5-1570/1 | 5-1570/1 |
4 APRIL 2012
Dit voorstel van bijzondere wet heeft tot doel de democratie en de politieke geloofwaardigheid te versterken, door voor wat de verkiezingen voor het Waalse Parlement, het Vlaams Parlement en het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement betreft, in de volgende maatregelen te voorzien :
— het verbod op het cumuleren van kandidaturen bij gelijktijdige verkiezingen waarvan de mandaten onverenigbaar zijn;
— het ontslag van rechtswege uit de lopende bij verkiezing verkregen mandaten als effectief lid bij een andere parlementaire assemblee, wanneer deze mandaten onverenigbaar zijn;
— het verbod op het cumuleren van kandidaturen, op eenzelfde lijst van een effectieve plaats en een plaats op de lijst van de opvolgers.
Krachtens artikel 118, § 1, van de Grondwet is de federale wetgever, die met bijzondere meerderheid beslist, bevoegd om de verkiezingen van de leden van het Waals, het Vlaams en het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement, alsook hun samenstelling en werking te regelen.
Dit voorstel van bijzondere wet moet worden samen gelezen met het voorstel van gewone wet dat gelijktijdig bij het Parlement werd ingediend (stuk Senaat, nr. 5-1571/1 - 2011/2012), dat voorziet in analoge maatregelen voor de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers, het Europese Parlement en het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap.
Deze voorstellen hebben tot doel het Institutioneel Akkoord voor de zesde staatshervorming van 11 oktober 2011 uit te voeren, dat ons kiessysteem transparanter en meer begrijpelijk voor de kiezer wil maken.
Deze voorstellen passen in de logica van de wetsvoorstellen en de voorstellen van bijzondere wet die eerder werden ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers en in de Senaat (5-434; 5-435; 5-864; 5-865; 5-866; 5-875) en waarover de Raad van State al op 14 juni 2011adviezen heeft verleend (nrs. 49.440/2/VR tot 49.443/2/VR, nrs. 49.444/2/VR tot 49.445/2/VR, nr. 49.446/2/VR en nrs. 49.447/2/VR tot 49.450/2/VR).
1. Verbod op het cumuleren van kandidaturen bij gelijktijdige verkiezingen waarvan de mandaten onverenigbaar zijn
Het Institutioneel Akkoord voorziet dat het cumuleren van kandidaturen bij gelijktijdige verkiezingen waarvan de mandaten onverenigbaar zijn, verboden zal zijn.
Niettegenstaande er op dit moment onverenigbaarheden bestaan tussen de mandaten bij twee parlementaire vergaderingen, verbiedt de wet niet dat men zich tegelijk kandidaat stelt bij de verkiezingen voor die twee assemblees. Het is enkel voor de verkiezing van de federale Wetgevende Kamers dat men zich niet tegelijk kandidaat mag stellen voor de Kamer en de Senaat (wat deze twee laatste assemblees betreft, zie artikel 118, vierde lid, van het Kieswetboek).
Aangezien een persoon die voor twee of meerdere mandaten die op grondwettelijk of wettelijk vlak onverenigbaar zijn, is verkozen slechts één mandaat mag uitoefenen, moet hij of zij zich laten vervangen voor de andere mandaten
Bijgevolg moeten de kiezers die voor een kandidaat hebben gestemd die in meer dan één vergadering werd verkozen, na de verkiezingen vaststellen dat de betrokkene slechts één mandaat mag uitoefenen en zich voor het of de andere mandaten moet laten vervangen door een plaatsvervanger waarvoor de kiezers niet gestemd hebben. Dat komt de transparantie en het begrip van het kiessysteem voor de kiezer niet ten goede.
Wat meer is, het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 73/2003 van 26 mei 2003 over de dubbele kandidatuur voor de Kamer en de Senaat, die was ingevoerd bij artikel 6 van de wet van 13 december 2002 houdende verscheidene wijzigingen inzake verkiezingen, opgemerkt dat « De bestreden maatregel van die aard is dat de kiezer kan worden misleid vermits hij het nuttig effect van zijn stem niet kan inschatten en de maatregel bevoordeelt, zonder redelijke verantwoording, de kandidaten die de dubbele kandidatuur kunnen genieten. » (considerans B.16.3).
De Raad van State heeft in zijn adviezen 49.444/2 en 49.445/2 van 14 juni 2011 benadrukt dat « de rechtspraak die voortvloeit uit dat arrest, dat alleen betrekking had op de gelijktijdige verkiezing bij de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat, kan worden uitgebreid tot alle gelijktijdige verkiezingen van parlementaire assemblees ».
Daarom verbiedt dit voorstel van bijzondere wet het cumuleren van kandidaturen bij gelijktijdige verkiezingen waarvan de mandaten onverenigbaar zijn. Het beoogt de kandidaturen voor de verkiezingen voor het Waals Parlement, het Vlaams Parlement en het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement.
Dit voorstel van bijzondere wet voorziet dat niemand zich kandidaat mag stellen voor de verkiezingen voor het Vlaams of het Waalse Parlement als hij tegelijkertijd kandidaat is voor de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers of het Europese Parlement, wanneer deze verkiezingen op dezelfde dag plaatsvinden. De mandaten in deze assemblees zijn immers onderling onverenigbaar krachtens artikel 119 van de Grondwet, artikel 24bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 42, tweede lid, van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement Daartoe wordt artikel 28bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen gewijzigd.
Het voorziet ook dat niemand zich kandidaat kan stellen voor de verkiezingen voor het Vlaams Parlement als hij tegelijkertijd kandidaat is voor de verkiezingen voor het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement. Dit verbod sluit aan op de regel inzake de onverenigbaarheid tussen de mandaten bij die twee assemblees die voorkomt in artikel 12, § 2, derde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen
Het voegt een gelijkaardige bepaling in in de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Dit voorstel van bijzondere wet voorziet dat niemand zich kandidaat kan stellen voor de verkiezingen voor het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement als hij of zij tegelijkertijd kandidaat is voor de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers, het Vlaams Parlement of het Europese Parlement, indien deze verkiezingen op dezelfde dag plaatsvinden. Artikel 119 van de Grondwet, 12, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen en artikel 42, tweede lid, van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement voorzien immers in onverenigbaarheden tussen de mandaten bij deze verschillende assemblees.
In de hiervoor voorziene gevallen voorziet dit wetsvoorstel dat de kandidaat die het cumulverbod niet respecteert zijn naam geschrapt zal zien van alle lijsten waarop hij staat. Hij zal bovendien strafbaar zijn met de in artikel 202 van het Kieswetboek voorziene straffen.
2. Ontslag van rechtswege uit de door verkiezingen verkregen lopende mandaten in geval van verkiezing in de hoedanigheid als lid van een andere parlementaire assemblee, wanneer deze mandaten onverenigbaar zijn
Het Institutioneel Akkoord bepaalt dat de effectief verkozen kandidaat van rechtswege ontslagnemend zal zijn uit de door verkiezingen verkregen lopende mandaten en die wettelijk onverenigbaar zijn met het nieuwe mandaat waarvoor hij verkozen werd.
Wanneer de verkiezingen niet samenvallen (1) , is het momenteel niet uitgesloten dat een parlementslid zich kandidaat stelt voor de verkiezing voor een andere parlementaire assemblee, zelfs wanneer deze parlementaire mandaten onverenigbaar zijn. Dit voorstel van bijzondere wet wil hier dus niets aan wijzigen.
Wanneer twee parlementaire mandaten echter onverenigbaar zijn (2) , mogen de parlementsleden die zich kandidaat hebben gesteld voor een effectief mandaat bij een tweede parlementaire assemblee en daar verkozen worden, slechts een van de beide mandaten uitoefenen.
Zij hebben momenteel de keuze om het parlementaire mandaat dat ze uitoefenen, te blijven uitoefenen of om ontslag te nemen uit hun functies en het nieuwe mandaat uit te oefenen waarvoor ze werden verkozen. Krachtens artikel 233 van het Kieswetboek wordt momenteel het parlementaire mandaat bij de eerste assemblee stopgezet op het moment van eedaflegging bij de andere assemblee
Dit voorstel van bijzondere wet moet deze keuze verhinderen wat de verkozenen voor een nieuw effectief mandaat betreft. Het voert het automatische verlies van het eerste parlementaire mandaat in wanneer de mandaten onverenigbaar zijn, vooraleer de eventuele eedaflegging plaatsvindt, namelijk op het moment dat het nieuwe verkozen mandaat geldig wordt verklaard na het onderzoek van de geloofsbrieven
Het stelt het parlementslid niet meer in de mogelijkheid te kiezen tussen het mandaat dat hij bekleedt, en het nieuwe mandaat waarvoor hij verkozen is, maar kent een gevolg van rechtswege toe aan het feit van verkozen te zijn voor een andere parlementaire assemblee : de vervallenverklaring van het eerste onverenigbare parlementaire mandaat.
Dat mandaat vervalt zelfs al voordat er sprake van is houder van een ander mandaat te worden. Het parlementslid dat de eed niet aflegt bij deze andere assemblee, zal immers in geen van beide assemblees zetelen, aangezien zijn eerste mandaat is vervallen louter door het feit dat zijn nieuwe verkozen mandaat geldigheid heeft verkregen.
Deze vervallenverklaring gebeurt ook van rechtswege zodra het parlementslid verzaakt aan zijn nieuwe effectieve mandaat tussen de dag van de afkondiging van de verkozenen en de dag waarop zijn nieuwe effectieve mandaat geldig wordt verklaard. Hij verliest die hoedanigheid eveneens van rechtswege wanneer hij ophoudt zitting te hebben ten gevolge van een benoeming tot minister of staatssecretaris van de federale regering of een verkiezing tot minister of staatssecretaris van een andere Gemeenschaps- of Gewestregering.
Dit voorstel van bijzondere wet is niet van toepassing op de plaatsvervangers. Vanuit het perspectief van de kiezer, is hun situatie inderdaad heel anders dan die van de effectieve kandidaten. Een kiezer, die zijn voorkeur stem geeft aan een plaatsvervangende kandidaat, weet dat deze persoon enkel zal opgeroepen worden om te zetelen indien een effectief verkozen kandidaat zijn zetel afstaat. Gezien de voorziene maatregel de effectieve kandidaten betreft, is de kans dat ze niet zouden worden opgeroepen om te zetelen, in ieder geval op korte termijn, versterkt. Tussen het tijdstip van de verkiezing en het moment waarop hij wordt opgeroepen, zal de plaatsvervanger niet inactief blijven. Het gebeurt immers regelmatig dat door omstandigheden de plaatsvervanger, op de dag dat hij wordt opgeroepen om te zetelen, zijn mandaat niet meer wil of kan uitoefenen zonder dat aan de oprechtheid van zijn kandidatuur op de dag van de verkiezing getwijfeld kan worden. De kiezer die voor een plaatsvervanger stemt weet dit. Men kan dus niet stellen dat de kiezer op dezelfde manier wordt bedrogen als de plaatsvervanger beslist om niet te zetelen als in het geval dat een effectieve kandidaat de dag na de verkiezing beslist om niet te zetelen. De legitieme verwachtingen van de kiezers die hebben gestemd voor de plaatsvervangers zijn inderdaad niet identiek aan die van een kiezer die heeft gestemd voor een effectieve kandidaat. In het licht van het door dit voorstel van bijzondere wet nagestreefde doel bevinden effectieve kandidaten en plaatsvervangende kandidaten zich in objectief verschillende situaties. Dit voorstel van bijzondere wet respecteert derhalve het beginsel van respect voor de legitieme verwachtingen van de kiezer, zoals het voortvloeit uit de rechtspraak van het grondwettelijk Hof (zie in dit verband G.H., arrest nr. 73/2003 van 26 mei 2003; G.H. arrest nr. 90/2006 van 24 mei 2006, G.H. arrest nr. 130/2006 van 28 juli 2006).
Dit voorstel van bijzondere wet beoogt overigens slechts de uit verkiezingen verkregen mandaten. Het voorstel is dus niet bedoeld om ministers in functie die zich verkiesbaar stellen te verplichten om ontslag te nemen als ministers indien zij verkozen geraken. Het statuut van een minister is immers verschillend van dat van een parlementslid. Terwijl een parlementslid wordt verkozen voor de duur van een zittingsperiode zonder dat iemand hem kan dwingen om af te zien van het mandaat dat hem door de kiezer is gegeven, kan de benoeming van een minister, op elk moment tussenkomen, en ook weer worden beëindigd. De maatregel die erin bestaat een minister te dwingen ontslag te nemen wanneer hij verkozen wordt, zou dus zonder effect zijn aangezien hij de volgende dag weer benoemd zou kunnen worden als minister. Een minister die op het moment van zijn benoeming een parlementslid is, zal niet anders behandeld worden dan de andere parlementsleden indien hij in een ander parlement verkozen wordt. Hij zal wanneer hij geen minister meer is, niet meer het parlementaire mandaat kunnen uitoefenen dat hij had bekomen in het eerste parlement. Indien hij het mandaat wenst uit te oefenen in het nieuwe parlement waarvoor hij verkozen is, zal hij ontslag moeten nemen als minister.
Dit voorstel van bijzondere wet heft het tweede lid van paragraaf 2 van artikel 233 van het Kieswetboek op. In dit lid wordt immers het moment bepaald waarop het mandaat van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestparlement een einde neemt. Maar de clausules met betrekking tot de vervallenverklaring die voor de leden van deze assemblees gelden, moeten, zoals de Raad van State in zijn adviezen nrs. 49.440/2 tot 49.443/2 aangaf, in een bijzondere wet worden bepaald, aangezien de Grondwet bepaalt dat de samenstelling en de werking van de voormelde parlementen door de bijzondere wetgever moeten worden geregeld (artikel 117, eerste lid, en artikel 118, § 1, van de Grondwet).
Daartoe voegt dit voorstel van bijzondere wet in hoofdstuk II, afdeling 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de samenstelling van de parlementen betreft, een artikel 24ter in dat bepaalt dat het lid van het Waalse Parlement of het Vlaams Parlement dat zich kandidaat heeft gesteld bij de verkiezing voor de Kamer van volksvertegenwoordigers of het Europese Parlement en dat als effectief lid van dit parlement werd verkozen, zijn eerste hoedanigheid verliest zodra zijn nieuwe mandaat na het onderzoek van de geloofsbrieven geldig is verklaard, en dus niet wanneer hij de eed aflegt zoals dat nu het geval is. De verzaking aan het nieuwe effectieve mandaat tussen de afkondiging van de verkozenen en de geldigverklaring van zijn nieuwe mandaat impliceert automatisch dat hij ontslag neemt uit het eerste effectief mandaat.
Dit voorstel van bijzondere wet heeft ten slotte tot doel een analoge regelgeving in te voeren voor de leden van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest door een artikel 12bis in de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen in te voegen.
Ten slotte dient te worden opgemerkt dat het verlies van deze mandaten zal leiden tot het verlies van het mandaat om in het Parlement van de Franse Gemeenschap te zetelen, gelet op het feit dat de leden daarvan parlementsleden zijn die binnen het Waalse Parlement en het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement zijn verkozen. Dit geldt ook voor de assemblees van de gemeenschapscommissies, die uit de leden van dit laatste Parlement zijn samengesteld.
3. Verbod op het cumuleren van kandidaturen, op eenzelfde lijst, van een effectieve plaats en een plaats op de lijst van de opvolgers
Het Institutioneel Akkoord voorziet in het verbod op het cumuleren van kandidaturen tussen een effectieve plaats en een plaatsvervangende plaats.
Dit voorstel van bijzondere wet voert dit punt van het akkoord uit. Het voegt hiertoe in artikel 28bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen een lid in dat bepaalt dat niemand zich tegelijk kandidaat kan stellen voor de effectieve mandaten en de plaatsvervangende mandaten
Dit voorstel voegt hiertoe ook in artikel 17, § 4, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen een lid in krachtens hetwelk het cumuleren van kandidaturen tussen een effectieve plaats en een plaatsvervangende plaats verboden is.
In de hiervoor voorziene gevallen voorziet dit wetsvoorstel dat de kandidaat die het cumulverbod niet respecteert zijn naam geschrapt zal zien van alle lijsten waarop hij staat. Hij zal bovendien strafbaar zijn met de in artikel 202 van het Kieswetboek voorziene straffen.
4. Inwerkingtreding
Deze bijzondere wet treedt in werking op 1 januari 2014, en is voor de eerste keer van toepassing op de verkiezingen voor het Europese Parlement die volgen op de bekendmaking van deze bijzondere wet in het Belgisch Staatsblad, evenals op de andere verkiezingen die gelijktijdig worden georganiseerd.
| Freya PIRYNS. | |
| Philippe MOUREAUX. | |
| Dirk CLAES. | |
| Christine DEFRAIGNE. | |
| Bert ANCIAUX. | |
| Marcel CHERON. | |
| Bart TOMMELEIN. | |
| Francis DELPÉRÉE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
HOOFDSTUK I
Wijziging van het Kieswetboek
Art. 2
Artikel 233, § 2, tweede lid, van het Kieswetboek, ingevoegd de bij wet van 16 juli 1993 en gewijzigd bij wet van 27 maart 2006, wordt opgeheven.
HOOFDSTUK II
Wijzigingen aan de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen
Art. 3
Titel III, Hoofdstuk II, Eerste afdeling, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt aangevuld met een artikel 24ter, luidende :
« Art. 24ter. Het lid van het Vlaams Parlement of het Waalse Parlement dat zich kandidaat heeft gesteld bij een verkiezing voor de Kamer van volksvertegenwoordigers of het Europese Parlement, en dat als effectief lid wordt verkozen, verliest van rechtswege zijn hoedanigheid van lid van het Vlaams Parlement of het Waalse Parlement op de dag van de geldigverklaring van het nieuwe effectieve mandaat.
Het lid van het Vlaams Parlement dat zich kandidaat heeft gesteld bij de verkiezing voor het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement en dat als effectief lid wordt verkozen, verliest van rechtswege zijn hoedanigheid van lid van het Vlaams Parlement op de dag van de geldigverklaring van zijn nieuwe effectieve mandaat.
Het lid van het Vlaams Parlement dat zich kandidaat heeft gesteld bij de verkiezing voor het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en dat als effectief lid wordt verkozen, verliest van rechtswege zijn hoedanigheid van lid van het Vlaams Parlement op de dag van de geldigverklaring van zijn nieuwe effectieve mandaat.
De leden bedoeld in het eerste, het tweede lid en het derde lid, verliezen hun hoedanigheid eveneens van rechtswege zodra ze verzaken aan hun nieuwe effectieve mandaat tussen de dag van de afkondiging van de verkozenen en de dag waarop hun nieuwe effectieve mandaat geldig wordt verklaard.
Dit artikel is ook van toepassing op de leden van het Vlaams Parlement of het Waalse Parlement die ophielden zitting te hebben ten gevolge van hun verkiezing tot minister van hun Regering, ten gevolge van hun benoeming tot minister of staatssecretaris van de federale regering of hun verkiezing tot minister of staatssecretaris van een andere Gemeenschaps- of Gewestregering. »
Art. 4
In artikel 28bis, § 2, van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º tussen het tweede en het derde lid worden drie leden ingevoegd, luidende :
« Niemand mag, binnen dezelfde lijst, tegelijk als kandidaat-titularis en als kandidaat-opvolger worden voorgedragen.
Niemand mag zich kandidaat stellen voor de verkiezingen voor het Vlaams Parlement of het Waalse Parlement, als hij tegelijk kandidaat is voor de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers of het Europese Parlement, wanneer deze verkiezingen op dezelfde dag plaatsvinden.
Niemand mag zich tegelijk kandidaat stellen voor de verkiezingen voor het Vlaams Parlement, als hij tegelijk kandidaat is voor de verkiezingen voor het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement, wanneer deze verkiezingen op dezelfde dag plaatsvinden. »;
2º in het derde lid, dat het zesde lid wordt, wordt het woord « twee » vervangen door het woord « vijf ».
HOOFDSTUK III
Wijzigingen aan de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen
Art. 5
Titel III, Hoofdstuk II, Eerste afdeling, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, wordt aangevuld met een artikel 12bis, luidende :
« Art. 12bis. Het lid van het Parlement dat zich kandidaat stelt bij de verkiezing voor de Kamer van volksvertegenwoordigers, het Vlaams Parlement, het Waalse Parlement of het Europese Parlement, en dat als effectief lid verkozen wordt, verliest van rechtswege zijn hoedanigheid van lid van het Parlement op de dag van de geldigverklaring van het nieuwe effectieve mandaat.
Hij verliest die hoedanigheid eveneens van rechtswege zodra hij verzaakt aan zijn nieuwe effectieve mandaat tussen de dag van de afkondiging van de verkozenen en de dag waarop zijn nieuwe effectieve mandaat geldig wordt verklaard.
Dit artikel is ook van toepassing op de leden van het Parlement die ophielden zitting te hebben ten gevolge van hun verkiezing tot minister of staatssecretaris van hun Regering, ten gevolge van hun benoeming tot minister of staatssecretaris van de federale regering of hun verkiezing tot minister of staatssecretaris van een andere Gemeenschaps- of Gewestregering. »
Art. 6
In artikel 17, § 4, van dezelfde bijzondere wet, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1º tussen het eerste en het tweede lid worden twee leden ingevoegd, luidende :
« Niemand mag, binnen dezelfde lijst, tegelijk als kandidaat-titularis en als kandidaat-opvolger worden voorgedragen.
Niemand mag zich kandidaat stellen voor de verkiezingen van het Parlement als hij tegelijk kandidaat is voor de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers, het Vlaams Parlement, het Waalse Parlement of het Europese Parlement, wanneer deze verkiezingen op dezelfde dag plaatsvinden. »;
2º in het tweede lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden « het in het vorige lid gestelde verbod » vervangen door de woorden « het in eerste, tweede en derde lid gestelde verbod ».
HOOFDSTUK IV
Slotbepaling
Art. 7
Deze wet treedt in werking op 1 januari 2014, en is voor de eerste keer van toepassing op de verkiezingen voor het Europese Parlement die volgen op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, evenals op de andere verkiezingen die gelijktijdig worden georganiseerd.
2 april 2012.
| Freya PIRYNS. | |
| Philippe MOUREAUX. | |
| Dirk CLAES. | |
| Christine DEFRAIGNE. | |
| Bert ANCIAUX. | |
| Marcel CHERON. | |
| Bart TOMMELEIN. | |
| Francis DELPÉRÉE. |
(1) Deze maatregel past in de veronderstelling van niet-samenvallende verkiezingen. In de toekomst zal het bij gelijktijdige verkiezingen niet meer mogelijk zijn zich kandidaat te stellen voor de verkiezing van verschillende assemblees waarvan de mandaten onverenigbaar zijn (zie punt 1 van dit voorstel van bijzondere wet).
(2) Zie de artikelen 49 en 119 van de Grondwet, 24bis, § 2, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980, 12, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, 10bis van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, 42 van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement.