5-656/1

5-656/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

13 JANUARI 2011


Wetsvoorstel teneinde het zorgouderschap in het Burgerlijk Wetboek op te nemen

(Ingediend door de heer Francis Delpérée)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 12 november 2007 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 4-382/1 - 2007/2008).

Het zorgouderschap is een nieuwe rechtsfiguur die, zonder te raken aan de eigenlijke afstamming (en dus aan de identiteit) van het kind, aan iemand die betrokken is bij of zich inspant voor een ouderrol ten aanzien van een kind, alle of een deel van de secundaire gevolgen van een juridische afstammingsband toekent.

Het is een interessante rechtsfiguur omdat ze soepel is en toepasselijk kan zijn op verschillende gezinssituaties waarin een kind, zonder biologisch of juridisch gezien het kind van een gegeven persoon te zijn, wordt opgevoed door de betrokkene, die ten aanzien van dat kind het engagement is aangegaan het te zullen opvoeden. Zulks kan bijvoorbeeld voorkomen in nieuw-samengestelde, heteroseksuele of homoseksuele gezinnen.

Voorts lijkt de rechtsfiguur van het « zorgouderschap » in de lijn te liggen van wat het Grondwettelijk Hof voorstond in zijn arrest van 8 oktober 2003. Daarin heeft het Hof met betrekking tot een kind dat werd opgevoed door een lesbisch paar waarbij de ene partner de moeder van dat kind was ingevolge inseminatie met sperma van een anonieme donor, het volgende geconcludeerd : « (...) het staat aan de wetgever om te preciseren in welke vorm, onder welke voorwaarden en volgens welke procedure het ouderlijk gezag, in het belang van het kind, zou kunnen worden uitgebreid tot andere personen die geen afstammingsband met het kind hebben (...). »

Het verzoek tot zorgouderschap zou in elk geval worden verworpen, mocht de rechtbank bij wege van een met redenen omklede beslissing vaststellen dat het zorgouderschap afbreuk zou doen aan het belang van het kind, dan wel aan de uitoefening door de vader of de moeder van het kind van zijn of haar eigen ouderlijke verantwoordelijkheden.

In geen geval mag het zorgouderschap de voorkeur krijgen boven het biologisch ouderschap, en de toekenning van zorgouderschap mag er niet toe bijdragen dat aan de biologische ouders hun verantwoordelijkheid wordt ontnomen.

Daarom wordt voorgesteld een onderscheid te maken tussen twee situaties.

In de eerste situatie wordt het ouderlijk gezag over een kind uitgeoefend door slechts één van zijn ouders :

— hetzij omdat de afstamming van het kind alleen ten aanzien van die ene ouder vaststaat;

— hetzij omdat de andere ouder overleden of afwezig is.

Voorbeelden :

— het geval waarin een alleenstaande vrouw voorheen een kind heeft gekregen ingevolge inseminatie met sperma van een anonieme donor, doch thans samenleeft met een levensgezel(lin);

— het geval waarin het kind samenleeft met een biologische ouder wiens partner overleden is, dan wel met een biologische ouder die zelf samenleeft met een nieuwe partner.

In de tweede situatie wordt het ouderlijk gezag over het kind door beide ouders uitgeoefend.

Voorbeeld :

het kind van een gescheiden paar dat de facto wordt opgevoed door het nieuw-samengestelde paar, bestaande uit één van de biologische ouders en diens nieuwe partner van het andere of hetzelfde geslacht.

1. Door slechts één ouder uitgeoefend ouderlijk gezag

In het eerste geval, wanneer het ouderlijk gezag maar door één ouder wordt uitgeoefend, valt te overwegen zorgouderschap toe te kennen als een echte toekenning van de rechten en plichten welke inherent zijn aan het ouderlijk gezag, zonder dat daarbij bijzondere moeilijkheden rijzen aangezien er geen andere biologische ouder is.

Overigens zullen voor de toekenning van het zorgouderschap aan de partner geen striktere voorwaarden mogen worden gehanteerd dan die welke vereist zijn in geval van adoptie, aangezien zorgouderschap per definitie een rechtsfiguur is die minder rechtlijnige rechtsgevolgen sorteert dan adoptie.

Aldus wordt erin voorzien dat de ouder van het kind en zijn partner om de toekenning van het zorgouderschap kunnen verzoeken wanneer zij gehuwd zijn, een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd of sedert ten minste drie jaar na de indiening van het verzoek onafgebroken als paar samenleven. Het verzoek kan, zoals in geval van adoptie, dus vanaf de geboorte van het kind worden ingediend.

In elk geval zou de rechtbank moeten vaststellen dat er een bijzondere affectieve band bestaat tussen de partner van de ouder en het kind, en dat de toekenning van het zorgouderschap in het hoger belang van het kind is.

Zulks betekent concreet dat de vigerende, in de artikelen 371 tot 387bis van het Burgerlijk Wetboek vervatte regeling inzake ouderlijk gezag ten volle van toepassing is.

Wanneer de biologische ouder en de uitoefenaar van het zorgouderschap samenleven, oefenen zij gezamenlijk het gezag over de persoon van het kind uit.

Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, worden de ouder en de uitoefenaar van het zorgouderschap geacht te handelen met instemming van de andere wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met dat gezag verband houdt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.

Bij gebreke van instemming kan de ouder of de uitoefenaar van het zorgouderschap de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig maken. De rechtbank kan de ouder of de uitoefenaar van het zorgouderschap toestemming verlenen alleen op te treden voor één of meer bepaalde handelingen.

Wanneer de biologische ouder en de uitoefenaar van het zorgouderschap niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het vermoeden van overeenstemming. Bij gebreke van overeenstemming over de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes of wanneer deze overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde rechter de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beiden.

Hij kan eveneens bepalen welke beslissingen met betrekking tot de opvoeding alleen met instemming van beiden kunnen worden genomen.

Hij bepaalt de wijze waarop degene die niet het ouderlijk gezag uitoefent, persoonlijk contact met het kind onderhoudt. Degene die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind; voorts kan hij alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden.

In elk geval bepaalt de rechter de wijze waarop het kind wordt gehuisvest en de plaats waar het in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf.

De ouder en de uitoefenaar van het zorgouderschap oefenen gezamenlijk het gezag over de persoon van het kind uit, beheren zijn goederen en treden gezamenlijk als zijn vertegenwoordiger op. Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elk van hen geacht te handelen met instemming van de andere wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.

Oefenen zij het gezag over de persoon van het kind niet gezamenlijk uit, dan heeft alleen degene die dat gezag uitoefent, het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind te vertegenwoordigen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen. De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer. Met dat doel kan hij alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden.

Hij kan een zaak bij de vrederechter aanhangig maken met betrekking tot de handelingen inzake de goederen van de minderjarige waarvoor machtiging door de vrederechter vereist is. Indien de zaak door de biologische ouder bij het vredegerecht aanhangig wordt gemaakt, wordt de uitoefenaar van het zorgouderschap gehoord of opgeroepen. De bepalingen betreffende het genot en het beheer van de goederen van minderjarigen gelden ook voor de uitoefenaar van het zorgouderschap.

In geval van overlijden van de biologische ouder wordt het ouderlijk gezag automatisch door de uitoefenaar van het zorgouderschap uitgeoefend, zonder dat zulks voogdij doet ontstaan.

Met betrekking tot de erfopvolging verwerven het kind of diens afstammelingen op de nalatenschap van de uitoefenaar van het zorgouderschap dezelfde rechten als die welke krachtens de bepalingen van boek III, titel I, van het Burgerlijk Wetboek aan de kinderen en aan de afstammelingen zijn toegekend. Zij verwerven geen enkel recht op de nalatenschap van de ouders van de uitoefenaar van het zorgouderschap.

De uitoefenaar van het zorgouderschap en diens afstammelingen verwerven op de nalatenschap van het kind dezelfde rechten als die welke krachtens de bepalingen van boek III, titel I, van het Burgerlijk Wetboek aan de voorouders zijn toegekend. De ouders van de uitoefenaar van het zorgouderschap verwerven geen enkel recht op de nalatenschap van het kind.

2. Door beide ouders uitgeoefend ouderlijk gezag

Pro memorie, de aan het ouderlijk gezag verbonden rechten kunnen worden onderverdeeld als volgt :

Rechten met betrekking tot de persoon van de minderjarige :

— het recht van bewaring (soms verkeerdelijk « materiële hoede » genoemd) : is gericht op de zorgverlening, de ondersteuning van het kind; de samenwoning met het kind en op het onderhouden met het kind van een relatie waarin de persoon een hechte band met het kind ontwikkelt en het steunt, wat impliceert dat de ouder die het recht van bewaring heeft de opvoedkundige beslissingen neemt die gebonden zijn aan de aanwezigheid van het kind bij hem of in zijn nabijheid;

— het opvoedingsrecht (soms verkeerdelijk « juridische bewaring » genaamd) : bestaat erin de belangrijke beslissingen te nemen met betrekking tot het levensonderhoud, het onderwijs en de opleiding van het kind, met andere woorden de beslissingen die niet gebonden zijn aan het verloop van het dagelijks leven van het kind en bijgevolg niet gerelateerd zijn aan de uitoefening van het recht van bewaring over het kind.

Rechten met betrekking tot de goederen van de minderjarige :

— het recht op wettelijk beheer : de bevoegdheid om het vermogen van het kind te beheren en het kind kunnen vertegenwoordigen in de diverse rechtshandelingen;

— het recht op het wettelijk genot van de goederen van de minderjarige; het recht om de inkomsten van hun kind te ontvangen en te bewaren.

In een situatie waarbij de beide biologische ouders nog steeds het ouderlijk gezag gezamenlijk (wat als beginsel geldt) dan wel exclusief over hun kind uitoefenen, is de enige mogelijkheid waarin kon worden voorzien die waarbij een soort overdracht van de rechten zou plaatsvinden, zonder dat die overdracht evenwel tot gevolg zou hebben de ouder de uitoefening van zijn eigen rechten en plichten ten opzichte van het kind te ontnemen. Er is dus geen overdracht van rechten en plichten van de overdrager naar de persoon aan wie wordt overgedragen, zoals bij de overdracht van rechten in de strikte juridische zin.

Zowel op psychologisch als op juridisch vlak (artikel 9 van het Verdrag van New York inzake de rechten van het kind), kan het ouderlijk gezag sensu stricto alleen berusten bij twee personen, ook al valt te overwegen bepaalde verantwoordelijkheden aan een derde over te dragen.

Voorts mag het zorgouderschap in geen enkel geval de rechten van de andere ouder schaden.

Zo kan de overdracht alleen betrekking hebben op de rechten en plichten die gerelateerd zijn aan het recht waarvan de verzoekende ouder houder is.

Wij stellen voor dat de rechten verbonden aan het ouderlijk gezag uitgeoefend door de bewarende ouder (ongeacht of hij het recht van bewaring uitoefent dan wel het kind onderdak verleent), kunnen worden gedelegeerd aan de partner van die ouder.

Bij de bewarende ouder berust immers dezelfde verantwoordelijkheid inzake de zorg voor het kind en inzake alle dagdagelijkse opvoedkundige beslissingen die gerelateerd zijn aan de uitoefening van de bewaring gedurende de periode waarin hij het kind onder zijn bewaring heeft of wanneer het kind bij hem verblijft. Geen enkel voorafgaand akkoord van de andere ouder is vereist.

Het recht inzake de opvoeding van het kind, heeft daarentegen betrekking op de belangrijke beslissingen die het verloop van het dagdagelijkse leven van het kind overstijgen. De gezamenlijke uitoefening van het opvoedingsrecht impliceert dat iedere ouder betrokken wordt bij de uitoefening van dat ouderlijk recht, zodat geen van beide ouders desbetreffend een beslissing kan nemen zonder vooraf de instemming van de andere ouder te hebben gekregen (keuze van een school, een jeugdbeweging, een sportactiviteit, het beroep doen op een bepaalde medische behandeling, de beslissing om van schoolrichting te veranderen, een jaar over te doen, keuze van de religieuze of levensbeschouwelijke optie, ...)

Bijgevolg is een soortgelijke overdracht inzake het onderwijsrecht alleen denkbaar in het schema van een exclusief ouderlijk gezag.

De vraag of een overdracht denkbaar is inzake de rechten en plichten ten opzichte van de goederen van de minderjarige, ligt delicaat. Het leek de indiener van het wetsvoorstel verkieslijk dat de rechten betreffende het beheer en het wettelijk genot van de goederen van de minderjarigen en de daaraan gelieerde plichten in handen van de ouders van de minderjarige blijven.

In elk geval zou de rechtbank moeten vaststellen dat er een bijzondere affectieve band bestaat tussen de persoon die om het zorgouderschap verzoekt en het kind, en dat de toekenning van het zorgouderschap het best beantwoordt aan het belang van het kind.

Bovendien kan het zorgouderschap alleen worden toegekend aan de partner als die persoon heeft samengewoond met de ouder die het verzoek doet en samen met die verzoekende ouder de bewaring of de opvoeding van het kind op zich heeft genomen gedurende een ononderbroken periode van drie jaar, voorafgaand aan de indiening van het verzoek, en zo die situatie nog steeds aanhoudt op de dag waarop het verzoek wordt ingediend.

Wanneer de verzoekende ouder en de uitoefenaar van het zorgouderschap niet langer samenwonen, zou artikel 375bis naar analogie op laatstgenoemde toepasselijk zijn.

Gesteld dat de vader en de moeder overlijden en een voogdij wordt opengesteld. Als de ouders bij testament of bij verklaring geen bewindvoerder hebben aangewezen, of indien hun keuze niet kon worden gevolgd, zal de vrederechter bij voorkeur de uitoefenaar van het zorgouderschap kiezen, op voorwaarde dat het kind werkelijk door hem werd opgevoed en dat die keuze overeenstemt met het belang van de minderjarige. De rechter zal met name rekening houden met de duurzaamheid waarmee de uitoefenaar van het zorgouderschap het levensonderhoud en de opvoeding van het kind ter harte heeft genomen.

Wanneer we te maken hebben met twee biologische ouders, heeft de toekenning van het zorgouderschap integendeel geen gevolg voor de erfopvolgingsrechten.

Wij zijn evenwel van mening dat het aangewezen is de erfopvolgingsrechten in het Waals Gewest af te stemmen op het Vlaamse model. Sinds 1 januari 2003 geldt in het Vlaams Gewest de volgende regeling. Het tarief in rechte lijn tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden komt ook ten goede aan het niet-biologische kind dat vóór de leeftijd van eenentwintig jaar gedurende drie opeenvolgende jaren met de overledene heeft samengewoond en aan wie de overledene en/of zijn echtgenoot de zorg en de ondersteuning hebben geboden die kinderen normaal gesproken van hun ouders ontvangen.

COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 2

Artikel 387ter

Dit artikel definieert het begrip « zorgouderschap ».

Artikel 387quater

Dit artikel heeft betrekking op de situatie waarin het ouderlijk gezag ten aanzien van het kind wordt uitgeoefend door slechts één van zijn ouders, omdat de afstamming van het kind slechts ten aanzien van die ene ouder gevestigd is, of omdat de andere ouder overleden dan wel afwezig is.

Op verzoek van de ouder en van diens samenwonende partner kan de jeugdrechtbank het zorgouderschap aan die partner toekennen.

Het artikel somt de algemene voorwaarden tot toekenning van dat zorgouderschap op, met name :

— een verzoekschrift op tegenspraak moet gezamenlijk door de ouder van het kind en zijn samenwonende partner worden ingediend;

— de ouder van het kind en de partner moeten gehuwd zijn, een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd of op een permanente en affectieve wijze zijn gaan samenwonen sedert ten minste drie jaar vóór de indiening van het verzoek. Het verzoek kan dus worden ingediend vanaf de geboorte van het kind;

— de rechtbank moet tot het besluit komen dat er een bijzondere affectieve band bestaat tussen de partner van de ouder en het kind, en dat de toekenning van het zorgouderschap in het belang van het kind is.

Voorts worden de gevolgen van het zorgouderschap opgesomd :

— de bepalingen van boek I, titel IX, van het Burgerlijk Wetboek, over het ouderlijk gezag, zijn van toepassing;

— de uitoefenaar van het zorgouderschap is ertoe gehouden het kind, alsook diens behoeftige afstammelingen, levensonderhoud te verschaffen. Indien het kind minderjarig is, is hij ten aanzien van het kind krachtens artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek verplicht te voorzien in diens levensonderhoud;

— het kind verwerft dezelfde erfenisrechten op de nalatenschap van de uitoefenaar van het zorgouderschap als een afstammeling, maar niet op de nalatenschap van de ouders van de uitoefenaar van het zorgouderschap. Omgekeerd verwerven de uitoefenaar van het zorgouderschap en diens afstammelingen dezelfde rechten op de nalatenschap van het kind als een voorouder, maar niet op de nalatenschap van de ouders van het kind;

— bij overlijden van de biologische ouder zet de uitoefenaar van het zorgouderschap zelf de uitoefening van de rechten en plichten van het ouderlijk gezag ten aanzien van het kind voort. Er hoeft derhalve geen voogdij te ontstaan.

Artikel 387quinquies

Dit artikel beoogt de situatie waarbij het ouderlijk gezag over het kind wordt uitgeoefend door de vader en de moeder, als die niet samenwonen.

In dat geval kan de jeugdrechtbank op verzoek van een van de ouders en zijn samenwonende partner, de ouder die alleen of gezamenlijk verantwoordelijk is voor de bewaring of de huisvesting van het kind, toestaan de rechten en plichten waarvan hij ten aanzien van het kind houder is, deels of geheel aan zijn partner over te dragen.

De voorwaarden voor die overdracht zijn de volgende :

— er is een verzoekschrift op tegenspraak nodig dat gezamenlijk wordt ingediend door de ouder van het kind en zijn samenwonende partner;

— die laatsten moeten de bewaring of de opvoeding van het kind gezamenlijk en affectief sinds ten minste drie maanden vanaf de indiening van het verzoekschrift uitoefenen;

— de rechtbank moet vaststellen dat er een bijzondere band is tussen de partner van de ouder en het kind, en dat het zorgouderschap het best beantwoordt aan het belang van het kind.

Die overdracht heeft niet tot gevolg dat de ouder zijn eigen rechten en plichten ten aanzien van het kind verliest. Er is dus geen overdracht van rechten en plichten van de overdrager naar de gemachtigde, zoals bij de overdracht van rechten in strikt juridisch zin.

Voorts mag het zorgouderschap in geen geval afbreuk doen aan de rechten van de andere ouder.

Zo mag de overdracht alleen betrekking hebben op de rechten en plichten verbonden aan het recht op bewaring en de huisvesting waarvan de ouder houder is. Zij mag evenwel ook betrekking hebben op de belangrijke beslissingen in verband met het onderhoud, de opvoeding en de opleiding van het kind, als die beslissingen deel uitmaken van de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag dat aan de aanvrager is toegekend.

Geen enkele overdracht mag worden toegekend inzake het recht met betrekking tot het beheer en het wettelijk genot van de goederen van het kind.

De verzoekers kunnen bovendien vragen dat de rechtbank bij de inwilliging van hun verzoek tegelijkertijd een uitspraak doet over de nadere regels volgens welke de partner deel heeft in het onderhoud van het kind.

Als de relatie wordt verbroken, heeft de uitoefenaar van het zorgouderschap het recht persoonlijke betrekkingen met het kind te onderhouden als een grootouder of ieder ander persoon, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft (artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek).

Als de vader en de moeder overlijden en er een voogdij ontstaat, en als de ouders bij testament of bij verklaring geen voogd hebben aangewezen of als hun keuze door de rechter niet kan worden gevolgd, kiest de vrederechter bij voorrang de uitoefenaar van het zorgouderschap, voor zover het kind echt door die persoon is opgevoed en de keuze overeenstemt met het belang van de minderjarige. De rechter zal in het bijzonder rekening houden met de standvastigheid waarmee de uitoefenaar van het zorgouderschap zich van het onderhoud en de opvoeding van het kind heeft gekweten.

Als er twee biologische ouders zijn, heeft de toekenning van het zorgouderschap daarentegen geen gevolg voor de erfopvolgingsrechten.

Artikel 387sexies

Dit artikel regelt de gemeenschappelijke procedure voor de in de artikelen 387quater en 387quinquies bedoelde verzoeken :

— verzoekschrift op tegenspraak dat gezamenlijk door de ouder en zijn partner bij de jeugdrechtbank wordt ingediend (toepassing van de artikelen 1034bis e.v. van het Gerechtelijk Wetboek);

— mogelijkheid voor de rechter het kind te horen als het de leeftijd van het onderscheidingsvermogen heeft bereikt (artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek);

— de voorafgaande instemming van het kind dat de volle leeftijd van 15 jaar heeft bereikt, is vereist;

— oproeping in raadkamer, van de ouders ten aanzien van wie de afstamming is vastgesteld. De andere ouder wordt in ieder geval gehoord. Moet men verder gaan en de overdracht van de rechten waarvan de verzoekende ouder uitoefenaar is, ondergeschikt maken aan de instemming van de andere ouder ? Wij denken van niet, omdat die overdracht betrekking heeft op de rechten waarvan de ouder houder is, en zij voorts altijd zal worden voltrokken zonder afbreuk te doen aan de rechten van de andere ouder. Als die laatste zich benadeeld acht, kan hij zich tot de jeugdrechtbank wenden;

— mogelijkheid om de verschijning te bevelen van iedere persoon van wie de rechtbank het nuttig acht die te horen;

— advies van het openbaar ministerie.

In ieder geval kan de jeugdrechtbank, op verzoek van de ouders, één van hen, de uitoefenaar van het zorgouderschap of de procureur des Konings, in het belang van het kind, elke bepaling inzake het zorgouderschap bevelen of wijzigen.

Artikel 3

Dit artikel wijzigt artikel 393 van het Burgerlijk Wetboek om te bepalen dat als de vader en de moeder geen voogd hebben aangewezen of hun keuze niet kan worden gevolgd, de vrederechter bij voorrang de in artikel 387quinquies bedoelde uitoefenaar van het zorgouderschap kiest, voor zover dat kind echt door deze persoon is opgevoed en zulks nog altijd zo is als de voogdij ontstaat en die keuze overeenstemt met het belang van het kind.

Francis DELPÉRÉE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Dit artikel regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In boek I van het Burgerlijk Wetboek wordt een titel IXbis ingevoegd, die de artikelen 387quater tot 387septies omvat, luidende :

« Titel IXbis. Zorgouderschap

Art. 387quater. — De status van uitoefenaar van het zorgouderschap kan bij rechterlijke beslissing worden toegekend aan een persoon die een paar vormt met een andere persoon, en die daadwerkelijk betrokken is bij de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheden ten aanzien van het kind van zijn partner, van wie hij voor het overige niet de vader, noch de moeder is.

Art. 387quinquies. — § 1. Wanneer het ouderlijk gezag ten aanzien van een kind wordt uitgeoefend door slechts één van zijn ouders, hetzij omdat de afstamming van het kind slechts ten aanzien van die ene ouder vaststaat, hetzij omdat de andere ouder overleden dan wel afwezig is, kan de jeugdrechtbank, op verzoek van de ouder en van diens samenwonende partner, het zorgouderschap aan die partner toekennen.

Om de toekenning van het zorgouderschap kan worden verzocht door de ouder van het kind en door zijn partner, wanneer die gehuwd zijn, een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd of op een permanente en affectieve wijze samenwonen sedert ten minste drie jaar vóór de indiening van het verzoek.

In alle gevallen moet de rechtbank tot het besluit komen dat er een bijzondere affectieve band bestaat tussen de partner van de ouder en het kind, en dat de toekenning van het zorgouderschap in het belang van het kind is.

§ 2. De uitoefenaar van het zorgouderschap oefent, gezamenlijk met de ouder van het kind, de rechten en plichten uit van het ouderlijk gezag ten aanzien van het kind.

De bepalingen van dit boek, titel IX, zijn van toepassing.

§ 3. De uitoefenaar van het zorgouderschap is verplicht het kind, alsook diens behoeftige afstammelingen, levensonderhoud te verschaffen. Indien het kind minderjarig is, is hij ten aanzien van het kind krachtens artikel 203 verplicht te voorzien in diens levensonderhoud.

§ 4. Het kind of diens afstammelingen verwerven op de nalatenschap van de uitoefenaar van het zorgouderschap dezelfde rechten als die welke krachtens de bepalingen van boek III, titel I, aan de kinderen en aan de afstammelingen zijn toegekend. Zij verwerven geen enkel recht op de nalatenschap van de uitoefenaar van het zorgouderschap.

De uitoefenaar van het zorgouderschap en diens afstammelingen verwerven op de nalatenschap van het kind dezelfde rechten als die welke krachtens de bepalingen van boek III, titel I, aan de voorouders zijn toegekend. De ouders van de uitoefenaar van het zorgouderschap verwerven geen enkel recht op de nalatenschap van het kind.

§ 5. Bij overlijden van de ouder zet de uitoefenaar van het zorgouderschap zelf de uitoefening van de rechten en plichten van het ouderlijk gezag ten aanzien van het kind voort.

Art. 387sexies. — § 1. Wanneer het ouderlijk gezag ten aanzien van het kind wordt uitgeoefend door de vader en de moeder en wanneer die niet langer samenleven, kan de jeugdrechtbank, op verzoek van een van de ouders en van diens samenwonende partner, de ouder die, hetzij exclusief, hetzij gezamenlijk met de andere ouder de bewaring of de huisvesting van het kind op zich neemt, de toestemming geven aan zijn partner alle of een deel van de rechten en plichten over te dragen die hij ten aanzien van het kind heeft.

Die overdracht verhindert niet dat de ouder zijn eigen rechten en plichten ten aanzien van het kind kan uitoefenen c.q. moet nakomen.

§ 2. Om die overdracht kan worden verzocht door de ouder van het kind en door zijn samenwonende partner, wanneer die op een permanente en affectieve wijze en sedert ten minste drie jaar op het tijdstip van de indiening van het verzoek, gezamenlijk de bewaring of de opvoeding van het kind op zich nemen.

In alle gevallen moet de rechtbank vaststellen dat er sprake is van een bijzondere affectieve band tussen de partner van de ouder en het kind, alsook dat het zorgouderschap in het belang van het kind is.

Het zorgouderschap mag in geen geval afbreuk doen aan de rechten van de andere ouder.

§ 3. De overdracht mag slechts betrekking hebben op de rechten en plichten die verbonden zijn aan het recht van bewaring of huisvesting waarvan de ouder houder is.

Niettemin kan de overdracht eveneens betrekking hebben op belangrijke beslissingen inzake het levensonderhoud, de opvoeding en de opleiding van het kind, wanneer die beslissingen ressorteren onder de exclusieve uitoefening van het aan de verzoekende ouder toegekende ouderlijk gezag.

Er kan geen overdracht worden toegestaan met betrekking tot het recht de goederen van het kind te beheren en er het wettelijk genot van te hebben.

Wanneer de rechtbank hun verzoek inwilligt, kunnen de verzoekers de rechter bovendien vragen tegelijkertijd uitspraak te doen over de voorwaarden waaronder de partner bijdraagt tot het levensonderhoud van het kind.

In geval van een breuk, kan de uitoefenaar van het zorgouderschap de jeugdrechtbank om de toepassing van artikel 375bis verzoeken.

Art. 387septies. — § 1. Het bij de artikelen 387quinquies en 387sexies bedoelde verzoek wordt door de ouder die de bewaring over het kind heeft en door diens partner gezamenlijk ingediend bij de jeugdrechtbank van de woonplaats van het kind, overeenkomstig de artikelen 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.

Het kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt of dat over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt, wordt gehoord overeenkomstig artikel 931, derde tot zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Indien het kind bovendien de volle leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, is zijn voorafgaande toestemming vereist.

De jeugdrechter roept de ouders ten opzichte van wie de afstamming vaststaat, in raadkamer op. Hij gaat in ieder geval na of de verzoekende ouder ermee instemt dat het zorgouderschap aan zijn partner wordt toegekend.

Hij wint tevens het advies in van het openbaar ministerie.

Hij kan de verschijning in raadkamer gelasten van alle personen van wie hij het aangewezen acht dat ze worden gehoord. Die personen kunnen bij eenvoudige akte verklaren dat zij in het geding tussenbeide willen komen.

§ 2. Het verzoek wordt in ieder geval afgewezen indien de rechtbank bij een met redenen omklede beslissing vaststelt dat het zorgouderschap afbreuk zou doen aan het belang van het kind, dan wel de vader of de moeder van het kind zou verhinderen de eigen ouderlijke verantwoordelijkheid uit te oefenen.

§ 3. In ieder geval kan de jeugdrechtbank, op verzoek van de vader en de moeder, van één van beiden, van de uitoefenaar van het zorgouderschap of van de procureur des Konings, in het belang van het kind alle nodige schikkingen met betrekking tot het zorgouderschap bevelen, alsook ze wijzigen of opheffen. »

Art. 3

Artikel 393 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :

« Art. 393. — Indien de ouders geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid die hun in het voorgaande artikel wordt geboden of indien het niet mogelijk was hun keuze te volgen, kiest de vrederechter zodra hij kennis heeft van het ontstaan van de voogdij, een voogd die geschikt is om de minderjarige op te voeden en zijn goederen te beheren, bij voorkeur uit de naaste familieleden. Hij kiest bij voorrang de uitoefenaar van het zorgouderschap als bedoeld in artikel 387sexies, op voorwaarde dat het kind daadwerkelijk door hem of haar werd opgevoed, dat zulks ook nog het geval is op het tijdstip dat de voogdij ontstaat en dat die keuze strookt met het belang van het kind. Hij benoemt de voogd nadat hij zich heeft verzekerd van zijn toestemming. »

2 december 2010.

Francis DELPÉRÉE.