5-1418/1 | 5-1418/1 |
23 DECEMBER 2011
De informatisering van justitie moet leiden tot belangrijke werklastverminderingen in alle domeinen waar justitie verantwoordelijk voor is, maar eveneens voor de vele partners die met Justitie samenwerken en die, vaak terecht, klagen over de onnodige of vermijdbare administratieve overlast die de administratie van Justitie voor hen meebrengt.
Dit kan het gevolg zijn van de informatisering op zich maar eveneens van de reorganisatie van diensten en werkprocessen die thans nog bestaan maar in een meer hedendaagse omgeving anders kunnen en moeten aangepakt worden. Vaak gaan reorganisatie en informatisering hand in hand. We werken hier dus in een wijzigend landschap en in een landschap dat verder moet gewijzigd worden.
Een dergelijk proces van reorganisatie/informatisering gaat stapsgewijs en moet de continuïteit van de werking garanderen.
In dit wetsvoorstel worden verschillende stappen gezet : verouderde werkprocessen worden afgeschaft of gemoderniseerd, werkprocessen (bijvoorbeeld vele papieren verzendingen) worden omgevormd in elektronische berichtenstromen naar nieuw ontstane of op te richten databanken. Nieuwe noden, bijvoorbeeld de dringende nood aan een informatiebeheersdienst van Justitie of de elektronische neerlegging van de VZW, worden in een eerste fase mogelijk gemaakt.
Een aantal van de reorganisaties en werkprocesveranderingen kunnen gerealiseerd worden door aanpassing van het administratief kader, een aantal structuren en werkprocessen liggen verankerd in de wet. Dit wetsvoorstel beoogt een aantal stappen te zetten die de verdere reorganisatie en informatisering mogelijk maken zodat de daadwerkelijke werklastverminderingen op het terrein kunnen gerealiseerd worden en aldus de vruchten ervan kunnen geplukt worden. Zonder de in dit voorstel opgenomen dringende aanpassing van het wettelijk kader, loopt bovendien de operationalisering van het informatiseringsproces vast.
Hoofdstuk 2. Werklastverminderingen inzake meldingen aan de Kruispuntbank van ondernemingen
Artikel 2
Dit artikel beoogt een uitzuivering van artikel 23 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.
Momenteel wordt de Kruispuntbank van ondernemingen (KBO) overspoeld met kennisgevingen van vonnissen en arresten betreffende gebeurtenissen die zijn opgesomd in voormeld artikel 23.
Niet alleen heeft de KBO niet de middelen om deze toevloed aan informatie te kunnen verwerken, waardoor deze grotendeels ongepubliceerd blijven, maar ook kan men zich de vraag stellen of de KBO de juiste plaats is om bepaalde van deze gebeurtenissen openbaar te maken.
Met dit voor ogen wordt nu voorgesteld om bepaalde van deze meldingen te schrappen. Deze meldingen zullen dan dienen te gebeuren in die gegevensbanken die daarvoor het meest zijn aangewezen, wat dan verder zal worden geregeld in de op die gegevensbanken toepasselijke wetten en reglementen.
Hoofdstuk 3. Vervollediging van het centraal huwelijksovereenkomstenregister
Artikel 3
Door deze wijziging wordt de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972 en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister vervolledigd. Het artikel 4 van deze wet vermeldde immers niet de samenlevingsovereenkomsten en de uitspraken van de rechtbanken met betrekking tot de huwelijksovereenkomsten, de huwelijksstelsels en de samenlevingsovereenkomsten. Het centraal register van huwelijksovereenkomsten kon aldus geen volledig beeld geven. Deze toestand wordt nu rechtgezet.
Daarnaast wordt ook voorzien in de mededeling van de inhoud van bepaalde vonnisen en arresten die daarvoor werden meegedeeld aan de KBO. Dit wordt gedaan middels de toevoeging van een derde paragraaf aan het artikel 4. Deze mededelingen werden vroeger aan het KBO gemeld ingevolge artikel 23 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen. De reden hiervoor is dat deze mededelingen eerder thuishoren in het centraal huwelijksovereenkomstenregister dan in de KBO, aangezien zij het huwelijksvermogen van de handelaar betreffen.
Artikel 4
Dit artikel compenseert de afschaffing van de artikelen 12 en 13 van het Wetboek van Koophandel. Op deze manier blijft de publiciteit van de huwelijkscontracten van handelaars gegarandeerd terwijl ze ook gemoderniseerd wordt.
Het uittreksel van het huwelijkscontract wordt immers niet langer neergelegd ter griffie, maar de er in vermelde informatie wordt nu gepubliceerd in een gedeelte van het centraal huwelijksovereenkomstenregister dat publiek toegankelijk is en zonder kost kan worden geraadpleegd.
Artikelen 5 en 6
Dit artikel voert nieuwe artikelen 4/2 en 4/3 in de wet van 13 juli 1977 in, die de opheffing opvangen van de artikelen 1395 en 1396 van het Burgerlijk Wetboek. De melding en publicatie van wijzigingen in het huwelijksvermogensstelsel gebeurt nu niet langer via de burgerlijke stand en het Staatsblad, maar via het centraal huwelijksovereenkomstenregister, waarvan een bepaald gedeelte kosteloos toegankelijk zal zijn voor het publiek. Op die manier wordt de publicatie gemoderniseerd op een manier die de vroegere waarborgen voor de schuldeisers garandeert.
Artikelen 7 en 8
De artikelen 6/1 en 6/2 van de wet van 13 januari 1977 worden aangevuld met een verwijzing naar de samenlevingsovereenkomsten, gelet op de wijzigingen in artikel 4.
Artikel 9
De artikelen 1395 en 1396 van het Burgerlijk Wetboek hebben door de komst van het centraal huwelijksovereenkomstenregister alle nut verloren, aangezien de melding van de wijziging van het huwelijksstelsel, alsook de publicatie ervan, nu zal gebeuren in dit register. De meldingen aan de burgerlijke stand en aan het Belgisch Staatsblad hebben dan ook geen zin meer, en daarom worden deze artikelen geschrapt.
Hoofdstuk 4. Werklastvermindering en informatisering inzake de Burgerlijke Stand
Artikel 10
Artikel 38 van het Burgerlijk Wetboek voorziet in de voorlezing van de akten aan de verschijnende partijen. Overwegende dat getuigen ook als verschijnende partijen kunnen worden beschouwd, heeft de zinsnede « en aan de getuigen » geen toegevoegde waarde en mogen deze woorden dan ook geschrapt worden.
Artikel 11
De vorm waarin akten van burgerlijke stand worden opgesteld is op dit moment niet bepaald. Bijna alle Belgische gemeentebesturen stellen die akten tegenwoordig op via moderne middelen (PC met tekstverwerking). Zij hebben daartoe eigen modellen ontwikkeld. Reeds in veel gevallen werd daarbij overgeschakeld van protocollaire naar documentaire akten.
Het is de bedoeling om het opstellen van de akten van de burgerlijke stand te moderniseren en ze in gedematerialiseerde vorm op te slaan in een bestand. Dit is maar mogelijk als overal wordt overgeschakeld naar documentaire akten met eenzelfde inhoud en volgorde van gegevens.
Het is wenselijk dat het vaststellen van die modellen zo snel mogelijk gebeurt, zodat de besturen tijd hebben om dit in hun werking te integreren en dit de geplande modernisering niet nodeloos vertraagt.
Daarom wordt artikel 42 aangepast en aangevuld met een paragraaf waarin aan de Koning de mogelijkheid wordt geboden de vorm waarin de akten moeten worden opgesteld verplicht vast te stellen.
Artikel 12
De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt zijn akten op na verificatie van de neergelegde stukken en volmachten. De parafering van deze stukken, door de personen die ze voorgelegd hebben en deze ambtenaar, kan geschrapt worden gezien ze geen enkele meerwaarde biedt.
Artikel 13
Dit artikel heeft tot doel de procedure inzake het opstellen van akten burgerlijke stand aan te passen aan de praktijk en de werking van de burgerlijke stand te vereenvoudigen.
Het is algemeen bekend dat het opstellen van akten van burgerlijke stand in de praktijk niet gebeurt door de ambtenaar van de burgerlijke stand maar door zijn medewerkers. De ambtenaar van de burgerlijke stand is meestal zelfs niet aanwezig bij het opstellen, uitgezonderd bij huwelijksplechtigheden, en tekent de akten soms pas dagen nadat ze zijn opgesteld.
Terwijl het de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid moet blijven van de ambtenaar van de burgerlijke stand om toe te zien op de goede werking van de dienst burgerlijke stand wat betreft het opstellen van de akten en de correctheid van de akten is het niet noodzakelijk dat daarvoor vermeld blijft dat hij deze akten persoonlijk zou opstellen.
De machtiging ontslaat de ambtenaar van de burgerlijke stand niet van zijn verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. Deze wijziging betekent bovendien dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aansprakelijk zal zijn voor akten die de beambte ondertekend heeft. Bovendien valt het voltrekken van een huwelijk niet onder « alle taken inzake het opstellen van de akten van de burgerlijke stand ».
Artikel 14
Artikel 52 van het Burgerlijk Wetboek wordt geherformuleerd rekening houdende met de huidige werkwijze bij de gemeenten. Zo wordt het woord « onrechtmatige » toegevoegd omdat strikt gezien de huidige randvermeldingen ook veranderingen zijn, maar dan wel rechtmatige.
Daarnaast wordt eveneens het verbod van inschrijvingen op losse bladen geschrapt, gelet op het feit dat akten van de burgerlijke stand al lang niet meer worden ingeschreven in een ingebonden register, maar in de meeste gevallen worden opgemaakt op losse bladen die nadien worden ingebonden.
Artikel 15
De wijziging van artikel 56, § 4, van het Burgerlijk Wetboek heeft eveneens enkel tot doel de wetgeving aan te passen aan de actuele situatie op het terrein. Geboorteaangiften worden immers al geruime tijd louter gebaseerd op verklaringen van geneesheren en vroedvrouwen. De persoonlijke vaststelling van de geboorte door de ambtenaar van de burgerlijke stand is volledig achterhaald.
Artikel 16
De toekomstige echtgenoten zijn bij hun huwelijk volledig vrij te kiezen wie zal optreden als getuige. De toevoeging « bloedverwanten of geen bloedverwanten » biedt hierbij geen enkele meerwaarde en kan dan ook geschrapt worden.
Artikel 17
Aansluitend bij de bepalingen van hoofdstuk 3 betreffende het Centraal Register voor Huwelijksovereenkomsten zullen de gegevens op het gebied van het door hen gekozen huwelijksvermogensstelsel tussen echtgenoten niet langer worden vermeld in de huwelijksakte. Hiertoe wordt artikel 76, 10º, van hetzelfde Wetboek opgeheven.
Artikel 18
Dit artikel voorziet in de afschaffing van de verplichting voor ambtenaar van de burgerlijke stand om zich ter plaatse te begeven voor het vaststellen van een overlijden.
Deze aanpassing van het Burgerlijk Wetboek beoogt de bepalingen van artikel 77 af te stemmen op de praktijk.
De ambtenaar van de burgerlijke stand begeeft zich in de praktijk al lang niet meer naar de overledene om diens overlijden vast te stellen. Het opstellen van de akte van overlijden gebeurt steeds op basis van een medisch attest.
De ambtenaar van de burgerlijke stand is in een aantal situaties trouwens ook niet bij machte om met kennis van zake een overlijden vast te stellen. Daar zijn medische technieken voor zoals een EEG.
Artikel 19
Dit artikel voorziet eveneens in de afschaffing van de verplichting voor ambtenaar van de burgerlijke stand om zich ter plaatse te begeven voor het vaststellen van een overlijden in een ziekenhuis of een andere openbare inrichting.
Daarnaast worden ook de verplichtingen van deze ziekenhuizen en openbare inrichtingen vereenvoudigd door de afschaffing van de verplichting ter zake een afzonderlijk register bij te houden.
Deze bepaling voorziet ook in de afschaffing van de verplichting om een akte van overlijden een tweede maal in te schrijven in de gemeente van de woonplaats.
Bij een overlijden is bepaald dat niet alleen de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van het overlijden een akte van overlijden opstelt, maar ook dat hij die akte doet toekomen bij zijn ambtsgenoot van de woonplaats van de overledene. Deze laatste ambtenaar van de burgerlijke stand dient deze akte op zijn beurt integraal over te schrijven.
Dit kan als een overbodige handeling worden beschouwd die geen toegevoegde waarde heeft. Het overlijden kan immers in elke gemeente worden opgevraagd uit het Rijksregister met de vermelding van plaats van overlijden. Daar kan men indien nodig steeds de oorspronkelijke authentieke akte opvragen.
Dit manueel overschrijven van akten is een tijdrovende zaak, zeker omdat veel personen overlijden in een ziekenhuis dat niet in hun woonplaats is gevestigd, bij een ongeval in een andere gemeente enz.
De bepaling die het doorsturen en overschrijven van de akte van overlijden regelde wordt geschrapt in de artikelen 80 en 82 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 20
Aansluitend op het vorige artikel wordt door deze wijziging de verplichting om een akte van overlijden een tweede maal in te schrijven in de gemeente van de woonplaats eveneens geschrapt in artikel 82 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 21
Door dit artikel wordt artikel 83 van het Burgerlijk Wetboek dat betrekking heeft op de ten uitvoer legging van de doodstraf geschrapt.
De doodstraf is zoals bekend al een hele tijd afgeschaft in België. Het is dan ook weinig opportuun om in het Burgerlijk Wetboek een bepaling te handhaven die verwijst naar een te volgen procedure na het voltrekken van de doodstraf.
Daarnaast voorziet dit artikel in de afschaffing van de verplichting voor ambtenaar van de burgerlijke stand om zich ter plaatse te begeven voor het vaststellen van een overlijden.
Deze aanpassing van het Burgerlijk Wetboek beoogt de bepalingen van artikel 84 af te stemmen op de praktijk.
De ambtenaar van de burgerlijke stand begeeft zich in de praktijk al lang niet meer naar de overledene om diens overlijden vast te stellen. Het opstellen van de akte van overlijden gebeurt steeds op basis van een medisch attest.
De ambtenaar van de burgerlijke stand is in een aantal situaties trouwens ook niet bij machte om met kennis van zake een overlijden vast te stellen. Daar zijn medische technieken voor zoals een EEG.
Ten slotte wordt artikel 85 van het Burgerlijk Wetboek geschrapt. Overwegende dat de overlijdensakte enkel de gegevens die worden vermeld in artikel 79 mag bevatten en dat de doodsoorzaak hier niet in voorkomt, heeft deze bepaling immers geen enkel nut meer.
Hoofdstuk 5. Informatisering van de verwerping van nalatenschappen
Artikel 22
Artikel 784 van het Burgerlijk Wetboek wordt opgesplitst in twee paragrafen.
In de eerste paragraaf wordt het huidige artikel 784 van het Burgerlijk Wetboek hernomen, met die wijziging dat de verklaring van verwerping hetzij ter griffie van een rechtbank van eerste aanleg, hetzij ten overstaan van een notaris kan gebeuren. Gelet op de invoering van een centraal register van opengevallen nalatenschappen, hoeft dit niet te gebeuren bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de nalatenschap is opengevallen.
Door aan de burger de mogelijkheid te geven om deze verklaring ook ten overstaan van een notaris te doen, zal deze wijziging ook de vermindering van de werklast van de rechtbanken met zich meebrengen.
In de tweede paragraaf wordt bepaald dat de griffier of de notaris deze verklaring laat opnemen in een centraal register en wordt aan de Koning de bevoegdheid gegeven te bepalen hoe de gegevens door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat in het centraal register moeten worden opgenomen en geconsulteerd, onder meer de vorm en de modaliteiten van de registratie, de nadere regels inzake de toegang tot het register en het tarief van de kosten.
Bij het uitwerken van dit centraal register zal er voor moeten gezorgd worden dat, net zoals het Belgisch Staatsblad, het publiek toegankelijk zal zijn. Door dit register vrij toegankelijk te maken, zal de werklast van de rechtbanken verminderd worden.
Artikel 23
Artikel 793, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de verklaring van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, wordt aangepast gelet op de invoering van een centraal register. Gelet op het feit van de opname van de verklaring in een centraal register, is de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de verklaring niet langer nodig.
De inschrijvingsdatum in dit register wordt het vertrekpunt van de termijn van drie maanden waarover de schuldeisers en legatarissen beschikken om hun rechten te doen kennen.
Artikel 24
Vanuit de bekommernis van administratieve vereenvoudiging, wordt ervoor gekozen om de aanstellingen van een beheerder, aangesteld om een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving te vereffenen overeenkomstig de artikelen 803bis of 804 van het Burgerlijk Wetboek niet meer in het Belgisch Staatblad te publiceren (hetgeen door de zorg van de beheerder diende te gebeuren). Voortaan dienen deze aanstellingen, via het afleggen van een verklaring door de aangestelde beheerder ter griffie van een rechtbank van eerste aanleg, dan wel voor een notaris, in het centraal register van opengevallen nalatenschappen bedoeld in artikel 784, § 2, van het Burgerlijk Wetboek te worden opgenomen.
Artikel 25
Het huidige artikel 1185 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de « verwerping van de nalatenschap wordt gedaan ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de erfenis is opengevallen, in het register voorgeschreven bij artikel 784 van het Burgerlijk Wetboek ».
Gelet op de invoering van een centraal register van opengevallen nalatenschappen is het niet meer vereist dat de verklaring wordt afgelegd voor de rechtbank van de plaats waar de erfenis is opengevallen. Ingevolge het voorgestelde nieuwe artikel 784, § 2, van het Burgerlijk Wetboek is deze bepaling overbodig en kan deze worden opgeheven.
Artikel 26
Het huidige tweede lid van artikel 1228 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat « De beschikking van aanwijzing van de curator bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ». Aangezien het voorgestelde artikel 1231 van het Gerechtelijk Wetboek de inschrijving van de aanstelling in een centraal register voorschrijft, is deze bepaling overbodig en kan deze worden opgeheven.
Artikel 27
Vanuit de bekommernis van administratieve vereenvoudiging, wordt ervoor gekozen om de aanstellingen van een curator over een onbeheerde nalatenschap overeenkomstig artikel 811 van het Burgerlijk Wetboek niet meer in het Belgisch Staatblad te publiceren. Voortaan dienen deze aanstellingen, via het afleggen van een verklaring door de aangestelde curator ter griffie van een rechtbank van eerste aanleg, dan wel voor een notaris, in het centraal register van opengevallen nalatenschappen bedoeld in artikel 784, § 2, van het Burgerlijk Wetboek te worden opgenomen.
Hoofdstuk 6. De tussenkomst van de vrederechter bij beschermde personen inzake verkoop
Artikel 28
Artikel 598 — Rekening houdend met de facultatieve aanwezigheid van de vrederechter bij de zitting van toewijzing, gaat het om een loutere technische aanpassing. Zie de toelichting bij artikel 34.
Artikel 29
Artikel 1186 — Rekening houdend met de facultatieve aanwezigheid van de vrederechter bij de zitting van toewijzing, gaat het om een loutere technische aanpassing. Zie de toelichting bij artikel 34.
Artikel 30
Artikel 1187 — Rekening houdend met de facultatieve aanwezigheid van de vrederechter bij de zitting van toewijzing, gaat het om een loutere technische aanpassing. Zie de toelichting bij artikel 34.
Artikel 31
Artikel 1189 — Rekening houdend met de facultatieve aanwezigheid van de vrederechter bij de zitting van toewijzing, gaat het om een loutere technische aanpassing. Zie de toelichting bij artikel 34.
Artikel 32
Artikel 1190 — Rekening houdend met de facultatieve aanwezigheid van de vrederechter bij de zitting van toewijzing, gaat het om een loutere technische aanpassing. Zie de toelichting bij artikel 34.
Artikel 33
Artikel 1191 — Rekening houdend met de facultatieve aanwezigheid van de vrederechter bij de zitting van toewijzing, gaat het om een loutere technische aanpassing. Zie de toelichting bij artikel 34.
Artikel 34
De vrederechters en hun griffiers spelen een belangrijke rol in het toezicht op het beheer van en de beschikking over de goederen van personen die onder een beschermingsstatuut staan, zoals minderjarigen.
Ingeval van openbare verkoop van onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk tot het patrimonium van een dergelijk persoon behoren, beschikken zij over een voorafgaand toezicht (machtiging verlenen tot openbare verkoping, goedkeuring van de verkoopsvoorwaarden, enz.), een toezicht op het moment van de verkoping en een toezicht op de aanwending en plaatsing van de verkoopsopbrengst.
Gezien de mogelijkheden die het toezicht voorafgaand aan de openbare verkoping biedt en de controle achteraf op de aanwending en plaatsing van de opbrengst, is de aanwezigheid op de openbare verkoping zelf van de vrederechter en de griffier niet steeds noodzakelijk en nuttig. Deze beoordeling komt uiteraard de vrederechter toe. Door het facultatief maken van de aanwezigheid van de vrederechter en de griffier op de openbare verkoping en dus hun aanwezigheid enkel om formele wettelijke redenen niet meer verplicht te maken, kunnen de vrederechter en de griffier hun beschikbaarheid beter beheren zonder dat hun mogelijkheden tot toezicht worden verminderd.
Hoofdstuk 7. De reorganisatie van de griffies van de handelrechtbanken
Afdeling 1. Huwelijkscontracten handelaars
Artikelen 35 tot 38
De artikelen 12 tot 15 van het Wetboek van Koophandel worden opgeheven opgeheven omdat ze geen nut meer hebben. De hierin vervatte openbaarmaking van het huwelijksstelsel van de handelaar gebeurt nu immers via het centraal huwelijksovereenkomstenregister.
Afdeling 2. De elektronische neerlegging van de oprichting van VZW's
Het doel van deze afdeling is om het Wetboek van Vennootschappen en de VZW-wet licht aan te passen. Deze aanpassingen dienen een dubbel doel :
1. een aantal vereenvoudigingen invoeren inzake de neerlegging van jaarrekeningen;
2. de voornoemde wetten in gereedheid brengen voor de invoering van een nieuw digitaal systeem dat het mogelijk zal maken om bij de oprichting van een VZW de nodige stukken digitaal neer te leggen in plaats van op papier ter griffie.
Artikel 39
Dit artikel betreft een wijziging van de kosten van de neerlegging, geregeld in artikel 72 van het Wetboek van Vennootschappen.
In plaats van te spreken over kosten, is er nu sprake van een vergoeding, waarvan de grootte wordt bepaald door de Koning. De Koning delegeert deze bevoegdheid op zijn beurt aan een minister. Op basis van deze delegatie werd het ministerieel besluit van 30 juni 2003 uitgevaardigd. Belangrijk is dat wordt vermeld dat deze vergoeding verschuldigd blijft, ook als er uiteindelijk geen dossier wordt aangelegd of geen uittreksel wordt bekendgemaakt. Op deze manier worden eventuele grappenmakers tegengegaan die zich door de lagere digitale drempel geroepen voelen om frivole aanvragen te doen.
Artikel 40
Door de opheffing van de bepaling onder 5º in artikel 26novies, § 1, tweede lid, van de VZW-wet dient ook hier een aanpassing te gebeuren. Zie de toelichting bij artikel 44.
Artikel 41
De jaarrekening en de bijhorende stukken worden neergelegd bij de Nationale Bank. Het heeft geen enkele zin dat deze dan ook nog eens worden neergelegd ter griffie. Dit maakt dubbel werk uit. Gelet daarop is het aangewezen om deze neerlegging ter griffie van de stukken en van de vermelding van de neerlegging bij de Nationale Bank, op te heffen.
Artikel 42
Ook deze wijziging wordt ingegeven door de opheffing van de bepaling onder 5º in artikel 26novies, § 1, tweede lid, van de VZW-wet. Zie de toelichting bij artikel 44.
Artikel 43
Het betreft een verbetering. De hier opgenomen verwijzing was niet meer correct door de opheffing van het derde lid van de eerste paragraaf van artikel 26novies door artikel 17 van de wet van 6 mei 2009 houdende diverse bepalingen.
Artikel 44
De wijzigingen in dit artikel hebben een dubbel doel.
Eerst en vooral wordt, door de opheffing van de bepaling onder 5º in de eerste paragraaf, de verplichting geschrapt om de jaarrekening van de vereniging in het dossier op te nemen. Dit is immers een overbodige handeling, aangezien deze jaarrekeningen al zijn neergelegd bij de nationale bank, waar ze (ook online) geraadpleegd kunnen worden.
Ten tweede wordt voorzien in een nieuwe vergoedingsregeling, naar analogie van de wijziging in artikel 72 van het Vennootschapswetboek. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 39.
Artikel 45
Met deze aanpassingen wordt artikel 31, dat de stichtingen betreft, in overeenstemming gebracht met de wijzigingen die hebben plaatsgehad in artikel 26novies. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 44.
Artikel 46
Met deze aanpassingen wordt artikel 37, § 6, dat de stichtingen betreft, in overeenstemming gebracht met de wijzigingen die hebben plaatsgehad in artikel 17, § 6. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 41.
Artikel 47
Met deze aanpassingen wordt artikel 51, dat de internationale verenigingen zonder winstoogmerk betreft, in overeenstemming gebracht met de wijzigingen die hebben plaatsgehad in artikel 26novies. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 44.
Afdeling 3. De databank verstekvonnissen
Artikel 48
Door dit artikel wordt artikel 10, eerste lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, vervangen. Dit om ervoor te zorgen dat veroordelende verstekvonnissen en vonnissen op tegenspraak uitgesproken tegen kooplieden die de gevorderde hoofdsom niet hebben betwist niet langer worden gezonden naar de griffie, maar naar de Dienst Informatiebeheer bij de federale overheidsdienst Justitie, die deze zal opnemen in een elektronische gegevensbank in de zin van artikel 602/1 van het Wetboek van strafvordering (zie Hoofdstuk 12).
Aangezien de nodige informatie ter beschikking staat in de elektronische databank, volstaat het de griffie van de rechtbank van koophandel enkel een gestructureerde informatie te bezorgen in plaats van de vonnissen in hun geheel. De Koning kan door deze eerste wijziging voortaan niet alleen de modaliteiten van deze informatie bepalen, maar ook de parameters. Op die manier wordt het mogelijk gemaakt om op een informatica-technische wijze de knipperlichtfunctie van de Diensten voor handelsonderzoek te ondersteunen.
Hoofdstuk 8. Oprichting van de Dienst Informatiebeheer
Een aantal bij herhaling vastgestelde disfuncties binnen de werking van Justitie vinden hun diepere oorzaak in het niet beschikbaar zijn van de noodzakelijke informatie. Vaak is wel informatie aanwezig maar is deze te fragmentair, niet logisch gestructureerd en dus moeilijk toegankelijk, niet of veel te traag beschikbaar voor wie ze nodig heeft, slechts beschikbaar per territoriale omschrijving of per type instantie, of in het geheel niet beschikbaar. Vandaar de steeds luidere roep naar allerlei databanken en bij uitbreiding naar een informatiecentrum.
Een antwoord op deze terechte verzuchting naar goed ontsloten maar ook goed beschermde informatie kan slechts gegeven worden door de uitbouw van goede databanken en een goed datacenter en daaropvolgend de inzet van de mogelijkheden van datamining. Dit is een uitdaging voor de informatisering van Justitie.
Deze technologische oplossing waarbij informatie samengebracht, gestructureerd, toegankelijk gemaakt en beveiligd wordt, vraagt echter om een bestuurlijke inbedding in een beheersdienst van deze informatie, zoals bijvoorbeeld het strafregister dat de informatie over de uitgesproken straffen bevat, beheerd wordt door de Dienst voor het Strafregister.
Thans beschikt Justitie niet over een dergelijke dienst maar worden er wel steeds meer projecten opgezet waarbij de noodzakelijke informatiedatabanken in bijzondere wetten worden gecreëerd of moeten gecreëerd worden. De creatie van een dergelijke dienst met algemene bevoegdheid en de aangepaste wettelijke opdrachten vraagt een wetgevend initiatief en een diepgaande analyse en bespreking.
In afwachting is het aangewezen om in een eerste fase de wettelijke mogelijkheid te creëren voor de Dienst voor het Strafregister, die een dergelijke opdracht vervult, doch enkel voor het beheer van het strafregister, om andere informatiedatabanken te beheren dan enkel het strafregister. Zonder deze wettelijke mogelijkheid zal de ontwikkeling van de informatisering op het vlak van de het informatiebeheer op korte termijn vastlopen en komt er geen oplossing voor deze fundamentele uitdaging voor de goede en efficiënte werking van Justitie.
Artikel 49
Deze aanpassing wordt ingegeven door de naamsverandering van de Dienst voor het Strafregister naar de Dienst Informatiebeheer.
Artikel 50
Dit artikel voor ziet in de oprichting van een Dienst Informatiebeheer binnen de Federale Overheidsdienst Justitie.
Het gaat niet zozeer om de oprichting van een nieuwe dienst, als wel om de naamverandering en bevoegdheidsuitbreiding van een reeds bestaande dienst, in casu de Dienst van het Strafregister.
Gelet op de bevoegdheidsuitbreiding tot verschillende elektronische gegevensbanken binnen de FOD Justitie, dringt een wetsaanpassing zich op om de taken van de Dienst beter te omkaderen. Dit gebeurt door de invoeging van een artikel 602/1 in het Gerechtelijk Wetboek.
In de verschillende paragrafen van dit artikel komen verschillende aspecten van de Dienst en haar werking aan bod.
De eerste paragraaf richt de Dienst Informatiebeheer op, die zoals gezegd de voortzetting is van de voormalige Dienst van het Strafregister. De doelen van de Dienst worden verduidelijkt en er wordt een machtiging gegeven aan de Koning om te voorzien in de wijze waarop de elektronische gegevensbanken moeten worden aangelegd.
De tweede paragraaf regelt de toegang tot de elektronische gegevensbanken. Er wordt voorzien in een systeem van machtigingen door de minister van Justitie, met uitzonderingen die bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad kunnen worden vastgelegd.
De derde paragraaf behandelt het recht op mededeling en verbetering van de gegevens, alsook de eventuele commercialisering ervan.
De vierde paragraaf voorziet in een beroepsgeheim voor personen die bij het uitoefenen van hun functies tussenkomen in het opnemen, het bewaren, het beheren en het ter inzage stellen van de gegevens in de elektronische gegevensbanken, alsook in een verplichting om bepaalde veiligheids- en voorzorgsmaatregelen in acht te nemen. Er wordt ook voorzien in de mogelijkheid tot vernietiging van de gegevensbanken in oorlogstijd.
Paragraaf 5 ten slotte betreft de financiering van de gegevensbanken. De kost wordt in principe gedragen door de Federale Overheidsdienst Justitie, met twee uitzonderingen. Een eerste uitzondering bestaat erin dat de Koning een vergoeding kan vaststellen voor het gebruik van de elektronische gegevensbanken door personen of diensten die geen opdrachten uitvoeren voor de federale overheid. Een tweede uitzondering is in geval van een bijzondere verwerking van gegevens uit de elektronische gegevensbanken, dit wil zeggen een verwerking die de normale verwerkingen door de Dienst Informatiebeheer overstijgt. In dergelijk geval kan er wel degelijk een vergoeding worden gevraagd van de andere diensten van de federale overheid. Het bedrag van die vergoeding wordt bepaald in onderling overleg tussen de Dienst Informatiebeheer en de betrokken overheid, administratie of de dienst.
Hoofdstuk 9. Inwerkingtreding
Artikel 51
De verschillende aanpassingen in deze wet zijn bijzonder divers en bepaalde van de databanken, die onder andere vermeldingen van de KBO zullen overnemen, zijn nog niet operationeel.
Daarom wordt hier voorzien in een artikel dat de Koning niet alleen de mogelijkheid geeft om de inwerkingtreding van iedere bepaling te vervroegen, maar ook van elk onderdeel van een bepaling. Dit is nodig bijvoorbeeld voor artikel 2, dat verschillende meldingen aan de KBO opheft. Naargelang de nieuwe databanken juridisch en technisch in werking treden, zullen de schrappingen in artikel 23 van de KBO-wet plaatsvinden.
| Peter VAN ROMPUY. | |
| Christine DEFRAIGNE. | |
| Sabine de BETHUNE. | |
| Martine TAELMAN. | |
| Francis DELPÉRÉE. |
Hoofdstuk 1. Inleidende bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Hoofdstuk 2. Werklastverminderingen inzake meldingen aan de Kruispuntbank van ondernemingen
Art. 2
In artikel 23, § 1, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, gewijzigd bij de wet van 31 januari 2009, worden de bepalingen onder 1º, 2º, 3º, 4º, 5º, 10º, 11º, 12º, 13º, 14º, 15º, 17º, 18º, 19º en 20º opgeheven.
Hoofdstuk 3. Vervollediging van het centraal huwelijksovereenkomstenregister
Art. 3
In artikel 4 van de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972 en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister, gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
« § 2. In het centraal huwelijksovereenkomstenregister worden opgenomen :
1º de huwelijksovereenkomsten en de gewijzigde huwelijksovereenkomsten met aanduiding van het stelsel;
2º de overeenkomsten bedoeld in artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek;
3º de vonnissen en arresten die op voormelde overeenkomsten en huwelijksstelsels betrekking hebben. »;
b) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
« § 3. De griffier van de rechtbank die ze heeft uitgesproken, stelt het centraal huwelijksovereenkomstenregister in kennis van de inhoud van de vonnissen of arresten bedoeld in paragraaf 2, 3º.
De griffier stelt het centraal huwelijksovereenkomstenregister in kennis van elk mogelijk verzet of beroep tegen een in het eerste lid bedoeld gewezen vonnis.
De griffier van de rechtbank die ze heeft uitgesproken stelt het centraal huwelijksovereenkomstenregister in kennis van de rechterlijke beslissingen waarbij een in het eerste lid bedoeld vonnis of arrest wordt vernietigd.
Alle kennisgevingen en mededelingen waarvan sprake in deze paragraaf geschieden op de wijze door de Koning bepaald. »
Art. 4
In dezelfde wet wordt een artikel 4/1 ingevoegd, luidende :
« Art. 4/1. § 1. Van ieder huwelijkscontract tussen echtgenoten waarvan er één koopman is, wordt binnen een maand na de dagtekening een uittreksel geplaatst in het centraal huwelijksovereenkomsteregister.
Hetzelfde geldt voor de akten houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten binnen de maand na het opstellen van deze akte.
Het uittreksel vermeldt of de echtgenoten in gemeenschap gehuwd zijn, met opgave van de afwijkingen van het wettelijk stelsel, dan wel of zij een ander stelsel hebben aangenomen. Bedingen in het huwelijkscontract of in de akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel die tot doel hebben af te wijken van de regels van de verdeling bij helften van het gemeenschappelijk vermogen, hoeven niet te worden vermeld.
Aan ieder die erom verzoekt wordt zonder kosten inzage verleend in de uittreksels.
§ 2. De notaris voor wie het huwelijkscontract of de akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel is verleden, is gehouden de bij de vorige paragraaf voorgeschreven plaatsing te doen, op straffe van geldboete van zesentwintig euro tot honderd euro en zelfs van ontzetting uit zijn ambt en van aansprakelijkheid jegens de schuldeisers, wanneer bewezen is dat het verzuim het gevolg is van heimelijke verstandhouding. »
Art. 5
In dezelfde wet wordt een artikel 4/2 ingevoegd, luidende :
« Art. 4/2. § 1. Ingeval van wijziging van het huwelijksvermogensstelsel plaatst de notaris binnen een maand na de wijzigingsakte een uittreksel van de wijzigingsakte in het centraal huwelijksovereenkomstregister
§ 2. De notaris voert de in paragraaf 1 bedoelde bekendmakingen uit op straffe van geldboete van zesentwintig euro tot honderd euro, van ontzetting uit zijn ambt en van aansprakelijkheid jegens de schuldeisers wanneer bewezen is dat het verzuim het gevolg is van heimelijke verstandhouding.
§ 3. Een buitenlandse akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel kan, indien zij voldoet aan de voorwaarden die nodig zijn voor de erkenning ervan in België, worden vermeld op de kant van een akte die door een Belgische notaris is opgesteld en bij die akte worden gevoegd. Deze formaliteit wordt verricht met het oog op de bekendmaking van de wijziging en heeft niet tot gevolg dat deze aan derden kan worden tegengeworpen. »
Art. 6
In dezelfde wet wordt een artikel 4/3 ingevoegd, luidende :
« Art. 4/3. § 1. De uittreksels bedoeld in de eerste paragraaf van artikel 4/2 kunnen door ieder zonder kosten in het centraal huwelijksovereenkomstenregister worden geraadpleegd.
Deze raadpleging is niet mogelijk voor de wijzigingen die betrekking hebben op een beschikking houdende wijziging van de overeenkomstig de artikelen 1457 tot 1464 aangenomen regels van vereffening van het gemeenschappelijk vermogen of op de contractuele erfstellingen.
§ 2. Tussen echtgenoten hebben de bedongen wijzigingen gevolg vanaf de datum van de wijzigingsakte.
Zij hebben slechts gevolg ten aanzien van derden vanaf de in paragraaf 1 bedoelde bekendmaking in het centraal huwelijksovereenkomstenregister, behoudens indien de echtgenoten in hun overeenkomsten met derden deze van de wijziging op de hoogte hebben gebracht. »
Art. 7
In artikel 6/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º de woorden « en overeenkomsten bedoeld in artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek » worden ingevoegd tussen de woorden « inzake huwelijksovereenkomsten » en de woorden « door de Koninklijke »;
2º de woorden « en overeenkomsten bedoeld in artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek » worden ingevoegd tussen de woorden « alle huwelijksovereenkomsten » en de woorden « en het tarief ».
Art. 8
In artikel 6/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 mei 2009, worden de woorden « en overeenkomsten bedoeld in artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek » worden ingevoegd tussen de woorden « van huwelijksovereenkomsten » en de woorden « opheffen, aanvullen ».
Art. 9
De artikelen 1395 en 1396 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juli 2008, worden opgeheven.
Hoofdstuk 4. Werklastvermindering en informatisering inzake de Burgerlijke Stand
Art. 10
In artikel 38 van Burgerlijk Wetboek worden de woorden « en aan de getuigen » geschrapt.
Art. 11
In artikel 42 van het hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º de woorden « , zonder enig wit vak, » worden opgeheven;
2º de laatste zin wordt vervangen als volgt : « Niets wordt er bij afkorting ingeschreven. Datums worden in cijfers uitgedrukt. »;
3º het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
« De Koning kan de vorm bepalen voor het opstellen van de akten ».
Art. 12
In artikel 44 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « nadat de persoon die overgelegd heeft en de ambtenaar van de burgerlijke stand ze eerst geparafeerd hebben » opgeheven.
Art. 13
In boek I, titel II, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 44/1 ingevoegd, luidende :
« Art. 44/1. De ambtenaren van de burgerlijke stand kunnen voor alle taken inzake het opstellen van de in dit wetboek vermelde akten van burgerlijke stand een machtiging verlenen aan één of meer beambten van het gemeentebestuur.
Indien een beambte optreedt als gemachtigde zal die in de akten vermeld worden als gemachtigde beambte van de burgerlijke stand. »
Art. 14
Artikel 52 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Art. 52. Elke onrechtmatige verandering, elke valsheid in de akten van de burgerlijke stand, elke inschrijving anders dan in de daartoe bestemde registers, leveren grond op tot schadevergoeding aan de partijen, onverminderd de in het Strafwetboek gestelde straffen. »
Art. 15
In artikel 56 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 maart 1984, wordt paragraaf 4 vervangen als volgt :
« § 4. De ambtenaar van de burgerlijke stand vergewist zich van de geboorte aan de hand van een verklaring van een geneesheer of vroedvrouw. »
Art. 16
In artikel 75, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 6 april 2010, worden de woorden « bloedverwanten of geen bloedverwanten, » opgeheven.
Art. 17
In artikel 76 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 6 april 2010, wordt de bepaling onder 10º opgeheven.
Art. 18
In artikel 77 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door het regentsbesluit van 26 juni 1947, worden de woorden « die dit echter niet mag afgeven dan nadat hij zich naar de overledene heeft begeven om zich van het overlijden te vergewissen » opgeheven.
Art. 19
Artikel 80 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Art. 80. In geval van overlijden in ziekenhuizen, gevangenissen of in andere openbare inrichtingen zijn de oversten, bestuurders, beheerders en hoofden van die huizen gehouden daarvan binnen de vierentwintig uren kennis te geven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Deze maakt van het overlijden een akte op overeenkomstig de artikelen 78 en 79. »
Art. 20
In artikel 82 van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 21
In hetzelfde Wetboek worden de volgende artikelen opgeheven :
1º artikel 83, gewijzigd bij de wet van 15 december 1949;
2º de artikelen 84 en 85.
Hoofdstuk 5. Informatisering van de verwerping van nalatenschappen
Art. 22
Artikel 784 van het Burgerlijk Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Art. 784. § 1. De verwerping van een nalatenschap wordt niet vermoed. Zij kan alleen gedaan worden door een verklaring bij de griffie van een rechtbank van eerste aanleg of ten overstaan van een notaris.
§ 2. Binnen drie dagen na het afleggen van de verklaring bedoeld in paragraaf 1, wordt deze door de griffier of de notaris opgenomen in een centraal register dat wordt bijgehouden door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ingericht door de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, de gegevens die door de Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat in het centraal register van opengevallen nalatenschappen moeten worden opgenomen, de vorm en de nadere regels van de registratie, de nadere regels inzake de toegang tot het register, en het tarief van de kosten. »
Art. 23
In artikel 793 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 oktober 1967 en gewijzigd bij de wet van 3 januari 1983 en bij de wet van 29 april 2001, worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt :
« De verklaring waarbij een erfgenaam te kennen geeft dat hij deze hoedanigheid slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving aanneemt, moet worden afgelegd op de griffie van een rechtbank van eerste aanleg of ten overstaan van een notaris.
Deze verklaring wordt binnen drie dagen na het afleggen ervan opgenomen in het register bedoeld in artikel 784, § 2, met verzoek aan de schuldeisers en legatarissen om, bij aangetekend bericht, hun rechten te doen kennen binnen drie maanden te rekenen van de datum van opname in het register. »
Art. 24
Artikel 805 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 oktober 1967, wordt vervangen als volgt :
« Art. 805. De aanwijzing van een beheerder in toepassing van de artikelen 803bis en 804, wordt binnen de vijftien dagen opgenomen in het register bedoeld in artikel 784, § 2, via een verklaring afgelegd door de beheerder op de griffie van een rechtbank van eerste aanleg of ten overstaan van een notaris. »
Art. 25
Artikel 1185 van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt opgeheven.
Art. 26
In artikel 1228 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 24 juni 1970, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 27
Artikel 1231 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« De aanwijzing van een curator in het geval van artikel 811 van het Burgerlijk Wetboek, wordt binnen de vijftien dagen opgenomen in het register bedoeld in bedoeld in artikel 784, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, via een verklaring afgelegd door de curator op de griffie van een rechtbank van eerste aanleg of ten overstaan van een notaris. »
Hoofdstuk 6. De tussenkomst van de vrederechter bij beschermde personen inzake verkoop
Art. 28
In artikel 598, eerste lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek worden de woorden « , in voorkomend geval, » ingevoegd tussen de woorden « vrederechter is » en het woord « tegenwoordig ».
Art. 29
In artikel 1186 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 29 april 2001, wordt het derde lid vervangen als volgt :
« De verkoop geschiedt in aanwezigheid van de wettelijke vertegenwoordigers en, in voorkomend geval, van de toeziende voogden. De verkoop geschiedt, in voorkomend geval, ten overstaan van de vrederechter van het kanton waar de goederen gelegen zijn. »
Art. 30
In artikel 1187 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 29 april 2001, wordt het vierde lid vervangen als volgt :
« De verkoop geschiedt in aanwezigheid van de wettelijke vertegenwoordigers en, in voorkomend geval, van de toeziende voogden. De verkoop geschiedt, in voorkomend geval, ten overstaan van de vrederechter van het kanton waar de goederen gelegen zijn. »
Art. 31
In artikel 1189, derde lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden« , in voorkomend geval, » ingevoegd tussen de woorden « Deze wordt » en de woorden « gehouden ten overstaan van de vrederechter van het kanton waar de goederen gelegen zijn ».
Art. 32
In artikel 1190, tweede lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « , in voorkomend geval, » ingevoegd tussen de woorden « Deze wordt » en « gehouden ten overstaan van de vrederechter van het kanton waar de goederen gelegen zijn ».
Art. 33
In artikel 1191 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 29 april 2001, worden de woorden « , in voorkomend geval, » ingevoegd tussen de woorden « de rechter-commissaris wijst » en de woorden « tegelijk de vrederechter ».
Art. 34
Artikel 1192 van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
« Art. 1192. § 1. De verkoopvoorwaarden opgesteld door de aangestelde notaris geven de datum van de verkoop aan en worden ter goedkeuring voorgelegd aan de vrederechter vóór de aanvang van de bekendmaking.
De vrederechter waakt over de bescherming van de belangen waarvan sprake is in artikel 1191. In voorkomend geval kan hij zijn goedkeuring van de verkoopvoorwaarden doen afhangen van de vaststelling van bepaalde voorwaarden waaronder in het bijzonder zijn aanwezigheid op de zitting van toewijzing.
Weigert de rechter zijn goedkeuring, dan staan tegen zijn beschikking de rechtsmiddelen open, als bepaald in de artikelen 1031 tot 1034.
§ 2. Als er moeilijkheden ontstaan, kan de notaris of elke belanghebbende partij zich tot de vrederechter wenden. In voorkomend geval doet de vrederechter de verkoop uitstellen, na de wettelijke vertegenwoordigers van de belanghebbenden, de voorlopig inbezitgestelden, de erfgenamen die onder voorrecht hebben aanvaard, de curators van de onbeheerde nalatenschappen of de curators van de failliete boedels te hebben gehoord. »
Hoofdstuk 7. De reorganisatie van de griffies van de handelsrechtbanken
Afdeling 1. Huwelijkscontracten handelaars
Art. 35
Artikel 12 van het Wetboek van Koophandel, laatst gewijzigd bij de wet van 18 juli 2008, wordt opgeheven.
Art. 36
Artikel 13 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976, wordt opgeheven.
Art. 37
Artikel 14 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976, wordt opgeheven.
Art. 38
Artikel 15 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976, wordt opgeheven.
Afdeling 2. De elektronische neerlegging van de oprichting van VZW's
Art. 39
Artikel 72 van het Wetboek van Vennootschappen wordt vervangen als volgt :
« Art. 72. Bij de neerlegging van de oprichtingsakte wordt een vergoeding aangerekend aan de betrokkenen, waarvan de hoogte wordt bepaald door de Koning. Deze vergoeding blijft verschuldigd, ook als er uiteindelijk geen dossier wordt aangelegd of geen bekendmaking gebeurt. »
Art. 40
In artikel 16, vijfde lid, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, worden de woorden « , of als zij, in schending van artikel 26novies, haar jaarrekening, vanaf haar oprichting of althans van de laatste drie boekjaren, niet ter griffie van de rechtbank van koophandel heeft neergelegd » opgeheven.
Art. 41
In artikel 17, § 6, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 mei 2002 en gewijzigd bij de wet van 16 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in het vierde lid wordt de zin « De tekst van de vermelding wordt door de Nationale Bank van België neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel die het dossier van de vereniging als bedoeld in artikel 26novies aanlegt en wordt bij dat dossier gevoegd. » opgeheven;
2º het zesde lid wordt opgeheven.
Art. 42
In artikel 18, eerste lid, 4º, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 mei 2002, worden de woorden « 26novies, § 1, tweede lid, 5º » vervangen door de woorden « 17, § 6, eerste lid ».
Art. 43
In artikel 26octies, § 3, tweede lid, van dezelfde wet, worden de woorden « vierde en vijfde lid, §§ 2 en 3 » vervangen door de woorden « derde en vierde lid, §§ 2, 3 en 4 ».
Art. 44
In artikel 26novies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 mei 2002 en gewijzigd bij de wetten van 16 januari 2003 en 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in paragraaf 1, tweede lid, wordt de bepaling onder het 5º opgeheven;
2º in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden « en de vergoeding die daarvoor wordt aangerekend aan de vereniging en die niet hoger mag zijn dan de reële kostprijs » opgeheven;
3º in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden « , op kosten van de betrokkenen, » opgeheven;
4º het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
« § 4. Bij de neerlegging van de stukken bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, wordt een vergoeding aangerekend aan de betrokkenen, waarvan de hoogte wordt bepaald door de Koning. Deze vergoeding blijft verschuldigd, ook als er uiteindelijk geen dossier wordt aangelegd of geen uittreksel wordt bekendgemaakt. »
Art. 45
In artikel 31 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 mei 2002 en gewijzigd bij de wetten van 16 januari 2003 en 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in paragraaf 3 wordt de bepaling onder het vierde streepje opgeheven;
2º in paragraaf 4 worden de woorden « Op kosten van de belanghebbenden » opgeheven;
3º paragraaf 5 wordt vervangen als volgt :
« § 5. Artikel 26novies, § 1, derde en vierde lid, en § 4, zijn van overeenkomstige toepassing op de stichtingen bedoeld in § 1. »
Art. 46
In artikel 37, § 6, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 mei 2002 en gewijzigd bij de wetten van 16 januari 2003, 9 juli 2004 en 30 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in het vierde lid wordt de zin « De tekst van de vermelding wordt door de Nationale Bank van België overgezonden aan de griffie van de rechtbank van koophandel die het dossier van de private stichting bedoeld in artikel 31, § 3, aanlegt en wordt bij dat dossier gevoegd. » opgeheven;
2º het zesde lid wordt opgeheven.
Art. 47
In artikel 51 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 mei 2002 en gewijzigd bij de wetten van 16 januari 2003 en 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in paragraaf 2 wordt de bepaling onder het vijfde streepje opgeheven;
2º in paragraaf 3 worden de woorden « op kosten van de belanghebbenden » opgeheven;
3º paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
« § 4. Artikel 26novies, § 1, derde en vierde lid, en § 4, zijn van overeenkomstige toepassing op de internationale verenigingen zonder winstoogmerk bedoeld in paragraaf 1. »
Afdeling 3. De elektronische gegevensbank verstekvonnissen
Art. 48
In artikel 10 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
« Veroordelende verstekvonnissen en vonnissen op tegenspraak uitgesproken tegen kooplieden die de gevorderde hoofdsom niet hebben betwist, moeten worden gezonden aan de Dienst Informatiebeheer bij de federale overheidsdienst Justitie, die deze opneemt in een elektronische gegevensbank in de zin van artikel 602/1 van het Wetboek van strafvordering. De Dienst Informatiebeheer zendt ten laatste de eerste dag volgend op de ontvangst volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten en parameters gestructureerde informatie van de daarop betrekking hebbende vonnissen toe aan de griffie van de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waarin de kooplieden hun hoofdinrichting of hun zetel van de vennootschap hebben. »
Hoofdstuk 8. Oprichting van de Dienst Informatiebeheer
Art. 49
In de artikelen 589, 591, 595 en 596 van het Wetboek van strafvordering worden de woorden « dienst van het Strafregister » telkens vervangen door de woorden « Dienst Informatiebeheer ».
Art. 50
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 602/1 ingevoegd, luidende :
« Art. 602/1. § 1. Binnen de Federale Overheidsdienst Justitie wordt een dienst opgericht, « Dienst Informatiebeheer » geheten.
De Dienst Informatiebeheer is belast met het opnemen, het bewaren, het beheren en het ter beschikking stellen van de gegevens in de elektronische gegevensbanken die aan de federale overheidsdienst Justitie worden toegewezen.
De Koning bepaalt de wijze waarop deze elektronische gegevensbanken moeten worden aangelegd. Hij voorziet de vorm waarin de gegevens voor deze gegevensbanken kunnen worden neergelegd en gereproduceerd. De Koning kan eveneens toestaan dat de gegevens die Hij bepaalt, op geautomatiseerde wijze worden verwerkt. Hij kan toestaan dat de gegevensbestanden met elkaar in verbinding worden gebracht. Hij stelt in voorkomend geval daarvoor de nadere regels vast.
§ 2. De Koning stelt de nadere regelen voor de toegang tot de elektronische gegevensbanken vast.
De toegang tot de gegevens kan worden verbonden aan een voorafgaande machtiging van de minister van Justitie.
Vooraleer zijn machtiging te geven, gaat de minister van Justitie na of deze toegang geschiedt in overeenstemming met deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.
Deze machtiging kan toegestaan worden aan overheden, administraties en diensten in de mate dat zij die gegevens nodig hebben voor het vervullen van hun opdrachten en wettelijke of reglementaire verplichtingen.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in welke gevallen geen machtiging vereist is.
§ 3. Ieder heeft recht op mededeling van de hem betreffende gegevens die opgenomen zijn in de elektronische gegevensbanken. Indien blijkt dat de medegedeelde gegevens overeenkomstig de ter zake geldende wetgeving onnauwkeurig, onvolledig of onjuist zijn, kan de betrokkene de verbetering van deze gegevens vragen op de wijze en binnen de termijnen vastgesteld door de Koning.
De Koning bepaalt welke gegevens van de elektronische gegevensbanken, gelet op hun openbaar karakter, vrij mogen worden gecommercialiseerd en onder welke voorwaarden en waarborgen.
Enkel de Dienst Informatiebeheer mag deze basisgegevens aan ondernemingen verstrekken.
§ 4. De personen die bij het uitoefenen van hun functies tussenkomen in het opnemen, het bewaren, het beheren en het ter inzage stellen van de gegevens in de elektronische gegevensbanken, zijn gehouden aan het beroepsgeheim.
Zij nemen alle nodige voorzorgsmaatregelen om de veiligheid van de opgenomen gegevens te verzekeren en met name te beletten dat deze gegevens vervormd of beschadigd worden, of meegedeeld worden aan personen die geen machtiging hebben om er kennis van te nemen.
Zij waken over de rechtmatigheid van de mededeling van de gegevens.
De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de personen aan die in oorlogstijd, in omstandigheden daarmee gelijkgesteld krachtens artikel 7 van de wet van 12 mei 1927 op de militaire opeisingen of tijdens de bezetting van het grondgebied door de vijand, belast worden met de vernietiging van de elektronische gegevensbanken.
De Koning stelt de voorwaarden en de modaliteiten van deze vernietiging vast.
§ 5. De kosten voor de werking en het gebruik van de elektronische databanken worden gedragen door een krediet ingeschreven op de begroting van de federale overheidsdienst Justitie.
De Koning kan een vergoeding vaststellen voor het gebruik van de elektronische gegevensbanken door personen of diensten die geen opdrachten uitvoeren voor de federale overheid. In voorkomend geval bepaalt Hij per categorie van gebruikers en voorwerp van de aanvraag, het bedrag van de vergoeding.
Behalve in het geval bedoeld in het eerste lid, kan de bijzondere verwerking van gegevens uit de elektronische gegevensbanken aanleiding geven tot het innen van een vergoeding. Het bedrag van die vergoeding wordt bepaald in onderling overleg tussen de Dienst Informatiebeheer en de overheid, administratie of de dienst aan wie deze gegevens worden meegedeeld en in een overeenkomst vastgelegd. »
Hoofdstuk 9. Inwerkingtreding
Art. 51
Deze wet treedt in werking op 1 september 2012.
De Koning kan voor iedere bepaling ervan, evenals voor ieder onderdeel van deze bepalingen, een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.
8 september 2011.
| Peter VAN ROMPUY. | |
| Christine DEFRAIGNE. | |
| Sabine de BETHUNE. | |
| Martine TAELMAN. | |
| Francis DELPÉRÉE. |