5-1873/2

5-1873/2

Belgische Senaat

ZITTING 2012-2013

17 APRIL 2013


Wetsvoorstel tot aanvulling van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiėle stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, met het oog op de uitbreiding van de controlebevoegdheid van de Cel Financiėle Informatieverwerking wat betreft het extremisme


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEREN VASTERSAVENDTS EN SCHOUPPE C.S.

De tekst van het wetsvoorstel vervangen als volgt :

« Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 5 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiėle stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, laatst gewijzigd bij de wet van 18 januari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1ŗ er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, luidende :

« § 2/1. Voor de toepassing van deze wet wordt onder de financiering van extremisme verstaan : de financiering van een feit zoals bedoeld in artikel 8, 1ŗ, c) van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. »;

2ŗ in § 3, 1ŗ, wordt tussen het eerste en het tweede streepje een bijkomend streepje ingevoegd, luidende :

« — extremisme; ». ».

Art. 3

Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. »

Verantwoording

Dit amendement vervangt de tekst van het wetsvoorstel tot aanvulling van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiėle stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, met het oog op de uitbreiding van de controlebevoegdheid van de Cel Financiėle Informatieverwerking wat betreft het extremisme.

Uit de bespreking van het wetsvoorstel blijkt de noodzaak om via de parlementaire voorbereidingen alsook door opname in de toelichting van het wetsvoorstel alsook de artikelsgewijze bespreking duidelijk de term extremisme te omkaderen.

Dit amendement wil een strikt kader aanreiken aan de CFI om duidelijk de grenzen vast te leggen waarbinnen de CFI dossiers mag behandelen en doorgeven in het kader van extremisme. Hiervoor wordt expliciet het kader en dus ook de omlijning hernomen die in het jaarverslag 2011 van de CFI op pg. 93 duidelijk worden omschreven. In casu betreft het volgende passage :

« Een bevoegdheidsuitbreiding naar de financiering van extremistische activiteiten zou de CFI toelaten om in nauwe samenwerking met de partnerdiensten in deze materie — politie, federaal parket en inlichtingendiensten — een meer proactieve rol te spelen in de aanpak van terrorisme en de financiėle en logistieke ontplooiing van extremistische netwerken in een vroeg stadium te stoppen. »

Deze passage wordt aldus in de toelichting van het wetsvoorstel expliciet opgenomen om duidelijk en nauwkeurig de grenzen aan te geven waarbinnen de CFI binnen haar wettelijke bevoegdheden kan optreden wat betreft de door het wetsvoorstel beoogde bevoegdheidsuitbreiding naar extremisme toe.

Het amendement herneemt bijgevolg de tekst van het oorspronkelijke voorstel maar vult deze aan in de toelichting en de artikelsgewijze bespreking met de verwijzing en dus begrenzing zoals hierboven omschreven.

Het enige nieuwe element in het dispositief zelf betreft de inwerkingtreding. Er is voorzien in een inwerkingtreding na 6 maanden na de publicatie in het Staatsblad opdat de dienst voldoende voorbereidingsdienst zou hebben.

Ook de toelichting bij het wetsvoorstel wordt vervangen als volgt :

« 1. Inleiding

...

De inschatting van het extremistisch of potentieel terroristisch karakter van de activiteiten die mogelijk door deze organisaties ontplooid worden, is een delicate oefening. Bij het onderzoek in dergelijke dossiers tracht de CFI de financiėle informatie te koppelen aan de specifieke informatie die bij gespecialiseerde diensten beschikbaar is. De contacten met de Cel « Terrorisme en Sekten » van de politie, het Federaal Parket, het Orgaan voor de coördinatie en de analyse van de dreiging (OCAD), de Veiligheid van de Staat en de algemene Dienst Inlichting en Veiligheid (ADIV) van de Krijgsmacht zijn dan ook van cruciaal belang in het onderzoek naar de financiering van terrorisme.

Doordat de CFI enkel mag ingrijpen in geval van terrorisme en niet bij extremisme worden mogelijks kansen gemist. Extremisten kunnen immers terugvalbasissen en ondersteuningsnetwerken financieren zonder dat de CFI deze kan doorlichten. De CFI zelf gaf aan bij de presentatie van het jaarverslag 2010 en 2011 dat het vragende partij is om ook ingeval van dossiers van « extremisme » een onderzoek te kunnen voeren.

2. Probleemstelling

Het aantal dossiers dat de CFI in 2011 doormeldde wegens aanwijzingen van terrorisme of financiering van terrorisme is licht gestegen in vergelijking met 2010 maar blijft in absolute cijfers relatief beperkt.

Financiering van terrorisme verschilt echter grondig van de andere misdrijven die aan de basis kunnen liggen van witwassen.

De grootte van de opgespoorde bedragen is weinig relevant en is in tegenstelling tot bij het witwassen van geld uit criminele activiteiten geen graadmeter voor de impact van een fenomeen op de maatschappij.

De CFI geeft in haar jaarverslag van 2011 duidelijk aan dat dergelijke onderzoeken wel degelijk efficiėnt zijn in de strijd tegen het terrorisme : « Het beperkte aandeel van dossiers inzake de financiering van terrorisme — met inbegrip van proliferatie — in het totaal van de in 2011 doorgemelde dossiers betekent echter geenszins dat de CFI het belang van financieel onderzoek naar terrorisme onderschat. Dergelijk onderzoek zal er wellicht niet in slagen om concrete eenmalige acties of aanslagen te verijdelen, maar kan er wel toe bijdragen om terroristische organisaties of staten te verhinderen de nodige infrastructuur op te bouwen en het geschikte klimaat te creėren waaruit gewelddadige acties voortvloeien. » (1)

...

...

Indieners achten volgende passage van het jaarverslag 2010 dat werd voorgesteld in mei 2011 bijzonder relevant :

« Uit de dossiers die de Cel in 2010 doormeldde blijkt verder dat een aantal fenomenen inzake terrorisme die op internationaal vlak vastgesteld werden, zich ook in Belgiė lijken te manifesteren. Zo werden er verschillende dossiers doorgemeld waarin één individu (« lone wolf ») op een bepaald moment radicaliseert en op autonome wijze een aanslag plant. Voor de financiering van deze aanslag worden eigen fondsen gebruikt en is er geen sprake van georganiseerde financiėle steun van of door een organisatie. Deze vorm van terrorisme stelt nieuwe uitdagingen aan de diensten en instellingen die betrokken zijn bij de strijd tegen de financiering van het terrorisme. »

Onderstaande tabel geeft een duidelijk overzicht van het aantal dossiers rond terrorisme de laatste jaren :

Verdeling van het aantal dossiers en het totale bedrag aan witwassen of financiering van terrorisme per jaar (2)

2009 2010 2011 % 2011
Nombre — Terrorisme/Aantal — terrorisme 0 4 1 0.07
Nombre — Financement du terrorisme (1)/Aantal — financiering van terrorisme (1) 13 15 21 1.56
Montant — Terrorisme/Bedrag — terrorisme 0 0.16 0.04 0.01
Montant — Financement du terrorisme (1)/Bedrag — financiering van terrorisme (1) 0.42 6.13 1.93 0.27

(1) Financement de la prolifération compris — montants en millions EUR. — Met inbegrip van financiering van proliferatie — bedragen in miljoen EUR.

De CFI geeft zowel in het jaarverslag als bij de mondelinge toelichting in de Commissie Economie en Financiėn in de Senaat aan dat het voor hen bijzonder moeilijk is om een lijn te trekken tussen extremisme en terrorisme. Indien het dossiers van extremisme betreft is de CFI niet bevoegd om hun rekeningen te onderzoeken. Indien het echter terrorismedossiers betreft zijn ze wel bevoegd. Indieners menen dat het meer dan opportuun is om ingeval van extremisme ook inzage in de financiėle transacties te bekomen.

Naar aanleiding van de voorstelling van het jaarverslag van de CFI en de toelichting van de CFI zelf, werd een schriftelijke vraag gesteld aan de ministers van Justitie en Financiėn om na te gaan of zij de uitbreiding van het toezicht van de CFI naar gevallen van « extremisme » genegen waren en of dit opportuun is (3) .

Betrokken ministers gaven een gezamenlijk antwoord dd. 24 juni 2011 dat bevestigde dat een uitbreiding van het toezicht naar extremisme meer dan aangewezen is :

« Uit de vaststellingen van de CFI blijkt dat met de huidige wetgeving een risico bestaat aangezien het niet altijd mogelijk is tot de doormelding van relevante informatie te komen. Op basis van deze vaststellingen is het wenselijk extremisme toe te voegen aan de opsomming van artikel 5 van de voornoemde wet van 11 januari 1993 zoals gedefinieerd in de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. »

Vandaag bestaat er geen wettelijke basis waarop de CFI informatie in verband met witwasverrichtingen of financiering van terrorisme aan de gerechtelijke overheden kan doormelden indien de onderliggende activiteit enkel verband blijkt te houden met extremisme zonder dat er enig ander misdrijf vermeld in de preventieve wet kan worden aangeduid.

Enkel indien de CFI een verband kan aantonen tussen extremisme en terroristische activiteiten, alsook met een steun aan deze activiteiten of terroristische groeperingen zoals de financiering ervan, stelt zich geen enkel probleem.

Indieners menen dat de vraag van de CFI pertinent is. Doordat de CFI enkel mag ingrijpen in geval van terrorisme en niet bij extremisme, worden mogelijks kansen gemist. Extremisten kunnen immers terugvalbasissen en ondersteuningsnetwerken financieren zonder dat de CFI kan doorlichten. Dit wetsvoorstel wil hieraan tegemoet komen. Het voorstel voert een beperkte uitbreiding van het takenpakket van de CFI in waarbij niet enkel terrorisme onder hun controlebevoegdheid valt maar ook extremisme gezien de flinterdunne grens tussen beide.

Wat betreft de definitie van « extremisme » wordt teruggegrepen naar de definiėring van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dit verschijnsel als bedoeld in deze wet slaat enkel op activiteiten die onder meer de inwendige en uitwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde bedreigen of zouden kunnen bedreigen.

Het verschijnsel komt niet als zodanig voor op de lijst met misdaadverschijnselen die beperkend opgesomd worden in artikel 5, § 19, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiėle stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme die de Cel voor Financiėle Informatieverwerking (CFI) in aanmerking neemt.

Het volstaat bijgevolg om extremisme, zoals bepaald in de wet van 30 november 1998, op te nemen in de opsomming van artikel 5, § 19, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiėle stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Hiermee volgt het wetsvoorstel qua legistiek het standpunt van de toenmalige ministers van Justitie en Financiėn.

Om duidelijk vast te leggen binnen welke grenzen het CFI dossiers mag behandelen en doorgeven in het kader van extremisme wordt expliciet verwezen naar het kader en dus ook de strikte omlijning die wordt aangegeven in het jaarverslag van het CFI zelf van 2011 op blz. 93 (4) .

Teneinde alle misverstanden te vermijden en duidelijk de wil van de wetgever weer te geven hernemen we de passage :

« Een bevoegdheidsuitbreiding naar de financiering van extremistische activiteiten zou de CFI toelaten om in nauwe samenwerking met de partnerdiensten in deze materie — politie, federaal parket en inlichtingendiensten — een meer proactieve rol te spelen in de aanpak van terrorisme en de financiėle en logistieke ontplooiing van extremistische netwerken in een vroeg stadium te stoppen. »

Aldus worden duidelijk en nauwkeurig de grenzen aangegeven waarbinnen de CFI binnen haar wettelijke bevoegdheden kan optreden wat betreft de beoogde bevoegdheidsuitbreiding naar extremisme toe.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 2

1ŗ Overeenkomstig de aanbevelingen van de ministers van Justitie en Financiėn grijpt dit wetsvoorstel wat betreft de definitie van « extremisme » terug naar de definitie van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst zoals bepaald in artikel 8, 1ŗ, c).

De definitie van extremisme wordt als paragraaf 2/1 ingevoegd tussen de bestaande paragrafen 2 en 3 van artikel 5 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiėle stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme.

2ŗ « Extremisme » zoals gedefinieerd in artikel 8,1ŗ, c) van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten komt niet als zodanig voor op de lijst met misdaadverschijnselen die beperkend opgesomd worden in artikel 5 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiėle stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme die de Cel voor Financiėle Informatieverwerking (CFI) in aanmerking neemt om een dossier na ontleding aan de gerechtelijke overheden te kunnen doormelden. Daarom wordt extremisme expliciet opgenomen in

Om duidelijk vast te leggen binnen welke grenzen de CFI dossiers mag behandelen en doorgeven in het kader van extremisme wordt expliciet verwezen naar het kader en dus ook de strikte omlijning die wordt aangegeven in het jaarverslag van de CFI zelf van 2011 op blz. 93 (5) .

Teneinde alle misverstanden te vermijden en duidelijk de wil van de wetgever weer te geven hernemen we de passage :

« Een bevoegdheidsuitbreiding naar de financiering van extremistische activiteiten zou de CFI toelaten om in nauwe samenwerking met de partnerdiensten in deze materie — politie, federaal parket en inlichtingendiensten — een meer proactieve rol te spelen in de aanpak van terrorisme en de financiėle en logistieke ontplooiing van extremistische netwerken in een vroeg stadium te stoppen. ».

Aldus worden duidelijk en nauwkeurig de grenzen aangegeven waarbinnen de CFI binnen haar wettelijke bevoegdheden kan optreden wat betreft de beoogde bevoegdheidsuitbreiding naar extremisme toe.

Artikel 3

Gezien deze nieuwe bevoegdheid de nodige voorbereiding vergt, treedt deze wet in werking zes maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad. »

Yoeri VASTERSAVENDTS.
Etienne SCHOUPPE.
Ludo SANNEN.
Louis SIQUET.
Richard MILLER.
Rik DAEMS.
Bertin MAMPAKA MANKAMBA.

(1) http://www.ctif-cfi.be/website/images/FR/annual_report/2011_ctif_cfi_fr.pdf, p. 93.

(2) Ibidem.

(3) http://www.senate.be/www/ ?MIval=/Vragen/SchriftelijkeVraag&LEG=5&NR=2391&LANG=nl en http://www.senate.be/www/ ?MIval=/Vragen/SchriftelijkeVraag&LEG=5&NR=2390&LANG=nl.

(4) http://www.ctif-cfi.be/website/images/NL/annual_report/ctif_ra2011nl_pages.pdf.

(5) http://www.ctif-cfi.be/website/images/NL/annual_report/ctif_ra2011nl_pages.pdf.