5-869/4

5-869/4

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

24 MAART 2011


Wetsontwerp houdende diverse bepalingen


Evocatieprocedure


VERSLAG NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR

DE HEREN DELPÉRÉE EN VAN ROMPUY


I. INLEIDING

Dit wetsontwerp, waarvoor de optioneel bicamerale procedure gevolgd wordt, werd oorspronkelijk op 11 februari 2011 in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 53-1208/1).

Het werd op 17 maart 2011 met 67 tegen 34 stemmen en bij 26 onthoudingen aangenomen. Op 18 maart 2011 werd het overgezonden aan de Senaat, die het op dezelfde dag heeft geëvoceerd.

De commissie voor de Justitie, aan wie artikel 84 van het wetsontwerp werd voorgelegd, heeft het besproken tijdens haar vergaderingen van 16, 22, 23 en 24 maart 2011, in aanwezigheid van de minister van Justitie en van de staatssecretaris voor de Coördinatie van de fraudebestrijding.

Overeenkomstig artikel 27.1, tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie de behandeling van het ontwerp aangevat vóór de eindstemming in de Kamer.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE

De minister wijst erop dat de voorliggende bepaling over de uitbreiding van de minnelijke schikking een belangrijke stap betekent. De besprekingen in de Kamer vonden plaats in samenhang met de bepalingen met betrekking tot het bankgeheim. Inderdaad werd voorliggende bepaling ingevoerd bij wijze van amendement (stuk Kamer, nr. 53-1208/7, amendement nr. 18) in de commissie voor de Financiën.

De minister zal zich beperken tot het technische aspect, en meer bepaald tot de betekenis en het mogelijk verruimd belang van voorliggende verruimde minnelijke schikking.

De minnelijke schikking wordt geregeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering, waarbij het openbaar ministerie de mogelijkheid wordt geboden aan de verdachte voor te stellen een bepaalde geldsom te betalen en eventueel afstand te doen van bepaalde goederen. Indien de verdachte daarop ingaat, vervalt de strafvordering. De instelling van de minnelijke schikking biedt de mogelijkheid om misdrijven op een buitengerechtelijke wijze af te handelen en bestaat reeds lang in het Belgisch recht. De geschiedenis ervan wordt gekenmerkt door een steeds meer uitdeinende toepassingssfeer.

Procedureel wordt nu aan het openbaar ministerie de mogelijkheid geboden om ook een minnelijke schikking voor te stellen wanneer de strafvordering reeds werd ingesteld, inzonderheid tijdens het gerechtelijk onderzoek, maar ook op het niveau van de raadkamer, de correctionele rechtbank of het hof van beroep, naar analogie van wat reeds bestaat op het vlak van douane en accijnzen. Momenteel kan de minnelijke schikking enkel worden aangeboden in het kader van een opsporingsonderzoek. Voorliggende tekst houdt aldus een fundamentele wijziging in.

Materieel kan de minnelijke schikking worden aangeboden voor alle misdrijven die vatbaar zijn voor correctionalisatie. Als de procureur des Konings meent dat een financiële strafeis, dus een geldboete en een eventuele verbeurdverklaring, volstaat als bestraffing, kan hij dus de minnelijke schikking aanbieden. Hij zal de minnelijke schikking niet kunnen aanbieden indien hij van oordeel is dat een gevangenisstraf noodzakelijk is. Momenteel kan de minnelijke schikking enkel aangeboden worden voor misdrijven strafbaar met een gevangenisstraf van hoogstens 5 jaar. Misdrijven als valsheid in geschrifte zijn dus uitgesloten, terwijl deze misdrijven vaak in aanmerking komen voor een alternatieve geschillenafhandeling als de minnelijke schikking.

Wanneer een gevangenisstraf of werkstraf wenselijk is, kan de procedure niet worden toegepast. Hieruit volgt dat dit instrument voornamelijk geschikt zal zijn voor vermogensrechtelijke inbreuken, dus voor financiële en fiscale misdrijven, doch hiertoe niet wordt beperkt. Voor fiscale delicten zal voorliggende methodiek uiteraard ideaal zijn.

Wat het toepassingsgebied ratione materiae betreft, wordt aangesloten bij het bestaande mechanisme van artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering, dat eveneens een algemeen toepassingsgebied heeft. Desgevallend zullen er richtlijnen worden uitgevaardigd door de minister en het College van procureurs-generaal. Dit project is belangrijk omdat het een substantiële bijdrage kan leveren aan het verhelpen van een aantal problemen waarmee de Belgische rechtspraktijk reeds lang worstelt. Het zal namelijk remediëren aan de thans bestaande bijzonder problematische situatie op het vlak van de onredelijk lange duurtijd van strafprocessen in financiële en fiscale zaken. Het heeft de bedoeling om ruimte te creëren, om de correctionele rechtbanken toe te laten meer energie te spenderen aan betwiste zaken en om bij te dragen tot een snelle en daadwerkelijke inning van geldsommen, om een bijkomende mogelijkheid te creëren voor het openbaar ministerie om tussen te komen in de ontwikkeling van het strafrechtelijk beleid. Het kadert eveneens in de evolutie van een opgelegde Justitie naar een meer consensuele herstelgerichte Justitie.

Dit project kan eveneens veel geld opleveren aan de Schatkist. Op deze wijze kunnen zeer belangrijke bedragen worden geïnd.

De roep naar de uitbreiding van het toepassingsgebied van de minnelijke schikking is niet nieuw. Dit werd reeds voorgesteld in de Justitiedialogen van de heren Fred Erdman en Georges de Leval, is ook opgenomen in het plan van het College van procureurs-generaal met betrekking tot de krachtlijnen voor een strategisch plan voor de modernisering van het openbaar ministerie en is ook voorgesteld in het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar de grote fiscale fraude-dossiers, en vormt ook een actiepunt in de plannen van het College tegen de fiscale en sociale fraude, zoals voorgesteld door staatssecretaris Devlies en goedgekeurd door het ministerieel comité voor de strijd tegen de fiscale en sociale fraude. Er bestond dus een aanbeveling om de methode van de minnelijke schikking uit te breiden en er zijn ook wetsvoorstellen in die zin. De voorliggende tekst werd voorbereid door een werkgroep van het college van de strijd tegen de fiscale en sociale fraude, in uitvoering van de aanbevelingen van de parlementaire commissie fiscale fraude en het actieplan daaropvolgend, in gezamenlijk overleg tussen de betreffende werkgroep en het expertisenetwerk strafrechtspleging van het college van de procureurs-generaal. Verschillende instanties, ook buiten Justitie, werden hierbij betrokken en professoren werden geraadpleegd. De tekst werd ook voorgelegd aan en goedgekeurd door het College van procureurs-generaal.

Op politiek niveau werd de bepaling gekoppeld aan de tekst met betrekking tot de opheffing van het bankgeheim. De meerderheidspartijen van de uittredende regering hebben beide projecten als een amendement ingediend op het wetsontwerp houdende diverse bepalingen, dat ontvankelijk werd verklaard door de voorzitter van de commissie voor de Financiën en aldaar werd goedgekeurd.

De minister besluit dat vier punten voor ogen dienen te worden gehouden.

Ten eerste is er de proceseconomische argumentatie. Het is belangrijk om optimaal gebruik te maken van de beperkt beschikbare middelen om doorlooptijden van strafonderzoeken te verminderen. Vooral in economische en financiële dossiers kan men hierdoor veel efficiënter optreden

Ten tweede gaat het hier om een open procedure, die enkel kan worden toegepast indien de verdachte bereid is mee te gaan in deze transparantie en erkent dat hij verantwoordelijkheid draagt en betrokken is bij de feiten en de omvang ervan.

Verder moet het slachtoffer ook akkoord gaan met de regeling. De wederzijdse belangen van dader en slachtoffer moeten met elkaar worden verzoend op basis van vrijwilligheid.

Ten slotte is de voorafgaande volledige schadeloosstelling een absolute voorwaarde voor de minnelijke schikking.

Het gaat dus om een methode om consensueel slachtoffers volledig te vergoeden en moeilijke dossiers vlug af te handelen. Men moet ervan overtuigd zijn dat door de betaling van een belangrijke geldsom het dossier eerder kan worden afgesloten, waardoor men onredelijke termijnen zal voorkomen. Het is een belangrijk instrument voor het openbaar ministerie om zijn rol naar behoren te kunnen vervullen.

III. BESPREKING

A. De procedure

De heer Laeremans protesteert tegen de manier waarop het Parlement snel een tekst moet goedkeuren die het resultaat is van een politieke koehandel. De minister heeft toegegeven dat de voorgestelde wijziging van het stelsel van de minnelijke schikking gekoppeld werd aan het opheffen van het bankgeheim. Het is wel kras dat een tekst die duidelijk onder de bevoegdheid van de commissie voor de Justitie valt, in de Kamer door de commissie voor de Financiën en de Begroting werd behandeld.

Spreker wijst erop dat het voorgestelde stelsel door een amendement in het wetsontwerp houdende diverse bepalingen werd ingevoegd, terwijl daarvoor een afzonderlijk ontwerp vereist was. De voorgestelde wijziging is immers niet onbelangrijk. Zij heeft grote gevolgen voor de werking van de parketten en de strafgerechten.

De heer Van Cauwenberghe, onderzoeksrechter in Antwerpen, heeft de uitbreiding van het voorgestelde stelsel veroordeeld. Het zou leiden tot klassejustitie. Spreker kan begrijpen dat men de minnelijke schikking gebruikt in fiscale geschillen, maar het is voor hem onaanvaardbaar dat men het uitbreidt tot alle strafaangelegenheden, met inbegrip van, bijvoorbeeld, diefstal met braak.

Wat gaat er gebeuren als verschillende daders betrokken zijn bij dezelfde feiten en enkelen onder hen een minnelijke schikking aanvaarden ? Diegenen die geweigerd hebben, worden veroordeeld en krijgen een strafblad, terwijl voor hun medeplichtigen de strafvordering vervalt. Personen met meer financiële middelen kunnen op die manier een blanco strafblad behouden.

De heer Laeremans verklaart dat het openbaar ministerie in de voorgestelde procedure zowel de rol van eisende partij als van rechter speelt, terwijl de rol van de onderzoeksrechter beperkt blijft tot het verstrekken van een niet bindend advies. Gelet op de gevolgen van de maatregel voor het verloop van het strafproces en voor de rol van de onderzoeksrechter, meent spreker dat de heer Van Cauwenberghe, voorzitter van de Belgische Vereniging van onderzoeksrechters, moet worden gehoord.

Alvorens het ontwerp ten gronde te bespreken, vraagt de heer Mahoux verduidelijkingen over de gevolgde parlementaire procedure. Hoe komt het dat een zo belangrijke wijziging van het wetboek van Strafvordering werd behandeld in de commissie voor de Financiën en de Begroting ? Welke minister heeft de tekst er verdedigd ? Hij begrijpt dat het wetsontwerp houdende diverse bepalingen snel moet worden aangenomen, maar de Senaat kan niet inderhaast een dergelijke wijziging van het stelsel van de minnelijke schikking aannemen.

Mevrouw Khattabi is het eens met de voorgaande spreker. De wijziging van het stelsel van de minnelijke schikking maakt deel uit van het algemene compromis over de opheffing van het bankgeheim. Haar fractie heeft deze opheffing altijd verdedigd. Zij betreurt echter dat hiervoor zo'n hoge politieke prijs moet worden betaald. Het voorgestelde stelsel van minnelijke schikking zal het openbaar ministerie in staat stellen een strafvordering te doen vervallen tegen betaling van een som geld. Dat leidt rechtstreeks tot een gerecht met twee snelheden. Grote fraudeurs en witteboordcriminelen zullen hun straf kunnen afkopen.

Spreekster is van oordeel dat de voorgestelde wijziging deel uitmaakt van een ruimere tendens die sinds de jaren negentig aan de gang is, en die erin bestaat de financiële misdaad systematisch uit het strafrecht te halen. Daarbij wordt de negatieve maatschappelijke invloed van het fiscale en financiële gebrek aan burgerzin geminimaliseerd. De ontwerptekst gaat zelfs verder aangezien hij een minnelijke schikking voor alle misdrijven mogelijk maakt, ook voor misdrijven tegen personen. Dit is totaal onaanvaardbaar, zowel met het oog op de rechten van de slachtoffers als op de openbare veiligheid. Inzake fiscale fraude zal de voorgestelde wijziging het stelsel van de fiscale regularisatie helemaal onderuithalen. Belastingontduikers zullen er immers geen belang meer bij hebben om zich te laten regulariseren. Zij zullen liever het risico nemen om te worden betrapt, waarna ze toch een som geld kunnen betalen om aan verdere vervolging te ontsnappen.

Spreekster pleit voor een grondige bespreking van de tekst en een analyse van alle praktische gevolgen ervan. Zoals hij nu voorligt, kan haar fractie de tekst niet goedkeuren.

De heer Delpérée vraagt of de voorgestelde wijziging deel uitmaakt van de lopende zaken. Beantwoordt dit wetgevend initiatief aan een dringende noodzaak ?

De minister merkt op dat de voorliggende tekst niet voortkomt uit een amendement van de regering. Het gaat om een parlementair initiatief.

De heer Delpérée beaamt dit, maar op een gegeven ogenblik zal de regering wel haar goedkeuring moeten geven aan de tekst.

De minister antwoordt dat er tijdens de bespreking van het wetsontwerp houdende diverse bepalingen in de commissie voor de Financiën en de Begroting amendementen zijn ingediend. Amendement nr. 18 van de heer Verherstraeten c.s.(stuk Kamer, nr. 53-1208/7) wilde een nieuw hoofdstuk in de wet invoegen. Dit hoofdstuk bevat een artikel dat een reeks wijzigingen aanbrengt in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering.

Dit amendement werd ontvankelijk verklaard. Tijdens de bespreking werd geopperd om het advies van de commissie voor de Justitie te vragen, maar daar is men niet op ingegaan. De bespreking, die zowel de opheffing van het bankgeheim als de minnelijke schikking betrof, werd volledig in de commissie voor de Financiën en de Begroting gehouden, onder het voorzitterschap van mevrouw Gerkens. De commissie heeft amendement nr. 18 aangenomen, dat artikel 84 van de aangenomen tekst is geworden (stuk Kamer, nr. 53-1208/9).

In de Senaat werd besloten artikel 84 voor te leggen aan de commissie voor de Justitie, aangezien het artikel 216bis van het wetboek van Strafvordering wijzigt.

De minister wijst erop dat de wijziging van het stelsel van de minnelijke schikking voortvloeit uit de besluiten van de parlementaire onderzoekscommissie betreffende de grote fraudedossiers, die een aantal aanbevelingen heeft geformuleerd. Deze aanbevelingen werden in een amendement gegoten, dat door vertegenwoordigers van de verschillende fracties is ondertekend.

De bespreking in de commissie voor de Justitie van de Senaat betreft alleen artikel 84 van het wetsontwerp, dat de minnelijke schikking regelt. De artikelen betreffende de opheffing van het bankgeheim werden niet aan de commissie voorgelegd.

De minister verklaart dat hij het voorliggende ontwerp steunt. De tekst is niet het resultaat van improvisatie, maar integendeel van een lange bespreking en voorbereiding. Zo had het College van procureurs-generaal al grondig over de kwestie nagedacht. De voorgestelde minnelijke schikking is een noodzakelijk instrument dat een aantal praktische problemen betreffende de werking van justitie kan oplossen.

De heer Delpérée herinnert aan de huidige politieke situatie : behoort de voorgestelde wijziging wel tot de lopende zaken ?

De minister antwoordt dat de regering de beslissingen die het Parlement goedkeurt, zal uitvoeren.

De heer Delpérée herinnert eraan dat deze regering geen regering met volle bevoegdheid is.

B. Ten gronde

De heer Mahoux stelt vast dat het artikel de toepassingssfeer van de minnelijke schikking aanzienlijk uitbreidt, ook in het stadium van het gerechtelijk onderzoek. Die vraag staat los van het bankgeheim. Hoe verhouden beide zaken zich tot elkaar ?

Volgens de heer Laeremans blijkt uit de verklaringen van de minister duidelijk dat er een politieke koehandel is geweest en dat de opheffing van het bankgeheim is gekoppeld aan de uitbreiding van het stelsel van de minnelijke schikking. Beide dossiers moeten los van elkaar worden bestudeerd en beoordeeld op hun eigen verdiensten.

Hij pleit voor een diepgaande analyse van de voorgestelde wijziging. Het zou nuttig zijn te beschikken over een evaluatie van de wet van 10 februari 1994 waarmee het huidige stelsel van verval van de strafvordering na betaling van een som geld, is ingevoerd. Hoe werkt deze procedure ? Wordt zij vaak toegepast ?

De minister wijst erop dat het College van procureurs-generaal een omzendbrief heeft uitgevaardigd om de toepassing van het stelsel van verval van de strafvordering na betaling van een som geld, te verduidelijken. Het College heeft de procedure voor de schikking bestudeerd en steunt de uitbreiding van de toepassingssfeer ervan.

Mevrouw Khattabi ziet geen inhoudelijk verband tussen het opheffen van het bankgeheim en de uitbreiding van het stelsel van de schikking. Het enige verband tussen beide materies zijn de inspanningen van de uittredende meerderheid om de opheffing van het bankgeheim door te duwen.

De minister verwijst naar de werkzaamheden van de parlementaire onderzoekscommissie over de grote fiscale fraudedossiers. De commissie is nagegaan waarom het in zoveel grote financiële zaken niet tot een veroordeling komt, ondanks de menselijke middelen die ervoor worden ingezet, zowel bij de politie als bij de parketten en onderzoeksgerechten. De duur van de onderzoeken maakt dat vaak meerdere magistraten na elkaar de dossiers beheren, waardoor de vervolgingen eveneens vertraging oplopen. Al deze vragen zijn uitgebreid besproken in de onderzoekscommissie, die een aantal aanbevelingen heeft gedaan. Een daarvan was het instellen van een systeem van schikking waardoor de strafrechtelijke vervolging van fiscale fraude ten einde komt.

Spreker verwijst ook naar het actieplan van het College voor de bestrijding van fiscale en sociale fraude, dat eveneens pleit voor een uitbreiding van de minnelijke schikking.

Hij benadrukt ook nog dat een schikking al kan worden voorgesteld door de belastingdiensten tijdens de administratieve behandeling van de dossiers.

Over het verband tussen de voorgestelde maatregel en de opheffing van het bankgeheim, wijst spreker erop dat de commissie Financiën en Begroting tijdens de bespreking in de Kamer al een algemene bespreking heeft gehouden over de strijd tegen de fiscale fraude. De opheffing van het bankgeheim is zeker één van de middelen in die strijd, omdat zo informatie kan worden verkregen over de financiële situatie van sommige belastingplichtigen.

Tijdens de bespreking werd het idee geopperd om alleen in financiële dossiers dading en minnelijke schikking mogelijk te maken. Volgens spreker zal het Grondwettelijk Hof deze beperking van de toepassingssfeer niet aanvaarden. Daarom wordt de toepassingssfeer uitgebreid tot iedere overtreding, wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad, waarvoor de procureur des Konings meent enkel een geldboete te moeten vorderen.

De minister is het er absoluut niet mee eens dat dit zou leiden tot een klassejustitie. Hij benadrukt dat in de huidige procedure al een vorm van klassejustitie bestaat omdat mensen die er de financiële middelen voor hebben zich gespecialiseerde advocaten kunnen veroorloven die alle proceduremiddelen zullen uitputten om de feiten te doen verjaren. Het huidige systeem is eigenlijk bijzonder onbillijk omdat de samenleving heel wat middelen investeert in grote financiële dossiers die niet tot een veroordeling leiden.

Er moet worden afgestapt van het enigszins voorbijgestreefde beeld dat een dossier, na een lange instaatstelling, voor een magistraat wordt gebracht opdat hij uitspraak doet. In heel wat zaken wordt gestreefd naar een vorm van justitie die veel meer op consensus is gebaseerd. Dat is bijvoorbeeld zo bij echtscheidingen. Dezelfde logica kan worden gevolgd inzake strafzaken wanneer overtredingen buiten het gerecht om worden geregeld. De minister wijst erop dat de dader de feiten moet erkennen, het slachtoffer moet vergoeden en zijn schuld aan de maatschappij moet aflossen. Bij de hier voorgestelde schikkingsprocedure wordt de dader met zijn verantwoordelijkheid geconfronteerd. Het is ook heilzaam voor de relatie tussen de dader en zijn slachtoffer, aangezien zij een akkoord moeten bereiken over de omvang van de schade en de vergoeding ervan. Zonder instemming van het slachtoffer kan er geen schikking worden getroffen.

De minister wijst er nog op dat het stelsel ook niet kan worden gebruikt als de procureur des Konings meent een gevangenisstraf te moeten vorderen. Het systeem zal voornamelijk worden toegepast in dossiers van economische aard wanneer de dader vermogensvoordelen heeft verkregen. Daar is de beste straf uiteraard van financiële aard, om de daders in hun vermogen te raken.

Spreker besluit dat de voorgestelde maatregel het openbaar ministerie een instrument verschaft om een efficiënter strafbeleid te ontwikkelen. De evolutie naar een meer consensusgerichte en herstellende rechtspraak wordt zo gestimuleerd.

Mevrouw Khattabi geeft toe dat de klassejustitie in de praktijk al bestaat. Het ontwerp gaat echter veel verder omdat de wetgever hier de klassejustitie organiseert.

De heer Laeremans vindt de uitleg van de minister niet overtuigend.

Spreker denkt niet dat het echt nodig is de toepassingssfeer van de minnelijke schikking in strafzaken zo breed te maken om te voorkomen dat het Grondwettelijk Hof niet akkoord gaat. Over het huidige systeem, dat veel minder breed wordt toegepast, heeft het Grondwettelijk Hof nooit opmerkingen gemaakt. Het is echter in zekere zin logisch dat de toepassingssfeer voor een minnelijke schikking wordt beperkt tot fiscale en financiële misdrijven.

De heer Laeremans begrijpt niet waarom het stelsel zo uitgebreid moet worden toepast. Als de parketten en onderzoeksrechters problemen hebben om dossiers binnen een redelijke termijn af te handelen, ligt dat volgens hem aan de almaar ingewikkelder wordende procedureregels en het gebrek aan middelen. Nu wordt een dringende maatregel voorgesteld om de parketten te ontlasten van dossiers die minder belangrijk zouden zijn op het vlak van het strafbeleid of van dossiers die dreigen te verjaren. Volgens spreker zal de nieuwe procedure voor de schikking in de praktijk heel vaak worden gebruikt. Deze maatregel is gewoon het gevolg van het jarenlange negeren van justitie. Om uit de impasse te raken, wordt de toepassingssfeer uitgebreid en kunnen de daders een som geld betalen om niet vervolgd te worden. Uiteraard leidt dit tot klassejustitie, aangezien de meest gegoeden vervolging zullen kunnen ontlopen. Spreker heeft dan ook ethische bezwaren tegen de voorgestelde tekst.

Mevrouw Faes deelt het standpunt van mevrouw Khattabi over de uitspraken van de minister over een klassejustitie, zeker omdat hij ook suggereert dat armere personen minder goed verdedigd zullen worden dan meer gegoede personen.

Inhoudelijk wijst mevrouw Faes erop dat het parket de mogelijkheid krijgt een schikking voor te stellen zolang het vonnis of arrest niet in kracht van gewijsde is gegaan. Een verdachte kan dus het resultaat van zijn proces in eerste aanleg afwachten, waarna zijn advocaat, na eerst beroep te hebben ingesteld, aan het parket een schikking voorstelt. Er moet worden bepaald dat in een dergelijk geval de voorgestelde schikking niet minder mag zijn dan de straf die de rechter al heeft uitgesproken.

Het wetsontwerp bepaalt dat een schikking mogelijk is als de procureur des Konings oordeelt enkel een geldboete of een geldboete met verbeurdverklaring te moeten vorderen. Spreekster wijst erop dat de feitenrechter de vordering van de procureur des Konings niet hoeft te volgen. De rechter kan dus een gevangenisstraf opleggen terwijl het openbaar ministerie enkel een boete vorderde. Het voorgestelde stelsel maakt het dus mogelijk te ontsnappen aan een gevangenisstraf door een proces ten gronde te omzeilen.

De heer Mahoux wenst de aandacht van de leden te vestigen op de wijzigingen in de voorgestelde tekst van artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering. De eerste wijziging betreft de uitbreiding van de toepassingssfeer van de schikking. Spreker meent dat deze uitbreiding onbeperkt is, terwijl krachtens de huidige tekst schikking enkel mogelijk is voor misdrijven die strafbaar zijn met gevangenisstraf van ten hoogste 5 jaar. Dit is een eerste grote verandering.

De tweede wijziging heeft betrekking op het moment waarop de schikking kan worden voorgesteld. Dit wordt mogelijk zolang een vonnis of arrest nog geen kracht van gewijsde heeft verkregen. Momenteel echter is een schikking bijvoorbeeld niet meer mogelijk zodra het gerechtelijk onderzoek begint. Dat kan misschien begrijpelijk zijn bij fiscale misdrijven, maar deze uitbreiding van de toepassingssfeer van artikel 216bis van het Wetboek van strafvorderng is zorgwekkend.

Mevrouw Defraigne is het eens met de vorige spreker. Zij meent bovendien dat hiermee het recht in handen wordt gegeven van het parket. De zittende magistraat wordt een groot stuk van het recht ontnomen. Over deze invulling van justitie moet worden gedebatteerd.

Mevrouw Taelman ziet in eerste instantie de grote voordelen van het voorgestelde systeem, zeker in gevallen van fiscale en sociale fraude. Het rechtsgevoel van de burger wordt enorm aangetast als belangrijke fraudedossiers gewoon verjaren. De traagheid van vele procedures en de zware proceduregang schaden de slagkracht van het strafrecht in deze fraudedossiers. Een regeling voor de minnelijke schikking is een middel om een oplossing te bieden voor die knelpunten. De parlementaire onderzoekscommissie « fiscale fraudedossiers » deed trouwens in 2009 dezelfde aanbeveling.

Spreekster is er niet van overtuigd dat het toepassingsgebied uitgebreid moet worden tot alle misdrijven.

De heer Delpérée is van mening dat de uitbreiding van het systeem van minnelijke schikking de vraag naar de zin en de methode van de wetten houdende « diverse bepalingen » doet rijzen. Tot op heden heeft het Parlement deze wetsontwerpen, die verschillende rechtsgebieden bestrijken, willen bespreken en aannemen, in het kader van het optreden van de politieke meerderheid. In dit geval evenwel is de hervorming ingevoegd door een amendement dat door een parlementslid is ingediend en heeft die geen betrekking op het hoofdthema. De heer Delpérée stelt zich dan ook de vraag in hoeverre het parlementaire initiatiefrecht in dergelijke gevallen gegrond is.

Of het parlementaire initiatief geënt is op een wetsontwerp of los daarvan wordt uitgeoefend, de heer Mahoux is ervan overtuigd dat het resultaat hetzelfde is.

De heer Delpérée is het daar niet mee eens, want de stemming kan verschillend zijn al naargelang de voorgestelde hervorming in een wet « houdende diverse bepalingen » of in een afzonderlijk wetsvoorstel staat.

De minister komt terug op de vraag over het toepassingsgebied van het nieuwe systeem van minnelijke schikkingen. Hij meent dat de uitbreiding van het toepassingsgebied werkelijk noodzakelijk is. Er zijn immers weinig categorieën van misdrijven waarvoor straffen van minder dan 5 jaar gevangenisstraf gelden. Zo wordt schriftvervalsing bijvoorbeeld gestraft met gevangenisstraf van 5 tot 10 jaar. In elk dossier van fiscale fraude vindt men echter dit soort misdrijven terug. De straffen in geval van witwassen van geld zijn ook hoger dan 5 jaar gevangenisstraf. Indien men de strafdrempel om een minnelijke schikking te kunnen voorstellen, niet verhoogt, zal een minnelijke schikking bijgevolg nooit mogelijk zijn in dossiers over fiscale of sociale fraude.

De minister herinnert er vervolgens aan dat de voorgestelde hervorming hoofdzakelijk de mogelijkheid van een minnelijke schikking beoogt voor misdrijven die afbreuk doen aan de goederen van personen. Aangezien het slachtoffer zich akkoord moet verklaren, zal de mogelijkheid van minnelijke schikking minder worden gebruikt in geval van misdrijven tegen personen, ook al is dat niet uitgesloten. Zo zou het in geval van partnergeweld kunnen dat een echtgenote-slachtoffer klacht indient, maar niet wil dat haar man wordt berecht en veroordeeld. In bepaalde uitzonderlijke gevallen zou een minnelijke schikking kunnen worden voorgesteld aan de gewelddadige echtgenoot. Aangezien de wet ten slotte niet alle gevallen kan regelen, zal het college van procureurs-generaal bij omzendbrief de gevallen nader bepalen waarin het wenselijk is om de beklaagde een minnelijke schikking voor te stellen.

De minister wijst er tot slot op dat de verdachte niet beschikt over een recht om een minnelijke schikking te verkrijgen. Het spreekt bijgevolg voor zich dat indien iemand reeds in eerste aanleg is veroordeeld, het parket niet geneigd zal zijn om in beroep een minnelijke schikking voor te stellen.

Mevrouw de Bethune pleit voor een grondig debat. Voorzichtigheid is geboden bij de toepassing van de minnelijke schikking in alle gebieden van het strafrecht. Zo geldt er in het geval van partnergeweld tegenwoordig een « nultolerantiebeleid », zelfs als er geen enkele klacht is ingediend. Ze betwijfelt of de betaling van een geldboete bij dit type van misdrijf een adequate sanctie is.

De minister wil benadrukken dat het wel degelijk de bedoeling is om de minnelijke schikking te beperken tot misdrijven tegen goederen. Het genoemde voorbeeld is misschien slecht gekozen, maar er moeten gevallen kunnen zijn waar deze minnelijke schikking opportuun is.

Mevrouw Faes herinnert eraan dat haar fractie niet gekant is tegen het principe van de minnelijke schikking, maar dat de gevallen waarop de minnelijke schikking kan worden toegepast, duidelijk moeten worden afgebakend. Zet het voorgestelde systeem de onderzoeksrechter bovendien niet de facto buiten spel ?

De minister verduidelijkt dat ieder een welomschreven rol heeft. Het vorderen van een straf moet een voorrecht van het parket blijven. De onafhankelijkheid van de onderzoeksrechter zou immers geschonden zijn indien die zou moeten ingrijpen in het besluitvormingsproces. Deze bevoegdheden moeten gescheiden blijven.

De heer Mahoux verbaast zich over de verklaring over de rol van de onderzoeksrechter. Dat de onderzoeksrechter niet bevoegd is om een minnelijke schikking voor te stellen is één zaak, maar dat hij zijn onderzoek moet stopzetten door een eenzijdige beslissing van het parket, is een andere. Deze bevoegdheid van het parket is niet onbeduidend, want men mag niet uit het oog verliezen dat in die hypothese de strafvordering vervalt en het misdrijf geacht wordt nooit te hebben bestaan.

Spreker stelt voor om — voor zover er tegenwoordig al een gedifferentieerde behandeling met betrekking tot de minnelijke schikking bestaat — de mogelijkheid te onderzoeken om de beoogde domeinen of de types van specifieke misdrijven duidelijk af te bakenen om niet meer te verwijzen naar het criterium van de gevangenisstraf.

IV. HOORZITTINGEN

Na deze eerste gedachtewisseling heeft de commissie beslist om over te gaan tot de hoorzitting met vertegenwoordigers van de academische wereld. Het verslag van die hoorzitting is als bijlage bij dit verslag gevoegd.

V. HERVATTING VAN DE BESPREKING

Mevrouw Khattabi betreurt dat men een tekst wil doordrukken waarvan men het watervaleffect op de strafrechtelijke procedures niet goed inschat. Dat is des te betreurenswaardiger omdat er al opmerkingen in die zin zijn geformuleerd tijdens de hoorzittingen. Zij denkt dat de regering van lopende zaken de werkzaamheden in de commissie zo organiseert dat zij op een drafje een uitbreiding van de minnelijke schikking moet behandelen, terwijl daar lange besprekingen voor nodig zijn.

Mevrouw Khattabi verwijst naar de besprekingen van het wetsvoorstel-Salduz (stuk Senaat, nr. 5-663), dat wijzigingen van een vergelijkbaar omvang in de strafrechtelijke procedure voorstelde, en die maanden geduurd hebben. Tijdens die besprekingen hebben sommige commissieleden van de uittredende meerderheid blijk gegeven van moed door een tekst te weigeren die afbreuk deed aan een aantal fundamentele vrijheden. Zij nodigt hen uit mee hetzelfde te doen.

Zij betreurt de politieke handeltjes die de commissieleden van de uittredende meerderheid binden. Sommigen onder hen verbergen hun gebrek aan enthousiasme over de uitbreiding van de minnelijke schikking niet.

Spreekster herinnert eraan dat ontwerpartikel 84 de deur opent voor een klassejustitie. De uitbreiding van de minnelijke schikking tot alle misdaden en wanbedrijven leidt tot een soort justitie waar zij niet achter kan staan. Zij wenst het standpunt van de minister die belast is met het actieplan om geweld tegen vrouwen te bestrijden over deze tekst te kennen.

De minister antwoordt dat er geen vergelijking kan worden gemaakt met het Salduz-dossier. Dit laatste dossier betrof een nieuwe wetgeving die moest worden ingevoerd om rekening te houden met de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Het voorliggende ontwerp beoogt een uitbreiding van de minnelijke schikking, die een bestaande procedure is. Aan de tekst zijn uitvoerige besprekingen, voorbereidingen, studies en overlegrondes binnen de regering en in de Kamer van volksvertegenwoordigers voorafgegaan.

De uitbreiding van de minnelijke schikking beantwoordt aan een vraag van het openbaar ministerie, dat bijkomende instrumenten wenst om criminaliteit te bestrijden. Een dergelijk instrument is door de complexiteit van de samenleving en van de fiscale en sociale wetgeving onontbeerlijk geworden. Omzendbrieven zullen worden uitgevaardigd over de tenuitvoerlegging van de minnelijke schikking door de parketten. De procureur des Konings, die voor elk dossier zal moeten beslissen op welke manier de zaak het best kan worden behandeld, zal meer verantwoordelijkheid krijgen.

De nieuwe procedure van minnelijke schikking voorziet in de formele naleving van de rechten van alle betrokken partijen. De minnelijke schikking zal alleen mogelijk zijn mits het slachtoffer ermee instemt en nadat hij volledig schadeloosgesteld is. Ook de fiscale en sociale overheden moeten hun instemming geven. Dankzij het nieuwe stelsel kunnen geldelijke sancties worden opgelegd in plaats van lange, ingewikkelde procedures die niet altijd tot een veroordeling leiden, te moeten doorlopen.

De minister besluit dat het ontwerp voorziet in een modern instrument voor het strafrechtelijk beleid. Men moet er vertrouwen in hebben dat het openbaar ministerie de procedure van minnelijke schikking correct zal gebruiken overeenkomstig de omzendbrieven die zullen worden uitgevaardigd. Hij pleit dan ook voor een snelle aanneming van het voorliggende ontwerp.

De heer Devlies sluit zich aan bij de minister van Justitie en reageert op een aantal bedenkingen die reeds werden geformuleerd tijdens de algemene bespreking.

Spreker wil eerst wijzen op de voorgeschiedenis van voorliggende bepaling. Het idee van de uitbreiding van de minnelijke schikking is reeds sedert meerdere jaren in omloop. Spreker verwijst in dat verband naar de justitiedialogen, georganiseerd in 2004 door de toenmalige minister van Justitie, mevrouw L. Onkelinx, waarbij door de heren Erdman en de Leval reeds werd aangestipt dat de uitbreiding van de minnelijke schikking een belangrijk onderdeel van de hervorming vormde.

Deze discussie kwam in een stroomversnelling terecht door de oprichting in 2008 van het College voor de fraudebestrijding. In juni van datzelfde jaar werd ook een globaal actieplan opgesteld (in samenhang met alle betrokken diensten, namelijk fiscus, Economische Zaken, politie, enz.) waarbij een 50-tal maatregelen werden geformuleerd, waaronder het voorstel van uitbreiding van de minnelijke schikking.

Ook de parlementaire onderzoekscommissie over de grootschalige fraude bracht in mei 2009 verslag uit met een 100-tal aanbevelingen ter oplossing in de strijd tegen de fiscale fraude. De uitbreiding van de minnelijke schikking was één van de mogelijke oplossingen.

In september 2010 stelde het College voor fraudebestrijding een nota op ten behoeve van de formateur. Hierin werden 12 aanbevelingen opgenomen, waaronder ook de uitbreiding van de minnelijke schikking.

Gelet op de afwezigheid van een formateur werd deze nota in 2011 rechtstreeks overgezonden aan de gemeenschappelijk bevoegde commissies in de Kamer.

Men kan dus niet zeggen dat voorliggende bepaling nieuw is. Zij kadert volop in de maatregelen voor de strijd tegen de fiscale fraude. Deze maatregel is belangrijk in deze strijd die wordt benaderd vanuit een « ketenvisie » vanaf preventie tot bestraffing.

De problemen in deze strijd situeren zich voornamelijk in de fase van de gerechtelijke behandeling van de dossiers.

Er worden heel veel fraudedossiers naar de rechtbank verzonden, met vaak verjaring tot gevolg.

De bedoeling van voorliggende bepaling is duidelijk een efficiënte werking van het gerecht te bevorderen; voor de gevallen waarbij het openbaar ministerie een financiële sanctie wenst op te leggen is minnelijke schikking ongetwijfeld aangewezen. Dit brengt eveneens een versnelde afhandeling mee, een zekerheid tot invordering en de capaciteit bij de rechtbank wordt vrijgemaakt voor de zwaardere zaken of zaken waarover er betwisting is.

Spreker verwijst ter zake ook naar de aanbeveling van de onderzoekscommissie met betrekking tot het una viasysteem, waarbij men, vanaf de start van het dossier, een keuze maakt voor hetzij de gerechtelijke behandeling, hetzij de minnelijke schikking.

De discussie rond de uitbreiding van de minnelijke schikking kwam eveneens in een stroomversnelling terecht omdat in januari-februari 2011 plots bleek dat ook het bankgeheim bespreekbare materie was en dat er een meerderheid te vinden was voor de versoepeling van de opheffing van het bankgeheim.

Beide discussies zijn aan elkaar gelinkt, en zijn allebei belangrijk in de strijd tegen de fiscale fraude.

Met betrekking tot de bemerkingen in verband met de ongrondwettelijkheid werpt de staatssecretaris op dat artikel 151 van de Grondwet niet enkel gewag maakt van de onafhankelijkheid van de magistraten maar ook van de opdrachten van het openbaar ministerie.

Men mag ook niet vergeten dat soortgelijke wetgeving reeds bestaat op het vlak van douane en accijnzen die reeds de toetst van het Grondwettelijk Hof heeft doorstaan.

Het is duidelijk dat dit ontwerp ertoe strekt fiscale en economische misdrijven te beteugelen. Er zal een omzendbrief worden rondgedeeld met betrekking tot het te voeren beleid, gelet op dit nieuwe instrument in handen van het openbaar ministerie.

Ten slotte stipt spreker aan dat het de opdracht is van de staatssecretaris voor de Coördinatie van de fraudebestrijding om enerzijds een betere coördinatie te bewerkstelligen tussen de instellingen die zich bezighouden met fraudebestrijding en anderzijds de fondsen van de sociale zekerheid en de fiscus zo hoog mogelijk te houden.

Op de begroting was een te realiseren bedrag ingeschreven van 1 miljoen euro. Bij de val van de regering waren de noodzakelijke maatregelen reeds genomen om 2/3 van dit bedrag te realiseren. Dit betekent dat de bijkomende maatregelen met betrekking tot het bankgeheim en de minnelijke schikking nog 300 miljoen euro moeten opbrengen. Specifiek met betrekking tot de minnelijke schikking voorziet de begroting 2011 in een bedrag van 45 miljoen euro.

Spreker sluit zich dus ten volle aan bij het pleidooi van de minister van Justitie om voorliggende maatregel zo snel mogelijk goed te keuren.

De heer Laeremans concludeert dat de tussenkomst van vorige spreker de koehandel, die heeft plaatsgevonden in de commissie voor de Financiën van de Kamer, zonder advies te vragen aan de commissie voor de Justitie, enkel maar bevestigt. Er wordt een link gelegd met het bankgeheim en men wil deze maatregelen in een ijzingwekkend tempo door het parlement jagen.

Spreker blijft bij zijn verzoek om de onderzoeksrechters te horen.

Tevens heeft hij geen antwoord gekregen op de pertinente opmerkingen die werden geuit door de heer Masset over de ongrondwettelijkheid. Het door de minister en de staatssecretaris gegeven antwoord volstaat niet. Een advies van de Raad van State dringt zich op.

Ook met betrekking tot de bijkomende straffen die de rechter moet opleggen wordt geen duidelijkheid verschaft. Zo moet de rechter bij valsheid in geschrifte minimum 1 maand gevangenisstraf opleggen en wordt bij zedendelicten de ontzetting uit de burgerlijke en politieke rechten uitgesproken. Wat met deze bijkomende straffen als een minnelijke schikking wordt bereikt ?

Er worden voornamelijk gezagsargumenten naar voren geschoven zoals het feit dat er een politiek akkoord is. Nochtans moet de commissie voor de Justitie zich buigen over de inhoud van de voorgestelde bepaling. Ook de verwijzing naar de justitiedialogen is geen afdoend argument. Nooit heeft de heer Erdman geschreven dat een minnelijke schikking nog moest kunnen plaatsvinden na het opstarten van het gerechtelijk onderzoek. De commissieleden beschikken evenmin over een exemplaar van de aangehaalde verslagen.

Men zegt wel dat de maatregel vooral bedoeld is om fiscale fraude te beteugelen, maar waarom wordt dan in de verantwoording expliciet verwezen naar misdrijven van gemeenrecht, zoals diefstal met braak of valse sleutels ? Bij deze misdrijven zijn steeds kwade intenties aanwezig, zodat een minnelijke schikking hier als te vergaand en immoreel voorkomt.

Spreker begrijpt dat de maatregel vooral dient om in de toekomst geldgebrek te compenseren. Als men iets wil doen aan de complexiteit van de strafprocedures zou men zich beter richten op een betere ondersteuning van de financiële secties die te kampen hebben met een personeelstekort. Dit is veel dringender dan de voorgestelde maatregel.

Mevrouw Khattabi verklaart dat ze niet twijfelt aan de goede trouw van de minister en van de staatssecretaris, wanneer ze stellen dat voorliggend ontwerp tot een betere werking van justitie leidt. Ze denkt dat het de werking van een bepaalde justitie zal verbeteren. Inhoudelijk is dat echter niet het concept van justitie dat spreekster verdedigt.

Mevrouw Turan stipt aan dat er steeds wordt verwezen naar vorige discussies omtrent de uitbreiding van de minnelijke schikking maar dit is de eerste keer dat deze maatregel ter discussie wordt voorgesteld aan de commissie voor de Justitie van de Senaat.

Waarom wordt het niet toegelaten hierover een uitvoering debat te voeren ?

De heer Devlies verwijst naar aanbevelingen voor de formateur en aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissies, maar tot op heden zijn deze stukken niet bij het dossier gevoegd.

Spreekster behoudt het standpunt dat een ernstige uitbreiding van de minnelijke schikking wel degelijk leidt tot een klassejustitie. Zelfs als er reeds een uitspraak is, kan er nog een afkoop van de strafvervolging volgen. Wie betaalt, gaat vrijuit.

Zedendelicten lenen zich in principe niet tot een minnelijke schikking en in elk geval zou het akkoord van het slachtoffer vereist zijn, zo stelt de minister.

Spreekster vreest dat juist omwille van dit akkoord het slachtoffer dreigt onder verhoogde druk te komen staan. Er is geen enkele garantie ingebouwd om deze druk te voorkomen.

De verantwoording bepaalt dat de minnelijke schikking ook mogelijk is bij gebruik van valse sleutels of diefstal met braak. Zo ook voor witwassen en criminele organisaties. Deze omschrijving is zodanig ruim dat in de praktijk heel wat misdrijven tot minnelijke schikking aanleiding kunnen geven. Men zou kunnen komen tot « Michael Jackson-toestanden » waarbij de ouders van het slachtoffer het op een akkoordje gooien met de dader.

Er worden omzendbrieven van het college van procureurs-generaal aangekondigd maar technisch-juridisch blijft de mogelijkheid voor minnelijke schikking voor dergelijke misdrijven open. Op elk moment van het onderzoek en zelfs na de uitspraak kan een dader met de aanklager onderhandelen over de afkoop van de strafvervolging.

Spreekster vreest ook voor een ongelijkheid tussen advocaten. Het is duidelijk dat ervaren advocaten, veel meer dan pro deo-advocaten, de weg zullen vinden naar de procureur.

Ook het gevolg van deze minnelijke schikking is zeer vergaand. De dader krijgt geen strafblad en terugkomen op het akkoord blijkt onmogelijk. Verder gaat de maatregel voorbij aan eventuele bijkomende straffen.

Tot slot vertoont de voorgestelde bepaling ook technische tekortkomingen.

Men komt tot een paradoxale situatie waarbij het parket een vordering indient en daarna terug intrekt. Hoe moet het dan met het vertrouwen van de burger in justitie ?

Wat gebeurt er als er meerdere verdachten zijn in één zaak en slechts één dader kan betalen ? Moet er dan een pro deo-systeem worden opgezet, wat eveneens geld kost, voor de daders die niet kunnen betalen ?

Spreekster vreest dat de maatregel zal leiden tot duorechtspraak die de toets van het Grondwettelijk Hof niet zal doorstaan.

Spreekster herhaalt ook haar argument dat een openbare zitting voor het slachtoffer vaak de mogelijkheid biedt de moeilijke periode af te sluiten.

Voor het overige verwijst spreekster naar haar amendement nr. 2 en naar de verantwoording hierbij (zie infra).

Mevrouw Faes komt terug op de argumenten die reeds zijn aangehaald en waarop nog geen duidelijk antwoord is gegeven.

Ten eerste is er de problematiek van de hoofdelijkheid van de daders. Wat gebeurt er als slechts één van de daders een minnelijke schikking afsluit ?

Spreekster verwijst ook naar het voorbeeld van een diefstal met heling. Wat als de heler een minnelijke schikking afsluit ?

Verder wenst zij ook meer verduidelijking over het inzagerecht in strafdossiers. Is de voorgelegde regeling niet in strijd met de huidige regelgeving over inzagerecht bij een lopend gerechtelijk onderzoek ?

Tevens wordt bepaald dat het afsluiten van een minnelijke schikking onverwijld wordt medegedeeld. Wanneer juist ? Wat wanneer de rechter intussen een vonnis heeft uitgesproken ? Krijgt de minnelijke schikking dan voorrang ?

Gelet op deze belangrijke vragen sluit spreekster zich aan bij het verzoek om een advies te vragen aan de Raad van State.

De minister is en blijft positief ten opzichte van de voorgestelde regeling. Hij is ervan overtuigd dat de minnelijke schikking een goed instrument is en gaat ook uit van een goed gebruik ervan. Alles hangt af van de wijze waarop de procureur des Konings de geboden maatregel zal hanteren.

De voorgestelde bepaling maakt deel uit van een politiek debat dat niet verborgen is gehouden. Er wordt vooruitgang geboekt op fiscaal vlak zowel door de versoepeling van de opheffing van het bankgeheim als door de uitbreiding van de minnelijke schikking. De regeling met betrekking tot het bankgeheim is opgesteld en onderzocht door specialisten ter zake. Het zijn diezelfde specialisten die ook de regeling met betrekking tot de minnelijke schikking hebben opgesteld.

Dat de regeling hoofdzakelijk bedoeld is voor financiële en fiscale delicten is duidelijk. Men kan juridisch-technisch niet stellen dat de regeling voor het ene misdrijf wel geldt en voor het andere niet. Dit zou het principe van de gelijke behandeling in het gedrang kunnen brengen.

Misschien zal het Grondwettelijk Hof ooit worden gevat. Spreker onderstreept dat de minnelijke schikking reeds bestaat en nooit aanleiding tot problemen heeft gegeven. Waarom zou de uitbreiding dan wel voor problemen zorgen ?

De minister aanvaardt het argument van klassejustitie niet. Er wordt voortdurend gewerkt om gelijkheid te garanderen. Uiteraard zullen richtlijnen verder worden uitgewerkt. Dat bepaalde dossiers lang blijven hangen is ook een vorm van klassejustitie. Instrumenten moeten worden aangereikt om efficiënter tussen te komen en zaken sneller af te handelen. De doorlooptijd van fiscale en economische misdrijven is bijzonder lang. De minnelijke schikking kan hiervoor een afdoende oplossing bieden.

Uiteraard kan het openbaar ministerie af en toe wel gebruik maken van de minnelijke schikking in andere categorieën van delicten, afhankelijk van menselijke aspecten of familiale belangen, maar steeds mits het akkoord van het slachtoffer. Waarom zou men het openbaar ministerie verbieden om op een verstandige en efficiënte wijze op te treden ?

Spreker meent dat het advies van de Raad van State niet noodzakelijk is. Dat de commissie voor de Financiën deze materie in de Kamer heeft besproken, kan door niemand worden aangevochten. Dat er een uitgebreid debat wordt gevoerd, is een goed signaal en getuigt van een correcte en democratische werking van het parlement.

Wat betreft de melding van het feit dat er een minnelijke schikking is afgesloten, is de minister van oordeel dat de situatie waarbij de minnelijke schikking gelijk zou lopen met het vonnis, vrij hypothetisch is. Indien een procedure van minnelijke schikking wordt opgestart door het openbaar ministerie, zal dit geweten zijn, in voorkomend geval ook door de rechter en onderzoeksrechter.

Mevrouw Khattabi herinnert aan haar vraag over de gevolgen van voorliggend ontwerp voor het stelsel van de eenmalige bevrijdende aangifte (EBA) en van de fiscale regularisatie. Wie zal er nog belang bij hebben een beroep te doen op de EBA ? Zal de fraudeur niet liever het risico nemen in de hoop niet gepakt te worden ? Wat er ook van zij, wanneer de fraude achteraf ontdekt wordt, heeft hij nog altijd de mogelijkheid van de minnelijke schikking. Zal voorliggend ontwerp het systeem van fiscale regularisatie niet in duigen doen vallen ?

De heer Devlies voegt eraan toe dat men respect moet hebben voor de Kamer van volksvertegenwoordigers. Als de Kamer de keuze maakt om het wetsvoorstel te behandelen in de commissie voor de Financiën, moet de Senaat dit respecteren. Men mag niet vergeten dat de leden van de commissie voor de Financiën van de Kamer reeds intensief hebben gewerkt rond de fiscale en sociale fraude.

Met betrekking tot het grondwettelijkheidsbeginsel herhaalt spreker dat een gelijklopende wetgeving reeds bestaat op het vlak van douane en accijnzen. Tevens gaat het om een bestaande regeling die enkel wordt uitgebreid. Tal van bemerkingen hebben betrekking op de bestaande regeling. De vraag is nochtans of de uitbreiding al dan niet aanvaardbaar is.

Verder vraagt spreker respect te hebben voor de instellingen. De magistratuur heeft zijn rol te vervullen maar ook het openbaar ministerie. Een aantal bemerkingen gaan uit van een fundamenteel wantrouwen ten opzichte van het openbaar ministerie. Dit is niet gegrond. Het college van procureurs-generaal heeft steeds zeer nauw samengewerkt inzake strafrechtelijk beleid en meer bepaald in de strijd tegen de fiscale fraude. Men moet respect hebben voor de magistraten van de zetel en voor het openbaar ministerie, en vertrouwen hebben in hun werking.

Mevrouw Faes werpt op dat het Grondwettelijk Hof de regelgeving met betrekking tot douane en accijnzen enkel heeft getoetst aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en niet aan artikel 151.

Mevrouw Turan meent dat het geen kwestie is van ontbreken van respect voor andere instellingen of andere commissies. Ze meent echter wel dat elke commissie haar specialisatie moet benutten.

Ze vraagt een stemming over het verzoek om advies van de Raad van State.

VI. BESPREKING VAN DE AMENDEMENTEN

Amendement nr. 1

Mevrouw Khattabi dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-869/2), dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 84 te doen vervallen. Zij herinnert er vooreerst aan dat dit artikel in de wet houdende diverse bepalingen werd ingevoegd via een amendement ingediend in de commissie voor de Financiën en de Begroting van de Kamer. Naast het belang ervan voor de gelijkheid van de burgers, oordeelt mevrouw Khattabi dat het amendement logischerwijze in de Kamercommissie voor de Justitie had moeten worden besproken, of dat hierover het vooorafgaand advies van de Raad van State had moeten worden gevraagd.

Spreekster stelt dan ook voor artikel 84 weg te halen uit het voorliggende ontwerp zodat het nieuwe stelsel van de minnelijke schikking grondig kan worden geanalyseerd.

De heer Delpérée merkt op dat de Senaatscommissie voor de Justitie niet als taak heeft te controleren op welke wijze besprekingen in de Kamer van volksvertegenwoordigers worden gevoerd.

Amendement nr. 2

Mevrouw Turan dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 5-869/2), dat er eveneens toe strekt het voorgestelde artikel 84 te doen vervallen. Zij verwijst naar haar opmerkingen tijdens de algemene bespreking en naar de verantwoording bij haar amendement.

De minister verwijst eveneens naar de argumenten die hij tijdens de algemene bespreking heeft uiteengezet.

Amendement nr. 3

Mevrouw Faes dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 5-869/2), dat ertoe strekt in het 6º van de voorgestelde § 2 te bepalen dat de procureur des Konings geen minnelijke schikking kan treffen indien in een vonnis of arrest reeds een gevangenisstraf werd uitgesproken.

Mevrouw Faes preciseert dat haar fractie dit amendement reeds tijdens de besprekingen in de Kamer heeft ingediend. Het is volgens haar belangrijk om uitdrukkelijk te vermelden dat geen minnelijke schikking mogelijk is indien in een vonnis of arrest reeds een gevangenisstraf werd uitgesproken. De rechtbank moet onafhankelijk kunnen blijven.

Amendement nr. 4

Mevrouw Faes dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 5-869/2) dat ertoe strekt in het 6º, § 2, aan te vullen om te verduidelijken dat het bedrag van de schikking niet lager mag liggen dan de geldsom, de kosten en de goederen waartoe een verdachte door de rechtbank of het hof van beroep is veroordeeld.

Artikel 84 bepaalt dat een schikking mogelijk blijft zolang een vonnis of arrest nog geen kracht van gewijsde heeft verkregen. Er moet wel worden voorkomen dat een beklaagde tot het laatste ogenblik wacht om te onderhandelen of een door het parket voorgestelde schikking te aanvaarden. Hij moet er integendeel toe worden aangespoord een schikking zo snel mogelijk te aanvaarden.

De minister verduidelijkt dat beide amendementen al in de Kamer werden besproken. Hij verwijst ook naar integraal verslag nr. 22 van de besprekingen in de plenaire zitting van de Kamer waar beide amendementen werden verworpen.

De heer Laeremans wenst over de volgende punten duidelijkheid. Om te beginnen, hoe zal de rechtbank de schikking tussen beklaagde en parket vaststellen ?

De minister bevestigt dat dit via een vonnis zal gebeuren.

Wat gebeurt er met dossiers met meerdere beklaagden, van wie er maar één een schikking aanvaardt ? Worden de anderen op de hoogte gebracht van die schikking en van het bedrag dat aan het slachtoffer is betaald ?

De minister verduidelijkt dat bij dat soort dossiers het lot van de beklaagden kan verschillen. Dat gebeurt nu trouwens ook al. Aangezien de stukken over de schikking in het strafdossier worden opgenomen, is er dus ook een volledige transparantie. De rechtbank blijft vrij om de schade te bepalen die de beklaagden die geen schikking hebben aanvaard, aan het slachtoffer moeten vergoeden. Het lijkt vanzelfsprekend dat een schadevergoeding die in het kader van een schikking is bepaald, een aspect is waar de rechtbank rekening mee zal houden.

Tot slot vraagt de heer Laeremans welke gevolgen een schikking heeft bij zedendelicten. In sommige gevallen is de rechter in principe verplicht de beklaagde zijn burgerrechten te ontnemen en voor een bepaalde tijd een woonverbod uit te spreken. Kan een schikking gepaard gaan met probatievoorwaarden ?

De minister verduidelijkt dat voor dit soort dossiers in principe geen schikkingen mogelijk zijn. Bovendien is de probatie een ander systeem dat niet kan worden gecombineerd met de schikking. De probatievoorwaarden kunnen enkel in een vonnis worden bepaald. De strafbemiddeling echter, waarbij een geschil wordt opgelost zonder tussenkomst van een rechter, kan wel bepaalde bijkomende voorwaarden opleggen, naast het herstellen van de schade van het slachtoffer (bijvoorbeeld : een opleiding volgen, werken in de dienstverlening, ...). Maar ook deze twee systemen zijn niet combineerbaar.

De minister vindt het belangrijk dat het parket beschikt over een waaier aan middelen om om te gaan met delinquenten. In de praktijk zullen omzendbrieven verduidelijken in welke gevallen een schikking kan worden voorgesteld.

VI. STEMMINGEN

Amendement nr. 1 wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen bij 4 onthoudingen.

Amendement nr. 2 vervalt bijgevolg.

De amendementen nrs. 3 en 4 worden verworpen met 9 tegen 5 stemmen bij 3 onthoudingen.

Artikel 84 in zijn geheel wordt aangenomen met 9 tegen 8 stemmen.

Dit verslag werd goedgekeurd met 13 stemmen bij 1 onthouding.

De rapporteurs, De voorzitter,
Peter VAN ROMPUY. Francis DELPÉRÉE. Christine DEFRAIGNE.

BIJLAGE


VII. HOORZITITNG MET PROFESSOR A. MASSET, ULG, EN DE PROFESSOREN A. HAELTERMAN EN R. VERSTRAETE (KUL)

A. Uiteenzetting door professor Axel Haelterman

De wettekst wenst tegemoet te komen aan een behoefte aan juridische efficiëntie en juridische zekerheid in gevallen waar een verdere dossierbehandeling door een rechter geen toegevoegde waarde heeft omdat zowel de overheid, als het slachtoffer, als de dader tot een akkoord gekomen zijn met volledige voldoening van alle belangen.

Vandaar dat het van groot belang is te wijzen op de verschillende toepassingsvoorwaarden van de mogelijkheid tot minnelijke schikking, waarvan de concrete consequenties leiden tot een evenwichtige maatregel.

1. In de allereerste plaats kan een minnelijke schikking slechts doorgang vinden indien er herstel van schade is. In fiscaal, sociaal-rechterlijke en financiële dossiers is dit veelal een duidelijke voorwaarde; slechts na een akkoord met de belastingdiensten en (minstens een engagement tot) daadwerkelijke betaling, kan een minnelijke schikking gesloten worden.

Schadeherstel is een voorwaarde die ertoe strekt dat in heel wat delicten met bijvoorbeeld fysiek geweld, aantasting van de eerbaarheid, enz., een minnelijke schikking niet of zeer zelden aan de orde zal zijn. Volledig schadeherstel in dergelijke dossiers is immers niet steeds denkbaar, tenzij alle slachtoffers expliciet instemmen met de regeling.

Dit legt ook dadelijk de link naar de rol van het slachtoffer in de minnelijke schikking. Het is duidelijk dat de toets inzake schadeherstel ertoe verplicht na te gaan wie de slachtoffers zijn, wat de schade is en wat hun perceptie over al dan niet herstel van de schade is. Doch, het is zeker mogelijk dat in een dossier een slachtoffer een schadevergoeding aanvaardt en tevens genoegdoening heeft door de schulderkenning door de dader. Als in dat geval het openbaar ministerie vaststelt dat in dat verband een verdere afhandeling van een strafprocedure geen toegevoegde waarde kent, is een minnelijke schikking zeker een efficiënte oplossing.

Maar het is duidelijk dat de meeste minnelijke schikkingen zich in de financiële sfeer zullen afspelen met als doelstelling : mits financieel herstel en schulderkenning waarborgen dat de financiële tegoeddoening snel en volledig plaatsvindt.

Het komt het openbaar ministerie toe om de minister van Justitie te adviseren over een beleid ter zake, en aan alle parketten de richtlijnen te bezorgen inzake het inschatten van deze vereiste van schadeherstel.

2. De minnelijke schikking is hoegenaamd geen recht voor de betrokkene en kan niet worden afgedwongen door het openbaar ministerie. Zij vereist dat beide partijen er mee instemmen.

Vermits de minnelijke schikking niet kan worden opgelegd of afgedwongen door het openbaar ministerie, kan de regeling niet worden aangewend om een betichte een gebruikelijke rechtsgang en toegang tot de rechtbank te ontzeggen. Of nog, het openbaar ministerie kan zich niet in de plaats stellen van de rechtbank, de regeling is slechts denkbaar met akkoord van beide partijen.

Evenzeer heeft de betichte geenszins het recht zijn proces « af te kopen ». De minnelijke schikking is slechts mogelijk indien het parket enerzijds oordeelt dat aan alle voorwaarden wordt voldaan, en anderzijds discretionair tot het oordeel komt dat in casu een minnelijke schikking tot een redelijke en aanvaardbare afwikkeling van het dossier leidt.

3. Indien aan alle gestelde voorwaarden is voldaan : indien de betrokkene schuld bekent en de schade vergoedt, indien het openbaar ministerie van oordeel is dat een afsluiting van het dossier, vanuit het standpunt van de overheid maatschappelijk verantwoord is, indien de benadeelde genoegdoening kreeg of het slachtoffer instemt met het schadeherstel, dan is het logisch dat lopende procedures worden afgerond op een efficiënte wijze door de minnelijke schikking. De uitdrukking in het Frans luidt « et le combat cessa, faute de combattants », aangevuld met de vaststelling dat de overheid via het openbaar ministerie de beëindiging maatschappelijk verantwoord vindt.

Dus is het logisch dat op dat ogenblik de zaak door de onderzoeksrechter uit handen wordt gegeven, en de behandeling voor de rechtbank beëindigd wordt.

Dit is trouwens een essentieel gegeven in het regime; eens het akkoord tot minnelijke schikking tot stand is gekomen, hebben alle partijen ter zake volledige zekerheid nodig, en ontstaat de mogelijkheid de werklast van de rechtbanken niet langer te bezwaren met aangelegenheden waarvoor tussen alle betrokkenen een akkoord bestaat.

4. Voor de onderzoeksrechters bestaat de mogelijkheid de minnelijke schikking drie maanden te laten uitstellen in het licht van lopende onderzoeksdaden die een nieuw licht op het dossier kunnen werpen. Aldus kan de regeling niet worden gebruikt om lopende onderzoeksdaden af te breken. En het spreekt voor zich dat als deze onderzoeksdaden aanvullende elementen aan het licht brengen die een invloed zouden hebben op de minnelijke schikking, die minnelijke schikking op dat ogenblik dan misschien zelfs geweigerd zou kunnen worden door het openbaar ministerie.

5. De verruimde minnelijke schikking viseert zeer duidelijk het versneld en efficiënt afronden van dossiers waar alle belangen gevrijwaard worden. Dit ontlast de rechtbanken doordat geen procedures meer moeten worden afgerond — met bestudering dossier, pleidooien en vonnis of arrest — wanneer iedereen in overeenstemming is. Deze maatregel is ook budgettair gunstig en beoogt dat te zijn : door de snellere afronding met betalingsplicht ontstaat de zekerheid dat de betrokkene financieel tussenkomt en vermijdt men situaties waarbij tegen het einde van een procedure de betrokkene beoogde zichzelf onvermogend te maken.

Dit verklaart meteen waarom een minnelijke schikking ook mogelijk is nadat er een doorverwijzing naar de (correctionele) rechtbank plaatsvond of na een veroordeling door de correctionele rechtbank. In de eerste plaats zal het openbaar ministerie uiteraard erg veeleisend en ook voorzichtig zijn om nog tot een minnelijke schikking te komen na een veroordeling in eerste aanleg. In een aantal omstandigheden kan men echter door een minnelijke schikking bewerkstelligen dat de veroordeelde inderdaad snel en vrijwillig de schade herstelt (bijvoorbeeld, de belastingen betaalt) en ook een boete betaalt, en dit zonder een procedure in beroep gevolgd door een soms zeer moeilijke financiële uitwinning voor de verschuldigde bedragen.

6. De lijst van de misdrijven die voor een minnelijke schikking in aanmerking komen is vrij ruim, doch daarbij passen drie bemerkingen.

In de eerste plaats is het noodzakelijk dat alle misdrijven die als kwalificatie aan de orde kunnen zijn in financiële delicten van welke aard ook, in de lijst voorkomen. Dit is nu eenmaal het gevolg van de soms zeer zware bestraffing van een aantal delicten ook in de financiële sfeer (zoals valsheid in geschrifte), en de werkbaarheid van de regeling vereist dat ook deze delicten aan bod kunnen komen.

Daarnaast moet men er rekening mee houden dat een specifieke oriëntatie van de regeling naar een bepaald type van delicten eerder dan een ander type van delicten een zeer delicate oefening is, waarbij de onderscheidende criteria niet steeds eenduidig zijn. Waarom zou een minnelijke schikking bij akkoord tussen belastingplichtige, fiscus en openbaar ministerie, in een aangelegenheid met een (theoretisch zwaar bestrafte) valsheid in geschrifte, wel in aanmerking komen, en een fysiek delict met instemming van het slachtoffer, schuldaanvaarding en schadevergoeding door de dader, en aanvaarding door het openbaar ministerie, niet ?

Tot slot is het duidelijk dat voor een aantal delicten, zeker als daar een aantasting van de eerbaarheid of zwaar geweld bijkomen, het openbaar ministerie wellicht zelden of nooit tot een minnelijke schikking zal overgaan omdat in die dossiers een daadwerkelijke strafrechtelijke veroordeling maatschappelijk wel relevant is. Er zal een beleid ontwikkeld worden door het openbaar ministerie om tot een redelijke toepassing te komen.

B. Uiteenzetting door de heer Verstraete

De heer Verstraete vindt het nuttig de discussie over voorliggende bepaling in een breder kader te plaatsen

In bijna alle Europese landen bestaat er immers reflectie over een alternatief afdoeningsmechanisme buiten het klassieke strafproces, maar ook bij ons is deze discussie al een hele tijd gaande. Zo was er reeds in 1987 vanuit de raad van ministers een aanbeveling om een soort van onderhandelde Justitie te promoten. In die context is ook de vraag vanuit het ondernemingsleven gekomen naar een verruiming van de minnelijke schikking.

In sommige landen bestaat er ook een lange traditie met betrekking tot alternatieve afdoening. Spreker verwijst vooreerst naar de plea-bargaining in de Angelsaksische landen, die wel een stap verder gaat dan de hier voorgestelde minnelijke schikking.

Inderdaad wordt in het Angelsaksische systeem niet enkel de mogelijkheid gegeven te onderhandelen over de straf, maar ook over de tenlastelegging zelf.

Dit is moeilijk verenigbaar met de uitgangspunten van ons systeem, aangezien het strafrecht hier van openbare orde is. Het lijkt ondenkbaar dat men gaat onderhandelen over de aflijning van een tenlastelegging. Onderhandeling over de kwalificatie van een bepaald feit is hier niet mogelijk.

Verder gaat men bij de plea-bargaining ook de rechter betrekken in de onderhandeling; men zal hem een indicatie vragen over de mogelijke bestraffing die hij zou opleggen. In de Belgische traditie daarentegen kan de rechter niet participeren aan dat soort discussies.

Men moet voor ogen houden dat de plea-bargaining systemen uitgaan van de idee dat het systeem beheersbaar moet blijven. Men zoekt dus middelen om strafzaken af te doen buiten de rechtbank.

Verder verwijst spreker ook naar het Franse systeem van de « comparution sur reconnaissance préalable de culpabilité », dat werd ingevoerd in 2004.

Men gaat er hierbij van uit dat een debat voor de rechtbank weinig meerwaarde biedt als er geen ernstige discussie bestaat over schuld of straf. De zittingscapaciteit van de rechtbanken kan dan efficiënter worden aangewend voor zaken waar er wel een discussie bestaat over de schuld. Als de betrokkene de feiten bekent, beschouwt men dat men de zitting niet nodig heeft.

Verder werd dit systeem ook ingegeven door de ontevredenheid bij de burger over het sepotbeleid en de vrij hoge seponeringscijfers. De comparution sur reconnaissance préalable de culpabilitéleidt tot een vermindering van het klasseren zonder gevolg en een beter gestroomlijnd beleid.

In dit systeem kan de verdachte zijn schuld bekennen, waarna het parket een straf kan voorstellen die echter niet meer mag bedragen dan de helft van de maximale gevangenisstraf indien de verdachte voor de rechtbank zou worden vervolgd. Men houdt dus rekening met de bereidheid van de verdachte om schuld te bekennen. Indien het voorstel van het parket niet wordt aanvaard, herneemt de strafprocedure. Indien dit wel wordt aanvaard, volgt er een homologatieprocedure, waarbij de rechter nagaat of er geen dwang werd uitgevoerd, of er geen dwaling is, en of de straf maatschappelijk is verantwoord.

Indien de onderhandelingen tussen parket en verdediging spaak lopen herneemt de procedure voor de rechtbank. Hierbij kunnen de informatie en de documenten die zijn meegedeeld bij de onderhandelingen niet gebruikt worden in de verdere procedure.

In Nederland ten slotte heeft men het systeem van de strafbeschikking, waarbij nog meer macht aan het parket wordt gegeven. Het parket kan immers voor een aantal misdrijven zelf een straf opleggen. Er is wel mogelijkheid van verzet van de verdachte die, bij niet akkoord, de rechtbank kan vatten.

Spreker geeft vervolgens de voor hem belangrijkste argumenten voor de uitbreiding van de minnelijke schikking, ook tot gevallen waarbij de onderzoeksrechter of het vonnisgerecht reeds is gevat.

Vooreerst is het onderscheid tussen opsporingsonderzoek en gerechtelijk onderzoek in andere landen niet gekend. Dit onderscheid is trouwens nogal kunstmatig en hangt af van de toevallige factor of een dwangmaatregel al dan niet noodzakelijk is.

De vraag rijst of dit toevallig criterium werkelijk bepalend moet zijn om een minnelijke schikking al dan niet mogelijk te maken.

Een tweede argument is de problematische duurtijd van strafprocessen. België is op dat vlak al meerdere malen veroordeeld wegens schending van de redelijke termijn. Nochtans is de doelmatigheid van het strafrecht gebaat bij sancties die zo kort mogelijk aansluiten bij de daad.

De uitbreiding van minnelijke schikkingen, en aldus van veroordelingen buiten de rechtbanken, zal leiden tot een vermindering van de duur van de procedure;

Ten slotte is er ook de problematiek inzake de uitvoering van de straf. Iedereen weet dat de gevangenisstraffen tot 3 jaar hetzij niet, ofwel door middel van elektronische bewaking worden uitgevoerd. Er rijzen enorme moeilijkheden bij de uitvoering van de verbeurdverklaring, bijvoorbeeld van torenhoge bedragen op buitenlandse rekeningen. Deze maatregel van verbeurdverklaring leidt niet tot effectieve incassering. De minnelijke schikking daarentegen hanteert het principe van boter bij de vis. Zij verleent zekerheid op het vlak van de uitvoering van de sanctie.

Spreker schetst vervolgens de uitgangspunten van een verruimde minnelijke schikking.

Er is ten eerste de noodzaak van een coherent, bewaakt en geëvalueerd beleid van het openbaar ministerie. Dit beleid kan niet worden overgelaten aan de individuele substituut.

Verder dient deze minnelijke schikking vanzelfsprekend te zijn gebaseerd op vrijwilligheid. Men kan niet « het recht hebben » een proces af te kopen. Zowel het openbaar ministerie als de verdediging moet een meerwaarde zien in de minnelijke schikking.

Ook is de vergoeding van de slachtoffers een elementaire voorwaarde. Met slachtoffer bedoelt men niet enkel de slachtoffers in de klassieke zin van het woord, maar ook de fiscus en de sociale zekerheid.

Tot slot is de vertrouwelijkheid een belangrijk punt. De informatie die aan het parket wordt gegeven, te goeder trouw, op vrijwillige basis, moet vertrouwelijk blijven.

Een delicaat punt in het systeem van deze minnelijke schikking is de positie van de onderzoeksrechter. De onderzoeksrechter is uiteraard bekommerd om waarheidsvinding. Zijn bedenkingen zijn dus begrijpelijk. Men moet echter wel een onderscheid maken tussen een vetorecht, wat niet kan, en een adviesrecht, wat perfect verantwoord is. Indien men de onderzoeksrechter toelaat een vetorecht uit te oefenen, betekent dit dat de rechter zich gaat moeien met het vervolgingsbeleid. Dat is niet zijn rol.. Wel zou het parket bijvoorbeeld, indien hij een minnelijke schikking overweegt, wel de onderzoeksrechter kunnen vragen naar de stand van zijn onderzoek.

Ten slotte heeft spreker ook nog twee tekstopmerkingen.

Een eerste bemerking betreft het materiële toepassingsgebied. Zoals nu geformuleerd, zal de bepaling van § 1, eerste lid moeilijk toepasbaar zijn. Indien een misdaad immers wordt gecorrectionaliseerd, moet volgens artikel 80 van het Strafwetboek minimaal een gevangenisstraf van één maand worden gevraagd. De tekst zou moeten nauwer aansluiten bij de gedachte geformuleerd in artikel 216ter, die inhoudt dat het parket van oordeel is dat hij, indien de zaak voor de rechtbank zou komen, een gevangenisstraf zou vorderen van niet meer dan 2 jaar.

Verder zorgt ook de zinsnede in § 6, « mits akkoord van de fiscus of de sociale zekerheid » voor problemen. Dit betekent immers dat, bij fiscale fraude, zelfs als alles betaald is, de fiscus een vetorecht zou krijgen over de totstandkoming van een minnelijke schikking. Niet het parket maar wel de fiscus krijgt aldus het laatste woord.

C. Gedachtewisseling

Mevrouw Khattabi denkt dat de uiteenzettingen haar sterken in het idee dat een debat over de uitbreiding van het toepassingsgebied van de minnelijke schikking niet mag achterwege blijven. Haar fractie zal een amendement indienen dat strekt om het voorgestelde artikel 84 te doen vervallen, om de commissie de mogelijkheid te bieden de werkzaamheden later te hervatten. Het is immers raadzaam meer tijd te nemen om de gevolgen van die hervorming te analyseren in het licht van het beginsel van de gelijkheid van de burgers, maar ook van de gerechtelijke procedures in het algemeen.

De heer Laeremans sluit zich aan bij de vorige spreekster. Spreker heeft volgende vragen.

Ten eerste vraagt spreker zich af of voorgestelde regeling, die een belangrijke rol toebedeelt aan het slachtoffer, niet gemakkelijk zal leiden tot het uitoefenen van een grote morele druk op de slachtoffers, opdat zij zouden instemmen met het voorstel van minnelijke schikking. Schuilt hier geen groot gevaar in voor de slachtoffers ? Hoe verloopt dit in het buitenland ?

Verder heeft spreker bedenkingen bij het voorgestelde systeem dat tot een onrechtvaardigheid zal leiden, als men tot een verschillend resultaat komt in identieke zaken met slachtoffers. In een zaak waarbij het slachtoffer toestemt met de minnelijke schikking, kan de dader ervan af komen mits betaling van een lage geldsom. In een identieke zaak waarbij het slachtoffer niet wil ingaan op het voorstel van minnelijke schikking, kan de dader het voorwerp zijn van een zware veroordeling.

Spreker heeft bezwaren tegen een consensusjustitie waarbij het algemeen belang over het hoofd wordt gezien.

Verder lijkt het dat de bedragen kunnen variëren « à la tête du client ». Hangen de betreffende sommen samen met het vermogen van de dader ? Is dat geen onrechtvaardigheid ? Hoe gebeurt dat in het buitenland ?

Spreker merkt ook op dat er een grote autonomie wordt gegeven aan het openbaar ministerie, in functie van de druk van het grote aantal strafdossiers. Dit kan ertoe leiden dat bepaalde misdrijven, zoals sacjackings, zullen worden afgekocht in het ene arrondissement, terwijl zij systematisch zullen worden vervolgd in een ander arrondissement. Dit zal leiden tot ongelijkheid tussen de verschillende arrondissementen.

Spreker verwijst ten slotte naar de kritiek van de heer Van Cauwenberghe, voorzitter van de vereniging van onderzoeksrechters, over de evolutie naar een vorm van klassejustitie. De begoeden zullen hun straf kunnen afkopen. Wat dan met de andere verdachten in dezelfde zaak ?

Zal de voorgestelde regeling de toets van het grondwettelijk hof doorstaan ?

De heer Delpérée wenst de sprekers vragen te stellen over de wettigheid en de grondwettigheid van de hervorming. Schendt dergelijk systeem, wanneer het wordt aangewend terwijl de rechter het dossier reeds in handen heeft, het beginsel van de scheiding der machten niet ?

Mevrouw Faes kan zich aansluiten bij de vorige spreker. In hoeverre strookt de voorgestelde regeling met artikel 151, § 1 van de grondwet met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechter ?

Verder meent spreekster dat de verruiming van het toepassingsgebied van de minnelijke schikking verschillend moet worden benaderd naargelang het gaat om financiële dossiers of om dossiers waarbij fysiek geweld werd gepleegd. Wat betreft de financiële dossiers lijkt het haar verdedigbaar het toepassingsgebied van de minnelijke schikkingen te verruimen. Dit is minder het geval voor de andere dossiers.

Verder vraagt spreekster hoe de minnelijke schikking wordt toegepast als er reeds een vonnis is dat nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. Dan kan de minnelijke schikking toch niet minder bedragen dan wat reeds door de rechter is uitgesproken ? Indien reeds een gevangenisstraf werd uitgesproken, komt het spreekster voor dat de minnelijke schikking zou moeten worden verboden.

Mevrouw Turan is enigszins verontwaardigd over de voorgestelde bepaling. Benevens de bedenkingen over klassejustitie, maakt zij zich vooral zorgen over de mogelijke dubbele penalisering van het slachtoffer. Welke garanties heeft men dat men het slachtoffer niet extra onder druk zal zetten om de minnelijke schikking te aanvaarden. Men kan zich allerlei cowboypraktijken indenken waarbij de dader het slachtoffer nogmaals onder druk zet,afgezien van eventuele materiële of fysieke dwang.

In hoeverre moet een slachtoffer afstand doen van zijn fysieke integriteit tegen betaling ?

Mevrouw Faes heeft nog een bijkomende bedenking. De commissie voor de Justitie heeft zich, door de Salduz-wetgeving, ingespannen om een advocaat toe te voegen bij het verhoor om de uitgeoefende druk te evalueren. Hier stapt men van dit principe af bij de onderhandelingen tussen openbaar ministerie en slachtoffer.

Verder vraagt spreekster naar de verenigbaarheid met mogelijke probatievoorwaarden.

Ten slotte vraagt zij naar de regeling inzake hoofdelijkheid in een zaak met verschillende daders. Wat als de ene toestemt met de minnelijke schikking en de andere niet ?

Professor Verstraete antwoordt eerst op de vragen met betrekking tot de positie van het slachtoffer.

Spreker onderlijnt dat de gedachte aan het slachtoffer nooit afwezig is geweest bij de discussie over de verruiming van de minnelijke schikking. Men mag niet vergeten dat er, voor de toepassing van de minnelijke schikking, erkenning van schuld en vergoeding van de schade moeten zijn.

De zorg over druk tegenover het slachtoffer is terecht. Anderzijds is deze opmerking ook vandaag reeds aan de orde. De minnelijke schikking bestaat immers reeds in het opsporingsonderzoek (95 % van de zaken). Uiteraard is het juist dat het gerechtelijk onderzoek de zwaardere zaken betreft.

Verder heeft het parket ook zijn rol als waakhond en zal het optreden bij de minste indicatie dat het slachtoffer onder druk wordt gezet.

Ook de ongelijke behandeling van slachtoffers geldt evenzeer voor het opsporingsonderzoek.

In dat verband verwijst spreker naar de vele milderingsmechanismen waarover de rechter beschikt.

Het bedrag zal niet à la tête du client worden bepaald. De proportionaliteit is een beleidsmotief in het strafrecht en de eventuele minnelijke schikking zal steeds proportioneel zijn met de ernst van de feiten.

Wat betreft de autonomie van het parket, erkent spreker dat de positie van het openbaar ministerie een debat waard is. De vraag rijst welke instrumenten men aan het parket geeft om een zo efficiënt mogelijk beleid te voeren. De minnelijke schikking is één van de instrumenten.

Als antwoord op de vraag over de gelijkheid en de grondwettigheid, onderstreept dhr. Verstraete eerst en vooral dat artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering reeds decennia wordt toegepast en dat er gevallen bestaan waarin mensen voor identieke feiten een minnelijke schikking krijgen, terwijl anderen vervolgd worden.

Overigens wijst spreker erop dat inzake douane en accijnzen de minnelijke schikking de strafvordering kan doen vervallen, zelfs wanneer ze reeds bij een rechtbank aanhangig is gemaakt. Het voorgestelde systeem wordt op dat specifieke gebied al toegepast.

Wat betreft de misdrijven waarbij fysiek geweld werd gepleegd of zedendelicten, komt het inderdaad aan het parket toe na te denken over de mogelijkheid van toepassing van een minnelijke schikking.

Zedendelicten zullen meestal niet met financiële sancties worden afgehandeld.

Anderzijds komen zaken van diefstal met braak vandaag voor de rechter wat ook tot ontevredenheid leidt. Gevangenisstraffen worden immers niet uitgevoerd; dit is frustrerend voor de onderzoeksrechter en ondergraaft de geloofwaardigheid van het strafrecht. Zal men de dader niet meer treffen met een effectief uitgevoerde minnelijke schikking dan met een niet uitgevoerde gevangenisstraf ?

Wat betreft de probatievoorwaarden, die een belangrijk instrument vormen voor de strafrechter, verwijst spreker naar artikel 216ter over de strafbemiddeling. Strafbemiddeling laat toe om de maatregelen die men vandaag in het kader van een probatie kan opleggen, te kaderen in die strafbemiddeling. Dit is een alternatief voor de minnelijke schikking.

Wat betreft de opmerkingen van de onderzoeksrechters over de evolutie naar een klassejustitie, stipt spreker aan dat de onderzoeksrechter de taak heeft de waarheid aan het licht te brengen. Hij moet zich echter niet inlaten met de vraag wat en hoe moet worden vervolgd.

Het grote voordeel van de minnelijke schikking is dat de boetedoening effectief zal worden uitgevoerd.

Mevrouw Turan werpt op dat het antwoord van vorige spreker haar nog meer zorgen baart. Het lijkt haar geen argument dat de minnelijke schikking moet worden uitgebreid omdat straffen niet worden uitgevoerd. Dit geeft aanleiding tot verontwaardiging. Moet men ook een pro deo systeem invoeren voor daders die een minnelijke schikking krijgen voorgesteld, in het licht van Salduz ? Dan zal men niets winnen bij dit voorstel.

Professor Verstraete verduidelijkt dat er nu eenmaal een probleem bestaat op het vlak van de uitvoering van gevangenisstraffen. Er is heel wat ongenoegen op het terrein over de strafuitvoering, vooral ook over uitvoering van financiële sancties. Wat baat het verbeurdverklaring op te leggen van zeer hoge bedragen, als het geld op een buitenlandse rekening staat en er een totale onwil is om dit beschikbaar te maken ? De zekerheid bij de minnelijke schikking is dat de bereidheid bestaat bij de betrokkene om verantwoordelijkheid te dragen voor wat hij heeft gedaan. Het systeem is gebouwd op transparantie en het geld dat in het buitenland op een rekening staat zal terugkeren.

Mevrouw Turan werpt op dat de minnelijke schikking niet enkel fiscale fraude betreft of economische misdrijven.

Mevrouw Khattabi komt terug op het probleem van het risico op pressie op de slachtoffers. Bij verkrachting of geweld in het gezin zal de pressie op het slachtoffer opdat het instemt met de door het parket voorgestelde minnelijke schikking heel reëel zijn. De uitbreiding van het toepassingsgebied van de minnelijke schikking leidt tot situaties waarin van echte « klassenjustitie » sprake is en waarbij de rijken het bedrag van de minnelijke schikking zullen kunnen betalen en anderen niet. De minister heeft eraan herinnerd dat die « klassenjustitie » al bestaat, maar mevrouw Khattabi wijst erop dat dit niet aan de wetgever ligt. In onderhavig geval wordt aan de Senaat gevraagd het instellen van een systeem met een dergelijke impact goed te keuren. Spreekster zal zo'n voorstel dus niet steunen.

Mevrouw Faes herhaalt de vraag naar de hoofdelijkheid tussen daders, alsook naar de verenigbaarheid met artikel 151, § 1 van de grondwet en naar de relatie met de Salduz-regelgeving.

Mevrouw Taelman wil aandringen op het feit dat het voorgesteld systeem reeds bestaat en vandaag al wordt toegepast. Dit leidt niet tot klassejustitie. Verder is het niet zo dat de minnelijke schikking niet als een straf zou worden geconcipieerd. Indien men meer middelen geeft, kan men voor elke dader de meest efficiënte straf toepassen. Dit vormt een meerwaarde.

Verder vloeit de voorgestelde regeling voort uit aanbevelingen die al geruime tijd worden geformuleerd in diverse parlementaire commissies.

De minnelijke schikking is niet nieuw maar kan nu niet worden toegepast in zaken waarvoor ze aangewezen is. Voorgestelde regeling geeft de mogelijkheid tot een gericht straffenarsenaal met meer mogelijkheden.

Men kan ook niet onbeperkt maatregelen nemen om straffen uit te voeren, zoals meer gevangenissen bouwen.

De heer Van Rompuy wijst erop dat de bedoeling van voorgestelde regeling is financiële en fiscale delicten sneller en efficiënter aan te pakken. Deze bepaling zal hiervoor worden gebruikt. Een richtlijn van het college van procureurs generaal zal dit bevestigen.

Spreker vraagt of de bestaande regelingen in het buitenland effectief resultaten opleveren in de strijd tegen de fiscale en financiële delicten.

De heer Delpérée komt terug op de problematiek van de scheiding der machten in het voorgestelde systeem en op de stelling dat het parket nu reeds het recht op minnelijke schikking heeft. In de huidige regeling bepaalt § 2 van artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering duidelijk dat de procureur des Konings de mogelijkheid om een minnelijke schikking te treffen verliest wanneer het feit reeds bij de rechtbank aanhangig is gemaakt of wanneer van de onderzoeksrechter het instellen van een onderzoek is gevorderd. Het is het feit dat het parket de zaak aan de rechter onttrekt dat in voorliggend ontwerp voor problemen zorgt. Spreker kan het idee dat het aan het parket toekomt om die materie te regelen met richtlijnen of circulaires niet accepteren.

Mevrouw Defraigne deelt die zorg en onderstreept dat de verlenging van de periode waarin de minnelijke schikking mogelijk blijft een probleem is.

Professor Haelterman begrijpt de opmerkingen over klassejustitie, druk op het slachtoffer, enz niet erg goed. Er zijn immers de toepassingsvoorwaarden, namelijk het feit dat er geen recht bestaat op een minnelijke schikking en dat het niet om een bilateraal gegeven gaat. De bal is in handen van het openbaar minister die een zeer belangrijke rol heeft te vervullen. Het openbaar ministerie kan ook perfect formuleren dat het maatschappelijk belang vereist dat bepaalde misdrijven, bijvoorbeeld verkrachttingen, steeds strafrechtelijk dienen te worden vervolgd.

Het openbaar ministerie is hier niet de enige partij die een zaak eigenhandig onttrekt aan de rechter. Het gaat om een geheel van elementen waarbij alle betrokken partijen akkoord gaan en de rechtbank het verval van de strafvordering vaststelt

Wat betreft de hoofdelijkheid, bepaalt de tekst dat de daders hoofdelijk zijn gehouden tot teruggave, de solidariteit wordt dus gehandhaafd over de minnelijke schikking heen.

Ook wat betreft de bijstand van de advocaat, is voorzien dat, als de Procureur des Konings van oordeel is dat een minnelijke schikking mogelijk is, hij de beklaagden, de slachtoffers en de advocaten dient op te roepen;

D. Uiteenzetting van de heer Masset, buitengewoon hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht aan de universiteit van Luik

1. Inzake de beginselen

De heer Masset wijst erop dat voorliggende tekst bepaalde klassieke beginselen van ons strafprocesrecht ingrijpend wijzigt. De strafrechtelijke minnelijke schikking kwam in 1984 in ons Wetboek van strafvordering. Voor die datum was de praktijk van de minnelijke schikking al gekend, buiten elke wettelijke basis om.

Die wijze van verval van de strafvordering werd steeds beschouwd als onaangepast aan de prerogatieven van het parket. Dat kan immers niet afzien van de strafvordering die aan de samenleving toekomt. De techniek van de minnelijke schikking moet echter worden toegepast op grond van het beginsel van het realisme.

Spreker vindt het ietwat eigenaardig dat men zo'n belangrijke maatregel overweegt zonder dat er een perspectief is op een algemene hervorming van het strafprocesrecht. Hij herinnert eraan dat naar aanleiding van de Grote Franchimont bepaalde maatregelen waren voorgesteld om de correctionele rechtbanken te ontlasten. Daarin werd toen bijvoorbeeld bepaald dat de raadkamer na het gerechtelijk onderzoek straffen kon uitspreken die tot een jaar gevangenis gingen. Hij herinnert er ook aan dat wat het verkeer betreft, het bevel tot betaling (wet van 7 februari 2003) nog steeds niet van kracht is.

De minnelijke schikking zoals ze wordt voorgesteld, voert een soort « plea bargaining » in tussen de beschuldiging en de verdachten, met een eigen rol voor de slachtoffers. Sommigen zien er een vorm van koehandel in, anderen een vorm van rechtsbedeling waarover onderhandeld wordt.

De minnelijke schikking is niet vergelijkbaar met de bemiddeling. Bij de bemiddeling doet elke partij toegevingen, terwijl bij de minnelijke schikking het voorstel van het parket « te nemen of te laten » is. In bepaalde economische of fiscale zaken aanvaardt de betrokkene soms het voorstel van minnelijke schikking met het mes op de keel, wat risico's inhoudt voor de eerbiediging van een eerlijke rechtspleging. De heer Masset herinnert eraan dat ons land voor het Europees Hof voor de rechten van de mens veroordeeld werd omdat het een strafregeling had ingesteld die te zwaar was voor de verdachte aan wie een minnelijke schikking wordt voorgesteld (Zaak Deweer tegen België, 27 februari 1980).

Wat de plaats van het slachtoffer betreft, wijst spreker erop dat het slachtoffer in ons huidig Wetboek van strafvordering, slechts het recht heeft herstel van zijn schade te krijgen. Als we het voorbeeld nemen van iemand die het slachtoffer is geworden van een verkrachting, is de enige mogelijke oplossing het toekennen van schadevergoeding. Op dat gebied brengt de minnelijke schikking de rechten van het slachtoffer niet in gevaar. De minnelijke schikking is een erkenning van een verplichting om het slachtoffer schadeloos te stellen met een bedrag waarover een akkoord bestaat. Indien men echter de rechten van het slachtoffer wil uitbreiden door rekening te houden met aspecten zoals de omvang van de openbare erkenning, het aan de kaak stellen van de verdachte, de beproeving van een openbaar proces in aanwezigheid van de pers, enz., dan zijn dat aspecten die niet aan bod komen bij een minnelijke schikking.

De heer Masset herinnert eraan dat het slachtoffer, om bij de procedure van de minnelijke schikking betrokken te worden, een verklaring van benadeelde persoon moet hebben afgelegd wanneer men zich in het stadium bevindt van het inleidend opsporingsonderzoek. In het stadium van het gerechtelijk onderzoek of bij de rechtspleging ten gronde moet het slachtoffer zich burgerlijke partij hebben gesteld. Daartussen bestaat het vermoeden dat de persoon slachtoffer is. De voorgestelde regeling zal de personen waarvan het vermoeden bestaat dat ze slachtoffer zijn, verplichten sneller een standpunt in te nemen om bij de minnelijke schikking betrokken te worden.

Spreker heeft het vervolgens over het probleem van het onttrekken van de zaak aan de feitenrechter waartoe voorliggende tekst leidt. De rechtbank neemt akte van het akkoord dat buiten de rechtszaal tot stand is gekomen. Het is de rechterlijke macht die het verval van de strafvordering vaststelt en de oplossing moet ondergaan. De heer Masset denkt dat hier een probleem van evenwicht van de machten ontstaat. Aangezien de oplossing de rechtbank wordt opgelegd, veroorzaakt dat een probleem van grondwettigheid. Een rechtbank is immers verplicht het geschil dat bij haar aanhangig wordt gemaakt te beslechten, hetzij door de dagvaarding van het parket, hetzij door de beschikking van verwijzing. Het lijkt problematisch dat een rechtbank waarbij een geschil aanhangig is gemaakt moet vaststellen dat de strafvordering vervallen is door een akkoord dat buiten haar om tot stand is gekomen. Men voert een soort regeling in de strafrechtspleging in waarbij aan de rechter wordt gevraagd vast te stellen dat er een akkoord is, dat neerkomt op het verval van de strafvordering, zoals hij doet wanneer hij het verval van de vervolging vaststelt wanneer de beschuldigde overleden is. Maar, voegt spreker eraan toe, het klopt eveneens dat de correctionele rechtbanken, nadat ze geldig geadieerd werden, geen straffen uitspreken omdat de beklaagde reeds administratief werd gestraft, dus buiten de rechtszaal : de rechtbank stelt dan vast dat het beginsel non bis in idem een nieuwe straf verhindert.

2. Het toepassingsgebied van de minnelijke schikking

De heer Masset denkt dat er een fundamenteel probleem rijst in verband met het toepassingsgebied van de minnelijke schikking zoals ze wordt voorgesteld in voorliggende tekst. Het ligt in de logica van het voorstel de regeling open te stellen voor gecorrectionaliseerde misdaden. Het misdrijf van valsheid in geschriften komt immers voor in elke strafrechtszaak in het zakenleven. Ons Strafwetboek brengt de valsheid in geschriften echter onder bij de categorie van de misdaden (artikelen 196 en 214 van het Strafwetboek : opsluiting van 5 tot 10 jaar en geldboete van 26 tot 2 000 €). Bij correctionalisering door aanvaarding van verzachtende omstandigheden, is de minimumstraf een maand gevangenisstraf en een geldboete (artikelen 80 en 83 van het Strafwetboek). Tenzij hij een onwettige straf vordert, kan de procureur des Konings in dergelijk geval niet volstaan met het vorderen van een eenvoudige geldboete. De regeling van de minnelijke schikking is echter slechts mogelijk wanneer de procureur des Konings oordeelt dat hij slechts een geldboete of een geldboete met verbeurdverklaring moet vorderen. De ingestelde regeling zal bijgevolg haar doel niet bereiken, aangezien er in belangrijke sociale en fiscale zaken bijna systematisch sprake is van valsheid in geschriften. Datzelfde bezwaar geldt voor verkrachting, dat volgens artikel 375 van het Strafwetboek een misdaad is die strafbaar is met opsluiting van 5 tot 10 jaar en dus kan de procureur des Konings bij correctionalisering wettelijk geen geldboete vorderen.

Vervolgens stelt spreker zich vragen bij de gevolgen van de minnelijke schikking voor een straf als de ontzetting van rechten. Bij zedenzaken moet de rechter naast de gevangenisstraf en de geldboete, zelfs bij correctionalisering, een straf van ontzetting van de burger- en politieke rechten uitspreken. Voor militairen of overheidsambtenaren brengt een veroordeling wegens zedenfeiten of wegens corruptie automatisch het verval van de burger- en politieke rechten met zich en moet de betrokkene zijn ambt opgeven. De beroepssanctie is soms de zwaarste straf die de dader treft. Het ontwerp bepaalt dat de minnelijke schikking slechts mogelijk is wanneer de procureur des Konings oordeelt dat hij slechts een geldboete moet vorderen. Hoe zit het met die ontzetting van de rechten ?

De heer Masset wijst ook nog op het probleem van de collectieve delicten. De minnelijke schikking moet vat krijgen op het complex van de misdrijven en niet alleen op een kwalificatie. Wat dat betreft, is de tekst niet duidelijk genoeg.

Spreker wijst erop dat het ontwerp niet zonder gevolgen blijft wanneer er verscheidene daders of medeplichtigen zijn. Wat zal er gebeuren wanneer een of meer van hen voor een minnelijke schikking kiest ? Zullen de andere daders niet in de problemen komen bij hun verdediging ? Het is immers weinig waarschijnlijk dat de rechtbank zal oordelen dat de feiten niet bewezen zijn nadat een van de daders een minnelijke schikking getroffen heeft.

De heer Masset waarschuwt ook voor het risico op gesjacher waartoe het voorgestelde stelsel kan leiden. Vooral in dossiers waar de ontdoken bedragen hoog zijn, zal de verdachte er belang bij hebben een minnelijke schikking te treffen. Meestal zijn die dossiers complex op het gebied van de procedure. Zal de vervolgde persoon, bij de onderhandelingen tussen de procureur des Konings en hemzelf, geen vermindering van de geldboete proberen te verkrijgen, omdat hij weet dat de minnelijke schikking de procureur des Konings bevrijdt van een lange, complexe procedure, vol procedurele valstrikken ?

3. Gevolgen van de minnelijke schikking

De heer Masset merkt op dat de minnelijke schikking een einde maakt aan de strafvordering. De vraag is tegen wie. Spreker geeft het voorbeeld van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersonen. Indien het parket vervolging overweegt, zal het zowel tegen de rechtspersoon als tegen de verantwoordelijk geachte natuurlijke personen zijn. Indien de vennootschap over belangrijke financiële middelen beschikt om een minnelijke schikking te treffen, wat zijn dan de gevolgen voor de betreffende natuurlijke personen ? Zal het parket niet geneigd zijn zoveel mogelijk natuurlijke personen te vervolgen, om telkens hetzelfde bedrag van de minnelijke schikking te ontvangen ? Wat dat betreft, kan het systeem onbedoelde gevolgen hebben.

Spreker vraagt zich tevens af wat de gevolgen van de minnelijke schikking zullen zijn voor de administratieve sancties die in de fiscale zaken worden onderzocht na uitputting van het strafproces. Dezelfde opmerking geldt voor de gevolgen van de minnelijke schikking voor de tuchtprocedures. De minnelijke schikking is een bilateraal administratief middel om de strafvordering te doen vervallen. Het is geen bekentenis van verantwoordelijkheid. Wat zal de relatie zijn met eventuele tuchtrechtelijke vervolgingen achteraf ?

Tot slot heeft de heer Masset vragen bij de wijze waarop men de problemen inzake schadeloosstelling van het slachtoffer zal regelen bij mededaders en medeplichtigen. Het slachtoffer kan de schadevergoeding van zijn schade niet verscheidene keren ontvangen van de diverse mededaders. De tekst moet bijgevolg de burgerrechtelijke gevolgen van de minnelijke schikking beter bepalen.

4. Technische punten

a) Toegang tot het dossier

In het 6 van paragraaf 2, derde lid, van het artikel bepaalt de tekst dat de verdachte, het slachtoffer en hun advocaten kennis kunnen nemen van het dossier, in zoverre ze dat nog niet hebben kunnen doen. De heer Masset begrijpt dat voorbehoud niet. De partijen moeten met kennis van zaken een minnelijke schikking kunnen treffen. Zelfs wanneer ze al toegang tot het dossier hebben gehad, is er geen enkel bezwaar dat ze dat opnieuw vragen.

b) Onwerkzame voorlopige hechtenis

De heer Masset heeft zich afgevraagd of de minnelijke schikking geen reden kon zijn om een vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis te verkrijgen. Artikel 28 van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis sluit elke moeilijkheid op dat punt uit.

E. Gedachtewisseling

Mevrouw Turan verwijst naar de werkzaamheden inzake de Salduz-wetgeving, waarbij de nodige tijd werd genomen om hoorzittingen te organiseren en een discussie ten gronde te voeren. Voorliggend wetsontwerp wil men daarentegen door het parlement jagen. Bovendien spreken de gehoorde experts elkaar tegen.

Spreekster vindt het onaanvaardbaar dat zo een belangrijk artikel in het kader van een wetsontwerp houdende diverse bepalingen dient te worden uitgespit. Een grondig debat is nochtans noodzakelijk en misschien moeten zelfs bijkomende hoorzittingen worden gehouden.

Spreekster verwijst naar de uiteenzetting van professor Masset, die wees op het belang van een beslissing van omzetting uit burgerlijke en politieke rechten. Deze maatregel is vaak belangrijker dan de gevangenisstraf die toch niet wordt uitgevoerd.

Verder stipt spreekster aan dat de vergoeding van de slachtoffers door een rechterlijke uitspraak meestal een principekwestie vormt. Het slachtoffer heeft vaak het gevoel dat een moeilijke periode hierdoor dan worden afgesloten.

Spreekster weet wel dat het slachtoffer akkoord moet gaan met de minnelijke schikking, maar blijft bezorgd voor de mogelijke uitoefening van druk. Misschien kan spreekster akkoord gaan met de minnelijke schikking voor fiscale en financiële zaken, maar zij heeft meer reflectietijd nodig.

Mevrouw Khattabi komt terug op het probleem van het slachtoffer bij een minnelijke schikking. De minnelijke schikking regelt niet alles wanneer men het slachtoffer is van lichamelijk geweld. Ze meent dat het overigens interessant kan zijn het standpunt van de minister belast met het actieplan tegen geweld te horen over de mogelijkheid voor dergelijke feiten een minnelijke schikking te krijgen.

De heer Laeremans is het eens met mevrouw Turan. Het is niet aanvaardbaar dat dergelijke belangrijke bepaling via een achterpoortje wordt uitgevoerd, namelijk bij amendement in de commissie Financiën van de Kamer op een wetsontwerp houdende diverse bepalingen, zondat dat de commissie voor de Justitie zelfs advies heeft kunnen geven.

Spreker meent ook dat de uiteenzetting van de heer Masset stof geeft tot nadenken. Er wordt een veelheid van argumenten geformuleerd die minstens enige reflectie vergen.

Ten slotte blijft spreker aandringen op het horen van een onderzoeksrechter. Dat er meer marge wordt verleend aan het openbaar ministerie kan hij nog begrijpen, maar het is heel vergaand dat men deze mogelijkheid van minnelijke schikking nog verleent wanneer de zaak zich reeds in het gerechtelijk onderzoek, of zelfs voor de rechtbank, bevindt.

Mevrouw Taelman neemt akte van de grote verantwoordelijkheid van bepaalde collega's. Spreekster herhaalt echter dat deze hervorming niet uit de lucht is gegrepen. De discussie hierover is al jaren aan de gang, ook in parlementaire commissies. Spreekster verwijst bijvoorbeeld naar de commissie fiscale fraude.

De hoorzitting was zeer interessant, maar er dient nu verder te worden gewerkt. Spreekster stelt voor het debat morgen te hervatten.

Mevrouw Turan wijst erop dat er moet gestemd worden, en dat enige reflectie vooraf nodig is.

Mevrouw Khattabi denkt dat een diepgaand debat over dit onderwerp echt noodzakelijk is. Tot slot vraagt ze zich af wat het nut is van de minnelijke schikking bij fiscale misdrijven, aangezien een fraudeur er geen belang meer bij zal hebben gelden in het buitenland aan te geven en terug in het land te brengen. Volgens haar zal de fraudeur er de voorkeur aan geven het risico te nemen, aangezien hij achteraf altijd kan proberen een minnelijke schikking te krijgen.

De heer Masset herinnert eraan dat het slachtoffer procedureel gezien slechts één recht heeft, namelijk het recht herstel te krijgen van zijn schade. Indien die schadevergoeding plaats vindt buiten de rechtbank, heeft het slachtoffer geen toegang meer tot de rechtbank, aangezien het schadeloos is gesteld. Formeel heeft het slachtoffer niet het recht erkenning te krijgen van de feiten waarvan het slachtoffer is geweest.

Hij wijst er ten slotte op dat sommige rechtbanken zich onbevoegd hebben verklaard in dossiers waarin vooraf een administratieve sanctie was opgelegd en ervan uit zijn gegaan dat de beoogde bestraffing heeft plaatsgehad.