4-1376/9 | 4-1376/9 |
17 NOVEMBER 2009
I. INLEIDING
Dit wetsontwerp regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Het vloeit voort uit een wetsvoorstel dat op 2 juli 2009 werd ingediend door de heer Vandenberghe c.s., samen met het wetsvoorstel nr. 4-1377 dat een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Beide wetsvoorstellen werden door de Senaat geamendeerd en overgezonden aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers.
De Kamer heeft ze op haar beurt geamendeerd en teruggezonden naar de Senaat.
De commissie voor de Justitie heeft beide teksten besproken tijdens haar vergaderingen van 28 oktober en 17 november 2009 in aanwezigheid van de minister van Justitie.
Overeenkomstig artikel 64.1 van het reglement van de Senaat, is het wetsontwerp dat door de Kamer van volksvertegenwoordigers naar de Senaat wordt teruggezonden met toepassing van artikel 79, eerste lid, of van artikel 81, derde lid, van de Grondwet, bij de Senaat slechts aanhangig wat de bepalingen betreft die door de Kamer werden geamendeerd of toegevoegd en die nieuw zijn in vergelijking met het aanvankelijk door de Kamer aangenomen wetsontwerp en wat andere bepalingen betreft, alleen om de redactie te verbeteren of de tekst in overeenstemming te brengen met het geheel en zonder nieuwe inhoudelijke wijzigingen aan te brengen.
Bovendien heeft de parlementaire overlegcommissie, op verzoek van de commissie voor de Justitie, op 29 oktober 2009 beslist om de voor de bespreking van dit wetsontwerp vastgelegde termijn van 15 dagen te verlengen met 30 dagen.
II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER
De minister legt uit dat tijdens de bespreking in de Kamer van volksvertegenwoordigers bleek dat OBFG bezwaar had tegen de tekst zoals die door de Senaat was overgezonden, met het gevolg dat de betreffende wetsontwerpen niet voor het parlementair reces konden worden goedgekeurd.
Er vond tijdens het reces een overleg plaats met vertegenwoordigers van de universiteiten en van de balies. De consensus leidde tot voorliggende tekst, waarbij het lijstje met vakken, zoals opgenomen in artikel 2, licht werd gewijzigd.
Er wordt thans bepaald dat men bij het behalen van een bachelor- of masterdiploma, aan een Belgische instelling van hoger onderwijs, examen moet hebben afgelegd over staatsrecht, verbintenissenrecht, burgerlijk procesrecht, strafrecht, strafprocesrecht en tenminste twee bijkomende opleidingsonderdelen.
III. ALGEMENE BESPREKING
A. Antwoord van de minister op de opmerkingen van de dienst Wetsevaluatie
De minister verwijst naar de opmerkingen van de dienst Wetsevaluatie van de Senaat.
« Artikel 2
— Eerste lid
De woorden « bij het behalen van het bachelor- of masterdiploma » werden toegevoegd.
De vraag rijst of de tekst, als gevolg van deze toevoeging, nog wel alle door de wetgever beoogde hypotheses omvat.
Immers, de studenten die hun diploma van master in de rechten in het buitenland hebben behaald en die vervolgens aan een Belgische instelling van hoger onderwijs de voorgeschreven examens hebben afgelegd, eventueel zelfs met succes, doch zonder een nieuw diploma van bachelor of master te verkrijgen, komen kennelijk niet in aanmerking voor de gelijkstelling aangezien de examens per definitie niet werden afgelegd bij het behalen van het bachelor- of masterdiploma.
Hetzelfde geldt voor studenten die hun diploma van master in de rechten in België hebben behaald zonder alle beoogde examens te hebben afgelegd bij het behalen van het diploma van bachelor of master.
Voorbeeld : een student begint een bachelor in de criminologische wetenschappen in België. Hij legt het examen van strafrecht af, eventueel zelfs met succes. Vervolgens geeft hij deze studie op. Hij behaalt nadien een bachelor in de rechten in Frankrijk en een master in de rechten in België, echter zonder een examen strafrecht in België af te leggen. Hij voldoet niet aan de voorwaarden voor de gelijkstelling want hij heeft het examen strafrecht niet afgelegd bij het behalen van het diploma van bachelor of master.
Bovendien tonen de geschetste hypotheses aan dat de tekst een schending van het gelijkheidsbeginsel zou kunnen opleveren. Immers, hoe kan men verantwoorden dat de gelijkstelling niet wordt toegekend aan iemand die alle betrokken examens met succes heeft afgelegd, weze het niet allemaal bij het behalen van het bachelor- of masterdiploma, terwijl de gelijkstelling wel wordt toegekend aan iemand die niet slaagde voor één of meer van de betrokken examens maar ze wel allemaal aflegde bij het behalen van het bachelor- of masterdiploma ?"
De minister wijst erop dat de woorden « bij het behalen van het diploma » juist werden toegevoegd ter verduidelijking. De opmerking van de dienst wetsevaluatie houdt geen rekening met de bestaande wetgeving in de gemeenschappen, zowel op Vlaams niveau als op Franstalig niveau, met betrekking tot de gelijkwaardigheidserkenning van buitenlandse diploma's. Spreker verwijst bijvoorbeeld naar artikel 60 van het universiteitendecreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 juni 1991 dat bepaalt dat bij de erkenning van een gedeeltelijke gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma, het universiteitsbestuur bepaalt over welke onderdelen nog examen moet worden afgelegd, om te voldoen aan de voorwaarden voor het verwerven van de desbetreffende academische graad.
— Is « staatsrecht » hetzelfde als « le droit constitutionnel » ?
Aan sommige Vlaamse universiteiten wordt in de bacheloropleiding « Grondwettelijk recht » en « Staatsrecht » gedoceerd (UGent), aan andere alleen « Grondwettelijk recht » (VUB) of alleen « Staats- en administratief recht » (KULeuven).
De minister antwoordt dat men met staatrecht in het Nederlands duidelijk het staatsrecht in de enge zin bedoelt, dus in de zin van grondwettelijk recht. Hierover bestond consensus tijdens de besprekingen tussen de universiteiten en de balies.
— « Er bestaat ook een discrepantie tussen de Nederlandse en de Franse tekst : « en tenminste twee van de volgende opleidingsonderdelen » ≠ « et au moins deux matières parmi les branches suivantes ». (Voorstel : de Franse tekst als volgt wijzigen : « et au moins deux branches parmi celles qui suivent »). »
De minister kan akkoord gaan met deze tekstcorrectie, die inhoudelijk niets wijzigt.
— « In de opsomming van de opleidingsonderdelen tussen dewelke twee dienen gekozen te worden bestaan er enkele onduidelijkheden te wijten aan het gebruik van het woord « of ». »
Dient men te beschouwen dat het socialezekerheidsrecht een apart opleidingsdeel is te onderscheiden van het arbeidsrecht of dient men te beschouwen dat het om eenzelfde opleidingsonderdeel gaat ? Met andere woorden, zou een student zich kunnen beperken tot de keuze enerzijds van het arbeidsrecht en anderzijds van het socialezekerheidsrecht om te voldoen aan de vereisten die hem worden opgelegd ten opzichte van de keuze die hij dient te maken met betrekking tot de verplichte optionele opleidingsonderdelen. In dat geval zou de tekst als volgt moeten worden opgesteld : « ... administratief recht, arbeidsrecht, socialezekerheidsrecht, handelsrecht. »
Om iedere onduidelijkheid weg te nemen, zou het nuttig zijn in de bespreking te preciseren dat het niet volstaat om enerzijds arbeidsrecht en anderzijds socialezekerheidsrecht te volgen, opdat een student zou voldoen aan de voorwaarde om twee optionele opleidingsonderdelen te volgen. Hetzelfde geldt voor goederen- en zakenrecht : het gaat slechts om één enkel opleidingsonderdeel.
De minister antwoordt dat het woord « of » is toegevoegd, omdat het sociale zekerheidsrecht inderdaad moet worden beschouwd als een apart opleidingsonderdeel van het arbeidsrecht. Hetzelfde geldt voor goederen- of zakenrecht. Personen- en familierecht is daarentegen één vak en moet alsdusdanig worden beschouwd.
B. Algemene bespreking
De heer Delpérée verwijst naar de opmerking van de dienst Wetsevaluatie die denkt dat het begrip « staatsrecht », in de Nederlandse tekst, en « droit constitutionnel », in de Franse tekst, niet dezelfde lading dekken.
Spreker herinnert eraan dat het begrip « droit public » zowel het grondwettelijk als het administratief recht omvat. Toch gebruikt men in het eerste streepje van artikel 2, eerste lid, terecht het begrip staatsrecht in zijn meest enge betekenis. Het laatste streepje bepaalt immers dat de houder van het diploma van master in de rechten, naast de opgesomde vakken, ook examen moet hebben afgelegd over ten minste twee van de verschillende opleidingsonderdelen van het recht waaronder administratief recht. Als staatsrecht in het eerste streepje van de opsomming wordt gezien als grondwettelijk en administratief recht, heeft het geen zin om uitdrukkelijk het administratief recht te vermelden in het laatste streepje. Spreker is er dus voorstander van de tekst op dat punt niet te veranderen.
De heer Delpérée meent daarentegen dat in het laatste streepje de woorden «le droit réel» door de woorden «les droits réels» moeten worden vervangen.
De heer Mahoux merkt op dat de door de Senaat aangenomen tekst bepaalde dat de houder van het diploma van master in de rechten een examen moest afleggen met name voor het vak burgerlijk recht, daarbij inbegrepen het burgerlijk procesrecht. In de teruggezonden tekst van de Kamer van Volksvertegenwoordigers beoogt men enkel het burgerlijk procesrecht. Waarom dat verschil ?
De heer Delpérée wijst erop dat in het door de Kamer aangenomen ontwerp, het tweede streepje van artikel 2, eerste lid, verwijst naar het verbintenissenrecht, wat een groot deel van het burgerlijk recht omvat. Bovendien wordt in de lijst met aanvullende vakken verwezen naar het goederenrecht en het personen- en familierecht die ook onder het burgerlijk recht vallen.
De heer Vandenberghe vindt dat er een onevenwicht plaatsvindt als men strafrecht en strafprocesrecht in de lijst van de vakken opneemt, terwijl men voor het burgerlijk recht enkel het verbintenissenrecht vermeldt. Wat dan met het statuut van de persoon en het goederenrecht ? Dit zijn belangrijke aspecten voor een hedendaags jurist.
De minister verduidelijkt dat het geenszins de bedoeling is van voorliggend wetsontwerp te bepalen wat een bachelor- en masterdiploma juist moeten inhouden. Die taak behoort toe aan de gemeenschappen en de universiteiten. De bedoeling is enkel om mogelijke problemen in verband met de terminologie van het masterdiploma te elimineren en zich in te schrijven in de Bologna-hervorming. Het is ook niet de bedoeling om alle vakken te vermelden die bijvoorbeeld een advocaat zou moeten hebben afgelegd. Voor die verschillende beroepen, zoals advocaten en magistraten, gelden immers bijkomende examens. Als een buitenlandse bachelor in België komt studeren en een master behaalt, dan is hij op dit ogenblik een Belgische master. Het wetsontwerp stelt een lijst in van 7 vakken die minstens moeten worden behaald aan een Belgische instelling van hoger onderwijs. Verder heeft men de toegangsvoorwaarden tot de verschillende juridische beroepen.
Rond de tafel was er grotendeels consensus over het feit dat verbintenissenrecht en burgerlijk procesrecht noodzakelijke materies waren, en dat de andere materies bij de mogelijke keuzevakken zouden worden opgenomen.
Het is belangrijk te weten dat 90 à 95 % van alle masters in België alle vakken zullen hebben behaald die aan een Belgische instelling van hoger onderwijs of universiteit worden gegeven. De meeste masters behalen immers hun bachelor en masters volledig in België. Voor de personen die een deel in het buitenland willen volgen of de buitenlanders die een deel in België willen volgen gelden dan de in voorliggende tekst opgenomen voorwaarden.
De heer Vandenberghe blijft bij het onevenwicht tussen de inhoudelijke en de procedurevakken. Moet een master die juridisch adviseur wordt bij een onderneming strafprocesrecht kennen ? Er zijn ook veel advocaten die nooit pleiten.
De heer Delpérée wijst erop dat de minister nogmaals goed heeft gewezen op de bedoeling van de voorliggende teksten. Het is niet de bedoeling het ideale programma van de rechtsfaculteiten van België op te stellen. De ontwerpen strekken ertoe de te behalen minimumdrempel te omschrijven voor personen die uit een ander land van de Europese Unie komen. Hij verduidelijkt bijvoorbeeld dat een student in Frans recht een diploma van master in de rechten kan behalen zonder administratief recht noch sociaal recht of goederenrecht te volgen. Dat is de Europese werkelijkheid waarin wij leven. Men mag alle buitenlandse gediplomeerden ook geen maximumprogramma opleggen om hun diploma als gelijkwaardig te kunnen beschouwen in België.
De heer Vandenberghe stipt aan dat de Bolognaverklaring in Duitsland in de rechtsfaculteiten niet wordt toegepast. De snelle wijze waarop de Bolognaverkaring is doorgevoerd is volgens spreker trouwens ongepast.
De vraag rijst waarom men de opgesomde vakken wel opneemt in de lijst, waaronder twee procedurevakken, en andere niet.
De minister verwijst naar het overleg dat plaatsvond binnen de werkgroep die verschillende malen is samengekomen binnen het kabinet, samengesteld uit vertegenwoordigers van universiteiten en balies. In grote mate werd hier consensus bereikt over de opgesomde vakken.
Spreker stipt aan dat men op dit ogenblik master in de rechten moet zijn om toegang te krijgen tot een aantal beroepen. Een Spaanse master bijvoorbeeld kan dus op dit ogenblik toegang krijgen tot de Belgische juridische beroepen. Dit geldt ook voor een bachelor in de economie die achteraf een master in de rechten heeft behaald. Het is net de bedoeling van voorliggend ontwerp om dergelijke situaties te stroomlijnen en te uniformiseren, zodat de basisvoorwaarden voor elkeen dezelfde zijn.
Tijdens het overleg werd ook aangehaald dat de buitenlandse wisselwerking niet mocht worden belemmerd. Hoe meer vakken men in het lijstje zal opnemen, hoe minder men studies in het buitenland gaat stimuleren en omgekeerd.
Spreker verwijst ook naar de Leuvenverklaring waarbij werd gestreefd, tegen 2020, naar 20 % studenten die in het buitenland gaan studeren.
De heer Vandenberghe verwijst naar de situatie in Duitsland dat zich niet in de Bolognaverklaring heeft ingeschreven. Wat dan met de studenten die daar rechten willen gaan studeren en daar een diploma behalen ? Hoe verzekert men dan de gelijkwaardigheid in België van de diploma's behaald aan de Duitse rechtsfaculteiten ?
Spreker heeft zijn twijfels over de voorgestelde lijst. Strafprocesrecht is bijvoorbeeld verouderd. Alle advocaten zijn het ook eens over het feit dat burgerlijk procesrecht een doolhof vormt.
De heer Delpérée wijst erop dat er geen problemen zijn met de gelijkwaardigheid van het diploma voor een Belgische student die een deel van zijn studies aan een buitenlandse universiteit gaat volgen in het kader van het Erasmusprogramma. In dit geval worden de resultaten van de examens in het buitenland geïntegreerd door de Belgische universiteit waar de student is ingeschreven en deze laatste krijgt op het einde van het curriculum een diploma van master in de rechten van een Belgische universiteit.
De heer Vandenberghe weet dat het niet om de Erasmusuitwisseling gaat. Het gaat bijvoorbeeld wel om een student die in Heidelberg een master in de rechten behaalt en dan naar België komt.
Mevrouw Thibaut stelt vast dat het ontwerp personen beoogt die een examen hebben afgelegd aan een Belgische instelling voor hoger onderwijs. Zou men niet eerder personen moeten beogen die voor een examen zijn geslaagd ?
Zij vindt het bovendien beter om de formulering « de gelijkwaardigheid van diploma's van licentiaat en master » te gebruiken in plaats van « het gelijkstellen met een diploma van master ».
De minister antwoordt dat volgens de indieners van het wetsontwerp, de examens in het kader van de opleiding moeten zijn afgelegd. Daarom heeft de Kamer van Volksvertegenwoordigers de zinsnede « bij het behalen van het bachelor- of masterdiploma » toegevoegd.
Spreker denkt dat de uitdrukking « heeft een examen afgelegd » meer aangewezen is dan « voor een examen is geslaagd ». Hij benadrukt dat de houder van een diploma van master in de rechten niet noodzakelijk geslaagd moet zijn voor de examens van alle vakken die hij moet kennen om te worden toegelaten. Het volstaat dat hij zijn diploma heeft, ongeacht het resultaat voor een bepaald vak.
De minister meent bovendien dat de uitdrukking « het gelijkstellen van een diploma van master in de rechten » geen probleem vormt.
De heer Vankrunkelsven is zich bewust van het feit dat de opname van een opsomming in de wet steeds delicaat is. De regering gaat in ieder geval akkoord de door de dienst wetsevaluatie voorgestelde tekstcorrecties aan te brengen. Voor het overige zal een amendement moeten worden ingediend.
Wat de opmerkingen betreft, verwijst de heer Musschoot ook naar het systeem van de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's dat in de Vlaamse of Franstalige regelgeving is opgenomen. Hierbij wordt bepaald welke vakken moeten worden afgelegd aan een Belgische universiteit om, bovenop een buitenlands diploma, een bijkomend diploma te verkrijgen. Dat wordt dan gelijkwaardig geacht met een Belgische master. Dit is echter niet hetzelfde.
De heer Mahoux meent dat de problemen niet door elkaar gehaald mogen worden. Het probleem van de gelijkstelling van de buitenlandse diploma's wordt geregeld in een bijzonder kader met de homologatiecommissies.
Spreker verwijst vervolgens naar een opmerking van de dienst Wetsevaluatie betreffende de opsomming van de vakken in het laatste streepje van artikel 2, eerste lid, waar vier opleidingsonderdelen moeten worden gekozen. Moet men aldus het sociale zekerheidsrecht beschouwen als een apart opleidingsonderdeel dat los staat van het arbeidsrecht of moet men dit beschouwen als één en hetzelfde vak ? De commissie moet dat probleem oplossen om de tekst duidelijker te maken.
De heer Vankrunkelsven stelt voor een amendement in te dienen om de tekst te verfijnen.
De heer Vandenberghe stipt aan dat de opsomming in het laatste gedachtestreepje niet logisch is. Met goederen- of zakenrecht bedoelt men in wezen hetzelfde vak. In sommige faculteiten noemt men het vak zakenrecht, in andere faculteiten goederenrecht, maar het materieel toepassingsgebied van deze vakken is hetzelfde. Dit is echter niet het geval voor arbeidsrecht en sociale zekerheidsrecht. Deze vakken betreffen verschillende bepalingen uit verschillende wetboeken.
De minister herhaalt dat de tekst voortvloeit uit een consensus binnen de werkgroep, die ervoor opteerde beide termen naast elkaar te vermelden, aangezien de ene universiteit de ene term gebruikt en de andere universiteit de andere term.
IV. BESPREKING VAN DE ARTIKELEN
Artikel 1
Bij dit artikel zijn er geen opmerkingen.
Artikel 2
Amendement nr. 3
De heren Vandenberghe en Van Den Driessche dienen eerst amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 4-1376/8), dat ertoe strekt in het eerste lid de woorden «, bij het behalen van het bachelor- of masterdiploma, » te doen vervallen.
Amendement nr. 4
De heer Vandenberghe c.s. dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 4-1376/8) dat ertoe strekt het laatste streepje van het eerste lid van het artikel te vervangen als volgt : « — en ten minste vier van de volgende opleidingsonderdelen : zakenrecht, personen- en familierecht, bijzondere overeenkomstenrecht, administratief recht, arbeidsrecht, sociale zekerheidsrecht, handelsrecht, fiscaal recht. »
De commissie en de minister sluiten zich aan bij dit amendement.
Artikelen 3 tot 5
Bij deze artikelen zijn er geen opmerkingen.
V. STEMMINGEN
Amendement nr. 3 wordt ingetrokken.
Amendement nr. 4 wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Marie-Hélène CROMBÉ-BERTON. | Patrik VANKRUNKELSVEN. |