5-1748/3

5-1748/3

Belgische Senaat

ZITTING 2012-2013

25 SEPTEMBER 2013


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEER LAEREMANS

Artikel 1/1 (nieuw)

Een artikel 1/1 invoegen, luidende :

« Art. 1/1. In artikel 1 van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers, laatst gewijzigd bij de wet van 21 februari 2010, worden de woorden « of van senator » geschrapt. »

Verantwoording

Gelet op de algehele visie van de indiener aangaande de volledige opheffing van de Senaat, is het overbodig nog in allerhande regelingen te voorzien. Elk voorstel in die zin wordt dan ook logischerwijze geschrapt.

Er bestaat in Vlaanderen een vrij brede consensus over de noodzaak tot een grondige hervorming van de instellingen van dit land. Één van de hervormingen waarover ter zake een vrij grote eensgezindheid bestaat, is de afschaffing van de Senaat die immers wordt beschouwd als een vrij overbodige instelling.

Geruime tijd heeft de Belgische Senaat, in het kader van een volwaardig tweekamerstelsel, dezelfde bevoegdheden gehad als de Kamer van volksvertegenwoordigers. Dit tweekamerstelsel werd door zijn voorstanders gerechtvaardigd met het argument dat ook de wetgever enige controle nodig heeft en dat het zodoende past dat de tweede kamer zich eventueel nog eens uitspreekt over de door de eerste kamer aangenomen wetten. Tegenstanders verwijzen naar de hoge kostprijs van dit stelsel, naar de vertragingen op wetgevend vlak en naar het feit dat niet bewezen is dat een tweekamerstelsel beter zou functioneren dan een eenkamerstelsel.

Met de staatshervorming en de grondwetsherziening van 1993 is de rol van de Senaat grondwettelijk beperkt tot een tweederangskamer, in grote mate ondergeschikt aan de Kamer van volksvertegenwoordigers. De grote debatten gebeuren in de Kamer van volksvertegenwoordigers. De regering kan trouwens niet door de Senaat ten val worden gebracht. De regering laat dit trouwens zeer duidelijk blijken door de manier waarop ze de Senaat behandelt. Zowel de twee regeringen-Verhofstadt als de regeringen-Leterme stuurden bij vragen om uitleg telkens een staatssecretaris van dienst om het antwoord af te lezen. De Senaat is ook niet meer bevoegd voor de begroting, wat opnieuw een belangrijke minderwaarde voor de parlementaire assemblee vertegenwoordigt.

Bovendien blijkt zeer duidelijk uit de artikelen 77 en 78 van de Grondwet — waarbij wordt bepaald dat het de Kamer van volksvertegenwoordigers is die het laatste woord heeft in geval van verschil tussen de uitkomst van een debat in de Kamer en de Senaat — dat het die kamer is die de bovenhand heeft gekregen.

Om de Senaat toch nog enige zin te geven, kreeg hij onder meer een communautaire pacificatierol toegemeten. Door zijn samenstelling zou de Senaat bij voorkeur geschikt zijn om problemen tussen de verschillende gemeenschappen op te lossen. De Senaat is immers voor een deel samengesteld uit volksvertegenwoordigers die verkozen zijn in hun regionaal parlement en van daaruit zijn afgevaardigd in de Senaat. In de praktijk is echter gebleken dat de Senaat deze pacificerende communautaire rol omzeggens nooit heeft kunnen waarmaken. Wanneer adviezen moeten worden gegeven om zogenaamde belangenconflicten tussen Vlamingen en Franstaligen op te lossen, dan beperkt de Senaat zich ofwel tot een verwijzing naar één of andere nietszeggende tekst, ofwel doodgewoon tot de vaststelling dat hij geen advies kan geven bij gebrek aan eensgezindheid tussen Vlaamse en Franstalige senatoren. De opdracht om als verzoener op te treden is dan ook manifest mislukt.

Een andere opdracht die de Senaat bij de meest recente staatshervorming meekreeg, was die van reflectiekamer. Ook wat dit betreft is de productie erg mager gebleken. Er zijn weliswaar in de Senaat debatten gevoerd die enige weerklank konden vinden, bijvoorbeeld het debat over het stemrecht voor niet-Belgen die de Belgische nationaliteit weigeren, het euthanasiedebat, en zo meer. Maar al deze debatten werden ook steeds opnieuw overgedaan in de Kamer van volksvertegenwoordigers. De maatschappelijke relevantie van de herhaling van deze debatten in beide kamers kan ten zeerste worden betwijfeld omdat zij in beide kamers volgens dezelfde lijnen verlopen vermits het de partijen en niet de parlementsleden van Kamer of Senaat zijn die de vormgeving en de inhoud van de debatten bepalen.

In het huidige België is een tweekamerstelsel dan ook een loutere verspilling van overheidsgelden aangezien zowel qua kwaliteit als qua kwantiteit aan het wetgevende werk en de controleopdracht van de wetgever niets wordt toegevoegd. Het beste is dan ook dat de Senaat wordt opgeheven. Zeker in deze tijden van crisis kan dit immers een grote besparing opleveren voor de staatsfinanciën, vermits de Senaat de schatkist jaarlijks om en bij de 64 miljoen euro kost.

Zodoende kan er, gelet op de brede consensus daarover, alvast al snel werk worden gemaakt van de afschaffing van de Senaat. Dit amendement dient dan ook in die context te worden gelezen.

Nr. 2 VAN DE HEER LAEREMANS

Art. 2

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Art. 2. In artikel 1bis van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid worden de woorden « of een rechtstreeks verkozen senator » geschrapt;

2º het tweede lid wordt opgeheven;

3º in het derde lid worden de woorden « de Wetgevende Kamers » vervangen door de woorden « de Kamer van volksvertegenwoordigers » en worden de woorden « een van beide Kamers » vervangen door de woorden « de Kamer van volksvertegenwoordigers ». »

Verantwoording

Zie de verantwoording van amendement nr. 1.

Nr. 3 VAN DE HEER LAEREMANS

Art. 3

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Art. 3. Artikel 1ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 december 1993 en vervangen bij de wet van 12 augustus 2000, wordt opgeheven. »

Verantwoording

Zie de verantwoording van amendement nr. 1.

Nr. 4 VAN DE HEER LAEREMANS

Art. 3/1 (nieuw)

Een artikel 3/1 invoegen, luidende :

« Art. 3/1. In artikel 1quater, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999, worden de woorden « of van senator » geschrapt. ».

Verantwoording

Zie de verantwoording van amendement nr. 1.

Nr. 5 VAN DE HEER LAEREMANS

Art. 3/2 (nieuw)

Een artikel 3/2 invoegen, luidende :

« Art. 3/2. In artikel 1quinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid worden de woorden « of Senaat » geschrapt;

2º in het derde lid worden de woorden « of van senator » geschrapt;

3º in het vierde lid worden de woorden « zijn assemblee » vervangen door de woorden « de Kamer van volksvertegenwoordigers »;

4º in het vijfde lid worden de woorden « elke assemblee » vervangen door de woorden « de Kamer van volksvertegenwoordigers ». »

Verantwoording

Zie de verantwoording van amendement nr. 1.

Nr. 6 VAN DE HEER LAEREMANS

Art. 3/3 (nieuw)

Een artikel 3/3 invoegen, luidende :

« Art. 3/3. In artikel 2 van dezelfde wet worden de woorden « der Wetgevende Kamers » vervangen door de woorden « van de Kamer van volksvertegenwoordigers of de voormalige Senaat ». »

Verantwoording

Zie de verantwoording van amendement nr. 1.

Nr. 7 VAN DE HEER LAEREMANS

Art 3/4 (nieuw)

Een artikel 3/4 invoegen, luidende :

« Art. 3/4. In artikel 5 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 21 februari 2010, worden de woorden « der Kamers » vervangen door de woorden « van de Kamer van volksvertegenwoordigers ». »

Verantwoording

Zie de verantwoording van amendement nr. 1.

Nr. 8 VAN DE HEER LAEREMANS

Art 3/5 (nieuw)

Een artikel 3/5 invoegen, luidende :

« Art. 3/5. In artikel 7 van dezelfde wet wordt het woord « Kamers » vervangen door het woord « Kamer ». »

Verantwoording

Zie de verantwoording van amendement nr. 1.

Nr. 9 VAN DE HEER LAEREMANS

Art. 4

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Art. 4. Deze wet treedt in werking op de dag van de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers. »

Verantwoording

Zoals in andere van haar voorstellen laat de institutionele meerderheid deze regeling ingaan in 2014 wanneer er samenvallende verkiezingen voor zowel het deelstatelijke, het federale als het Europese bestuursniveau zullen worden gehouden. De indiener van dit amendement is daar om democratische en autonomistische redenen een principieel tegenstander van. Door op hetzelfde ogenblik verkiezingen voor verschillende bestuursniveaus te organiseren, belet men de kiezer immers zich volmondig uit te spreken over het beleid dat door elk van deze verschillende bestuursniveaus werd gevoerd. In de praktijk zal de kiezer zich in zijn stemgedrag immers laten leiden door het beleid dat door het meest dominante bestuursniveau werd gevoerd. Samenvallende verkiezingen monden derhalve per definitie uit in een verschraling van het democratische gehalte van onze samenleving. Bovendien leiden samenvallende verkiezingen onvermijdelijk tot een feitelijke inperking van de autonomie van de deelstaten, zoals dat in het verleden reeds meermaals werd aangetoond. In de praktijk betekent dit immers dat hierdoor de coalitie- en regeringsvorming op deelstatelijk niveau wordt afgestemd op de coalitie- en regeringsvorming op het federale niveau. Dit brengt op zijn beurt mee dat het beleid van de deelstaatregeringen en -parlementen vaak wordt afgestemd, zeker in cruciale aangelegenheden, op het beleid van het federale niveau. Het ontneemt met andere woorden de facto aan de deelstaten een groot deel van hun zelfstandige dynamiek doordat het hen veel meer onderhorig maakt aan het federale niveau. Voor de indiener van dit amendement, die van oordeel is dat de deelstaten integendeel een zo groot mogelijke zelfstandige dynamiek moeten kunnen ontwikkelen, is dit onaanvaardbaar.

Bart LAEREMANS.