5-609/7

5-609/7

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

22 DECEMBER 2010


Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (I)


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING UITGEBRACHT DOOR

DE HEER SEVENHANS


I. INLEIDING

Dit optioneel bicameraal wetsontwerp (artikel 78 van de Grondwet) werd op 9 december 2010 door de regering in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend (stuk Kamer, nr. 53-771/1), op 22 december 2010 door de Kamer aangenomen en op dezelfde dag overgezonden aan de Senaat. De Senaat heeft het wetsontwerp geëvoceerd op 22 december 2010.

De artikelen 6 tot 8 werden verwezen naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

In toepassing van het artikel 27.1, tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie de bespreking van deze artikelen aangevat voor de stemming in de Kamer.

De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging heeft aldus de artikelen 6 tot 8 besproken tijdens haar vergaderingen van 16 en 22 december 2010.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER DE CREM, MINISTER VAN LANDSVERDEDIGING

De titel « Landsverdediging » uit het voorliggende wetsontwerp bevat drie bepalingen.

De eerste bepaling voegt een nieuw artikel in de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen. Zo wordt de geldelijke situatie geregeld van militairen die tijdelijk prestaties uitvoeren voor een externe instelling. Voor militairen die ter beschikking worden gesteld van een buitenlandse regering of van een Belgische openbare werkgever, voorziet de algemene regel dat de nieuwe werkgever hen betaalt. Dit is bijvoorbeeld het geval voor een militair ter beschikking gesteld van de Haven van Brussel.

De oorspronkelijke versie van deze bepaling voorzag een uitzondering op de algemene regel waarbij delegatie werd gegeven aan de minister van Landsverdediging om in bijzondere gevallen de militair het recht op militaire geldelijke voordelen te laten behouden. Ten gevolge het advies van de Raad van State, waarin werd gesteld dat het aan de Koning is om een dergelijke delegatie te voorzien en niet aan de wetgever, werd de delegatie in deze zin aangepast wat terug te vinden is in het derde lid van artikel 6.

Daarentegen stelde de Raad van State dat de gevallen waarbij deze delegatie werd gegeven op niveau van de wet diende te worden vastgelegd. Om hieraan tegemoet te komen, werd er in de wet voorzien dat de uitzondering enkel kan toegepast worden wanneer zij dient om de geldelijke rechten van de militair te beschermen.

Paragraaf 2 van de bepaling slaat op alle andere gevallen, met name de militairen die hun militair geldelijk statuut behouden, zoals bijvoorbeeld militairen in opdracht bij een VN Hoofdkwartier. Deze paragraaf zorgt ervoor dat er expliciet in het statuut wordt voorzien dat zij geen twee keer voor een bepaalde gemaakte kost worden vergoed. Dit om een einde te stellen aan een bestaande ongelijkheid, ingevolge het feit dat de VN bepaalde militairen individueel en rechtstreeks vergoed zonder Defensie daarvan in kennis te brengen. Hierdoor werden bepaalde militairen zowel door de VN als door Defensie vergoed. De bepaling voorziet dat deze militairen het bedrag van de laagste vergoeding aan Defensie moeten terugbetalen. Bij deze bepaling heeft de Raad van State gevraagd om na te kijken of het enkel vergoedingen betreft, dan wel andere bedragen boven op de bezoldiging. Dit werd nagegaan en het betreft hier enkel en alleen vergoedingen, zoals aangegeven in het 7e lid van de memorie van toelichting van artikel 6.

Artikel 7 van het ontwerp strekt ertoe de automatische inwerkingtreding van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de krijgsmacht met een jaar uit te stellen. Momenteel treedt deze wet automatisch in werking op 1 juli 2011. Deze wet van 2007 vormt een fundamentele hervorming van de huidige militaire statuten. Ze voorziet onder andere in de opheffing van de wettelijke basis van het statuut van de kandidaat-militairen, het statuut van de officieren, onderofficieren en vrijwilligers, of nog van de wet op het rendement. Men gaat hierbij uit van het principe dat de opgeheven bepalingen worden vervangen door bepalingen van de wet van 28 februari 2007. Het klopt dat de nieuwe wetsbepalingen bestaan, maar dit neemt niet weg dat de uitvoering ervan een groot aantal koninklijke besluiten en ministeriële besluiten vergt. Gelet op de periode van lopende zaken, zijn niet alle noodzakelijke besluiten kunnen worden genomen. De voorgestelde bepaling strekt ertoe de samenhang tussen de wet van 2007 en de uitvoeringsbesluiten ervan te behouden, zoals dat door de wetgever was bepaald.

Bij wijze van voorbeeld : indien de voorgestelde bepaling niet was aangenomen, zou de bevordering van de hogere officieren volgens de wet moeten plaatshebben na een sollicitatieprocedure, terwijl alle uitvoeringsbesluiten deze bevordering regelen via de bevorderingscomités. De bepaling ziet bijgevolg toe op het behoud van rechtszekerheid voor de militairen. De Raad van State heeft over deze bepaling geen opmerking gemaakt en, zoals in de toelichting over artikel 6 werd geschreven, is aan de andere opmerkingen van de Raad van State gevolg gegeven.

III. ALGEMENE BESPREKING

Mevrouw Arena vraagt vanaf welk moment er kan gesproken worden van een dubbele bezoldiging betaald door Defensie en tegelijkertijd door een andere organisatie, zoals de VN. Artikel 6 voorziet een terugstorting. Geldt dit met terugwerkende kracht ?

De minister antwoordt dat dit probleem zal geregeld worden als de voorgestelde wetswijziging van kracht wordt, te weten vanaf de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Het probleem werd opgemerkt in de loop van het jaar 2007, maar deze voorgestelde wetswijziging wordt niet met terugwerkende kracht toegepast. De personen die een dubbele vergoeding ontvangen hadden, werden schriftelijk verzocht deze vrijwillig te willen terugstorten. Heel wat betrokkenen zijn hiermee akkoord gegaan; aan de anderen wordt een herinnering gestuurd.

Mevrouw Arena vraagt waarom men zo lang gewacht heeft om dit probleem, dat blijkbaar reeds sinds 2007 aan de orde was, te regelen.

Volgens de minister heeft het enige tijd geduurd om het probleem uit te klaren. In ieder geval zal tegen de personen die niet vrijwillig terugbetaalden, een gerechtelijke actie worden ondernomen op basis van de voorgestelde wetswijziging.

De heer Sevenhans vraagt zich af of het begrip van de dubbele vergoeding ook bijkomende premies, zoals de gevarenpremie, viseert.

De minister verklaart dat er alleen een probleem rijst voor de vergoedingen die niet wettelijk zijn vastgelegd. Daarenboven zal alleen het laagste bedrag moeten worden teruggestort.

Mevrouw Zrihen stelt vast dat men de betrokkenen zal vragen om vrijwillig vergoedingen terug te betalen, zonder wettelijke basis die bepaalt dat deze twee soorten vergoedingen niet naast elkaar kunnen bestaan. Bovendien is de wetswijziging pas van toepassing vanaf juni 2011. Dit betekent dat er tot dan geen enkele juridische procedure kan worden opgestart.

Spreekster vraagt zich af of er voorzien is in nadere bepalingen voor de aanzuivering van de schulden, aangezien het kan gaan om aanzienlijke sommen die gedurende verschillende jaren zijn betaald.

De minister wijst erop dat de situatie teruggaat tot eind 2007, maar het hierbij enkel om individuele gevallen gaat. Het gaat om personen die werden aangesteld in het hoofdkwartier van de VN in Libanon. Dit geldt telkens voor een officier voor perioden van drie, vier, vijf of zes maanden. In de praktijk gaat het over een twintigtal betrokkenen sinds 2007. Het betreft over het algemeen terugbetalingen van verblijfs- of vervoerskosten van om en bij de 1 000 euro per maand en per persoon. Het gaat dus niet om een aanzienlijk aantal gevallen of zeer hoge bedragen.

Momenteel worden de terugbetalingen gevorderd op grond van het algemeen principe van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, namelijk dat iemand geen twee keer kan worden vergoed voor dezelfde kosten. De voorgestelde wetswijziging maakt het mogelijk dit principe nader te omschrijven en rechtszaken in te leiden. Indien een gerechtelijke instantie beslist dat de betrokkenen niet dienen terug te betalen, zal Defensie diegenen die de bedragen reeds vrijwillig hebben teruggestort vergoeden, teneinde onrechtvaardigheid te voorkomen.

IV. STEMMINGEN

Het geheel van de artikelen, verwezen naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging wordt aangenomen met 7 stemmen bij 2 onthoudingen.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Luc SEVENHANS. Karl VANLOUWE.