5-2372/3

5-2372/3

Belgische Senaat

ZITTING 2013-2014

12 DECEMBER 2013


Ontwerp van tekst houdende invoeging van een artikel 39bis in de Grondwet

Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, teneinde de organisatie van gewestelijke volksraadplegingen toe te laten


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE INSTITUTIONELE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE HEREN BEKE EN DELPÉRÉE


I. INLEIDING

In het kader van de derde fase van de Zesde Staatshervorming werden op 24 juli 2013 tien voorstellen ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers (stukken Kamer, nrs. 53-2965/1 tot 53-2974/1).

Die voorstellen werden met het oog op hun behandeling in vier clusters ingedeeld :

1. uitbreiding van de financiële autonomie van de deelstaten : het voorstel van bijzondere wet tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden (stuk Kamer, nr. 53-2974/1);

2. het klimaatresponsabiliseringsmechanisme en belangenconflicten : (i) het wetsvoorstel met betrekking tot het klimaatresponsabiliseringsmechanisme (stuk Kamer, nr. 53-2965/1) en (ii) het voorstel tot herziening van artikel 143 van de Grondwet (stuk Kamer, nr. 53-2967/1);

3. gewestelijke volksraadplegingen : (i) het voorstel tot invoeging van een artikel 39bis in de Grondwet (stuk Kamer, nr. 53-2966/1), (ii) het voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen teneinde de organisatie van gewestelijke volksraadplegingen toe te laten (stuk Kamer, nr. 53-2968/1) en (iii) het voorstel tot herziening van artikel 142 van de Grondwet (stuk Kamer, nr. 53-2971/1) (1) ;

4. verkiezingsuitgaven : vier voorstellen tot herziening van de Grondwet en houdende wijziging van bijzondere en gewone wetten (stukken Kamer, nrs. 53-2969/1, 53-2970/1, 53-2972/1 en 53-2973/1).

Het voorstel tot invoeging van een artikel 39bis in de Grondwet (stuk Kamer, nr. 53-2966/1) en het voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen teneinde de organisatie van gewestelijke volksraadplegingen toe te laten (stuk Kamer, nr. 53-2968/1) werden, na respectievelijk verbetering en amendering door de Kamercommissie voor de herziening van de Grondwet en de hervorming van de instellingen, op 28 november 2013 aangenomen door de plenaire vergadering van de Kamer van volksvertegenwoordigers respectievelijk met 105 tegen 33 stemmen en met 105 tegen 31 stemmen bij 2 onthoudingen (2) . Op 29 november werden de beide ontwerpen overgezonden naar de Senaat die ze voor onderzoek heeft verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden (stukken Senaat, nrs. 5-2372/1 en 5-2373/1).

De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden heeft de beide ontwerpen behandeld tijdens haar vergaderingen van 2, 3 en 4 december 2013. Voor procedurekwesties die daarbij zijn opgeworpen, wordt verwezen naar het verslag nr. 5-2369/3.

Op elk van die vergaderingen was de regering vertegenwoordigd door de heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming.

Dit verslag werd ter goedkeuring aan de commissie voorgelegd op 12 december 2013.

II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN VAN DE HEER WATHELET, STAATSSECRETARIS VOOR STAATSHERVORMING

a) Ontwerp van tekst houdende invoeging van een artikel 39bis in de Grondwet, nr. 5-2372/1

Het institutioneel akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011 voorziet erin dat een volksraadpleging mogelijk wordt voor de gewesten, over aangelegenheden van gewestelijk belang.

De verklaring tot herziening van de Grondwet van 6 mei 2010 (Belgisch Staatsblad 7 mei 2010) stelt dat er reden bestaat tot herziening van titel III van de Grondwet, « om een nieuw artikel in te voegen dat de gewesten toelaat een volksraadpleging in te voeren en te organiseren in de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn. ».

De indieners van dit voorstel tot herziening van de Grondwet, dat oorspronkelijk in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend, stellen hiertoe voor om een artikel 39bis in de Grondwet in te voegen.

Naar analogie van artikel 41, vijfde lid, van de Grondwet, dat bepaalt dat over de aangelegenheden van gemeentelijk of provinciaal belang in de betrokken gemeente of provincie een volksraadpleging kan worden gehouden, voorziet dit voorstel tot herziening van de Grondwet er dan ook in dat over de aangelegenheden waarvoor de gewesten bevoegd zijn in het betrokken gewest een volksraadpleging kan worden gehouden.

Het lijkt de indieners evenwel opportuun om, teneinde deze vorm van « directe democratie » naar behoren te doen functioneren, een aantal nadere voorwaarden te bepalen waaraan de volksraadpleging moet voldoen. Zo mag een gewestelijke volksraadpleging niet bindend zijn. Voorts worden ook de aangelegenheden die het voorwerp van een dergelijke volksraadpleging kunnen uitmaken, beperkt tot de aangelegenheden waarvoor de gewesten bevoegd zijn, met naleving van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en met naleving van de internationale en supranationale verplichtingen van België. De gewesten zelf zullen wel bevoegd zijn om de voorwaarden te bepalen en de wijze waarop volksraadplegingen moeten worden georganiseerd.

Allereerst moet werk worden gemaakt van een organiek decreet of een organieke ordonnantie waarin de voorwaarden inzake de organisatie van de volksraadplegingen in het algemeen worden vastgelegd. Zo kunnen de deelnemingsvoorwaarden (bijvoorbeeld, de leeftijd en het vereiste aantal deelnemers aan de volksraadpleging) bij het organieke decreet of de organieke ordonnantie worden geregeld. Het organieke decreet of de organieke ordonnantie kan de voorwaarden en de organisatiemodaliteiten bepalen om een volksraadpleging te organiseren op basis van een initiatief van de bevolking, een parlementair initiatief of een regeringsinitiatief.

Het organieke decreet of de organieke ordonnantie kan eveneens voorzien in andere procedurele afbakeningen, met name met betrekking tot de formulering van de vragen, of bepaalde gewestelijke aangelegenheden uitsluiten van die aangelegenheden waarover een volksraadpleging kan worden gehouden. Het organieke decreet of de organieke ordonnantie kan ook in de wijze voorzien waarop de specifieke modaliteiten van elke volksraadpleging worden vastgesteld. Gelet op het fundamentele karakter, zowel vanuit institutioneel als vanuit politiek oogpunt bekeken, van de organisatie van volksraadplegingen voor de democratie, en rekening houdende met de grote appreciatiemarge die gegeven wordt aan de gewesten om te beslissen over de modaliteiten betreffende de volksraadplegingen en om deze modaliteiten uit te voeren, achten de indieners van dit voorstel tot herziening van de Grondwet het noodzakelijk dat deze modaliteiten worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat een meerderheid van de leden aanwezig is. Om dezelfde redenen wordt de organieke ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest aangenomen met de in de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen bedoelde bijkomende meerderheidsvoorwaarden.

Een andere voorwaarde houdt verband met de aangelegenheden die voor een volksraadpleging in aanmerking komen. Het mag uitsluitend gaan om aangelegenheden die tot de exclusieve bevoegdheden van de gewesten behoren, met uitzondering van de aangelegenheden die betrekking hebben op de financiën of op de begroting en van de aangelegenheden die met een tweederdemeerderheid moeten worden aangenomen.

Een laatste voorwaarde is afgeleid uit het feit dat elke volksraadpleging ook de mensenrechten en de fundamentele vrijheden moet naleven, evenals de internationale en supranationale verplichtingen van België. De naleving van deze normen moet worden begrepen als een verbod tot het houden van een volksraadpleging waarvan de formulering van de vraagstelling of waarvan een van de voorgestelde antwoorden, zonder toelaatbare rechtvaardiging, zou leiden tot het in vraag stellen, het betwisten, het minimaliseren, het wijzigen van de draagwijdte of de interpretatie van de rechten en vrijheden (en meer bepaald de principes van gelijkheid en non-discriminatie) of de internationale en supranationale verplichtingen van België. De naleving van deze vierde voorwaarde wordt gegarandeerd door de controle door het Grondwettelijk Hof, zoals deze wordt georganiseerd door de voorgestelde herziening van artikel 142 van de Grondwet en door de wijziging van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof.

b) Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, teneinde de organisatie van gewestelijke volksraadplegingen toe te laten, nr. 5-2373/1

Het voorstel tot herziening van de Grondwet om een nieuw artikel 39bis in te voegen voorziet erin dat een volksraadpleging mogelijk wordt voor de gewesten, over aangelegenheden van gewestelijk belang. In dit kader wordt een nieuwe bevoegdheid toegekend aan het Grondwettelijk Hof in het voorstel tot herziening van artikel 142 van de Grondwet.

De artikelen 2 tot 7 van dit voorstel van bijzondere wet houden wijzigingen in van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en strekken ertoe een nieuwe bevoegdheid te verlenen aan het Grondwettelijk Hof om de grondwettigheid na te gaan van een eventuele volksraadpleging die door een gewest zou worden georganiseerd krachtens het voorgestelde nieuwe artikel 39bis van de Grondwet, en om de naleving van het organieke decreet of de organieke ordonnantie te controleren. Daartoe krijgt het Hof een nieuwe controlebevoegdheid voor elke gewestelijke volksraadpleging.

Het onderzoek door het Hof zal dus zowel betrekking moeten hebben op de naleving van de normen die het gewoonlijk controleert als op de naleving van het organieke decreet of de organieke ordonnantie. Het onderzoek door het Hof kan uiteraard geen betrekking hebben op de opportuniteit van de volksraadpleging. Indien het Hof van oordeel is dat de bedoelde volksraadpleging ongrondwettig is of het organieke decreet of de organieke ordonnantie niet naleeft, mag deze niet worden georganiseerd. Ook indien het gewest het Hof niet vat, mag de volksraadpleging niet worden georganiseerd.

Artikel 2 en artikel 3 voegen een nieuw hoofdstuk IV in in titel I van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, met betrekking tot de controle op de volksraadplegingen. In een nieuw artikel 30ter worden de in het voorgestelde artikel 142, het nieuwe vierde lid, van de Grondwet voorziene voorwaarden en modaliteiten vastgelegd voor de controle op de volksraadplegingen door het Grondwettelijk Hof.

De keuze voor een controleprocedure voor het Grondwettelijk Hof is het gevolg van de wil om een verregaande autonomie aan de gewesten toe te kennen wat de voorwaarden en modaliteiten voor de organisatie van hun volksraadplegingen betreft, terwijl tegelijk de eerbiediging van de voorwaarden voorzien in of krachtens het voorgestelde artikel 39bis van de Grondwet wordt gewaarborgd : het niet bindend karakter, de door het organieke decreet of de organieke ordonnantie vastgestelde voorwaarden en modaliteiten, de aangelegenheden die het voorwerp kunnen uitmaken van een volksraadpleging en de naleving van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, evenals, in samenhang daarmee, de naleving van de internationale en supranationale verplichtingen van België.

Daaruit volgt dat de gewesten geen volksraadpleging mogen organiseren indien zij niet voorafgaandelijk het Grondwettelijk Hof vatten of indien het Hof de volksraadpleging ongrondwettig of strijdig met het organieke decreet of de organieke ordonnantie verklaart. De volksraadpleging kan niet georganiseerd worden zolang het Hof zich niet heeft uitgesproken.

De artikelen 4 tot 7 voegen een nieuw hoofdstuk VIIIbis in in titel V van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof betreffende de controleprocedure voor de volksraadplegingen.

De voorziene procedure verwijst hoofdzakelijk naar de procedureregels die van toepassing zijn op de beroepen tot vernietiging en op de prejudiciële vragen, met uitzondering van de regels die niet relevant zijn voor de controleprocedure voor de volksraadplegingen (zoals de voorafgaande rechtspleging, het organiseren van een hoorzitting of de mogelijkheid van een expertise, die onmogelijk worden gemaakt door de termijnen die zijn opgelegd voor de controleprocedure).

De voorgestelde artikelen 118ter en 118quater bepalen regels die eigen zijn aan de controleprocedure.

Artikel 8 van voorliggend voorstel van bijzondere wet ten slotte houdt een wijziging in van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen.

Het nieuwe artikel 39bis voorziet met name in het tweede lid dat : « De in artikel 134 bedoelde regel regelt de modaliteiten en de organisatie van de volksraadpleging, en wordt aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het betrokken Parlement aanwezig is. Een wet, aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bedoelde meerderheid voorziet in bijkomende meerderheidsvereisten wat betreft het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. »

Dit voorstel tot wijziging van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen voert het tweede lid van artikel 39bis van de Grondwet uit door te voorzien, bovenop de door de Grondwet voorziene tweederdemeerderheid, in de noodzaak om een meerderheid van uitgebrachte stemmen in elke taalgroep te bekomen in het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Broers herinnert eraan dat zijn fractie geen grote voorstander van volksraadplegingen is. De ervaringen in het verleden hebben aangetoond dat volksraadplegingen veeleer de tegenstellingen verscherpen in plaats van de problemen op te lossen. De verkozenen moeten de democratische beslissingen nemen, nadat ze alle legitieme belangen in de zaak tegen elkaar hebben afgewogen.

Vanuit politiek oogpunt stelt spreker vast dat de mogelijkheid om een volksraadpleging te organiseren alleen wordt opengesteld voor de gewesten, voor aangelegenheden die exclusief aan gewestelijke organen zijn toegewezen. Waarom voorziet men niet in een procedure van volksraadpleging voor de gemeenschappen ? Nu zal het niet mogelijk zijn een raadpleging te organiseren over onderwijs, terwijl dat een heel belangrijke problematiek is.

De heer Broers stelt tevens vast dat over financiële en budgettaire aangelegenheden ook geen gewestelijke volksraadplegingen kunnen worden gehouden. Spreker vraagt zich af welke angst aan de basis ligt van deze uitzondering.

Het zal evenmin mogelijk zijn een volksraadpleging te organiseren over aangelegenheden die met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen worden geregeld. De memorie van toelichting verantwoordt die uitzondering met het feit dat de bijzondere meerderheden al waarborgen dat die beslissingen met brede democratische steun worden genomen. Die uitzondering zal bijvoorbeeld beletten dat een gewest een volksraadpleging organiseert over het voortbestaan van de provincies. Het zal evenmin mogelijk zijn een volksraadpleging te organiseren over zaken die — al is het van ver — met de rechten van de Franstaligen in Vlaanderen of van de Nederlandstaligen in Wallonië te maken hebben.

De heer Broers stelt vast dat geen raadpleging mag worden gehouden over de vraag of de Franstaligen in de gemeente Voeren gelukkig zijn met de uitgebreide taalrechten die ze daar krijgen. Er zit dus een zekere logica in het toekennen van de verplichte voorafgaande controlebevoegdheid aan het Grondwettelijk Hof.

Volgens spreker zitten er zeker enkele hiaten in het voorliggende ontwerp en daarom zal hij enkele amendementen indienen ter verbetering van de tekst. Waarom trouwens al die moeite doen als later niemand de regelgeving zal begrijpen ? Senator Broers kan zich voorstellen dat, eenmaal deze tekst goedgekeurd zal zijn, het idee zal leven dat over alles een volksraadpleging mag georganiseerd worden, wat niet het geval is.

Zelfs een voorstander van een volksraadpleging kan volgens de heer Broers niet helemaal gelukkig zijn met de voorliggende regeling. Is het deze volksraadpleging die Ecolo overtuigd heeft om zijn steun te geven aan deze Staatshervorming ? Het lijkt spreker immers het enige punt in alles wat hier de afgelopen maanden werd besproken dat de groenen tegemoet komt. Hij hoopt dat de heer Cheron hier wat meer duidelijkheid over zal kunnen geven.

Senator Broers stelt vast dat ook in andere partijen bepaalde personen zich duidelijk hebben uitgesproken tegen een volksraadpleging. De heer Marc Van Peel, oud-voorzitter van CD&V, was in 2009 een tegenstander van de volksraadpleging over de Oosterweelverbinding en heeft daarna de uitslag ervan verworpen. De opwerpingen van de N-VA worden dus door alle democratische partijen gedragen.

De heer Moureaux vindt dit zowel een interessante als een delicate aangelegenheid. Interessant omdat wij in een tijd leven waar de representatieve democratie veel kritiek te verduren krijgt van het publiek. De zoektocht naar andere formules leidt er vaak toe dat wij kijken naar hele oude vormen van democratie zoals de Atheense agora. Weliswaar is het niet meer mogelijk alle burgers te verzamelen, maar men zou graag rechtstreeks de mening van iedereen kennen.

Spreker meent dat dit het proberen waard is. Er zijn delicate precedenten geweest. Het gevoeligste geval was natuurlijk de volksraadpleging van 12 maart 1950 over de Koningskwestie. Onze voorgangers hebben een probleem willen oplossen, maar hebben het alleen maar verergerd tot het land aan de rand van een burgeroorlog stond.

Een volksraadpleging heeft voordelen, maar houdt dus ook gevaren in. Het is dus logisch dat er bakens worden uitgezet.

Het probleem van de gemeenschappen, bijvoorbeeld : als de Vlaamse Gemeenschap een volksraadpleging over het onderwijs wil organiseren, welke Brusselaars zullen er dan aan deelnemen ?

Een aantal onderwerpen zijn uitgesloten wegens een evident demagogisch risico. Men zal de burgers niet vragen of de belastingen moeten worden afgeschaft.

Het lid beschouwt de voorliggende tekst als een experiment, dat een opening toelaat. Het lijkt hem logisch om zo te handelen.

Hij besluit met een duidelijke vraag : wat met een volksraadpleging over een gemeenschapsaangelegenheid die aan Franstalige kant door het Waals Gewest wordt uitgeoefend ?

De staatssecretaris antwoordt dat een dergelijke volksraadpleging uitdrukkelijk wordt uitgesloten in de toelichting bij het voorstel tot invoeging van een artikel 39bis in de Grondwet : « De mogelijkheid tot het organiseren van een volksraadpleging wordt ook uitgesloten over de bevoegdheden die door de gewesten of hun organen uitgeoefend worden op basis van of krachtens de artikelen 135bis, 138, 163 of 166 van de Grondwet. » (stuk Kamer, nr. 53-2966/1, p. 5).

De heer Moureaux merkt op dat de toelichting weinig rechtswaarde heeft. Het is in ieder geval nuttig te vermelden dat het dus niet zo is dat de gewesten volksraadplegingen kunnen houden over alle aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn. Er zijn wel beperkingen.

De heer Claes vindt de voorliggende tekst over volksraadplegingen een evenwichtig voorstel. Amendement nr. 1 van de N-VA stelt dat er geen redenen zouden zijn om financiële aangelegenheden of de begroting uit te sluiten van een volksraadpleging. Volgens de heer Claes is dat geen goed idee. Als een gemeente een volksraadpleging zou houden over financiële aangelegenheden of de begroting, dan is het duidelijk dat iedereen tegen belastingen zal stemmen.

In een volksraadpleging zitten echter ook heel wat kansen en mogelijkheden, ook voor de gewesten. Zij zullen zelf bevoegd zijn om bijvoorbeeld de deelnemingsvoorwaarden te bepalen. Hoe oud moet je zijn om te mogen deelnemen ? Hoeveel deelnemers zijn er nodig ? Wie moet het initiatief nemen : een bevolkingsgroep, parlementsleden, de regering, andere instanties ? Ook de procedures en de nadere bepalingen zullen de gewesten zelf kunnen vaststellen.

Natuurlijk moeten ze rekening houden met het geschetste kader, dat het niet-bindende karakter van een volksraadpleging vastlegt. De volksraadpleging kan ook enkel georganiseerd worden over zaken waarvoor het gewest bevoegd is, wat logisch is. Een goede beschermende maatregel om te vermijden dat over de meest onzinnige zaken volksraadplegingen zouden worden georganiseerd, is het feit dat er rekening moet worden gehouden met de naleving van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.

De heer Delpérée is het met de heer Moureaux eens dat er in de voorliggende teksten zowel een interessant als een delicaat idee vervat is. Het is een interessante gedachte om een volksraadpleging te organiseren op gewestelijk niveau. Het is een vorm van rechtstreekse participatie van burgers in het leven van hun gewest. Dit idee is trouwens opgenomen in het programma van het cdH.

Het is ook een delicaat idee dat enkele vragen oproept.

Een eerste vraag betreft de institutionele context : volksraadplegingen kunnen vandaag op lokaal — gemeentelijk of provinciaal — niveau worden gehouden, maar niet op federaal niveau. De Grondwet bepaalt immers dat de leden van beide Kamers de Natie vertegenwoordigen. Deze leden spreken en beslissen in naam van de Natie.

Een volksraadpleging op regionaal niveau komt erop neer dat men het systeem van de gedecentraliseerde politieke entiteiten overneemt, en niet dat van de federale entiteit. Is dat logisch in een federaal systeem ?

Het lid betreurt dat de toelichting geen informatie geeft over de volksraadplegingen die op lokaal niveau zijn gehouden : hoeveel volksraadplegingen zijn er geweest op gemeentelijk niveau, hoeveel op provinciaal niveau, hoe groot was de opkomst, welk gevolg heeft men eraan gegeven, enz. Dergelijke informatie zou het Parlement hebben kunnen helpen om een beslissing te nemen.

Een tweede vraag betreft het Grondwettelijk Hof. Het werd opgericht om conflicten te regelen tussen wetten, decreten en ordonnanties. Oorspronkelijk was het dus uitsluitend bevoegd voor de controle op de normen. Nu geeft men het Grondwettelijk Hof een nieuwe bevoegdheid die niets meer te maken heeft met een normencontrole. In de teksten is er sprake van een « controle op de beslissingen ». Is dat nog wel coherent ?

Het lid besluit dat de invoering van een volksraadpleging op regionaal niveau een delicaat, maar interessant en genereus idee is. Hij zal er dan ook voor stemmen, mede in de wetenschap dat dit een onderdeel vormt van het geheel dat de zesde staatshervorming is.

De heer Laeremans is deels positief en deels kritisch over het voorstel betreffende het organiseren van volksraadplegingen. Het is positief omdat het volgens spreker een stap vooruit is. In tegenstelling tot de N-VA is de heer Laeremans wel degelijk voorstander van volksraadplegingen en zelfs van bindende referenda. Zeker in dit land wordt de democratie immers al in dergelijke mate aan banden gelegd en wordt de meerderheid van het land op zoveel manieren gefnuikt dat er eigenlijk nauwelijks nog sprake is van een democratie. Elke stap in de richting van volksraadplegingen is een stap vooruit en dat kan alleen maar worden toegejuicht. Het gaat nog niet om een bindend referendum, maar dat kan in een latere fase nog komen.

Heel wat andere landen hebben dit systeem al ingevoerd. In Zwitserland maakt het tot ieders tevredenheid deel uit van de nationale cultuur. Het verhoogt bovendien de democratische betrokkenheid van de bevolking. Niemand zal trouwens het fundamenteel democratisch karakter van Zwitserland in vraag stellen.

De heer Laeremans vindt dat de voorliggende tekst best nog verder mag gaan. Vlaanderen zou zelf integraal bevoegd moeten zijn, niet alleen om een volksraadpleging te organiseren maar ook om dat institutioneel te verankeren in de wetgeving. Het voorliggende voorstel wordt immers weer federaal omkaderd en nog maar eens aan allerlei remmen en beperkingen onderworpen. Een hele belangrijke rem is het feit dat het Grondwettelijk Hof eerst moet nagaan of een voorstel tot volksraadpleging wel binnen de grondwettelijke contouren valt.

De heer Laeremans betreurt dat geen referenda kunnen worden gehouden over aangelegenheden zoals de begroting of communautaire vraagstukken. Aldus wordt er geen rekening gehouden met de wil van de bevolking.

Spreker vindt dit voorstel het beste dat behandeld werd in het kader van de zesde staatshervorming. Het is een kleine stap vooruit en zijn fractie zal dan ook niet tegenstemmen maar zich onthouden. Hij zal wel een amendement indienen om de toetsing door het Grondwettelijk Hof te schrappen en hoopt dat dit zal worden aangenomen, gelet op zijn constructieve houding.

De heer Claes vraagt of de heer Laeremans een alternatief heeft voor de toetsing door het Grondwettelijk Hof.

De heer Laeremans antwoordt dat het Grondwettelijk Hof een federale instantie blijft die voor de helft bestaat uit Franstalige magistraten. Men kan voor de volksraadplegingen beter een controlecommissie oprichten binnen het Vlaams Parlement zodat het Vlaams Gewest zelf kan beslissen.

De heer Cheron meent dat de democratie door twee takken gekenmerkt wordt, te weten de tak van de vertegenwoordiging, die door het Parlement geïncarneerd wordt en de tak van de participatie, die door de rechtstreekse raadpleging van de bevolking geïncarneerd wordt.

Spreker is een vurig voorstander van de representatieve democratie, de grondslag van ons systeem. Het zogenaamde conflict tussen de representatieve en de participatieve democratie rechtvaardigt echter op zijn minst dat men het experiment van de volksraadpleging waagt. De wetsontwerpen, die het resultaat zijn van een compromis, bieden in ons land met zijn complexe institutionele architectuur de mogelijkheid gewestelijke volksraadplegingen te organiseren.

Tot dusver zijn er nog geen provinciale volksraadplegingen geweest en de resultaten van de gemeentelijke volksraadplegingen zijn niet spectaculair. Op 14 oktober 1974 werd er niettemin in Nijvel een volksraadpleging gehouden over de keuze van de kroonlijst bij de wederopbouw van de kerktoren van de Sint-Gertrudis-kapittelkerk, die in de Tweede Wereldoorlog vernield werd. De bevolking heeft daar in groten getale aan deelgenomen, niet alleen aan de stembusgang, maar ook aan de campagne, die door de lokale overheid georganiseerd werd. Het kwam tot een echte volkspassie zonder voorgaande. De gemeenteraad heeft vervolgens bekrachtigd wat de bevolking bij die volksraadpleging voorstelde.

Kan de volkscultuur van de volksraadpleging hier echt vaste voet aan de grond krijgen, naar het voorbeeld van de Zwitserse referendumcultuur ? Indien men werkelijk een nuttige cultuur wil doen ontstaan, dan moet de bevolking objectief worden geïnformeerd, zodat ze zich in alle onafhankelijkheid een mening kan vormen.

De heer Delpérée meldt dat het de Zwitsers niet interesseert om gewoon een advies uit te brengen. Ze willen vooral beslissingen nemen in een referendum dat bindend is.

De heer Cheron preciseert dat hij een eenvoudige vergelijking heeft willen maken, zonder de volksraadpleging en het referendum door elkaar te halen.

De heer Broers merkt op dat nu al, in diverse gemeentebesturen, adviesraden actief zijn, voornamelijk samengesteld uit burgers, waar politici zelfs vaak geen stemrecht meer hebben. Zij kunnen over een aantal punten, die zij bepalen, advies voorleggen aan het college van burgemeester en schepenen.

Staatssecretaris voor Staatshervorming Wathelet zegt verbaasd te zijn dat de N-VA tegen het voorstel van bijzondere wet is, maar toch amendementen indient die het toepassingsgebied ervan uitbreiden.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN

a) Ontwerp van tekst houdende invoeging van een artikel 39bis in de Grondwet, nr. 5-2372/1

Enig artikel

Amendement nr. 1

De heer Broers en mevrouw Maes dienen amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-2372/2) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 39bis te vervangen om de inhoudelijke beperkingen die zouden gelden voor de organisatie van een volksraadpleging door de gewesten te doen vervallen.

De heer Broers verwijst voor het overige naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Amendement nr. 2

De heer Laeremans dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 5-2372/2) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 39bis van de Grondwet te wijzigen.

De heer Laeremans legt uit dat hij het evenmin eens is met de inhoudelijke beperkingen die aan de gewesten worden opgelegd voor het organiseren van volksraadplegingen. Daarover moeten de gewesten zelf kunnen beslissen. Daarenboven wil hij ook aan de regio's de mogelijkheid geven om referenda te organiseren onder de voorwaarden door hen zelf bepaald.

Stemmingen

Amendement nr. 1 van de heer Broers en mevrouw Maes wordt verworpen met 10 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 2 van de heer Laeremans wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem, bij 4 onthoudingen.

Het enig artikel wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen, bij 1 onthouding.

b) Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, teneinde de organisatie van gewestelijke volksraadplegingen toe te laten, nr. 5-2373/1

Artikel 1

Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Het wordt aangenomen met 10 tegen 5 stemmen.

Artikel 2

Amendement nr. 2

De heer Laeremans dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 5-2373/2) teneinde dit artikel te doen vervallen.

Hij verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 2 van de heer Laeremans wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem, bij 4 onthoudingen.

Artikel 2 wordt aangenomen met 10 tegen 5 stemmen.

Artikel 3

Amendementen nrs. 1 en 3

De heer Laeremans dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 5-2373/2) teneinde dit artikel te doen vervallen.

Spreker verwijst hierbij naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement en voegt eraan toe dat dit amendement, net zoals de volgende, er in feite toe strekken de schoonheid van de eigenlijke grondwetsherziening niet teniet te laten doen door de bepalingen vervat in de artikelen 3 tot 7.

De heer Broers en mevrouw Maes dienen amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-2373/2) om het vierde lid van artikel 3 te vervangen.

Mevrouw Maes verwijst naar de schriftelijke verantwoording van dit amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 3 van de heer Laeremans wordt verworpen met 10 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 1 van de heer Broers en mevrouw Maes wordt verworpen met 10 tegen 5 stemmen.

Artikel 3 wordt aangenomen met 10 tegen 5 stemmen.

Artikel 4

Amendement nr. 4

De heer Laeremans dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 5-2373/2) teneinde dit artikel te doen vervallen.

Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 4 van de heer Laeremans wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem, bij 4 onthoudingen.

Artikel 4 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 bij 4 onthoudingen.

Artikel 5

Amendement nr. 5

De heer Laeremans dient het amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 5-2373/2) teneinde dit artikel te doen vervallen.

Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement

Stemmingen

Amendement nr. 5 van de heer Laeremans wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem, bij 4 onthoudingen.

Artikel 5 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

Artikel 6

Amendement nr. 6

De heer Laeremans dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 5-2373/2) teneinde dit artikel te doen vervallen.

Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement

Stemmingen

Amendement nr. 6 van de heer Laeremans wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem, bij 4 onthoudingen.

Artikel 6 wordt aangenomen met 10 tegen 5 stemmen.

Artikel 7

Amendement nr. 7

De heer Laeremans dient amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 5-2373/2) teneinde dit artikel te doen vervallen.

Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 7 van de heer Laeremans wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem, bij 4 onthoudingen.

Artikel 7 wordt aangenomen met 10 tegen 5 stemmen.

Artikelen 8 en 9

Er worden geen opmerkingen gemaakt over deze artikelen. Zij worden achtereenvolgens aangenomen met 10 tegen 5 stemmen.

V. STEMMINGEN OVER HET GEHEEL

Het ontwerp van tekst houdende invoeging van een artikel 39bis in de Grondwet, nr. 5-2372/1, wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen, bij 1 onthouding.

Het ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, teneinde de organisatie van gewestelijke volksraadplegingen toe te laten, nr. 5-2373/1, wordt in zijn geheel aangenomen met 10 tegen 5 stemmen.


Dit verslag werd goedgekeurd bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

De rapporteurs, De voorzitster,
Wouter BEKE. Francis DELPÉRÉE. Sabine de BETHUNE.

De door de commissie aangenomen teksten zijn dezelfde als die van de door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerpen (zie stukken Kamer, nrs. 53-2966/4 en 53-2968/5).


(1) Dit voorstel werd in de Kamer zonder voorwerp verklaard (zie stuk Kamer, nr. 53-2969/3, blz. 7).

(2) Voor de andere voorstellen (clusters 1, 2 en 4) wordt verwezen naar de verslagen nrs. 5-2369/3, 5-2370/3 en 5-2374/3.