5-609/4

5-609/4

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

22 DECEMBER 2010


Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (I)


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW LIJNEN


I. INLEIDING

Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp (stuk Kamer, nr. 53-771/1). Het werd op 22 december 2010 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, met 74 tegen 25 stemmen bij 34 onthoudingen. Het werd op 22 december 2010 overgezonden aan de Senaat en op dezelfde dag geëvoceerd.

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 21 en 22 december in aanwezigheid van de heer Yves Leterme, eerste minister, belast met de coördinatie van het migratie- en asielbeleid, mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie, mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, mevrouw Sabine Laruelle, minister van KMO, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid en de heer Michel Daerden, minister van Pensioenen en Grote Steden, leden van de ontslagnemende regering.

II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN.

A. Inleidende uiteenzetting van de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie

Mevrouw Laurette Onkelinx, ontslagnemend vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie, licht de bepalingen toe van de Titels 10 en 11 van het wetsontwerp.

Zoals elk jaar vergt de uitvoering van de begroting 2011 van de gezondheidszorg, die de Algemene Raad van het RIZIV op 18 oktober jongstleden goedkeurde, een reeks wetswijzigingen.

De bepalingen die de minister vandaag voorstelt betreffen :

— de bijdrage van de gezondheidszorg aan het evenwichtvan de sociale zekerheid;

— de geneesmiddelen;

— het sociaal akkoord voor de federale gezondheidszorgsectoren.

De andere bepalingen betreffen wijzigingen die nodig zijn voor :

— de administratieve kosten van de verzekeringsinstellingen;

— het Fonds voor de medische ongevallen;

— het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten;

— de bekrachtiging van koninklijke besluiten voor de varkens- rund- en melksectoren.

De regering besliste in oktober 2009 om binnen de begrotingsdoelstelling van de gezondheidszorg in 2010 een bedrag van 350 miljoen euro en in 2011 een bedrag van 450 miljoen euro opzij te zetten met het oog op de bijdrage tot het financieel evenwicht van het globale beheer van de sociale zekerheid, en dat dit het voorwerp uitmaakte van een wetsbepaling in de programmawet van 23 december 2009.

Het enige hoofdstuk Sociale zaken van het wetsontwerp vertaalt de beslissing van de regering om het voor 2011 aanvankelijk bepaalde bedrag van 450 miljoen euro op 1 093 miljoen euro te brengen omdat de sociale zekerheid nog altijd onder de zware gevolgen van de economische en financiële crisis gebukt gaat. Deze middelen voor de gezondheidszorg zullen er, met de bijzondere staatstoelage van 2,7 miljard euro, voor zorgen dat men de verschillende sociale uitkeringen zeker zal kunnen betalen.

De artikelen 108 tot 112 voeren voor 2011 de bijdrage op de omzet van de terugbetaalde geneesmiddelen ten laste van de farmaceutische bedrijven in. De hoogte van deze bijdrage en de betalingsvoorwaarden zijn gelijk aan die welke in 2010 werden toegepast, zijnde een standaardbijdrage van 6,73 % en een belastingbijdrage van 1 %.

Met betrekking tot de maatregelen om de geneesmiddelenbegroting te beheersen legt onderafdeling 2 van het eerste hoofdstuk Volksgezondheid de nieuwe voorschrijfquota van goedkope geneesmiddelen vast die van alle artsen, afhankelijk van hun specialisatie, vanaf 2011 zullen gevraagd worden, en wijzigt lichtjes de voorschriftdrempels voor de tenlasteneming van de verstrekkers.

De onderafdelingen 3 en 4 passen de percentages aan van de verplichte vermindering voor de geneesmiddelen in het referentieterugbetalingssysteem, dat wil zeggen de generische geneesmiddelen en hun originele geneesmiddelen; vanaf 2011, wanneer een generisch geneesmiddel beschikbaar wordt, zal de kost voor de ziekteverzekering met 31 % verminderd worden. Twee jaar na de invoering van dit systeem zal de kost met 6 % verminderd worden.Vier jaar na het beschikbaar worden van een generisch geneesmiddel zal de kost opnieuw met 5,5 % verminderd worden.

Tevens zullen door de bepalingen van hoofdstuk 2 van die Titel, alle geneesmiddelen, met of zonder generisch geneesmiddel, die minstens 12 jaar of 15 jaar worden terugbetaald, nogmaals met 2 % verminderen in 2011. Na 15 jaar terugbetaling zal de kostprijs voor de begroting gezondheidszorg van die zogenaamde « oude » geneesmiddelen dus met 19 % verminderen.

Het gevolg van die gecombineerde maatregelen betreffende de prijzen en de terugbetalingsgrondslag heeft tot gevolg dat 4 jaar na afloop van de octrooibeschermingsperiode, de kostprijs voor de ziekteverzekering nog slechts de helft zal bedragen van de oorspronkelijke kostprijs ! Dat is uiteraard zuivere winst voor de ziekteverzekering, maar het heeft tevens een rechtstreekse impact op de kosten die de patiënt voor zijn rekening neemt.

De prijsdalingsmaatregelen gaan gepaard met de onvermijdelijke prijsblokkering van de terugbetaalde geneesmiddelen. Die blokkering blijft evenwel soepel genoeg om het eventueel mogelijk te maken dat zeer oude geneesmiddelen, waarvan de prijs erg laag kan zijn, blijven bestaan. Dit wetsontwerp voorziet in twee nieuwe mogelijkheden tot uitzondering, die strekken om eventuele onbedoelde negatieve gevolgen van die sterke dalingen te voorkomen. De eerste uitzondering maakt dat geneesmiddelen waarvan de prijs reeds met 65 % is verlaagd, kunnen ontsnappen aan nieuwe dalingen voor « oude » geneesmiddelen en dankzij de tweede maatregel kunnen hele kleine markten van diezelfde daling worden vrijgesteld.

Artikel 118 legt het bedrag vast van de administratiekosten van de vijf verzekeringsinstellingen en van de kas voor geneeskundige verzorging van de NMBS. Zoals de regering in oktober 2009 beslist heeft, werden die administratiekosten, zoals voor 2010, ten opzichte van de groei van 3,81 % die men op hen had moeten toepassen, met 16 miljoen euro verminderd.

De maatregel in Hoofdstuk 3, over het Fonds voor de medische ongevallen, zal het voor dat Fonds mogelijk maken dezelfde boekhoudkundige regels te gebruiken als het RIZIV. Dat is van belang omdat het Fonds aanleunt bij het RIZIV, dat de boekhoudingsdiensten voor het fonds op zich zal nemen.

Het Paritair Comité van de gezondheidsinstellingen en -diensten heeft een bestaanszekerheidsfonds opgericht voor de loontrekkenden van de privésector. Dat sectoraal spaarfonds heeft als hoofddoel een sectoraal pensioenfonds, een tweede pensioenpijler, te organiseren en voor te bereiden.

Om dat toekomstig pensioenfonds te spijzen, draagt hoofdstuk 5 de bedragen voor de werknemers van de privésector, die momenteel in een van de fondsen van de Rijksdienst voor pensioenen zitten, over naar het sectoraal pensioenfonds.

Om de 0,6 % van de totale loonmassa van de federale gezondheidssectoren te bereiken, iets waartoe de regering zich had verbonden in het sociaal akkoord betreffende de federale gezondheidssectoren dat in 2005 werd gesloten, is het bovendien van belang dat er wordt voorzien in twee bijkomende stortingen door het RIZIV, de ene voor de privésector (7 964 197 euro), de andere voor de overheidssector (891 284 euro).

De drie artikelen van hoofdstuk 6 strekken ertoe om drie koninklijke besluiten uit 2009 te bekrachtigen met het oog op de tijdelijke verlaging van de verplichte bijdragen voor de Begrotingsfondsen voor de gezondheid van de varkens-, runderen- en melksectoren na de crisis welke die sectoren hebben doorgemaakt. De bekrachtiging is noodzakelijk omdat die besluiten van rechtswege met terugwerkende kracht tot op de dag van hun inwerkingtreding zullen worden opgeheven indien ze niet tijdig worden bekrachtigd.

B. Inleidende uiteenzetting van de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid

Mevrouw Milquet, ontslagnemend vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, licht de bepalingen toe van Titel 12 van het wetsontwerp.

1. HOOFDSTUK 1. Wijziging van de programmawet van 24 december 2002

Artikelen 127 tot en met 129

Het Participatiefonds is een federale kredietorganisatie die startleningen toekent aan zelfstandigen, beoefenaars van vrije beroepen, KMO's, starters, inclusief werkzoekenden, die een eigen zaak willen opzetten.

In de wet van 30 december 2009 ter ondersteuning van de werkgelegenheid werden de voorwaarden versoepeld om als werkzoekende te kunnen gebruik maken van zo'n startlening.

Vanaf dan kunnen ook werknemers, die zijn ontslagen in het kader van een herstructurering en zich hebben ingeschreven bij een tewerkstellingscel, in aanmerking komen voor een startlening ter financiering van hun opleiding en begeleiding.

Voor het vervullen van deze bijkomende opdracht heeft de regering op het begrotingsconclaaf van de initiële begroting 2010 beslist om vanuit het globaal beheer van de sociale zekerheid aan het participatiefonds een bijkomend bedrag van 1 miljoen euro toe te kennen in 2010 en 2 miljoen euro vanaf 2011.

Dit is dezelfde financieringstechniek die reeds enkele jaren bestaat voor jonge schoolverlaters die zich als zelfstandige willen vestigen (plan rosetta-zelfstandigen).

Het voorliggend wetsontwerp voorziet in een wettelijke basis voor deze financiering.

2. HOOFDSTUK 2. Maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling in de sector van de champignonteelt

Artikelen 130 en 131

Dit hoofdstuk 2 beoogt artikel 40 van de programmawet van 27 april 2007 technisch te corrigeren om ze in overeenstemming te brengen met de Europese bepalingen inzake de « de minimis » steun aan de sector van de landbouwproductie en die grenzen bedragen voorziet voor de steun aan de individuele ondernemingen.

Er wordt voorzien dat met toepassing van de EG verordening van de commissie van 20 december 2007, de ondernemingen die actief zijn in de primaire champignonproductie, voor de jaren 2008, 2009 en 2010 een bedrag van ten hoogste 7 500 euro kunnen ontvangen in functie van het tewerkgestelde personeelsvolume, voor zover het niet gaat om ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de EG verordening.

Daartoe werd sinds 2008 door het Globaal beheer van de sociale zekerheid voor werknemers telkens een forfaitair bedrag van 400 000 euro dat gestort diende te worden aan het Waarborg- en sociaal fonds voor het tuinbouwbedrijf gereserveerd.

Dit bedrag werd nooit gestort. Dit zal nu wel kunnen gebeuren. De tekst voorziet in een reeds vervulde voorwaarde, in casu, dat er een collectieve arbeidsovereenkomst voor minstens de periode van 1 januari 2008 tot 31 december 2010 wordt afgesloten voor deze sector en dat deze overeenkomst het reeds bestaande systeem van tewerkstellingspremies versterkt. Het saldo van het bedrag eventueel niet toegekend aan de betrokken ondernemingen wordt teruggestort door het Waarborg- en sociaal fonds aan het globaal beheer van de sociale zekerheid.

De Koning kan, via een besluit dat goedgekeurd werd door de Ministerraad, de toekenningsperiode van het forfaitaire bedrag na 2010 verlengen. Op voorstel van de ministers van Sociale Zaken en van Werk kan de Koning het bedrag ook wijzigen vanaf 2011.

3. HOOFDSTUK 3. Wijziging van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten

Artikelen 132 en 133

Dit hoofdstuk wil de sociale administratie die de werkgevers moeten bijhouden, vereenvoudigen en moderniseren. Het betreft hier werkgevers die beroep doen op occasionele werknemers in de land- en tuinbouw.

Hiermee wordt het advies van de NAR van 1 april 2009 uitgevoerd :

— sinds de veralgemening van de onmiddellijke aangifte bij aanwerving (DIMONA) heeft het occasioneel formulier dat in deze sector van toepassing is, geen waarde meer voor de RSZ. Anderzijds blijft dit formulier oor de occasionele werknemer wel het enige document te zijn dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst met de werkgever bewijst.

— de kritiek van de sector gaat over het feit dat volgens de actuele regelgeving de werkgever een dubbele « RSZ-sanctie » kan oplopen. Hij kan zowel een sanctie krijgen voor de niet-melding (of niet-correcte melding) aan Dimona, maar hij kan ook een sanctie krijgen voor het niet-bijhouden (of onjuist bijhouden) van het occasionele formulier. Trouwens, sinds 1 juli 2006 zijn de werkgevers die occasionele werknemers in de land- en tuinbouw tewerkstellen verplicht om de volledige Dimona na te leven.

Dit hoofdstuk vervangt de « RSZ-sanctie » voor het niet-bijhouden van het occasionele formulier door een administratieve geldboete (in te voegen in de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten). Het gaat hier om een boete tussen 25 tot 250 euro. Deze wet voorziet ook in een aantal voorwaarden die een rechtvaardige procesvoering garanderen (beroep bij een rechter zo men niet akkoord gaat met de opgelegde beslissing van administratieve boete, enz.) De bevoegde administratie om deze boete op te leggen is de de dienst van de Juridische Studiën van de FOD Werk.

Het uitvoeringsbesluit dat nodig is om de RSZ reglementering aan te passen zal snel aan de Ministerraad voorgelegd worden en zou zou op 1 januari 2011 in werking kunnen treden tegelijkertijd met deze bepaling.

Later kan deze bepaling omgezet worden in het Sociaal Strafwetboek. Het is de bedoeling om één bijkomende wet tot wijziging van het sociaal Strafwetboek te maken. In deze wet zullen alle nieuwe bepalingen van sociaal strafrecht worden opgenomen die goedgekeurd werden in de periode tussen het afsluiten van de redactie van de teksten van het sociaal Strafwetboek en de effectieve inwerkingtreding ervan.

4. HOOFDSTUK 4. Wijzigingen van de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008

Artikelen 134 tot en met 138

De regeling van de niet recurrente resultaatgebonden voordelen voorziet dat bij CAO of toetredingsakte aan de werknemers niet recurrente voordelen kunnen toegekend worden die gebonden zijn aan de resultaten van de onderneming. Deze voordelen worden niet belast en zijn enkel onderworpen aan een patronale RSZ bijdrage van 33 %. Het bedrag van deze voordelen mag in 2011 2 358 euro per jaar niet overschrijden. Dit stelsel werd naar aanleiding van het IPA 2007-2008 ingevoerd en wordt veelvuldig gebruikt.

De Nationale Arbeidsraad heeft vrijdag 10 december 2010 een eenparig advies uitgebracht met betrekking tot de aanpassing van de regeling voorzien in CAO nr. 90 betreffende de niet recurrente resultaatgebonden voordelen. De uitvoering van dit akkoord kan gerealiseerd worden enerzijds door de aanpassing van de CAO nr. 90 en anderzijds door de aanpassing van de wet (in casu de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het IPA 2007-2008)

Gelet op het feit dat alle aanpassingen gelijktijdig dienen te worden doorgevoerd en gelet op het feit dat de sociale partners deze aanpassingen willen doorvoeren zodat in de periode 2011-2012 kan gebruik gemaakt worden van het aangepast wettelijk en conventioneel kader, werden enkele amendementen in de Kamer van volksvertegenwoordigers aangenomen.

De amendementen zijn van technische aard en hebben tot doel de procedure tot goedkeuring van een toetredingsakte tot het stelsel van de niet recurrente resultaatgebonden voordelen te vereenvoudigen.

Inhoudelijk worden de volgende wijzigingen ingevoerd door de amendementen :

— opleggen van een verplicht model van CAO of toetredingsakte

— schrappen van het sturen van een ontvangstbewijs van het register met opmerkingen op de toetredingsakte

— inkorten van de termijn waarover het paritair comité beschikt om een toetredingsakte goed te keuren en dit in de gevallen waarin het paritair comité wenst om geen beslissing te nemen (in die gevallen beslist de leidend ambtenaar)

— voorzien in de mogelijkheid voor de werkgever om na een negatieve beslissing zijn plan aan te passen zodat alsnog een goedkeuring kan worden afgeleverd.

C. Inleidende uiteenzetting van de minister van Pensioenen en Grote Steden

De heer Daerden, ontslagnemend minister van Pensioenen en Grote Steden, licht de bepalingen toe van Titel 13 van het wetsontwerp.

Het wetsontwerp staat in voor de uitwerking van het individueel elektronisch pensioendossier, de ontbrekende schakel tussen het personeelsbeheer van de werkgever in de overheidssector en de pensioengegevensbank van de PDOS. Dit dossier zal het mogelijk maken om jaarlijks een loopbaanoverzicht en een pensioenraming te bezorgen aan alle sociaalverzekerden in België die de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben zoals nu reeds het geval is in de pensioenregeling van de privé sector.

Momenteel is de PDOS evenwel niet in staat om deze loopbaangegevens elektronisch te bewaren om de eenvoudige reden dat hij deze gegevens zelfs niet in zijn bezit heeft. Dit is te wijten aan het feit dat de PDOS de loopbaan- en bezoldigingsgegevens op basis waarvan het pensioen van de overheidssector wordt berekend slechts verkrijgt op het ogenblik van de definitieve pensionering. De loopbaan- en weddengegevens nodig voor de berekening van het pensioen worden momenteel slechts op het ogenblik van het voorleggen van het (papieren) pensioendossier door de laatste werkgever ter beschikking gesteld van de PDOS.

Het project Capelo (Carrière publique électronique — Elektronische loopbaan overheid), waarvan de technische kant door dit ontwerp wordt geregeld, biedt een oplossing voor dit probleem.

Capelo omvat twee aspecten :

— de toekomst : vanaf 2011 worden de loopbaangegevens verzameld via een uitgebreide trimestriële aangifte van de werkgevers aan de sociale zekerheid (DmfA en DmfAPPL);

— het verleden : de historische gegevens, dit wil zeggen de loopbaangegevens over de perioden vóór 2011, worden rechtstreeks bij de werkgevers verzameld.

Over dit tweede aspect werd in 2009 een enquête gehouden bij 931 werkgevers van de openbare sector.

Via deze enquête heeft de PDOS enerzijds de verschillende werkgevers ingelicht over de inhoud van het project Capelo en anderzijds de nodige informatie verzameld om de moeilijkheden te onderzoeken die eigen zijn aan het verzamelen van historische gegevens — beschikbaarheid van die gegevens, het formaat ervan (op papier of elektronisch) en de samenstelling van het personeel (statuut, leeftijd) — alsook de technische oplossingen met het oog op de invoer van de elektronische gegevens door de werkgevers of de registratie van de gegevens « op papier » door de PDOS.

Bovendien werden er sinds de lancering van het project in 2007 informatievergaderingen georganiseerd in Brussel en in elke provinciehoofdplaats in 2008 en in 2010. Daarenboven hebben er in 2010 bilaterale contacten met werkgevers, sociale secretariaten en softwareleveranciers plaatsgevonden.

Ook maken belangrijke openbare werkgevers deel uit van een « user panel » dat in 2008 werd opgericht. Dit « user panel » heeft in 2009 verschillende kwaliteitstests doorgevoerd.

De deelgebieden hebben akte genomen van dit wetsontwerp.

De Union des villes et des communes de Wallonie, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten en de Vereniging van de Stad en de Gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werden over het wetsontwerp geraadpleegd.

Van de deelgebieden heeft enkel de afdeling onderwijs van de Franse Gemeenschap melding gemaakt van bepaalde technische problemen met betrekking tot de communicatie van de gegevens in het kader van het project Capelo. In dat verband werd er op 16 december een vergadering georganiseerd tussen de verantwoordelijken van deze sector en van de PDOS, in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de minister. Deze sector zal alles in het werk stellen om de gevraagde informatie mee te delen binnen de vastgestelde termijn.

Wat de verenigingen van steden en gemeenten (Wallonië, Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Vlaams Gewest) betreft, werd ook hun mening gevraagd als werkgeversverenigingen. Deze verenigingen hebben geen melding gemaakt van grote problemen met betrekking tot de uitvoering van Capelo en bleken zelfs enthousiast over de doelen die het project nastreeft. De minister heeft zijn administratie niettemin gevraagd om hen de volgende weken te ontmoeten teneinde de slaagkansen van dit belangrijke project zo groot mogelijk te maken.

Het College van de voorzitters dat de voorzitters en de voorzitters van het directiecomité van de federale overheidsdiensten verenigt, heeft het ontwerp onderzocht. Het beseft dat de overdracht van de historische gegevens, die binnen het project e-HR dient te gebeuren, nog overleg zal vergen tussen de diensten P&O en de PDOS, maakt verder geen technische opmerkingen over het ontwerp en stemt in met de doelstellingen en het tijdschema van het project Capelo.

Het College van de openbare instellingen van sociale zekerheid heeft de minister laten weten dat het geen specifieke technische opmerkingen heeft.

D. Inleidende uiteenzetting van de minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid

Mevrouw Laruelle, ontslagnemend minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid, licht de bepalingen toe van Titel 18 van het wetsontwerp, dat betrekking heeft op het stelstel van de vervangende ondernemers, dat sinds 1 juli 2010 van kracht is.

De wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen heeft dit stelsel gecreëerd om de continuïteit van de economische activiteit van de zelfstandige of van zijn onderneming te verzekeren, in geval deze te maken heeft met omstandigheden die hem beletten zijn activiteit verder te zetten.

Deze wet bepaalt dat de vervangende ondernemer met een zelfstandige een vervangingscontract afsluit, met een beperkte duur. Het contract mag immers 30 dagen per jaar niet overschrijden. Die periode kan worden verlengd met de duur van verloven die aan de zelfstandige worden toegekend in het kader van het sociaal statuut van de zelfstandigen. Momenteel worden periodes van arbeidsongeschiktheid en invaliditeit en de periode van moederschapsrust geviseerd.

Dit hoofdstuk beoogt twee verloven aan de lijst geviseerd door de wet toe te voegen die onlangs werden ingevoerd in het kader van het Familieplan voor de Zelfstandigen, namelijk verlof voor zware ziekte en palliatief verlof.

III. ALGEMENE BESPREKING

A. Sociale Zaken en Volksgezondheid

1. Opmerkingen van de leden

De heer Ide begrijpt dat in het kader van een regering in lopende zaken de ambitie voornamelijk budgettair van aard is. Hij stelt vast dat de percentages in overleg met de geneesmiddelenindustrie op een veel hoger niveau zijn vastgesteld dan in het verleden. Het lid merkt op dat er een voorstel van de farmaceutische industrie was om het percentage na de komma nader te bepalen. Dit is van belang, want een percentage tot na de komma kan een grote verandering met zich meebrengen voor de percentielen die per specialiteit moeten worden voorgeschreven. Het feit dat men heeft afgerond kan toch gevolgen hebben voor bepaalde specialiteiten.

De percentages zijn bepaald in overleg met de geneesmiddelenindustrie, maar het lid vraagt zich evenwel af welke criteria hierbij zijn gebruikt. Hij vindt het moeilijk de tendensen te analyseren, aangezien hij niet over de vorige cijfers beschikt.

Spreker veronderstelt dat men zich voor de budgettaire inspanning tevens heeft gebogen over de markt van de geneesmiddelen waarvan het patent is verstreken. Nu heel wat geneesmiddelen generisch worden, biedt dit een grotere marge om middelen te vinden in de markt van de off-patent geneesmiddelen. Maar langs de andere kant bereikt men stilaan de limieten van de besparingen die we op deze markt kunnen doorvoeren.

Het lid wijst vervolgens op de administratiekosten van de ziekenfondsen. Hij meent dat de verhoging van de kosten geen 2,23 % kan bedragen, maar slechts het bedrag van de index, namelijk 1,9 %. Het is een aanzienlijke vermindering ten opzichte van vorig jaar, maar in de huidige budgettaire context is er geen reden om verder te gaan dan wat de index toestaat.

De heer Brotchi verklaart dat zijn fractie zeer gevoelig is voor het besparingsbeleid via goedkope geneesmiddelen. Hoewel hij de maatregelen steunt, benadrukt het lid echter dat dit geen afbreuk mag doen aan de therapeutische vrijheid van de arts. Niet alle geneesmiddelen hebben dezelfde werking. Hoewel het duidelijk is dat men bij gelijke doeltreffendheid economisch gezien voorrang moet geven aan het goedkoopste geneesmiddel, moet men toch toegeven dat de zieke soms een ander, duurder, geneesmiddel nodig heeft dat bij hem doeltreffender zal zijn. De arts moet niet worden gegijzeld door een quotum van goedkope geneesmiddelen, het is de kwaliteit van de zorg die moet primeren.

2. Antwoorden van de minister

Mevrouw Onkelinx, ontslagnemend vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie, antwoordt dat wanneer men een algehele inspanning in de begroting van de gezondheidszorg vraagt, dit impliceert dat men in alle sectoren de middelen vindt om de besparingen te ondersteunen. 2011 wordt gekenmerkt door geen enkele vooruitgang boven de inflatie, terwijl de wet een vooruitgang tot 4,5 % buiten de inflatie mogelijk maakt. De gerealiseerde inspanning is dus uiterst belangrijk en vergt eveneens maatregelen in de geneesmiddelensector.

Het beleid ten voordele van goedkopere geneesmiddelen, ongeacht of het om originele of generische geneesmiddelen gaat, komt de sociale zekerheid maar ook de patiënt ten goede.

Het is niet de bedoeling afbreuk te doen aan de therapeutische vrijheid van de arts. Zo voorziet men bijvoorbeeld niet in de mogelijkheid voor de apotheker om de voorgeschreven medicatie te vervangen door goedkopere geneesmiddelen. De arts is volledig vrij voor elk individueel voorschrift, maar de minister wil dat de gezondheidszorgbeoefenaars collectief de verantwoordelijkheid op zich nemen om de kosten van het zorgstelsel te beheersen.

Wat de percentages betreft, wijst de minister erop dat percentiel 60 werd gekozen na onderhandelingen. Voor het overige heeft de minister geopteerd voor vereenvoudiging door de cijfers na de komma te laten vallen. De impact van deze keuze is zeer klein. Zo betekent voor de huisartsen die de categorie vormen waarvoor de afronding het grootst is, het verschil tussen 49,51 % en 50 % 17 dozen per semester. Een huisarts levert echter gemiddeld 3 500 voorschriften per semester af.

De artsen op wie de maatregel betrekking heeft, zijn diegenen van de kleine percentielen : de 10 % huisartsen die het minst voorschrijven bedragen 41 %, terwijl die op percentiel 50 meer dan 48 % uitmaken.

Voor iedere individuele arts betekent de inspanning niet veel, terwijl dit voor de sociale zekerheid een besparing van een half miljoen euro oplevert.

Sinds twee jaar zijn de ziekenfondsen verplicht hun bijdrage te leveren tot de algemene inspanning voor het beheersen van de kosten. Bovendien moeten de ziekenfondsen tevens een financiële verantwoordelijkheid dragen. Of er andere maatregelen dienen te worden genomen, is een kwestie waarover de volgende regering een algemene denkoefening moet houden.

3. Repliek van de leden

De heer Ide beaamt dat het de specialiteiten uit de laagste percentielen zijn die de impact van de maatregelen het meest zullen voelen. Om die reden pleit hij voor duidelijker criteria voor de vaststelling van de percentages.

Het lid nuanceert de woorden van senator Brotchi voor zover er een bepaald volume van off-patent geneesmiddelen zal zijn, hetgeen ruimte voor het voorschrift overlaat. Men dient echter ook te onderzoeken van hoeveel geneesmiddelen het patent zal verstrijken om de marge in elke specialiteit te bepalen.

Wat de ziekenfondsen betreft, merkt het lid op dat die een bonus ontvangen indien ze blijk geven van verantwoordelijkheidszin. Indien hij zich niet vergist, bedroeg die bonus vorig jaar 100 miljoen euro. Ook al is de stijging van de administratiekosten dit jaar geëvolueerd van 4,06 % naar 3,23 %, vindt het lid het daarom normaal dat in de huidige begrotingscontext op de ziekenfondsen de index wordt toegepast zoals op iedereen, dit wil zeggen een stijging van 1,9 %. Men moet niet wachten op de volgende regering, want het gaat zuiver om een gelijke behandeling voor iedereen.

B. Pensioenen

1. Opmerkingen van de leden

De heer Claes is verheugd over het Capelo-project betreffende de elektronische loopbaan bij de overheid en feliciteert de minister daarvoor. Hij wenst niettemin te vernemen waarom het tot 2016 zal duren om de historische gegevens in te voeren. Waarom is dit niet sneller mogelijk ?

Mevrouw Lijnen sluit zich aan bij de felicitaties aan de minister. Het project is zeker een stap in de goede richting. Zij verwijst ook naar haar voorstel van resolutie tot invoering van de jaarlijkse mededeling van de pensioenportefeuille (stuk Senaat, nr. 5-85). Spreekster meent dat het niet enkel belangrijk is om werknemers ouder dan 55 jaar te informeren over hun toekomstig pensioenbedrag, maar ook om àlle werknemers hierover van in het begin te informeren. Daarmee kunnen zij immers de impact inschatten van de keuzes die zij maken inzake loopbaanonderbreking, deeltijds werk en dergelijke op hun pensioenopbouw.

Dit is bijvoorbeeld het geval in Zweden. Mevrouw Lijnen verwijst naar de studiereis die een delegatie van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden in maart 2010 heeft ondernomen naar Zweden in dit verband (zie stuk Senaat, nr. 4-1733). Zij is van oordeel dat een dergelijk systeem kan bijdragen aan de sensibilisering omtrent de noodzaak van het langer werken en drukt de hoop uit dat een en ander kan gerealiseerd worden in de tweede helft van de 21e eeuw.

Ook de heer Anciaux is van mening dat de invoering van deze gegevens sneller zou moeten gebeuren en informeert naar de reden waarom dit pas kan tegen 2016. Bovendien begrijpt hij niet waarom de vereiste wetgeving opeens moet worden opgenomen in een wetsontwerp houdende diverse bepalingen, waarvan de parlementaire behandeling steeds snel moet gaan. Waarom is deze tekst zo laat ingediend ? Had hij niet beter in een apart wetsontwerp worden opgenomen zodat hierover een grondig debat had kunnen plaatsvinden ?

Niettemin hoopt hij dat het project slaagt en dat men snel werk kan maken van deze gegevensbank, zodat eenieder hiervan gebruik kan maken.

2. Antwoorden van de minister

De heer Daerden, ontslagnemend minister van Pensioenen en Grote Steden, wijst erop dat het gaat om een dossier dat reeds lang aansleept en dat hij heeft geactiveerd. Hij is verheugd over de parlementaire steun aan het project. Dit neemt niet weg dat hij het eens is met de kritiek dat de gegevensbank niet compleet zal zijn en het Zweedse model is een goede referentie.

De minister hoopt eveneens dat het project zo snel mogelijk kan worden gerealiseerd. Er zijn heel veel gegevens die moeten worden ingevoerd. De datum van 2016 werd vooropgesteld om zeker te zijn van de haalbaarheid van het project maar de minister hoopt dat het sneller kan gaan, al was het maar om de nodige berekeningen te kunnen doen van de kostprijs van de toekomstige gepensioneerden. Daarbij ligt het probleem vooral bij de personen met een zogenaamde « gemengde loopbaan », waarvan de gegevens in de private sector makkelijker kunnen worden verzameld dan die van de overheidssector.

De minister is het in principe ook eens met de kritiek dat een dergelijke tekst niet thuis hoort in een wetsontwerp houdende diverse bepalingen, maar deze techniek wordt gehanteerd om het project zo snel als mogelijk te kunnen opstarten.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikel 118

De heer Ide dient amendement nr. 1 in dat ertoe strekt om de door artikel 118 voorgestelde tekst te vervangen als volgt :

« Het bedrag van de administratiekosten van de vijf landsbonden wordt vastgelegd op 766 483 000 EUR voor 2003, 802 661 000 EUR voor 2004, 832 359 000 EUR voor 2005, 863 156 000 EUR voor2006, 895 524 000 EUR voor 2007, 929 160 000 EUR voor 2008, 972 546 000 EUR voor 2009, 1 012 057 000 EUR voor 2010 en 1 031 286 083 EUR voor 2011. Voor de Kas voor geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen wordt dit bedrag vastgesteld op 13 195 000 EUR voor 2003, 13 818 000 EUR voor 2004, 14 329 000 EUR voor 2005, 14 859 000 EUR voor 2006, 15 416 000 EUR voor 2007, 15 995 000 EUR voor 2008, 16 690 000 EUR voor 2009, 17 368 000 EUR voor 2010 en 17 697 992 EUR voor 2011. »

De heer Ide verwijst naar zijn tussenkomst tijdens de algemene bespreking en naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement. Hij is van oordeel dat de administratiekosten van de verzekeringsinstellingen in 2011 slechts 1,9 % hoger mogen bedragen dan in 2010. Dit is de draagwijdte van het amendement.

Amendement nr. 1 wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen bij 4 onthoudingen.

Artikelen 193 tot 207

De heer Delpérée c.s. dienen amendement nr. SOC 002 in dat ertoe strekt om, onder het opschrift « Werk : Verlenging van de anticrisismaatregelen », een Titel 20 in te voegen, die de artikelen 193 tot 207 omvat.

De heer du Bus de Warneffe licht de voorgestelde artikelen 193 tot 200 toe, die betrekking hebben op de verlenging van alle anticrisismaatregelen, zoals de collectieve arbeidsduurvermindering, de tijdelijke schorsing van de arbeidsovereenkomsten van bedienden en dergelijke. Deze verlenging met één maand, dit wil zeggen tot 31 januari 2011, moet de sociale partners toelaten om in alle sereniteit hun onderhandelingen over een interprofessioneel akkoord 2011-2012 voort te zetten. Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Mevrouw Tilmans licht de voorgestelde artikelen 201 tot 207 toe, die tot doel hebben om de bestaande anticrisismaatregelen ten gunste van zelfstandigen in moeilijkheden te verlengen, zoals onder meer de uitbreiding van de bestaande verzekering in geval van faillissement en dergelijke. Ook zij verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

De heer Claes herinnert eraan dat alle sociale partners vragen om de anticrisismaatregelen met één maand te verlengen, zodat zij in een rustig klimaat de onderhandelingen kunnen voortzetten. Hij is van oordeel dat dit een gerechtvaardigde vraag is. Op het technische vlak, worden de voorgestelde artikelen toegevoegd aan het wetsontwerp dat werd overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Mevrouw Franssen merkt op dat voor CD&V ook de verhoogde uitkering van de tijdelijke werkloosheid met 1 maand verlengd moet worden, naar analogie met de verlenging van andere anti-crisismaatregelen. Voor de tijdelijk werklozen werd de uitkering vanaf januari 2009 opgetrokken tot 70 % van het begrensde brutoloon voor samenwonenden en tot 75 % voor de andere gezinstoestanden in plaats van respectievelijk 60 % en 65 % voorheen. Ook de tijdelijke contracten en uitzendarbeid na 3 maanden van tewerkstelling komen nu in aanmerking voor tijdelijke werkloosheid. Het loonplafond wordt opgetrokken van 1 906 euro tot 2 206,46 euro. Om deze verhoogde uitkering te verlengen, dient nog een koninklijk besluit te worden opgemaakt. Haar fractie gaat er van uit dat dit koninklijk besluit er zeer snel zal komen. Kan de minister bevestigen dat dit koninklijk besluit voorbereid wordt ?

De heer Leterme, ontslagnemend eerste minister, belast met de Coördinatie van het Migratie- en asielbeleid, verduidelijkt dat het over 4 maatregelen gaat, waarvan er drie afhangen van een wetgevend initiatief. Het vierde, dat door mevrouw Franssen onder de aandacht wordt gebracht, wordt door een koninklijk besluit geregeld. Dit zal zo snel mogelijk door de regering worden opgemaakt.

Amendement nr. 2 wordt aangenomen met eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

V. STEMMINGEN

Het geheel van de artikelen 106 tot 163, 189 en 193 tot 207, die aan de commissie voor de Sociale Aangelegenheden zijn toegewezen, wordt aangenomen met 9 stemmen bij 2 onthoudingen.

De heer Ide verklaart zijn onthouding door te verwijzen naar de verwerping van amendement nr. 1 dat hij heeft ingediend.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Nele LIJNEN. Dirk CLAES.