen waarop zij betrekking hebben, wordt aangehouden.

-De overige artikelen worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake migratie en asiel (Stuk 4-1564)

Algemene bespreking

De heer Berni Collas (MR), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-2305/3.)

-De artikelen 1 tot 7 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake volksgezondheid (Stuk 4-1559) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

Mevrouw Cindy Franssen (CD&V), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-2306/5.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van ... betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook (Stuk 4-1549) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

Mevrouw Christiane Vienne (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.

De heer Jurgen Ceder (VB). - Ik vraag de voorlezing van het verslag.

Mevrouw Christiane Vienne (PS), rapporteur. - Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een voorstel van de heer Servais Verherstraeten c.s. (stuk Kamer, nr. 52-2317/001). Het werd op 17 december 2009 door de Kamer aangenomen met 84 tegen 27 stemmen bij 21 onthoudingen.

Het werd op 18 december 2009 overgezonden naar de Senaat en op diezelfde dag geëvoceerd.

Met toepassing van artikel 27.1, tweede lid, van het reglement van de Senaat, heeft de commissie voor de Sociale aangelegenheden de bespreking van dit ontwerp reeds aangevat voor de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 16 en 18 december 2009, in aanwezigheid van mevrouw Onkelinx, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Gedurende haar inleidende uiteenzetting herinnert mevrouw Onkelinx, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, aan de recente discussie in de Senaat over het rookverbod (zie stuk Senaat, nr. 4-1392/1 e.v.) en de keuze van de Senaat om een algemeen rookverbod in de horeca in te voeren vanaf 2012. In het kader van de evocatieprocedure ging het ontwerp vervolgens weer terug naar de Kamer van volksvertegenwoordigers, die besliste terug te keren naar haar oorspronkelijke tekst. Dit houdt in dat vanaf 1 januari 2010 ettelijke cafés de keuze zullen maken of zij al dan niet nog kleine snacks wensen aan te bieden. Is dat niet het geval, dan mag er gerookt worden in het café, kiezen ze ervoor om nog eten aan te bieden, dan moeten ze rookvrij worden.

Tegelijk werd in de Kamer door alle fracties van de meerderheid het voorliggend wetsvoorstel ingediend, dat aanvullingen bevat over de periode tussen 2012 en 2014. Het stelt de mogelijkheid in het vooruitzicht om een algemeen rookverbod in te voeren ten vroegste op 1 januari 2012, na overleg met de sector, en uiterlijk op 1 juli 2014. Dit geeft de tijd en de mogelijkheid om begeleidende maatregelen uit te werken.

De FOD Volksgezondheid bereidt momenteel een informatiecampagne voor om de sector op de hoogte te brengen van de wijzigingen in de wetgeving. Doordat er slechts een tiental dagen zullen zijn tussen de stemming van de wet en de inwerkingtreding ervan, hebben de uitbaters niet voldoende tijd om eventuele aanpassingen uit te voeren. Daarom zullen de controleurs bij een eerste bezoek als raadgevers optreden en zullen zij de uitbaters een lijst van opmerkingen overmaken. Vervolgens zullen de uitbaters enkele weken tijd krijgen (of meer indien het over grote aanpassingen gaat) om hun situatie in orde te brengen.

Gedurende de artikelsgewijze bespreking dient de heer Ide de amendementen nr. 1 tot 3 in (zie stuk Senaat, nr. 4-1549/2), die ertoe strekken een algemeen rookverbod in te voeren vanaf 2012. Daardoor zou het voorliggende wetsontwerp in de lijn liggen van ontwerp nr. 4-1392 dat enkele weken geleden door de Senaat werd aangenomen. De door de Senaat aangenomen wijziging werd jammer genoeg door de Kamer verworpen, waardoor een rookverbod tot 2014 kan uitgesteld worden. De heer Ide meent dat de tekst van de Kamer nog steeds een discriminatie bevat die door een rechter kan worden bestraft.

De heer Claes heeft een dubbel gevoel bij dit ontwerp. Hij had uiteraard gehoopt dat de Kamer de door de Senaat gestemde wijzigingen had gevolgd, zodat we nu al een stap dichter bij een totaal rookverbod zouden staan. Ook het voorstel van de Senaat bevatte een overgangsperiode, die de mogelijkheid gaf in begeleidende maatregelen te voorzien.

Anderzijds is het positief dat er vanaf 1 januari 2010 een gedeeltelijk rookverbod zal worden ingevoerd. Hij hoopt dat het overleg met de sector snel en efficiënt zal plaatsvinden en dat er gestreefd wordt naar de invoering van een algemeen rookverbod vanaf 1 januari 2012. Hij is ervan overtuigd dat de eetgelegenheden waar vanaf 1 januari 2010 de nieuwe regeling van kracht wordt, vragende partij zullen zijn om zo snel mogelijk een algemeen rookverbod in de hele horeca in te voeren. Uit zijn contacten met de horeca- uitbaters blijkt dat zij vooral voorstander zijn van een regeling die overal dezelfde is.

De heer Ide twijfelt sterk aan de invoering van een rookverbod in 2012. Hij hoopt dat de commissieleden zijn amendementen zullen goedkeuren en zo consequent blijven met de tekst van het ontwerp dat zij enkele weken geleden aangenomen hebben. Hij benadrukt dat de Senaat onafhankelijk van de Kamer werkt en dat de bespreking van het rookverbod er op parlementair initiatief is gekomen.

Mevrouw Persoons meent dat het belangrijkste element in deze discussie ongetwijfeld de volksgezondheid is, maar is tevreden dat er dankzij de wijzigingen ook rekening gehouden wordt met de verzuchtingen van de horecasector.

Mevrouw Vienne vindt dat deze discussie al grondig werd gevoerd en dat het nutteloos is dit opnieuw te doen. De Senaat heeft goed werk geleverd en heeft ongetwijfeld bijgedragen tot het boeken van vooruitgang. Nu is het wachten op de volgende fase.

Ook de heer Procureur is van mening dat het doordrijven in de Senaat tot een blokkering kan leiden en kan beletten dat de reeds aangenomen positieve maatregelen in januari 2010 uitwerking zouden hebben. Hij begrijpt de frustratie van vorige spreker, maar de uiteindelijk opgestelde tekst is een compromis en is zeker het minst slechte compromis.

De heer Fontaine herinnert eraan dat er slechts dertien dagen overblijven voor de bepalingen voor de horecasector in werking treden. Men dient pragmatisch te zijn, er is geen tijd meer voor nieuwe besprekingen, om een andere tekst uit te werken. Het akkoord dat dankzij het werk van de Senaat is bereikt, laat de mogelijkheid open om een volledig verbod in te voeren vanaf 2012, wat nog een marge laat tussen 2012 en 2014.

De amendementen nr. 1 tot 3 worden verworpen met 9 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.

Het geheel van het wetsontwerp tot wijziging van de wet van ... betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook, wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 2 stemmen.

Dit verslag werd eenparig goedgekeurd door de 13 aanwezige leden.

De heer Dirk Claes (CD&V). - Wij staan hier met een dubbel gevoel. Indien de Kamer had ingestemd met de door de Senaat in november aangenomen tekst om de horeca vanaf 1 januari 2012 rookvrij te maken, dienden we hier vandaag niet opnieuw over te spreken.

Anderzijds was het dankzij het doorzettingsvermogen van de Senaat en de medewerking van alle fracties dat dit voorstel vandaag opnieuw voorligt.

De Kamer heeft gemeend er twee afzonderlijke voorstellen van te moeten maken en wij hebben ons daarbij aangesloten. Wij zullen stemmen over een algemeen rookverbod dat zal ingaan tussen 1 januari 2012 en - uiterlijk - op 1 juli 2014.

Het is zeer belangrijk dat de beslissing die de Kamer vorige nacht heeft genomen, hier wordt bevestigd.

Het is zinloos de discussie over te doen. Wel wil ik de Senaat danken voor de gezamenlijke inzet om tot dit resultaat te komen. Ik dank speciaal de artsen die zich hiervoor hebben ingespannen, de heer Mahoux, mevrouw Temmerman als enige van de sp.a, de heer Vankrunkelsven, de heer Ide, zelfs mevrouw Van Ermen, ondanks de verklaringen van de fractieleider van LDD in de Kamer. Ik dank ook het cdH voor zijn inspanningen.

U moet ook maar eens nalezen wat onze gewezen collega, de heer Dallemagne, vorige nacht in de Kamer heeft verklaard, vooral over de rol van de Senaat.

Mijn dank gaat ook naar de heer Brotchi van de MR die geen senator meer is, maar die in 2005 vergelijkbare voorstellen heeft ingediend. Voorts dank ik de heer Tommelein, de fractieleider van Open VLD, die de moed had de heer Vankrunkelsven de toelating te geven om afwijkend te stemmen. Open VLD en MR hebben zich onthouden, waarvoor dank.

Ook de leden van Ecolo en Groen! hebben goede amendementen ingediend, waarvan er zelfs een is aangenomen. Zij waren nieuw in de Senaat en ze waren er zeer blij om.

Het voorstel van Open VLD en MR om begeleidende maatregelen te nemen en te overleggen met de sector kunnen wij integraal steunen. CD&V heeft in de commissie voor de Financiën trouwens een horecaplan ingediend en die resolutie is zeer omvattend. Ik heb dat al besproken met minister Laruelle. Ik verwacht dus dat de MR die tekst zal oppikken zodat we hem verder kunnen uitwerken.

Ik heb nog een tip, vooral voor de collega's van sp.a: kijk eens naar het beeldverslag van het debat in de Kamer gisteren. Kamerlid Van Broeckhoven heeft daar geprobeerd het standpunt van de sp.a voor te stellen. Het is bijzonder verwarrend en ik weet nog altijd niet wat hun standpunt is. Mevrouw Temmerman is daarentegen zeer correct geweest en we hebben van haar in de commissie veel steun ondervonden.

Belangrijk is dat de eetgelegenheden vanaf 1 januari 2010 volledig rookvrij zullen zijn. We zullen ook alles op alles zetten om op 1 januari 2012 ook de volledige horeca rookvrij te maken.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Aan het mondelinge verslag dienen nog twee inhoudelijke zaken toegevoegd te worden, waarover overeenstemming werd bereikt. De rapporteur, mevrouw Vienne, zal dat beamen.

Ondanks de felicitaties van collega Claes voor de artsen-senatoren sta ik hier met een dubbel gevoel. De Senaat had namelijk de moed om het algemeen rookverbod met een wisselmeerderheid goed te keuren. Ik ben zelfs van oordeel dat er een dubbele wisselmeerderheid was want de artsen-senatoren hebben zich atypisch opgesteld. Dat was het bewijs dat het hier wel degelijk om een belangrijke kwestie ging.

Mijn partij stelt het bestaan van de Senaat ter discussie. Ze is voorstander van een eenkamerstelsel en is bereid het debat daarover aan te gaan. Dat is een democratisch recht. Toen het algemeen rookverbod in de Senaat werd goedgekeurd ontstond er evenwel een sprankje hoop voor deze assemblee. Ze had immers de moed een afwijkend standpunt in te nemen. Helaas heeft de Kamer de zaken vorige nacht teruggeschroefd.

De ingangsdatum van 1 januari 2012, die al het resultaat van een compromis was, wordt nu verschoven naar 1 januari 2014, wat er nog een compromis aan toevoegt. We negeren dus de vraag van Europa en gaan over naar een halfslachtig rookverbod dat het roken toelaat of verbiedt naargelang van de herkomst van de worstjes die er geserveerd worden.

De eerste de beste werknemer uit de horeca die naar de rechtbank stapt, zal ongetwijfeld zijn gram halen. Mocht de huidige discriminatie aflopen in 2012, zoals eerst gepland was, zou de rechter dit nog als een aanvaardbare overgangsmaatregel kunnen beschouwen. Nu het verbod pas in 2014 ingaat, liggen de zaken echter helemaal anders.

Ik neem graag de tijd om nog even stil te staan bij een aantal argumenten in verband met het algemeen rookverbod. De jongste tijd voel ik mij immers als een gans die wordt volgepropt voor zijn foie gras. De wetsontwerpen worden mij door de strot gejaagd.

Ik kom naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden als er interessante zaken op de agenda staan en ik zal ook aanwezig zijn als mijn wetsvoorstellen en resoluties geagendeerd worden.

We zouden een voorbeeld kunnen nemen aan de Schotse regering. Schotse medische studies tonen immers aan dat op zeer korte termijn de spoedopnames en de hospitalisaties dalen wanneer een algemeen rookverbod wordt ingevoerd en dat er minder jongeren beginnen te roken.

Een recent rapport van de Schotse regering stelt het volgende: `Significant progress had been made in recent years in shifting cultural attitudes to smoking, including through the introduction of a ban on smoking in public places in March 2006 and legislation to raise the age of sales for tobacco from 16 to 18 in October 2007. Whilst it is too early to assess the long-term effects of such changes, there are some extremely positive signs with, for example, one year after the legislation, an 89% reduction in exposure to second-hand smoke among bar workers (based on measurements of salivary nicotine, a marker of exposure to tobacco smoke).'

Als arts kan ik u verzekeren dat een algemeen rookverbod leidt tot minder keelkanker, minder mondvloerkanker, minder longkanker, minder hartinfarcten, minder hart- en vaatziekten, het ongeboren leven wordt er beter van, minder jongeren starten met roken, het horecapersoneel werkt in een gezonde omgeving, minder spoedopnames, minder COPD-opstoten, minder hospitalisaties. Zullen we naast de diabetescommissaris en de griepcommissaris ook een rookcommissaris nodig hebben om het algemeen rookverbod in te voeren?

Ik had nochtans goede hoop, want de heer Tommelein zei hier: `Onze fractie wil er ook geen halszaak van maken. Ik kreeg ook al de vraag of ik als factieleider van een meerderheidspartij geen probleem heb met een wisselmeerderheid. Ik heb dat dus niet. Als er natuurlijk om de haverklap wisselmeerderheden ontstaan, ook rond andere thema's, trek ik wel aan de alarmbel'. Ik had dus goede hoop dat hier een algemeen rookverbod zou worden ingevoerd met ingang van 1 januari 2012, maar het is nog niet te laat. De meerderheid achtte het nodig het in de Kamer goedgekeurde wetsontwerp te evoceren. Anders zou wel iemand van de oppositie het ontwerp evoceren na het kerstreces, en dan rijzen er problemen, aangezien het eerste deel van het wetsontwerp op 1 januari 2010 in werking treedt. Met de evocatie hebben we dus opnieuw de kans een algemeen rookverbod goed te keuren tegen 1 januari 2012. Ik heb dan ook amendementen ingediend om terug te keren naar het oorspronkelijke wetsvoorstel dat de heer Claes en ikzelf hebben ingediend. We hebben dus een tweede kans en ik denk dat de Senaat zich onafhankelijk moet opstellen. Hij moet niet naar de Kamer kijken. Het initiatief voor het algemeen rookverbod ligt bij het parlement, niet bij de regering. Als de Senaat onafhankelijk is van de Kamer, kan hij nog altijd kiezen voor een algemeen rookverbod. Ik roep dus alle aanwezige collega's, en ook mijn collega-artsen, op om te kiezen voor een algemeen rookverbod. Ik vraag u dan ook om morgen nog eens goed in spiegel te kijken vóór u naar hier komt om te stemmen over dit wetsontwerp en de amendementen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Collega Ide verwijt de Senaat dat de Kamer een ander standpunt inneemt dan de Senaat. Als men de inhoudelijke argumenten verwart met een robbertje vechten met de Senaat als instelling, is er toch een probleem. De senatoren hebben gestemd en de Kamer stemt. Over de wet op het rookverbod heeft de Kamer het laatste woord. Als de Senaat niet instemt met de tekst van de Kamer, gaat de tekst terug naar de Kamer. Het gaat niet om een materie van artikel 77, maar van artikel 78 van de Grondwet. De vraag is dus niet of de Senaat kan verhinderen dat de Kamer een standpunt inneemt dat ik persoonlijk betreur. De Senaat heeft daarop geen vat. De Kamer stemt soeverein, net als de Senaat.

Collega Ide had veel goede argumenten, maar ik heb niet begrepen waarom hij zich zo zwak opstelt door onmiddellijk het slechtste argument naar voren te brengen, namelijk dat het de schuld is van de Senaat dat de Kamer anders stemt dan de Senaat.

Ik ben het ermee eens dat we in een politieke cultuur zijn terechtgekomen waarin juridische criteria veel minder wegen op de besluitvorming dan in het verleden. Dat geldt niet alleen voor dit voorstel, maar nog voor vele andere. Ik betreur dat.

Wie nadenkt over het criterium dat de wet hanteert om een rookverbod al dan niet op te leggen, namelijk of er al dan niet kan worden gegeten, kan zich terecht afvragen of dit criterium wel een pertinent juridisch criterium is. Persoonlijk zie ik niet in waar de pertinentie van dat onderscheid ligt. De pertinentie van het onderscheid moet liggen in de vraag of roken al dan niet schadelijk is voor de gezondheid of in andere redenen. Dat is inderdaad een probleem dat uiteindelijk, indien daartoe een beroep wordt ingesteld, door het Grondwettelijk Hof zal moeten worden uitgemaakt.

Overigens zijn er in alle landen waar een onderscheid wordt gemaakt, juridische moeilijkheden. In Duitsland heeft men het onderscheid gemaakt tussen drankgelegenheden met rooklokaal en zonder rooklokaal. In een gelegenheid met rooklokaal kon men roken, in herbergen zonder rooklokaal niet. De kleine herbergiers zijn naar het Grondwettelijk Hof gegaan dat geoordeeld heeft dat er een discriminatie was. Aan de kleine herbergiers werd immers een voorwaarde opgelegd waaraan ze nooit konden voldoen. Door de ruimtelijke organisatie van kleine herbergen, konden zij geen rookruimte ter beschikking stellen.

Politiek is het probleem het volgende. In de mate dat men aan een overgangsperiode denkt, is er een probleem met een criterium. De verschillende voorgestelde criteria zijn allemaal vatbaar voor juridische interpretatie of betwisting.

Als je een overgangsfase wil instellen, dan zal het moeilijk zijn om alle criteria in te vullen. Het kan niet worden betwist dat de niet invoering van een algemeen rookverbod schadelijk is voor de volksgezondheid. Er moet op politiek vlak dan ook naar worden gestreefd om de ruimte te benutten die wordt geboden door de bepaling dat het algemeen rookverbod vanaf 2012 kan worden ingevoerd. De wet sluit dat niet uit. Ik probeer enkel te verwoorden waarom er een probleem is en waarom het probleem moeilijk kan worden opgelost. Volgens mij is het vanuit politiek oogpunt raadzaam om alles in het werk te stellen om het algemeen rookverbod zo snel mogelijk in te voeren. Ik vind dan ook dat ik moest reageren tegen elke vorm van diabolisering, waarbij ook nog wordt gezegd dat het de schuld van de Senaat is dat de mensen blijven roken.

De heer Dirk Claes (CD&V). - Het uitgangspunt van ons oorspronkelijke wetsvoorstel, dat we begin 2009 hebben ingediend, was een rookvrije horeca vanaf 1 juli 2010. Dat is de enige manier om alle mogelijke discussies over schendingen van het gelijkheidsbeginsel op te lossen.

Ook de sector is hiervoor vragende partij. Nu blijft ook binnen de sector de discussie over de ongelijke behandeling voortwoeden. Met een algemeen rookverbod zouden alle discussies van de baan zijn. Onder druk van de andere partijen hebben we met een compromis moeten instemmen. Zo werkt de politiek nu eenmaal.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Wat collega Claes zegt, klopt. Het gaat zelfs zo ver dat ook horecamensen in medische tijdschriften opinieartikels publiceren over de ongelijke behandeling die het voorliggende wetsontwerp in het leven roept.

Ik ben geen jurist en beweer dat ook niet te zijn ...

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - U spreekt nochtans vaak over het recht.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik meen dat ik vanuit mijn invalshoek als arts tot het uiterste moet gaan om iedereen ertoe aan te zetten in te stemmen met een algemeen rookverbod, met het oog op de volksgezondheid. Ik heb daartoe trouwens een eed gezworen. Eventuele schoonheidsfoutjes moeten mij dan ook worden vergeven.

De Senaat zou een sterk signaal geven als hij het oorspronkelijke wetsvoorstel weer zou goedkeuren.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De heer Ide moet mijn argumenten niet als een persoonlijke aanval beschouwen. Uit de discussies in de Senaat is gebleken dat de voorstanders van een algemeen rookverbod zeer sterke argumenten hebben, maar dat ook rekening wordt gehouden met de politieke realiteit dat de Kamer in dit opzicht het laatste woord heeft. Bij een eventuele hervorming van de Senaat kan artikel 77 van de Grondwet eventueel worden uitgebreid zodat dergelijke materies, die de volksgezondheid betreffen, een bicamerale bevoegdheid worden. Als de heer Ide dat idee steunt, zal ik de eerste zijn om me achter hem te scharen. Op die manier kan de wijsheid van de Senaat beter tot uiting komen in de wetsontwerpen die door de Kamer worden overgezonden.

Mevrouw Christiane Vienne (PS), rapporteur. - Het oorspronkelijke ontwerp bepaalde dat het algemeen rookverbod zou ingaan op 1 januari 2012. In het ontwerp dat wij vandaag behandelen, staat dat het tussen 1 januari 2012 en 2014 zal ingaan.

Zoals ik in de commissie heb gezegd, hebben wij ons standpunt uitgebreid kunnen verdedigen en zijn wij het allemaal volkomen met elkaar eens over de aspecten die de volksgezondheid aangaan. Wij hebben een enigszins afwijkend en flexibeler tijdschema aanvaard. Dat is alles. We moeten geen problemen gaan zoeken waar er geen zijn.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-2317/6.)

De voorzitter. - Artikel 2 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Ide amendement 1 ingediend (zie stuk 4-1549/2) dat luidt:

Artikel 3 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Ide amendement 2 ingediend (zie stuk 4-1549/2) dat luidt:

Artikel 4 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Ide amendement 3 ingediend (zie stuk 4-1549/2) dat luidt:

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel (Stuk 4-1563) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - De commissie is vanmiddag bijeengekomen en heeft beslist dat het verslag morgen in de commissie wordt gelezen om vervolgens te worden goedgekeurd.

Dit punt zal dus morgenochtend in de plenaire vergadering worden behandeld.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 96 van de Programmawet van ... december 2009 (van de heer Philippe Fontaine c.s., Stuk 4-1574)

Algemene bespreking

Mevrouw Cindy Franssen (CD&V), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 4-1574/3.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsvoorstel in zijn geheel heeft later plaats.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - De volgende plenaire vergaderingen zullen plaatshebben op zaterdag 19 december 2009 om 10 uur, stemmingen vanaf 12 uur, en op woensdag 23 december 2009 om 14 uur, stemmingen vanaf 16 uur.

Een plenaire vergadering zal eventueel plaatshebben op donderdag 24 december 2009 om 10 uur.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a). - Begrijp ik het goed dat de commissie begint om 10 uur en dat daarna de plenaire vergadering aanvangt?

De voorzitter. - Inderdaad, de commissie vergadert om 10 uur en aansluitend volgt de plenaire vergadering. Als het nodig is, vergaderen we ook op donderdag, 24 december 2009, om 10 uur.

De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats zaterdag 19 december 2009 om 10 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 16.35 uur.)