5-1065/1

5-1065/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

7 JUNI 2011


HERZIENING VAN DE GRONDWET


Herziening van artikel 152 van de Grondwet


(Verklaring van de wetgevende macht, zie « Belgisch Staatsblad » nr. 135 —  Ed. 2 van 7 mei 2010)

(Ingediend door de heer Francis Delpérée c.s.)


TOELICHTING


Dit voorstel tot herziening van artikel 152 van de Grondwet en het voorstel tot herziening van artikel 157, dat door dezelfde auteurs is ingediend (stuk Senaat, 5-1066, 2010-2011), zijn ingegeven door de nota inzake tucht, deontologie en evaluatie die de minister van Justitie heeft neergelegd in het kader van de nieuwe architectuur van het gerechtelijk landschap.

De wetgever heeft herhaaldelijk, door middel van de wetten van 7 mei 1999 en 7 juli 2002, getracht een efficiënt, snel en aangepast tuchtstelsel voor de rechterlijke orde in te voeren, dat de burger vertrouwen moest geven in het gerecht als instelling, zonder te raken aan de noodzakelijke onafhankelijkheid van de magistraten.

Het ingevoerde stelsel blijkt echter complex en lacuneus; er werden verschillende problemen op het vlak van interpretatie en tenuitvoerlegging vastgesteld.

Eerder dan nogmaals te trachten deze moeilijkheden te verhelpen, hebben wij ervoor gekozen het algemene kader van het huidige tuchtstelsel te hertekenen en een nieuw neutraal en onafhankelijk kader in te stellen.

De doelstelling van de beide voorstellen bestaat erin de tuchtgeschillen toe te vertrouwen aan een specifieke rechterlijke tuchtinstantie, waardoor de nadelen eigen aan een al te nauwe band tussen de tuchtoverheden en de betrokken persoon voorkomen worden.

Dat bepaalde feiten niet strafbaar worden gesteld heeft thans soms ook te maken met het feit dat de korpschef een actieve (zelfs exclusieve) rol heeft tijdens de opstartfase en voortzetting van de tuchtprocedure. Een hervorming van het huidige stelsel is derhalve wenselijk gebleken, teneinde zijn rol te beperken tot de aangifte van feiten, en de beslissing toe te vertrouwen aan een onafhankelijke en onpartijdige collegiale instantie.

Aangezien het nieuwe tuchtgerecht bevoegd wordt ten aanzien van de leden en de personeelsleden van de rechterlijke orde, zal het logischerwijs zijn plaats innemen binnen deze orde.

De tuchtgerechten zullen niet-permanente rechtscolleges zijn, zoals de hoven van assisen.

Gelet op de huidige evaluatie van de geschillen is er immers geen grond voor de oprichting van permanente rechtscolleges.

Vermits de hervorming moet leiden tot een grotere onafhankelijkheid van de leden van die rechtscolleges is geopteerd voor de oprichting van nieuwe onderscheiden rechtscolleges, niet voor de oprichting van gespecialiseerde kamers binnen een bestaande rechtbank.

Zo wordt voorkomen dat er een schijn van partijdigheid ontstaat indien de tuchtrechtelijk vervolgde persoon zijn functie uitoefent in het desbetreffende rechtscollege. Ook wordt voorkomen dat de leden van die kamers worden geëvalueerd door de korpschef van dat rechtscollege.

Het feit dat de tuchtkamers geen deel uitmaken van een bestaande rechtbank zorgt ervoor dat die onafhankelijkheid als dusdanig wordt versterkt.

De oprichting van nieuwe tuchtgerechten binnen de rechterlijke orde, samengesteld uit zittende magistraten en uit assessoren die geen magistraat van de rechterlijke macht zijn, kan niet zonder voorafgaande grondwetshervorming.

Artikel 152, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Geen rechter kan uit zijn ambt worden ontzet of worden geschorst dan door een vonnis ».

De grondwetgever heeft de term « vonnis » niet omschreven.

Het begrip « vonnis » verwijst naar een beslissing van een rechtbank in de zin van artikel 144 van de Grondwet, dat wil zeggen een vonnisgerecht dat deel uitmaakt van de rechterlijke orde. Artikel 152, tweede lid, blijft ongewijzigd; het verbiedt dat een rechter uit zijn ambt wordt ontzet of wordt geschorst door een ander orgaan dan een rechtbank in de zin van artikel 144 van de Grondwet, i.e. door een handeling van de wetgevende macht of van de uitvoerende macht.

In artikel 157 van de Grondwet is thans bepaald dat de wet voorziet in de regeling van de wijze van benoeming en de duur van het ambt van de leden van de rechtbanken van koophandel, arbeidsgerechten en strafuitvoeringsrechtbanken. De Grondwet machtigt de wetgever dus enkel voor die gerechten de wijze van benoeming en de duur van het ambt van de leden ervan te regelen.

De lege lata druist een gemengde samenstelling van de tuchtgerechten dus in tegen de Grondwet, vermits de wetgever de wijze van benoeming en de duur van het ambt van de leden ervan specifiek wil regelen.

De uitlegging van de artikelen 40 en 146 van de Grondwet, die onder andere door de Raad van State wordt verdedigd en volgens dewelke nieuwe categorieën van rechtscolleges binnen de rechterlijke orde niet door de wetgever kunnen worden ingesteld, houdt in dat de grondwetgever nieuwe categorieën van rechtscolleges behoort in te stellen (zie hierover J. Velaers, De grondwet en de Raad van State, afdeling wetgeving, Maklu, 1999, blz. 476 e.v.).

De artikelen 152 en 157 van de Grondwet zijn voor herziening vatbaar verklaard om de oprichting van tuchtgerechten met gemengde samenstelling binnen de rechterlijke orde mogelijk te maken.

Vermits een van de doelstellingen bestaat in de oprichting van gespecialiseerde rechtscolleges in functie van de betrokken persoon, moet artikel 157 van de Grondwet worden aangevuld met het oog op de aanwijzing van assessoren als vertegenwoordiger van de verschillende categorieën van leden en personeelsleden van de rechterlijke orde binnen de tuchtgerechten.

De hoedanigheid van vonnissen (en arresten) van de beslissingen genomen door de rechtscolleges bedoeld in artikel 157 van de Grondwet, staat niet ter discussie. In de bewoordingen van deze voorstellen kent artikel 152, tweede lid van de Grondwet, de bevoegdheid tot het uitspreken van de zwaarste straffen die de zittende magistraten kunnen worden opgelegd expliciet toe aan uitsluitend de tuchtgerechten bedoeld in artikel 157, nieuw vijfde lid.

Hoewel de term « zittende magistraten » correcter is dan de term « rechters » die wordt gehanteerd in artikel 152 van de Grondwet, wordt de terminologie gehandhaafd met het oog op de samenhang met de andere artikelen van dit hoofdstuk van de Grondwet.

Aangezien alle bepalingen van artikel 152 verband houden met het beginsel van de onafzetbaarheid van de zittende magistraten, behoeft de tucht daar niet verder geregeld te worden, temeer daar de bevoegdheden van de tuchtgerechten door de wetgever zullen worden vastgesteld.

Overigens wordt de schorsing van de zittende magistraten in het belang van de dienst niet beoogd in het nieuwe artikel 152, tweede lid, van de Grondwet, omdat het niet om een tuchtmaatregel gaat.

Ook wordt artikel 152, derde lid, van de Grondwet gewijzigd om een overplaatsing bij wijze van tuchtmaatregel mogelijk te maken.

Naar het voorbeeld van de Franse rechtspraak kunnen wij aanvoeren dat het beginsel van de onafzetbaarheid van de zittende magistraten geen absoluut karakter heeft en dat het geen beletsel vormt om ten aanzien van een magistraat van de zittende magistratuur de overplaatsing van ambtswege als tuchtsanctie te nemen, met inachtneming van de waarborgen waarin de Grondwet en de wet voorzien.

De mogelijkheid tot overplaatsing stemt overeen met aanbeveling nr. CM/Rec(2010)12 « on judges : independence, efficiency and responsibilities ».

De bevoegdheid van de tuchtgerechten zal bij wet worden bepaald krachtens artikel 157, vijfde lid, van de Grondwet.

De wetgever zal dus moeten bepalen of die rechtscolleges bevoegd zullen zijn om lichte en zware straffen uit te spreken tegen de zittende magistraten, om lichte en zware straffen andere dan de afzetting uit te spreken tegen de magistraten van het openbaar ministerie, en om lichte en zware straffen uit te spreken tegen personeelsleden van de rechterlijke orde.

De term « tuchtgerechten » slaat op een tuchtrechtbank en een tuchthof. De wetgever behoort te beslissen of hij een Nederlandstalige tuchtrechtbank en een Nederlandstalig tuchthof alsook een Franstalige tuchtrechtbank en een Franstalig tuchthof opricht, dan wel één enkele rechtbank en één enkel hof met een of meer Nederlandstalige kamers, een of meer Franstalige kamers en een of meer Duitstalige kamers.

De wetgever bepaalt waar die rechtscolleges zetelen.

De wetgever bepaalt naast de organisatie ervan ook de wijze van benoeming en de duur van het ambt van de leden van die rechtscolleges.

De wetgever behoort een concrete invulling te geven aan de door de grondwetgever beoogde specialisatie, via de bepaling van de categorieën van assessoren die moeten zetelen. De wetgever moet bepalen of er naast de leden van de rechterlijke orde en de personeelsleden van de rechterlijke orde bijvoorbeeld een plaats moet worden voorzien voor de advocaten.

De voorgestelde herzieningen zullen pas in werking treden op het tijdstip dat de voorwaarden voor de werking van de tuchtgerechten vervuld zijn.

Er is niet bepaald dat de wet, bedoeld in artikel 157, vijfde lid, van de Grondwet de datum van inwerkingtreding van de herziening van de artikelen 152 en 157 bepaalt, daar de artikelen van deze wet die de wijze van benoeming van de leden van die rechtscolleges omschrijven, in werking zullen treden vóór de andere. De inwerkingtreding van de verschillende andere bepalingen van deze wet kan dus door de Koning worden bepaald.

Indien de nieuwe artikelen 152 en 157 in werking zouden treden alvorens de leden van de toekomstige rechtscolleges zijn benoemd, zou dat kunnen verhinderen dat bepaalde tuchtrechtelijke feiten kunnen worden bestraft.

De wetgever zal bepalen in welke mate een tuchtrechtelijke procedure die ingesteld is vóór de volledige inwerkingtreding van de in artikel 157, vijfde lid, bedoelde wet wordt voortgezet op grond van de wetgeving die van toepassing is op het tijdstip dat zij is ingesteld.

Francis DELPÉRÉE.
Christine DEFRAIGNE.
Sabine de BETHUNE.

VOORSTEL


Enig artikel

In artikel 152 van de Grondwet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º het tweede lid wordt vervangen als volgt :

« Geen rechter kan uit zijn ambt worden ontzet dan door een vonnis. De tuchtrechtelijke afzetting of schorsing van een rechter wordt uitgesproken door de tuchtgerechten bedoeld in artikel 157, vijfde lid. »;

2º het derde lid wordt vervangen als volgt :

« Onverminderd de sancties die door deze gerechten worden uitgesproken, kan de overplaatsing van een rechter niet geschieden dan door een nieuwe benoeming en met zijn toestemming. »;

3º het artikel wordt aangevuld met een overgangsbepaling, luidende :

« Overgangsbepaling

Het tweede en het derde lid, zoals vervangen bij de herziening van ..... zullen in werking getreden zijn op de datum waarop alle bepalingen van de in artikel 157, vijfde lid, bedoelde wet in werking treden. ».

25 mei 2011.

Francis DELPÉRÉE.
Christine DEFRAIGNE.
Sabine de BETHUNE.