4-1488/2

4-1488/2

Belgische Senaat

ZITTING 2009-2010

2 FEBRUARI 2010


Wetsvoorstel met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEER DELPÉRÉE

Art. 33

Het voorgestelde artikel 436 aanvullen met twee leden, luidende :

« Wanneer de nietigheid van de bestreden beslissing slechts betrekking heeft op de straf of een bijkomende maatregel, dan wordt de vernietiging niet uitgebreid tot de schuldigverklaring.

Wanneer de beklaagde cassatieberoep instelt en één van de tenlasteleggingen waarvoor de beklaagde werd veroordeeld, onwettig wordt bevonden, maar de uitgesproken straf wettelijk verantwoord is op grond van één of meerdere andere bewezen geachte tenlasteleggingen, vernietigt het Hof de schuldigverklaring wat de onwettige beschuldiging betreft en is de vernietiging beperkt tot die beschuldiging, tenzij uit de motivering van de beslissing blijkt dat die beschuldiging een invloed heeft gehad op de uitgesproken straf. ».

Verantwoording

1. Het eerste lid van de voorgestelde tekst (nieuw derde lid van artikel 436 in ontwerp) strekt ertoe een oplossing die door het Hof van Cassatie wordt toegestaan sinds 1996 (Cass. 14 mei 1996, Pas., I, nr. 176) wettelijk te verankeren.

Het Hof breekt zo met de traditionele rechtspraak die bepaalt dat er, in correctionele zaken, geen uitspraak mag worden gedaan op grond van aparte beslissingen over de schuld enerzijds en over de straf anderzijds, zodat elke onwettigheid van de straf een volledige vernietiging inhoudt (zie met name Cass. 8 mei 1979, Pas., I, 1054).

2. Door die ommezwaai in de rechtspraak kan ook worden gebroken met de vaste rechtspraak die bepaalt dat, wegens gebrek aan belang, het cassatiemiddel gebaseerd op de onwettigheid van de schuldigverklaring niet ontvankelijk is – ook al staat de onwettigheid vast – als de door de rechter uitgesproken straf gewettigd blijft op grond van een ander, vaststaand misdrijf. Volgens die rechtspraak is het middel toch ontvankelijk wanneer uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat het eerste misdrijf de zwaarte van de uitgesproken straf heeft beïnvloed.

Een voorbeeld van die theorie van de zogenoemde « wettelijk verantwoorde straf » :

Iemand wordt veroordeeld voor het toebrengen van slagen en verwondingen en diefstal van de portefeuille van het slachtoffer. Hij stelt cassatieberoep in en voert een middel aan dat enkel betrekking heeft op de beschuldiging van diefstal. Dat middel zal onontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan belang omdat de straf wettelijk verantwoord blijft vanwege het misdrijf van slagen en verwondingen alleen. In het strafregister van de betrokkene zal dus niet alleen staan dat hij slagen en verwondingen heeft toegebracht maar ook dat hij een dief is.

Dat is uiteraard onrechtvaardig.

Aangezien men nu aanvaardt dat de schuldigverklaring los staat van de beslissing over de straf, verhindert niets meer dat in dit geval het middel ontvankelijk wordt verklaard en een vernietiging wordt uitgesproken die beperkt blijft tot de schuldigverklaring aan diefstal. De vernietiging moet echter worden uitgebreid tot de volledige veroordeling wanneer op grond van de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de onwettige beschuldiging de uitgesproken straf heeft beïnvloed.

Deze oplossing, die professor J. Kirkpatrick aanhangt (« La procédure en cassation en matière répressive après l'arrêt de la Cour des droits de l'homme du 30 octobre 1991 », 1993, p. 161 e.v., in het bijzonder nr. 30), wordt in het tweede lid van het amendement opgenomen (nieuw vierde lid van het ontworpen artikel 436).

Francis DELPÉRÉE.

Nr. 2 VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S.

Artikel 1/1

Een artikel 1/1 invoegen, luidende :

« Art. 1/1. — Het opschrift van Hoofdstuk IV van Boek II, Titel II, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 2009, wordt opgeheven. ».

Verantwoording

Het wetsvoorstel integreert alle bepalingen met betrekking tot het Cassatieberoep in het Hoofdstuk II van Boek II, Titel III van het Wetboek van strafvordering.

Nr. 3 VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S.

Art. 2

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Art. 2. — Artikel 251 van het Wetboek van strafvordering, hersteld bij de wet van 21 december 2009, wordt vervangen als volgt :

« Het arrest van verwijzing naar het hof van assisen wordt aan de beschuldigde en aan de andere partijen betekend.

Die betekening moet aan de persoon worden gedaan indien de beschuldigde zich in hechtenis bevindt. »

Verantwoording

De vroegere tekst van artikel 292 van het Wetboek van strafvordering werd door de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen ondergebracht in artikel 251 van het Wetboek van strafvordering (artikel 43 van de wet van 21 december 2009).

De mogelijkheid voor het openbaar ministerie en de andere partijen om een voorziening in cassatie in te stellen tegen het arrest van verwijzing naar het hof van assisen is voorzien in het voorgesteld artikel 421 van het Wetboek van strafvordering (artikel 18 van het wetsvoorstel).

Door de wet van 21 december 2009 werd echter het artikel 291 van het Wetboek van strafvordering opgeheven, zonder dat dit artikel werd hernomen. Enkel in artikel 275 van het Wetboek van strafvordering is opgenomen dat een kopie van het arrest van verwijzing toegevoegd wordt aan het exploot met de akte van beschuldiging en de dagvaarding voor de preliminaire zitting.

Dit amendement strekt ertoe het arrest van verwijzing naar het hof van assisen te laten betekenen aan de beschuldigde en aan de andere partijen, waarna desgevallend een voorziening in cassatie kan worden gedaan binnen de vijftien dagen na de betekening van het arrest.

Nr. 4 VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S.

Art. 3

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Art. 3. — Artikel 252 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 21 december 2009, wordt opgeheven ».

Verantwoording

Artikel 292bis van het Wetboek van strafvordering werd reeds opgeheven door artikel 97 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen. De inhoud van artikel 292bis van dit Wetboek werd ondergebracht in artikel 252 van het Wetboek van strafvordering. (artikel 44 van de wet van 21 december 2009).

Bovendien werd door de integratie van de verschillende procedures, de inhoud van artikel 292bis opgenomen in het voorgestelde artikel 421, tweede en derde lid. (cf. artikel 18 van het wetsvoorstel) Het 4º van artikel 252 van het Wetboek van strafvordering is opgenomen in het voorgestelde artikel 420 (cf. artikel 16 van het wetsvoorstel).

Nr. 5 VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S.

Art. 4

Dit artikel vervangen door wat volgt :

Art. 4. — Artikel 253 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 21 december 2009, wordt opgeheven ».

Verantwoording

Artikel 292ter van het Wetboek van strafvordering werd reeds opgeheven door artikel 97 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen. De inhoud van artikel 292ter van dit Wetboek werd ondergebracht in artikel 253 van het Wetboek van strafvordering. (artikel 45 van de wet van 21 december 2009).

Gelet op de integratie van de verschillende procedures voor het Hof van Cassatie, wordt door dit wetsvoorstel de inhoud van het oude artikel 292ter, nu artikel 253 van het Wetboek van strafvordering, opgenomen in het voorgesteld artikel 421, vierde lid (cf. artikel 18 van het wetsvoorstel).

Nr. 6 VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S.

Art. 5

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Art. 5. — Artikel 359 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, wordt opgeheven. ».

Verantwoording

Artikel 373 van het Wetboek van strafvordering werd reeds opgeheven door artikel 201 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen. De inhoud van artikel 373 van dit Wetboek werd ondergebracht in artikel 359 van Wetboek van strafvordering.

Gelet op de integratie van de verschillende procedures voor het Hof van Cassatie, wordt door dit wetsvoorstel de inhoud van het oude artikel 373, nu artikel 359 van het Wetboek van strafvordering, opgenomen in het voorgestelde artikel 424 en 429 (cf. artikelen 21 en 26 van het wetsvoorstel).

Nr. 7 VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S.

Art. 18

Het tweede lid van het voorgestelde artikel 421 doen vervallen.

Verantwoording

Het tweede lid van het voorgestelde artikel 421 (dat overgenomen werd van het oude artikel 292bis, eerste lid, nu artikel 252, eerste lid van het Wetboek van strafvordering) kan worden opgeheven, gelet op de vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie, die inhoudt dat deze verplichting niet op straffe van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep is voorgeschreven.

Nr. 8 VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S.

Art. 19

Het voorgestelde artikel 422 vervangen door wat volgt :

« Art. 422. — Behoudens in geval van vrijspraak en de toepassing van artikel 336, dient het cassatieberoep tegen het arrest van het hof van assisen dat de verklaring van de jury inhoudt, te worden ingesteld samen met de voorziening in cassatie tegen het eindarrest, bedoeld in artikel 353. »

Verantwoording

De vraag stelt zich of de regel dat het openbaar ministerie slechts cassatieberoep kan aantekenen tegen het arrest van vrijspraak door het hof van assisen in het belang van de wet en zonder nadeel voor de vrijgesproken persoon niet voorbijgestreefd is in het licht van het arrest Taxquet van het Europees Hof voor de rechten van de mens. Dit arrest verplicht de motivering van de beslissing van de jury.

In het licht van deze rechtspraak is het aangewezen aan het openbaar ministerie ook de mogelijkheid te bieden cassatieberoep aan te tekenen tegen een vrijspraak, die omwille van het ontbreken van elke motivering of omwille van een onwettige of tegenstrijdige redengeving totaal onbegrijpelijk is.

De traditionele regel die overgenomen werd in voorgesteld artikel 422 Sv. steunt op het gegeven dat de jury soeverein is en bijgevolg de beslissing niet moet motiveren. Gelet op de wijzigingen bij de wet van 21 december 2009 is dit niet langer het geval. Nu de juryleden, net als de beroepsrechters, gehouden zijn aan de motiveringsplicht van artikel 149 van de Grondwet, is er geen reden meer om een onderscheid te maken tussen, enerzijds, de mogelijkheid van cassatieberoep van het openbaar ministerie tegen een vrijspraak door beroepsrechters, en, anderzijds, de meer beperkte mogelijkheid voor het openbaar ministerie om, enkel in het belang van de wet en zonder nadeel voor de vrijgesproken persoon, cassatieberoep aan te tekenen tegen de vrijspraak door de jury.

De bewoordingen in het amendement « behoudens in geval van vrijspraak » houden niet in dat er geen cassatieberoep zou kunnen worden aangetekend tegen een vrijspraak. Door deze uitdrukking wordt enkel bedoeld dat ingeval van negatief verdict, het arrest dat deze uitspraak inhoudt niet meer zal gevolgd worden door een arrest dat de straf bepaalt, zodat het dan ook geen enkele zin meer heeft te eisen dat het cassatieberoep tegen de vrijspraak samen met het cassatieberoep tegen het eindarrest zou worden ingesteld.

Nr. 9 VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S.

Art. 21

In het voorgestelde artikel 424 de woorden « of, wanneer deze laatste een arrest van verwijzing naar het hof van assisen is, binnen de vijftien dagen na de betekening bedoeld in artikel 291 » doen vervallen.

Verantwoording

Door de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen werd het artikel 291 afgeschaft, waardoor de oorspronkelijke tekst van het wetsvoorstel dient gewijzigd te worden.

In het nieuwe artikel 251 van het Wetboek van strafvordering is voorzien dat het cassatieberoep in elk geval ingesteld dient te worden binnen de vijftien dagen na de uitspraak van het arrest, door een verklaring op de griffie van het hof van beroep in de bij artikel 417 bepaalde vorm.

Door het weglaten van de laatste zinsnede moet in elk geval, behoudens wanneer de wet in een andere termijn voorziet, het cassatieberoep worden ingesteld binnen de vijftien dagen na de uitspraak van de bestreden beslissing.

Nr. 10 VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S.

Art. 22

Het tweede lid van het voorgestelde artikel 425 doen vervallen.

Verantwoording

Artikel 425 van het Wetboek van strafvordering wordt de termijn geregeld voor het cassatieberoep na een beslissing bij verstek.

In het tweede lid werd voorzien dat de verklaring van cassatieberoep ook kan gedaan worden binnen de termijn bepaald in artikel 424, onverminderd de rechtspleging in verzet.

Dit dient geschrapt te worden daar het algemeen artikel 416 (nieuw) Sv. bepaalt dat enkel tegen gerechtelijke beslissingen in laatste aanleg gewezen cassatieberoep kan worden aangetekend. Een beslissing die vatbaar is voor verzet, is namelijk niet in laatste aanleg gewezen.

Het behoud van het tweede lid kan bovendien nieuwe problemen creëren, namelijk in het geval waarbij men geldig binnen de vijftien dagen volgend op de uitspraak bij verstek, waarbij het Hof van Cassatie de eis ontvankelijk zou moeten verklaren, terwijl de partij die verstek liet gaan, binnen diezelfde termijn nog in verzet kan gaan tegen de uitspraak die bij verstek werd gewezen. Het Hof van Cassatie zou dan daarop moeten vaststellen dat het cassatieberoep zonder voorwerp is.

In de situatie dat het cassatieberoep eerder werd ingesteld dan het ogenblik dat het verzet werd aangetekend zou zich ook de vraag stellen welk van beide rechtsmiddelen voorrang heeft op het andere. Bovendien is het niet wenselijk dat er tegelijk verschillende rechtsmiddelen aangewend worden tegen eenzelfde beslissing.

Een eerdere uitspraak door het Hof van Cassatie zou er toe leiden dat de procedure in verzet zonder voorwerp zou worden.

Nr. 11 VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S.

Art. 24

In het voorgestelde artikel 427 de volgende wijzigingen aanbrengen :

1º Het eerste lid vervangen door wat volgt : « Voor de personen die opgesloten zijn in de strafinrichtingen of geïnterneerd zijn in de inrichtingen bepaald in de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, kan de verklaring van cassatieberoep, bedoeld in artikel 426, § 1 worden gedaan bij de bestuurders van deze instellingen of hun gemachtigde. »

2º In het derde lid de tweede zin doen vervallen.

Verantwoording

1º Het eerste lid van artikel 427 wordt gewijzigd om te verduidelijken dat de verplichte ondertekening van de verklaring van cassatieberoep door een advocaat ook geldt voor de personen die opgesloten zijn in een strafinrichting of geïnterneerd zijn. Een technische vergissing waardoor foutief verwezen werd naar artikel 436 wordt eveneens rechtgezet.

2º Het recente verleden heeft aangetoond dat in zware strafzaken een veelvoud aan burgerlijke partijen kunnen optreden (bijvoorbeeld de gasramp in Gellingen of de zaak Lernout & Hauspie). Daarom kan de verplichting van kennisgeving door de griffie, een onevenredige zware last betekenen voor het griffiepersoneel.

De wet vereist bovendien niet dat de eiser in cassatie de partijen aanduidt tegen wie het cassatieberoep wordt gericht. Bij een veelvoud aan partijen, kan het voor de griffie een moeilijke opgave betekenen om zelf te bepalen tegen wie het cassatieberoep is gericht. Bovendien zou de griffie verantwoordelijk kunnen gesteld worden voor de gevallen van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, waarvan door de griffie geen kennis gegeven werd aan een of meerdere partijen tegen wie het cassatieberoep was gericht.

De vraag stelt zich in welke mate er een onderscheid kan gemaakt worden tussen de gedetineerde of de geïnterneerde, die kunnen genieten van een kosteloze kennisgeving door de griffie en de andere eisers in cassatie die hun cassatieberoep moeten laten betekenen overeenkomstig artikel 428 van het Wetboek van strafvordering.

Nr. 12 VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S.

Art. 25

In het voorgestelde artikel 428 de volgende wijzigingen aanbrengen :

1º In de Nederlandse tekst van het eerste lid de woorden « voorziening in cassatie » vervangen door het woord « cassatieberoep ».

2º De laatste zin van het eerste lid vervangen door wat volgt :

« Het exploot van betekening moet binnen de in artikel 432, eerste en tweede lid bedoelde termijn worden neergelegd bij de griffie van het Hof van Cassatie. »

Verantwoording

1º In artikel 428 en de overige artikelen van het wetsvoorstel wordt telkens het woord « cassatieberoep » gebruikt. Dit amendement beoogt een eenvormige terminologie te bereiken.

2º Het lijkt meer aangewezen om wat de termijn en de vorm van de betekening betreft, de thans bestaande regeling te volgen.

Nr. 13 VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S.

Art. 38/1

Een artikel 38/1 invoegen, luidende :

« Art. 38/1. — In artikel 441 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « en de officieren van politie of de rechters kunnen, indien daartoe grond bestaat, vervolgd worden op de wijze bepaald in hoofdstuk III, titel IV, van dit boek » opgeheven.

Verantwoording

De tekst van de werkgroep van het Hof van Cassatie die bij de besprekingen van het Wetboek van Strafprocesrecht stelde voor deze passage van artikel 441 Sv. te schrappen.

Dit amendement komt hieraan tegemoet.

Hugo VANDENBERGHE
Tony VAN PARYS
Pol VAN DEN DRIESSCHE.