4-1579/1

4-1579/1

Belgische Senaat

ZITTING 2009-2010

17 DECEMBER 2009


Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van artikel 49, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen

(Ingediend door de heer Jean-Jacques De Gucht c.s.)


TOELICHTING


Luidens artikel 122 van de Grondwet worden de leden van elke Gemeenschaps- of Gewestregering door hun Parlement gekozen. Normalerwijze wordt, conform artikel 60, § 1, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (BWHI), de voordracht van de kandidaten op eenzelfde lijst ondertekend door de volstrekte meerderheid van de leden van het Parlement. Indien evenwel op de dag van de verkiezing geen enkele lijst aan de voorzitter van het Parlement wordt overhandigd die ondertekend is door de volstrekte meerderheid van de leden van dat Parlement, wordt er overgegaan tot afzonderlijke verkiezingen van de leden van de regering (artikel 60, § 2, BWHI). Alsdan worden de voordrachten van kandidaturen voor de regering ondertekend door ten minste vijf leden van het Parlement. Indien bij een verkiezing, die in zoveel afzonderlijke stembeurten geschiedt als er te verkiezen leden zijn, geen enkele kandidaat de volstrekte meerderheid heeft gehaald in de eerste stembeurt, wordt er, na eventuele verzaking van een gunstiger gerangschikte kandidaat, opnieuw gestemd om de twee kandidaten die het grootst aantal stemmen hebben verkregen te rangschikken (artikel 60, § 3, BWHI).

De verkozen leden van de regering leggen de eed af in handen van de voorzitter van het Parlement (artikel 62 BWHI); de aanwijzing van de voorzitter van de regering, die door elke regering in haar midden wordt aangeduid, wordt bekrachtigd door de Koning, in wiens handen hij de eed aflegt (artikel 60, § 4 BWHI). Uit de parlementaire voorbereidende werkzaamheden is gebleken dat de Koning deze bekrachtiging enkel om redenen van persoonlijke onwaardigheid zou kunnen weigeren.

Het is echter opvallend dat in het geheel van voormelde procedure er aan het Parlement geen enkele significante rol wordt toebedeeld. Het behoeft geen betoog dat dergelijke vaststelling bezwaarlijk kan worden verzoend met de vereisten van een moderne parlementaire democratie. Dit kan worden verholpen door de kandidaat-regeringsleden, die door de minister-president naar voor worden geschoven, te onderwerpen aan hoorzittingen die voorafgaandelijk aan de uiteindelijke vertrouwensstemming in de bevoegde parlementaire commissie dienen te worden georganiseerd. Deze hoorzittingen zullen in deze context dan ook niet enkel tot doel hebben de parlementaire commissies de mogelijkheid te bieden een inzicht te geven in de persoonlijke kwalificaties van de verschillende kandidaat-regeringsleden, maar zullen evenzeer in een vroeg stadium de werkbetrekkingen tussen de parlementaire commissies en de toekomstige regeringsleden operationaliseren.

Indien het beleidsterrein van een kandidaat-regeringslid zou samenvallen met het beleidsdomein van meer dan één commissie, dienen alle relevante parlementaire commissies te worden betrokken bij de hoorzittingen in de eerst bevoegde commissie.

Ter voorbereiding van bedoelde hoorzittingen zullen de kandidaat-regeringsleden tijdig in het bezit worden gesteld van een aantal inhoudelijke schriftelijke vragen die door de respectieve bevoegde parlementaire commissies moeten worden opgesteld. De hoorzittingen dienen dan ook op een zodanige wijze te worden georganiseerd dat de kandidaten voor de regering het Parlement alle relevante informatie kunnen verstrekken. Na elke hoorzitting deelt de bevoegde parlementaire commissie haar oordeel in de vorm van een evaluatiemotie aan de voorzitter van het Parlement mede.

De concretisering van vermelde zienswijze vergt een wijziging van artikel 60 BWHI. Rekening houdend evenwel met de institutionele gewoonten die de regeringsvorming in de onderscheiden gemeenschappen en gewesten kenmerken, is het noodzakelijk om de mogelijkheid tot wijziging van artikel 60 BWHI toe te vertrouwen aan het autonome optreden van de betrokken gemeenschaps- en gewestparlementen.

Dienaangaande dient er verwezen te worden naar artikel 49, § 1, BWHI dat in de volgende bewoordingen is gesteld : « De Parlementen kunnen, ieder voor zich, bij decreet de bepalingen van de artikelen 32, 33, 34, 37, 41, 46, 47 en 48, evenals de bepalingen van Hoofdstuk III, Afdeling II, wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen. ».

Onderhavig voorstel strekt er dan ook toe om het artikel 60 BWHI op te nemen in het toepassingsveld van artikel 49, § 1, BWHI zodoende dat, in samenlezing met artikel 35, § 3, BWHI, de aangelegenheid van de voordracht van de kandidaat-regeringsleden tot het domein van de constitutieve autonomie behoort. Deze autonomie, die vooralsnog een beperkend karakter vertoont, heeft immers niet enkel betrekking op een aantal aangelegenheden betreffende de verkiezing, de samenstelling en de werking van het Parlement van de Vlaamse Gemeenschap, het Parlement van de Franse Gemeenschap en het Parlement van het Waalse Gewest (artikel 118, § 2, GW) maar ook op een aantal aangelegenheden inzake de samenstelling en de werking van de regering van de Vlaamse Gemeenschap, de regering van de Franse Gemeenschap en de regering van het Waalse Gewest (artikel 123, § 2, GW). De decreten waarmee deze constitutieve autonomie tot uitdrukking wordt gebracht, moeten weliswaar worden aangenomen met twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van de betrokken raad aanwezig is (art. 35, § 3, BWHI).

Jean-Jacques DE GUCHT
Martine TAELMAN
Bart TOMMELEIN
Luckas VANDER TAELEN.

VOORSTEL VAN BIJZONDERE WET


Artikel 1

Deze bijzondere wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 49, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en 27 maart 2006, worden de woorden « 47 en 48, » vervangen door de woorden « 47, 48 en 60, ».

1 oktober 2009.

Jean-Jacques DE GUCHT
Martine TAELMAN
Bart TOMMELEIN
Luckas VANDER TAELEN.