5-1672/3

5-1672/3

Belgische Senaat

ZITTING 2011-2012

9 JULI 2012


Wetsontwerp tot wijziging van het Kieswetboek, wat betreft het stemrecht van de Belgen in het buitenland

Wetsvoorstel tot wijziging van het Kieswetboek wat betreft de verplichte inschrijving van de kiezers uit het buitenland in de gemeente van hun laatste officiële verblijfplaats


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE INSTITUTIONELE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE HEREN VAN ROMPUY EN DEPREZ


Op 21 juni 2012 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers met 105 stemmen, bij 41 onthoudingen, het voorliggende, verplicht bicamerale wetsontwerp aangenomen dat voortvloeit uit het wetsvoorstel dat de heren Daniel Bacquelaine en Patrick Dewael, mevrouw Muriel Gerkens, de heren Thierry Giet en Benoît Lutgen, mevrouw Karin Temmerman en de heren Raf Terwingen en Stefaan Van Hecke op 4 april 2012 hadden ingediend (stuk Kamer, nr. 53-2139/1).

Het ontwerp werd op 22 juni 2012 overgezonden aan de Senaat en door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden besproken tijdens haar vergadering van 25 juni 2012, in aanwezigheid van de heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming.

Het voorliggende verslag werd op 9 juli 2012 ter goedkeuring aan de commissie voorgelegd.

I. PROCEDURE

A. Gegroepeerd onderzoek van de wetsvoorstellen die betrekking hebben op dezelfde bepalingen van het Kieswetboek als wetsontwerp nr. 5-1672/1

Mevrouw de Bethune, voorzitster, stelt voor om, overeenkomstig artikel 56-3 van het reglement van de Senaat, de drie volgende wetsvoorstellen aan het onderzoek van wetsontwerp nr. 5-1672/1 toe te voegen :

— wetsvoorstel tot wijziging van artikel 180 van het Kieswetboek, teneinde de in het buitenland verblijvende Belgen in staat te stellen via internet te stemmen (van de heren François Bellot, Alain Courtois, Armand De Decker, Gérard Deprez en Richard Miller) (stuk Senaat, nr. 5-374/1);

— wetsvoorstel tot wijziging van het Kieswetboek wat betreft de verplichte inschrijving van kiezers uit het buitenland in de gemeente van hun laatste officiële verblijfplaats (van de heren Yves Buysse, Jurgen Ceder en Bart Laeremans en mevrouw Anke Van dermeersch) (stuk Senaat, nr. 5-693/1);

— wetsvoorstel tot wijziging van artikel 180bis van het Kieswetboek betreffende de stemming door de Belgen die in het buitenland verblijven, teneinde de regels voor de samenstelling van de kieslijsten gelijk te maken voor alle Belgen, ongeacht of ze in het land of in het buitenland verblijven (van de heren François Bellot, Alain Courtois en Gérard Deprez, mevrouw Christine Defraigne en de heren Armand De Decker en Richard Miller) (stuk Senaat, nr. 5-767/1).

De heer Deprez vraagt de wetsvoorstellen nrs. 5-374/1 en 5-767/1 van de agenda te verwijderen omdat ze niet hetzelfde doel hebben als voorliggend wetsontwerp.

Alleen wetsvoorstel nr. 5-693/1 wordt bijgevolg op 25 juni 2012 bij het onderzoek van het wetsontwerp gevoegd, waarbij dat laatste als basistekst wordt genomen.

B. Aanwijzing van de rapporteurs

Verscheidene leden van de institutionele meerderheid stellen voor de heren Peter Van Rompuy en Gérard Deprez aan te wijzen als rapporteurs.

De heer Laeremans betreurt dat men, zelfs voor een thema dat geen aanleiding zal geven tot woelige debatten, uitsluitend rapporteurs van de institutionele meerderheid aanwijst. Het lid vraagt dat minstens een van de rapporteurs uit de oppositie komt en stelt de heer Danny Pieters voor.

De heer Vanlouwe vraagt dat de rapporteur de heer Danny Pieters zou zijn.

De heer Delpérée herinnert eraan dat de rapporteur zijn verslag namens de commissie uitbrengt en niet namens de meerderheid of de oppositie.

De voorzitster, mevrouw de Bethune, opent de stemming over het voorstel dat ertoe strekt om de heren Van Rompuy en Deprez als rapporteurs aan te wijzen.

Dat voorstel wordt aangenomen met 8 tegen 3 stemmen.

C. Vraag over de toevoeging aan de agenda van wetsvoorstel nr. 5-65/1 (toekenning van het stemrecht aan de Belgen die in het buitenland verblijven, voor de verkiezing van de gemeenschaps- en gewestparlementen)

Het verbaast de heer Pieters dat voorstel nr. 5-65/1 van mevrouw Christine Defraigne niet op de agenda staat. Dat strekt ertoe om Belgen die in het buitenland verblijven stemrecht toe te kennen voor de verkiezingen van de gewest- en gemeenschapsparlementen.

De heer Deprez verklaart dat dat voorstel niets te maken heeft met wetsontwerp nr. 5-1672/1, waarvan de enige doelstelling is een punt van het Institutioneel Akkoord van 11 oktober 2011 voor de Zesde Staatshervorming uit te voeren. Hij vraagt dus niet dat dat voorstel aan de agenda van de commissie wordt toegevoegd.

II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN

A. Wetsontwerp tot wijziging van het Kieswetboek, wat betreft het stemrecht van de Belgen in het buitenland (stuk Senaat, nr. 5-1672/1)

De heer Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, toegevoegd aan de eerste minister, legt uit dat het institutioneel akkoord voorziet in de verbetering van de stemprocedure voor de Belgen in het buitenland bij de federale parlementsverkiezingen.

Overeenkomstig het Institutioneel Akkoord en zoals voorgesteld door de Raad van State, voorziet onderhavig wetsontwerp voor de Belgen in het buitenland eerst en vooral in objectieve criteria met betrekking tot de aansluiting bij een gemeente van inschrijving. Die aansluitingscriteria worden vastgesteld in de volgende orde van voorrang :

1º de Belgische gemeente waarin de Belg het laatst in de bevolkingsregisters was ingeschreven;

2º bij gebreke daaraan, de Belgische gemeente van zijn geboorteplaats;

3º bij gebreke daaraan, de Belgische gemeente waar de vader of de moeder van de Belg in de bevolkingsregisters is ingeschreven of laatst was ingeschreven;

4º bij gebreke daaraan, de Belgische gemeente waarin een verwant tot de derde graad in de bevolkingsregisters is ingeschreven of laatst was ingeschreven of de Belgische gemeente waar een bloedverwant in de opgaande lijn is geboren, is ingeschreven of was ingeschreven in de bevolkingsregisters.

Overeenkomstig het Institutioneel Akkoord voorziet onderhavig ontwerp ook in de vereenvoudiging van het stemrecht van de Belgen in het buitenland door de inschrijving als kiezer blijvend te maken.

Nu verplicht het Kieswetboek de Belgen die in het buitenland verblijven zich bij elke verkiezing als kiezer in te schrijven. Om administratieve overlast te vermijden en onder meer de stemming bij vervroegde verkiezingen te vereenvoudigen, wil dit wetsontwerp deze systematische verplichting tot herinschrijving bij elke verkiezing schrappen.

Bij de inschrijving van een persoon in het bevolkingsregister van een diplomatieke of consulaire beroepspost, bezorgt de diplomatieke of consulaire beroepspost de betrokkene automatisch een aanvraagformulier om zich als kiezer in te schrijven. Dit formulier kan ook op elk moment door de diplomatieke of consulaire beroepspost worden uitgereikt aan iedereen die erom verzoekt.

Deze inschrijving als kiezer geldt voortaan voor de parlementsverkiezing die plaatsvindt vanaf de eerste dag van de vierde maand na de indiening van het inschrijvingsformulier, alsook voor alle volgende federale parlementsverkiezingen. De Belg dient zich dus met andere woorden niet meer bij elke verkiezing verplicht opnieuw in te schrijven als kiezer, behalve in speciale situaties die in het wetsontwerp worden vastgelegd.

Vooraleer de diplomatieke of consulaire post dit formulier overhandigt, gaat hij rechtstreeks in het Rijksregister van de natuurlijke personen waartoe hij toegang heeft, na of de Belg ingeschreven is of was in de bevolkingsregisters van een Belgische gemeente of, als dit niet het geval is, of hij in een Belgische gemeente geboren is. Als ook dat niet het geval is, gaat hij na of zijn vader en/of moeder in een Belgische gemeente zijn of waren ingeschreven. Als de Belg onder een van deze drie categorieën valt, vermeldt de diplomatieke of consulaire beroepspost op het formulier in welke gemeente de Belg is ingeschreven.

Indien de Belg onder geen van de drie bovenvermelde categorieën valt, vermeldt hij de gemeente waarvoor hij met alle middelen van recht het bewijs kan aanbrengen van een verwantschap tot de derde graad met de persoon die in het bevolkingsregister van de gemeente laatst is of was ingeschreven, of het bewijs dat een bloedverwant in de opgaande lijn in die gemeente is geboren, is ingeschreven of was ingeschreven in de bevolkingsregisters.

De Belg vermeldt ook op dit formulier de gekozen stemwijze, die hij op elk moment kan wijzigen. Daartoe richt hij, persoonlijk of per post, een aanvraag tot de diplomatieke of consulaire beroepspost waarbij hij is ingeschreven.

Wanneer deze wet in werking treedt, zullen de diplomatieke of consulaire beroepsposten het inschrijvingsformulier vaststellen en zo snel mogelijk sturen naar elke Belg die in hun bevolkingsregister is ingeschreven.

Voor de toekomst zal de Belg, die zich niet spontaan als kiezer heeft ingeschreven, of, bij zijn inschrijving in de post, tussen de negende en de zesde maand die voorafgaat aan de verkiezingen een uitnodiging krijgen om dat alsnog te doen. De Belg die als kiezer in het buitenland is ingeschreven en die niet aan de stemming heeft deelgenomen, zal niet meer automatisch worden ingeschreven voor de volgende parlementsverkiezingen. Het komt hem toe opnieuw een aanvraagformulier tot inschrijving als kiezer in te vullen om zijn kiesplicht de vervullen. Het komt elke diplomatieke of consulaire beroepspost toe om in het consulair bevolkingsregister de vermelding van de gemeente van inschrijving van de kiezers die niet aan de stemming hebben deelgenomen te schrappen.

Onderhavig wetsontwerp strekt er tot slot toe om de stem- en stemopnemingswijzen te verbeteren, om ze doeltreffender en, in voorkomend geval, minder duur te maken.

Dit wetsontwerp voorziet erin dat de stemming in het buitenland niet meer op vrijdag en zaterdag plaatsvindt, maar wel op woensdag, om de stemopneming behoorlijk te organiseren.

Daarnaast worden de openingsuren van de stemlokalen verruimd om de kiezers de mogelijkheid te geven 's avonds te komen stemmen.

Dit wetsontwerp schaft ook de machtiging aan de Koning af om de diplomatieke of consulaire beroepsposten aan te wijzen waarin één of meerdere stembureaus worden samengesteld : de stemming is voortaan mogelijk in alle diplomatieke of consulaire beroepsposten.

In dit wetsontwerp wordt de wijze van stemopneming van de in de diplomatieke of consulaire beroepsposten uitgebrachte stemmen volledig herzien. In plaats van alle stembrieven naar een centrale plaats in Brussel te brengen, wat een zeer dure en ingewikkelde operatie blijkt te zijn, zullen een aantal regionale stemopnemingsbureaus worden geopend. De plaats van deze bureaus zal worden gekozen op basis van het aantal te tellen stemmen en vooral op basis van hun bereikbaarheid.

De personen die ervoor gekozen hebben per brief te stemmen worden gevraagd om hun keuze te bevestigen tijdens de zesde maand vóór de dag van de gewone vergadering van de kiescolleges als bedoeld in artikel 105 van het Kieswetboek. De stemming per brief biedt de minste waarborgen (met name wat betreft de geheime stemming en het verhoogde risico van « familiestemming »), zoals de Commissie van Venetië heeft aangehaald in haar Code van goede praktijken in verkiezingsaangelegenheden van 2002. Het lijkt dan ook gerechtvaardigd de kiezers ertoe aan te zetten om voor elke verkiezing opnieuw na te gaan of ze niet voor een andere stemwijze willen kiezen. Als zij geen antwoord binnen de vooropgestelde termijn geven, schrapt de diplomatieke of consulaire beroepspost hun inschrijving als kiezer uit het consulair bevolkingsregister. Dezelfde bevestigingsprocedure geldt in geval van vervroegde verkiezingen, maar met kortere termijnen.

Tot slot wijzigt dit wetsontwerp op geen enkele wijze de verplichte aard van de stemming. Elke Belg in het buitenland die is ingeschreven in de bevolkingsregisters die worden bijgehouden in de Belgische diplomatieke en consulaire beroepsposten en die aan de kiesvereisten voldoet, blijft gehouden zich in te schrijven als kiezer in een Belgische gemeente teneinde daar aan de kiesplicht te voldoen.

B. Wetsvoorstel tot wijziging van het Kieswetboek wat betreft de verplichte inschrijving van kiezers uit het buitenland in de gemeente van hun laatste officiële verblijfplaats (van de heren Yves Buysse, Jurgen Ceder en Bart Laeremans en mevrouw Anke Van dermeersch) (stuk Senaat, nr. 5-693/1)

De heer Laeremans stelt vast dat wetsontwerp nr. 5-1672/1 in de richting is opgeschoven van het voorstel dat hij samen met een aantal fractiegenoten op 25 januari 2011 heeft ingediend.

Uitgangspunt is dat de huidige regeling inzake het stemrecht van de Belgen in het buitenland communautair niet neutraal is. Zo werden bij de federale verkiezingen van 2003 de stemmen van de Belgen die in het buitenland verbleven en zich in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde hadden ingeschreven, naar een stemopnemingsbureau in het kanton Lennik verwezen omdat de stemmen daar handmatig werden geteld. Door die operatie telde dat kanton, dat het meest Vlaamse is van die kieskring met ongeveer 5 % Franstalige kiezers, plots 20 % Franstalige kiezers. Dat verklaart onder meer de voortrekkersrol die de vroegere burgemeester van Lennik, Willy De Waele, en de huidige burgemeester van Gooik, Michel Doomst, hebben gespeeld in de beweging die opkwam voor de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. In 2007 werd dan een fictief kanton gecreëerd, maar het resultaat van die hervorming bleef even onevenwichtig.

Zo bleek dat een naar verhouding zeer aanzienlijk deel van de kiezers in het buitenland zich liet inschrijven in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Terwijl Brussel-19 amper 10 % van de inwoners telt, schreven in 2003 en 2007 respectievelijk meer dan 20 % en 21 % van de buitenland-Belgen zich in een Brusselse gemeente in als kiezer. Opvallend was ook dat heel wat Franstaligen zich lieten inschrijven in een gemeente in het Nederlands taalgebied en hiervoor van Binnenlandse Zaken — tegen de eigen richtlijnen in — zelfs toestemming kregen om dat met Franstalige formulieren te doen.

Hiermee is duidelijk dat van de mogelijkheid om geheel vrij een Belgische gemeente te kiezen misbruik werd gemaakt om de verkiezingsresultaten te beïnvloeden. De buitenland-Belgen die zich in Brussel-Halle-Vilvoorde lieten inschrijven, stemden zowel in 2007 als in 2010 trouwens overwegend voor Franstalige partijen : in het speciale kanton van Buitenlandse Zaken stemden in 2007 voor de Senaat 12 863 kiezers voor een Franstalige partij (77,91 %) en 3 647 voor een Nederlandstalige partij (22,08 %). Bij de federale verkiezingen in 2010 stemden in het speciale kanton van Buitenlandse Zaken Brussel-Halle-Vilvoorde voor de Senaat 6 353 kiezers voor een Franstalige partij (74,72 %) en 2 149 voor een Nederlandstalige partij (25,28 %).

Nu het systeem gekend is en de buitenland-Belgen volgende keer opnieuw geheel vrij een gemeente mogen uitkiezen, dreigt de scheeftrekking nog groter te zullen worden.

Daarom pleiten de indieners ervoor dat de inschrijving in een kiesregister voortaan zou gebeuren op een objectieve basis. Men zou zich enkel nog kunnen laten registreren in die gemeente waar men zijn laatste officiële verblijfplaats heeft gehad. Hierdoor worden niet alleen misbruiken tegengegaan, bovendien wordt het kiesrecht hiermee voorbehouden voor die landgenoten die ooit in België gewoond hebben. Het heeft immers geen zin en het is al evenmin wenselijk om mensen die nooit enige daadwerkelijke band met het land gehad hebben, mee te laten bepalen hoe het beleid hier moet worden gevoerd.

Aangezien de mogelijkheid bestaat dat het stemrecht voor de buitenland-Belgen zal worden uitgebreid naar de regionale verkiezingen, vermijden we op deze manier ook dat mensen die nooit in het Vlaamse Gewest gewoond hebben, zich toch in een Vlaamse gemeente zouden inschrijven met het oog op de beïnvloeding van de kiesresultaten.

Desalniettemin verklaart de heer Laeremans een amendement te zullen indienen op ontwerp nr. 5-1672/1, waarmee hij afstand neemt van zijn eigen wetsvoorstel (zie punt IV. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen : amendement nr. 2). Hij stelt namelijk voor om de stemmen van de Belgen die in het buitenland verblijven, toe te wijzen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dat zal het electoraal gewicht van de Vlamingen in Brussel drastisch verhogen. 40 % van de 120 000 Belgen die in het buitenland verblijven, zijn Nederlandstaligen, dat wil zeggen ongeveer 48 000 personen. Wanneer hun stemmen worden samengeteld met de ongeveer 50 000 Vlaamse kiezers in Brussel, stijgt de kans dat er in die kieskring toch nog een Vlaamse kamerzetel wordt behaald.

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Cheron onderschrijft het wetsontwerp, dat de democratie ten goede zal komen. De Belgen in het buitenland krijgen immers de mogelijkheid hun stem op een zo eenvoudig en doeltreffend mogelijke manier uit te brengen. Hij wijst op de objectieve criteria die nauwkeurig bepalen in welke Belgische gemeente de kiesgerechtigde in het buitenland zich kan inschrijven. De inschrijving en de gekozen manier van stemmen zijn nu vastgesteld. Ten slotte stelt het wetsontwerp ook nadere regels vast voor de stemming en de telling.

Dit zijn heel positieve maatregelen omdat de regels van het stemrecht voor Belgen in het buitenland aan verbetering toe waren, zowel wat betreft de aansluitingscriteria als de uitoefening van dit recht. De bestaande wetgeving bevatte een aantal minpunten die problemen opleverden bij de toepassing ervan. Het wetsontwerp, waarover alle partijen van de institutionele meerderheid het eens zijn, zou deze problemen moeten wegwerken.

Het lid verklaart dat zijn fractie ook voorstander is van het stemrecht van Belgen in het buitenland bij regionale verkiezingen. Dit aspect is niet opgenomen in het Institutioneel Akkoord van 11 oktober 2011.Omstandigheden evolueren echter, en het lid twijfelt er niet aan dat deze kwestie terug op de agenda zal komen en in een vrij nabije toekomst geregeld zal kunnen worden.

De heer Pieters merkt op dat de kwestie van het stemrecht voor Belgen in het buitenland samenhangt met andere aspecten van de staatshervorming, zoals bijvoorbeeld de verbetering van de politieke geloofwaardigheid en de democratie. Zij hangt ook samen, maar dan op een eerder negatieve manier, met het voorstel van bijzondere wet betreffende de uitbreiding van de constitutieve autonomie van de deelstaten, dat de Senaat op 21 juni 2012 heeft aangenomen (stukken Senaat, nrs. 5-1572/1-5). Via deze constitutieve autonomie hadden de parlementen van de gemeenschappen en gewesten de bevoegdheid kunnen krijgen om het stemrecht van Belgen in het buitenland te regelen voor de verkiezingen die hen aanbelangen. Deze mogelijkheid werd echter uitgesloten.

Op zich houdt het voorliggende wetsontwerp een verbetering in. Er komt een nieuwe procedure, en er wordt gestreefd naar oplossingen voor reële problemen. Misschien zullen niet alle problemen opgelost zijn, maar deze tekst kan worden beschouwd als een daadwerkelijke poging om de doeltreffendheid van de democratische rechten van de Belgen te verbeteren, ook wanneer zij in het buitenland wonen.

Helaas gelden de regels van het stemrecht voor Belgen in het buitenland niet voor de regionale verkiezingen. Bijgevolg wordt Vlamingen en Walen die in het buitenland wonen, het recht ontzegd om te stemmen voor hun vertegenwoordigers in de regionale parlementen. Zij kunnen hun stem dus niet laten horen in een belangrijk onderdeel van de Belgische politiek.

De stichting « Vlamingen in de Wereld », een actief netwerk van Vlamingen uit de hele wereld, heeft op dit probleem gewezen. Na het aannemen van wetsvoorstel nr. 53-2139/1 in de Kamercommissie, heeft de voorzitter van deze stichting op 13 juni 2012 in het weekblad Knack het volgende verklaard :

« Deze ondermijning van het gelijkheidsbeginsel zal extra zichtbaar worden wanneer in 2014 de federale en regionale verkiezingen samenvallen. Dat is pijnlijk, verwarrend en ondemocratisch, zeker op een moment dat door de nieuwe staatshervorming nog meer bevoegdheden naar de gewesten en gemeenschappen worden overgedragen. »

Die kritiek is niet nieuw. Zo hield de voormelde stichting op 15 december 2011 in het Vlaams Parlement het forum De Vergeten Vlaamse Provincie, waarop het regionaal stemrecht werd besproken. De aanwezige Vlaamse parlementsleden van N-VA, sp.a, Groen en CD&V pleitten voor de uitbreiding van het stemrecht van de Belgen in het buitenland tot de verkiezingen van de deelstaatparlementen en wezen op de anomalie tussen het federale en Vlaamse niveau.

Ook in het federale Parlement is men zich van het probleem bewust. Zo heeft mevrouw Defraigne op 8 september 2010 een voorstel van bijzondere wet en een wetsvoorstel ingediend teneinde het stemrecht toe te kennen aan de Belgen in het buitenland voor de verkiezingen van de deelstaatparlementen (stukken Senaat, nrs. 5-64/1 en 5-65/1). Zoals de heer Cheron heeft aangegeven, bestaat er dus een breed draagvlak om deze aangelegenheid nu zowel voor de federale verkiezingen als voor de deelstaatverkiezingen te regelen. Spreker betreurt bijgevolg de weigering om de voorstellen van mevrouw Defraigne in de bespreking te betrekken. Hij zal daarom amendementen indienen teneinde de uitoefening van het stemrecht van de Belgen in het buitenland voor de verkiezingen van de deelstaatparlementen alsnog in het wetsontwerp in te schrijven.

De institutionele meerderheid kan dan een politiek spel spelen en die amendementen verwerpen, niet omdat zij er inhoudelijk tegen gekant is, maar omdat die amendementen nu niet in haar wetgevingsprogramma passen.

Er staat evenwel een veel zwaarwichtiger principe op het spel. Het is namelijk de vraag of de wetgever door dit stilzitten de betrokken kiezers geen grondwettelijk recht ontneemt, zonder dat daartoe een redelijke verantwoording bestaat. Met andere woorden, wordt het gelijkheidsbeginsel hier niet geschonden ? Volgens de heer Pieters luidt het antwoord bevestigend. De ongelijkheid bestaat erin dat de procedure met betrekking tot het democratisch recht van de Belgen in het buitenland om te stemmen, wordt geoperationaliseerd voor de federale verkiezingen, maar niet voor de verkiezingen van de deelstaatparlementen. Een dergelijk fundamenteel bezwaar leent zich niet tot politieke spelletjes.

Uitgaande van de door het Grondwettelijk Hof gehanteerde definitie van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, hekelt spreker het feit dat de institutionele meerderheid geen enkel inhoudelijk argument aanvoert ter staving van haar weigering om deze kwestie te regelen, maar zich achter een puur politiek argument verschuilt, namelijk dat het Institutioneel Akkoord van 11 oktober 2011 hieromtrent niets bepaalt.

Spreker nodigt de institutionele meerderheid derhalve uit de redelijke verantwoording te expliciteren waarop ze zich steunt om de uitoefening van het stemrecht van de Belgen in het buitenland nu uitsluitend te regelen voor de federale verkiezingen en niet voor de verkiezingen van de deelstaatparlementen. Indien die verantwoording niet voorhanden is, kan spreker niet anders dan de voorliggende tekst als ongrondwettig bestempelen wegens schending van het gelijkheidsbeginsel.

De hele argumentatie waarop dit ontwerp steunt, is immers een pleidooi om hetzelfde te doen voor de deelstaatparlementen. Waarom dan wachten en de regeling ook niet onmiddellijk invoeren voor die assemblees ? Daar bestaat geen enkel juridisch bezwaar tegen.

De heer Anciaux vindt het een goede zaak dat er objectieve regels worden ingevoerd om de stemmen van de Belgen in het buitenland aan een bepaalde gemeente toe te wijzen. Toen alle stemmen uit het buitenland in één enkel kanton werden samengevoegd, ontstonden er nogal fundamentele verschuivingen. Het is de logica zelf om objectieve regels naar voor te schuiven. Spreker vindt het daarom vreemd dat het Vlaams Belang enerzijds de objectieve regels van het voorliggende ontwerp voldoende vindt en anderzijds van plan is om deze stemmen voor een welbepaalde politieke doelstelling te gebruiken. Het kan niet de bedoeling zijn om bijvoorbeeld de 120 000 stemmen van de Belgen in het buitenland in te schakelen om dit of dat electoraal doel te bereiken.

De nieuwe regeling komt tegemoet aan de opmerkingen die in het verleden werden gemaakt over het gebrek aan objectiviteit bij de toewijzing van die stemmen. Met betrekking tot de kritiek van de heer Pieters dat de nieuwe regeling enkel geldt voor de federale verkiezingen, en niet voor de deelstaatverkiezingen, is de heer Anciaux van oordeel dat het argument van de schending van het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. Elke kiezer heeft individueel het recht om bij de federale verkiezingen te mogen stemmen. In die omstandigheid geldt de nieuwe regeling voor iedereen en is het gelijkheidsbeginsel dus niet geschonden. Men kan zich vragen stellen over het niet toekennen van eenzelfde democratisch recht voor de deelstaatverkiezingen. Maar dat neemt niet weg dat voor iedereen dezelfde regeling geldt. Geen enkele Belg in het buitenland zal kunnen stemmen voor de gewest- of gemeenschapsparlementen. Er bestonden in het verleden ook geen regels voor Belgen in het buitenland om bij deze verkiezingen te stemmen en dat werd niet als ongrondwettelijk beschouwd.

Spreker ziet persoonlijk, vanuit democratisch standpunt, geen reden om dat stemrecht ook niet toe te kennen aan de Belgen in het buitenland voor de deelstaatverkiezingen. Er bestaat over dit punt echter geen eensgezindheid bij de acht partijen van de institutionele meerderheid. Het debat kan in de toekomst worden verdergezet om te zien of dit stemrecht ook niet kan worden ingevoerd voor de deelstaatverkiezingen.

Het voorliggende ontwerp is een stap vooruit en ligt in de lijn van de wensen van alle politieke partijen van het land. Een volgende stap zou kunnen zijn dat dezelfde regeling wordt ingevoerd voor de deelstaatverkiezingen. Strikt genomen zou het debat ook kunnen worden gevoerd met betrekking tot de gemeenteraadsverkiezingen, hoewel iedereen aanvoelt dat het belangrijk is om daadwerkelijk inwoner van een gemeente te zijn.

De heer Pieters benadrukt dat het gelijkheidsargument relevant is omdat het democratisch recht om te stemmen een recht is dat aan alle Belgen toekomt. Voor een aantal Belgen, met name zij die zich in het buitenland bevinden, is er een moeilijkheid om dat recht te operationaliseren. Wanneer men dat op een bepaald moment toch doet, maar dan uitsluitend voor de federale verkiezingen, dan ontzegt men dezelfde groep kiezers het recht dat die regeling ook voor de deelstaatverkiezingen wordt geoperationaliseerd. In het Belgisch staatssysteem staan federale en deelstaatbevoegdheden op hetzelfde niveau. Spreker zou vooral willen weten waarom bepaalde personen tegen dat recht zijn. Nu ontzegt men de kiezers een democratisch recht, op een ongelijke en arbitraire manier. Dat kan spreker niet aanvaarden.

De heer Broers vindt eveneens dat er sprake is van een arbitraire werkwijze. De kieswetgeving is blijkbaar zo opgesteld dat er altijd op een arbitraire manier gewerkt moet worden. Er worden constant uitzonderingen gecreëerd zoals bijvoorbeeld voor buitenlanders die in België wonen die wel mogen stemmen voor de district- en gemeenteraden, maar niet voor het OCMW.

De heer Laeremans merkt op dat aangezien de federale en regionale verkiezingen in de toekomst samen zullen vallen, het interessant zou zijn om de regeling voor beide verkiezingen toepasbaar te maken. Wanneer men dat niet doet, is dat een signaal aan de Belgen in het buitenland dat er eigenlijk maar één verkiezing echt toe doet, de federale. Terwijl Vlaanderen toch een rol speelt op internationaal vlak met diplomatiek personeel. Spreker zal dan ook de amendementen van de heer Pieters steunen.

Sommigen trekken de logica door naar de gemeenteraadsverkiezingen, maar de gemeenten zijn wel een ondergeschikt bestuur. De Vlaamse parlementsverkiezingen daarentegen zijn niet ondergeschikt aan de federale.

De heer Anciaux beklemtoont dat hij de hiërarchische gelijkheid van de twee bevoegdheidsniveaus helemaal niet betwist, maar men mag de gemeenteraadsverkiezingen toch ook niet als onbelangrijk afschilderen.

De heer Laeremans is ervan overtuigd dat gemeenteraadsverkiezingen minder belangrijk zijn voor Belgen in het buitenland. Men moet in de gemeente wonen om daarover te kunnen meespreken.

De heer Delpérée komt terug op het argument van de ongrondwettelijkheid. Het kiesrecht is altijd gebaseerd geweest op een aantal verschillen. Zo werd de stemgerechtigde leeftijd verlaagd van 21 tot 18 jaar, de leeftijd waarop men meerderjarig wordt. Sommigen zullen hier misschien een vorm van discriminatie in zien. Het stemrecht voor vreemdelingen is ook anders georganiseerd voor ingezetenen van de Europese Unie dan voor de anderen. Spreker voegt eraan toe dat er 150 jaar lang geen stemrecht was voor Belgen die in het buitenland verblijven. Men ging ervan uit dat nationaliteit, burgerschap en verblijf in een Belgische gemeente een soort geheel vormden. De ideeën zijn veranderd en nu redeneert men dat een Belg die naar het buitenland vertrekt zijn nationaliteit en burgerschap meeneemt en het recht heeft om zijn stem te laten horen.

Spreker vraagt zich af waarom sommigen stemrecht willen voor de regionale verkiezingen, maar niet voor de Europese of gemeenteraadsverkiezingen. Een Belg die in Spanje verblijft zal bij Europese verkiezingen kunnen stemmen, samen met de Spanjaarden voor de verkiezing van Spaanse Europarlementsleden. Wat de gemeenteraadsverkiezingen betreft, gaat men ervan uit dat het wenselijk is dat er een verankering is in het lokale milieu, en dat men dus geen stemrecht aan Belgen in het buitenland moet verlenen.

Spreker wil er ook op wijzen dat er een grondwettelijke raad bestaat in België, met name de afdeling wetgeving van de Raad van State. Zij heeft de grondwettelijkheid van deze tekst onderzocht en heeft geen bezwaren geopperd tegen het voorliggende ontwerp. Voor de Raad van State gaat het niet om een aanmaning om wetgevend op te treden, maar om de tekst te toetsen aan de Grondwet.

Spreker blijft gehecht aan artikel 62, derde lid, van de Grondwet, dat bepaalt dat de stemming plaatsvindt in de gemeente, en dat het stembiljet dat in het buitenland is ingevuld wordt gestuurd naar een Belgische gemeente die op objectieve wijze is bepaald. Spreker is verheugd over de manier waarop de tekst is verwoord, omdat hij een vereenvoudiging inhoudt van de organisatie van het stemrecht ten gunste van de Belgen die tijdens parlementsverkiezingen in het buitenland verblijven.

De heer Pieters vindt dat er een groot verschil bestaat met de discussie over het stemrecht op achttien of eenentwintig jaar. De meningen over de leeftijd waarop men geacht werd klaar te zijn om te stemmen, zijn mettertijd geëvolueerd. Er bestond dus een goede reden om die leeftijd te verlagen. Voor de gemeenteraadsverkiezingen wordt het belangrijker geacht waar de kiezers wonen. Dat is eveneens een duidelijke reden. Daarom hebben niet-Belgen voor die verkiezingen kiesrecht en Belgen in het buitenland niet. Spreker heeft daarentegen nog steeds geen reden gehoord waarom de stemprocedure voor de federale verkiezingen moet verschillen van die voor de deelstaatverkiezingen.

De heer Cheron verklaart dat hij voorstander is van een uitbreiding van dat stemrecht en denkt dat dit mogelijk is in de toekomst, maar niet nu.

Er is sprake van ongrondwettigheid, maar de Raad van State ziet dat anders want geen enkel recht wordt ingetrokken. In principe vinden de volgende federale verkiezingen plaats op dezelfde dag als de regionale en Europese verkiezingen. Het is dus vreemd dat er zo weinig wordt gesproken over de invoering van hetzelfde recht voor de Europese verkiezingen.

De heer Delpérée verduidelijkt dat er geen rechten worden ingetrokken maar dat er ook geen worden toegekend. Het gaat gewoon om een aanpassing van een bestaand recht.

De heer Cheron bevestigt dat standpunt en beschouwt dit dus als een concrete verbetering van het dispositief.

De heer Deprez herinnert eraan dat de MR het stemrecht van de Belgen in het buitenland al geruime tijd als een belangrijk thema ziet terwijl bepaalde partijen die zorg pas laat zijn gaan delen. Het aantal daarover ingediende voorstellen is hier een treffend voorbeeld van.

Spreker verheugt zich erover dat alle partijen rond de tafel het eens zijn over het beginsel van het ontwerp. Spreker meent dat het door de heer Pieters aangekaarte probleem belangrijk is, maar dat dit op verschillende manieren kan worden benaderd.

De Belgische burgers die in België wonen, brengen hun stem uit bij elke verkiezing, maar zij kunnen ook kandidaat zijn bij alle verkiezingen. Dit ontwerp is een verbetering voor het stemrecht van Belgen in het buitenland. Maar waarom zouden zij geen kandidaat kunnen zijn bij de verkiezingen ? De Grondwet bepaalt dat men een woonplaats in een Belgische gemeente moet hebben. In andere landen zoals Frankrijk of Italië, mogen landgenoten die in het buitenland wonen, stemmen en zich kandidaat stellen bij de verkiezingen. De Europese burgers kunnen stemmen maar mogen zich ook kandidaat stellen voor de gemeente- en Europese verkiezingen. Kortom, men stelt vast dat de kieswetgeving niet altijd even coherent is. Ze komt trapsgewijs tot stand.

Het debat over de uitbreiding van dat stemrecht tot andere verkiezingen is niet afgelopen en zal doorgaan. Maar er zijn geen tegenstrijdigheden op het vlak van de gelijkheid van alle Belgen aangezien die kieswetgeving geleidelijk aan vorm heeft gekregen. Bovendien erkent de Belgische Staat, via de ambassades en het diplomatiek personeel, slechts de Belgen die in het buitenland wonen. Als er in de nabije toekomst een andere regeling moet komen, dan moet er gesproken worden over de nadere bepalingen met betrekking tot de organisatie en de vertegenwoordiging in het buitenland. Spreker hoopt in de toekomst een actieve bijdrage te kunnen leveren tot een dergelijk debat.

De heer Pieters herhaalt dat niemand een reden opgeeft waarom de voorgestelde regeling inzake het stemrecht van de Belgen in het buitenland ook niet kan worden toegepast op de verkiezingen voor de gemeenschaps- en gewestparlementen. Het argument dat het hier enkel over België zou gaan, doet niet ter zake.

De heer Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, verklaart dat het institutioneel akkoord in essentie tot doel heeft om de uitoefening van het stemrecht van de Belgen in het buitenland voor de wetgevende verkiezingen te vergemakkelijken. De bewering, als zou het voorliggend wetsontwerp een schending inhouden van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, slaat nergens op. Het feit dat de voorgestelde wetgeving slechts op het federale niveau van toepassing zal zijn en niet op het niveau van de deelstaten, heeft immers tot geen enkele opmerking van de Raad van State aanleiding gegeven en is reeds jaren een feit. Het is pas sedert enkele weken dat sommigen hierin plots een schending van het gelijkheidsbeginsel zien.

Overigens brengt de staatssecretaris in herinnering dat toenmalig koninklijk verduidelijker De Wever in oktober 2010 heeft voorgesteld om de beperkingen op de constitutieve autonomie van de gemeenschappen en de gewesten op te heffen, om hen de mogelijkheid te geven hun organisatie en werking zelf te kunnen regelen. Dit betreft, volgens hem, dus ook de uitoefening van het stemrecht van de Belgen in het buitenland. De constitutieve autonomie zou er aldus toe kunnen leiden dat sommige Belgen die in het buitenland verblijven, wel en andere niet aan de verkiezing van het Parlement van hun gemeenschap en gewest kunnen deelnemen.

Ten slotte verwijst de staatssecretaris naar het wetsvoorstel tot wijziging van het Kieswetboek wat betreft de stemming door in het buitenland verblijvende Belgen, dat op 5 maart 2009 door de heren Jambon en Weyts werd ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers (stuk Kamer, nr. 52-1857/001). Ook dit wetsvoorstel had enkel betrekking op het federale niveau, zonder dat er werd gesteld dat hier sprake was van een schending van het non-discriminatiebeginsel.

De heer Pieters ontkent dat de schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel pas enkele weken geleden werd ontdekt. Dit aspect wordt immers reeds geruime tijd en herhaaldelijk aangeklaagd. De N-VA-fractie heeft steeds een consequente gedachtegang ontwikkeld : elk parlement moet voor zichzelf kunnen beslissen. Dat noemt men de « constitutieve autonomie » en deze wordt vandaag bewust beperkt, terwijl spreker ze precies wenst uit te breiden. Men creëert hier een ongelijkheid die niet nodig is en die evenmin op een ernstige wijze wordt verantwoord.

De heer Bousetta verheugt zich over het voorliggend wetsontwerp, dat het leven van de Belgen die in het buitenland verblijven, zal vergemakkelijken, en dit ongeacht hun taalaanhorigheid, politieke voorkeur of achtergrond. Het gaat hier immers om een politiek recht.

Spreker stelt vast dat het begrip « burgerschap » over de ganse wereld op een steeds ruimere wijze wordt ingevuld, in het bijzonder voor diegenen die in het buitenland verblijven. De moderne technologie laat deze personen ook toe om meer in contact te blijven met hun vaderland en het lijkt logisch dat deze trend wordt doorgetrokken op het vlak van de politieke participatie. Het gaat hier om een nieuwe realiteit. De keuze van de wetgever om te refereren naar de Belgische gemeente waarin de betrokkene laatst in de bevolkingsregisters was ingeschreven, de gemeente van zijn geboorteplaats of de gemeente waar de vader of moeder van de Belg in de bevolkingsregisters is ingeschreven of laatst was ingeschreven, lijkt hem dan ook zeer logisch en wenselijk. Dit alles vergemakkelijkt immers de uitoefening van één van de essentiële rechten die men als burger heeft. Naast de politieke en de juridische argumenten kan men ook sociologische argumenten naar voor schuiven : de regelgeving dient in de eerste plaats om een realiteit op het terrein juridisch te omkaderen.

Ten slotte meent de heer Bousetta in de argumenten van de oppositie elementen te ontwaren die andere doelstellingen nastreven die met het stemrecht van de Belgen in het buitenland niets te maken hebben. Dit is niet wenselijk en spreker pleit ervoor de bespreking te beperken tot deze problematiek.

De heer Pieters repliceert dat de uitoefening van het burgerschap en de verbondenheid met het thuisland, waarnaar de vorige spreker refereert — en die hij onderschrijft — ook te maken hebben met het niveau van de deelstaten. Dat is bijvoorbeeld het geval met cultuur of onderwijs. Waarom wordt deze logica dan niet doorgetrokken naar de gemeenschappen en de gewesten ?

De heer Bousetta antwoordt dat het toekennen van politieke rechten in ons land nooit op een lineaire wijze is gebeurd en steeds stap voor stap verliep.

De heer Delpérée meent dat de verschillende categorieën kiezers in het Kieswetboek moeten worden gedefinieerd. Dit is evenwel niet het voorwerp van de bespreking die vandaag wordt gevoerd. Deze keuze werd immers reeds een tiental jaren geleden gemaakt : de Belgen die in het buitenland verblijven hebben vandaag reeds stemrecht. Het wetsontwerp verandert hieraan niets : er zal immers geen enkele kiezer meer of minder zijn en men kent geen nieuwe politieke rechten toe. De eerste vraag die door het wetsontwerp wordt beantwoord, is in welke gemeente het stembiljet van de betrokkene terecht zal komen. Een tweede probleem dat wordt geregeld, is hoe de betrokken persoon zich als kiezer moet manifesteren : moet hij zich telkens opnieuw laten registreren of niet ? Het gaat hier derhalve om modaliteiten inzake de uitoefening van een bepaald politiek recht.

De heer Van Rompuy meent dat het voorliggend wetsontwerp een belangrijke stap vooruit betekent. De discussie over een volgende stap — het stemrecht van de Belgen die in het buitenland verblijven, voor de verkiezingen van de gemeenschaps- en gewestparlementen — is niet zinloos maar maakt niet het voorwerp uit van het wetsontwerp. Louter juridisch zou men kunnen argumenteren dat de parlementen van de deelstaten actueel worden verkozen op basis van gewestgebonden kieskringen, zodat een objectieve band met de deelstaat erg belangrijk is. De Raad van State heeft hierover geen opmerkingen gemaakt.

Vanuit een louter politieke invalshoek stelt spreker vast dat verschillende fracties hebben verklaard met een voorstel te zullen komen inzake het stemrecht van de Belgen die in het buitenland verblijven, voor de verkiezingen van de deelstaatparlementen. Tot op heden werd echter geen wetsvoorstel ingediend. De heer Van Rompuy wenst het debat te voeren op basis van concrete wetsvoorstellen. Dit is vandaag echter niet aan de orde.

De heer Cheron merkt op dat ook het standpunt van de Raad van State geëvolueerd is, met name over de problematiek van de stemplicht. Hij citeert uit het advies van de Raad van State (stuk Kamer, nr. 53-2139/002, blz. 6) :

« In het kader van het onderzoek van het voorliggende wetsvoorstel heeft de algemene vergadering van de afdeling wetgeving van de Raad van State het noodzakelijk geacht het vraagstuk aan een nieuw onderzoek te onderwerpen, en is ze van oordeel dat de strekking van haar eerdere adviezen ter zake om de hierna ontwikkelde redenen enigszins dient te worden genuanceerd. »

Dit element maakt het voorwerp uit van lange beschouwingen van de algemene vergadering van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Over een schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel wordt evenwel niet in het uitgebreide advies gesproken.

De heer Laeremans werpt op dat het advies van de Raad van State nergens vermeldt dat de ontworpen wetgeving niet strijdig zou zijn met de Grondwet. De conclusie als zou de Raad van State geen grondwettelijke bezwaren hebben tegen een verschillende behandeling van het federale niveau en het niveau van de gemeenschappen en de gewesten wat betreft de uitoefening van het stemrecht van de Belgen die in het buitenland verblijven, is dan ook onterecht. De Raad van State heeft zich over deze aangelegenheid niet uitgesproken.

De heer Anciaux is het hiermee niet eens. Het wetsvoorstel werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend en werd onmiddellijk voor advies aan de Raad van State voorgelegd, die in de eerste plaats nagaat of er een schending van de Grondwet is. Ook de Raad van State heeft vastgesteld dat de voorgestelde regeling enkel geldt voor het federale niveau, en niet voor de andere niveaus, en heeft daarover geen opmerkingen gemaakt.

De heer Laeremans repliceert dat ook de Raad van State een bepaald aspect over het hoofd kan zien en het feit dat over dit aspect geen opmerking werd gemaakt, betekent niet noodzakelijk dat er geen probleem is. Spreker heeft nog steeds geen verantwoording gehoord voor de ongelijke behandeling tussen het federale niveau en de andere niveaus wat het stemrecht van de Belgen die in het buitenland verblijven betreft. Er wordt enkel naar de traditie verwezen en er worden enkel emotionele argumenten gehanteerd die niet ter zake doen. Wat als er samenvallende verkiezingen zijn voor de federale wetgevende Kamers en de deelstaatparlementen ? Voor de ene verkiezing mogen de Belgen die in het buitenland verblijven wél hun stem uitbrengen en voor de andere niet. Deze verschillende benadering is ingegeven door louter politieke overwegingen : de PS gunt het de MR niet dat zij stemmen zou halen in het buitenland voor het Parlement van de Franse Gemeenschap en het Waals Parlement.

De heer Pieters benadrukt dat de Raad van State weliswaar een wetsvoorstel dat hem voor advies werd voorgelegd, ex ante aan de Grondwet toetst, maar uiteindelijk staat het aan de wetgevende macht om deze afweging te maken en zich een oordeel te vormen over de grondwettigheid. Na de beëindiging van de wetgevingsprocedure heeft bovendien het Grondwettelijk Hof het laatste woord om zich uit te spreken over de overeenstemming van de wet met de Grondwet. Het gebeurt vaak dat een wetsvoorstel, waarover de Raad van State een advies heeft uitgebracht zonder te wijzen op de ongrondwettigheid van een bepaling, achteraf toch nog strijdig met de Grondwet wordt bevonden door het Grondwettelijk Hof.

De heer Delpérée betwist deze laatste stelling.

De heer Pieters repliceert dat dit regelmatig gebeurt, onder meer in het sociaalzekerheidsrecht. Men dient derhalve uiteindelijk het oordeel van het Grondwettelijk Hof af te wachten. Spreker herhaalt dat geen ernstige reden wordt gegeven waarom de voorgestelde regeling inzake het stemrecht van de Belgen in het buitenland enkel op het federale niveau van toepassing zal zijn en niet op dat van de gemeenschappen en de gewesten.

De heer Laeremans stelt vast dat, om administratieve overlast te vermijden en onder meer de stemming bij vervroegde verkiezingen te vereenvoudigen, dit wetsontwerp de systematische verplichting tot herinschrijving bij elke verkiezing wil schrappen. Wanneer de betrokkene echter niet heeft deelgenomen aan de stemming, dan vervalt dit automatisme. Dit lijkt een sanctie. Wat is dan het gevolg ?

De heer Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat de betrokkene zich opnieuw moet laten inschrijven om opnieuw aan de stemming te kunnen deelnemen. De betrokkene wordt echter niet gesanctioneerd. Hij zal in de toekomst ook nog kunnen deelnemen aan de stemming maar dient wel zelf het initiatief te nemen om zich te laten inschrijven.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMING

De heer Pieters zegt dat hij zich in overleg met de vertegenwoordigers van de open VLD die vandaag afwezig zijn, zal onthouden bij de stemmingen.

Artikel 1

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 9 stemmen, bij 4 onthoudingen.

Artikel 2

Amendement nr. 2

De heer Laeremans dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 5-1672/2) dat ertoe strekt dit artikel te vervangen teneinde een nieuwe regeling in te voeren waarbij alle stemmen die worden uitgebracht door Belgen die in het buitenland verblijven, worden toegewezen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dat compenseert het verlies van de Vlaamse kamerzetels in Brussel.

De heer Laeremans verwijst naar de wetgeving inzake de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde die als gevolg zal hebben dat Brussel geen enkele Vlaamse verkozene meer zal hebben terwijl de Franstaligen in de Vlaamse rand worden beschermd. Het toevoegen van de stemmen van de Belgen die in het buitenland verblijven aan het kiezerskorps in de Vlaamse randgemeenten zou deze onevenwichtige regeling nog versterken. Er is dus sprake van manipulatie van de verkiezingen. Dat moet een halt worden toegeroepen (cf. de schriftelijke verantwoording van het amendement).

Spreker wenst dan ook te weten wat de numerieke impact van de nieuwe regeling zal zijn bij de komende verkiezingen. Beschikt de staatssecretaris over cijfers met betrekking tot het aantal Belgen in het buitenland die in 2007 aan de federale verkiezingen hebben deelgenomen, eventueel opgesplitst volgens taalgroep. Voorziet de regering een stijging van het aantal Belgen in het buitenland die dankzij de nieuwe regeling zullen gaan stemmen ?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, merkt op dat dit wetsontwerp duidelijk bedoeld is om meer Belgen vanuit het buitenland te laten stemmen. Er is geen eigenlijke schatting van dat aantal.

De heer Anciaux wijst erop dat er bij de vorige verkiezingen 100 000 Belgische kiezers in het buitenland waren.

De heer Pieters deelt de analyse van de heer Laeremans, maar steunt de oplossing die in amendement nr. 2 wordt voorgesteld, niet. Volgens spreker moet Brussel niet nog maar eens een bijzondere en artificiële regeling krijgen.

Amendement nr. 2 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

Artikel 2 wordt aangenomen met 9 stemmen bij 4 onthoudingen.

Artikel 3

Amendement nr. 3

De heer Laeremans dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 5-1672/2) met dezelfde strekking als amendement nr. 2 (zie artikel 2).

Dit amendement wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

Artikel 3 wordt aangenomen met 9 stemmen bij 4 onthoudingen.

Artikel 4

Amendement nr. 4

De heer Laeremans dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 5-1672/2) met dezelfde strekking als amendement nr. 2 (zie artikel 2).

Dit amendement wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

Artikel 4 wordt aangenomen met 9 stemmen bij 4 onthoudingen.

Artikel 5

Amendement nr. 5

De heer Laeremans dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 5-1672/2), dat ertoe strekt het 1º van het genoemde artikel te doen vervallen.

Spreker verwijst naar de verantwoording van amendement nr. 2 (zie artikel 2).

Dit amendement wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

Artikel 5 wordt aangenomen met 9 stemmen bij 4 onthoudingen.

Artikel 6

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 9 stemmen bij 4 onthoudingen.

Artikel 7

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 9 stemmen bij 4 onthoudingen.

Artikel 8

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 9 stemmen bij 4 onthoudingen.

Artikel 9

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 9 stemmen bij 4 onthoudingen.

Hoofdstukken 2/1, 2/2 en 2/3 (nieuw)

Amendement nr. 1

In aansluiting op zijn bijdragen tot de algemene bespreking dient de heer Pieters amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-1672/2) dat ertoe strekt stemrecht voor de verkiezingen van de gemeenschaps- en gewestparlementen toe te kennen aan de Belgen die in het buitenland verblijven en die de hoedanigheid van kiezer hebben. De heer Pieters merkt trouwens op dat dit amendement een voorstel overneemt dat voordien door de MR-fractie werd geformuleerd. Voor het overige verwijst hij naar de algemene bespreking en naar de verantwoording van dit amendement.

Het amendement wordt verworpen met 9 tegen 3 stemmen, bij 1 onthouding.

Artikel 10

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 9 stemmen bij 4 onthoudingen.

Artikel 11

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 9 stemmen bij 4 onthoudingen.

Artikel 12

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 9 stemmen bij 4 onthoudingen.

Na overleg met de Kamer van volksvertegenwoordigers worden er een aantal technische correcties aangebracht die geen enkele inhoudelijke weerslag hebben.

V. STEMMING OVER HET GEHEEL

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 9 stemmen bij 4 onthoudingen.


Dit verslag werd goedgekeurd bij eenparigheid van de 15 aanwezige leden.

De rapporteurs, De voorzitster,
Peter VAN ROMPUY. Gérard DEPREZ. Sabine de BETHUNE.