4-1457/1 | 4-1457/1 |
15 OKTOBER 2009
Inleiding
De banksector is een sector die in de jaren '90 van de vorige eeuw had af te rekenen met enkele fundamentele veranderingen. De sector kenmerkte zich door talrijke fusies en overnames. Hierdoor zijn er in België vijf grote bankgroepen ontstaan : Fortis, Dexia, KBC, ING en AXA. Synergievoordelen en risicodiversificatie vormden de voornaamste redenen voor deze grootschalige fusiegolf.
Het is in het kader van deze synergievoordelen dat de grote bankgroepen kosten probeerden en nog altijd proberen te besparen, dit met het oog op het creëren van een zo hoog mogelijke toegevoegde waarde voor de aandeelhouders.
Personeelskosten vormen een belangrijk kostenaandeel voor een bank. Om deze reden heeft er zich in de banksector een tendens voorgedaan om het aantal contactpunten (loketten) zoveel als mogelijk af te bouwen. Om het cliënteel toch nog enigszins van dienst te kunnen zijn werden onder andere geldautomaten (ATM) geïnstalleerd, werd het internetbankieren verder uitgewerkt en werden er systemen van selfbanking ontwikkeld.
Aangezien het afhalen van geld door het cliënteel voor een bank geen rechtstreeks financieel voordeel oplevert en de instandhouding van geldautomaten alleen kosten en bijkomende taksen met zich meebrengt, werden veel bankautomaten de jongste jaren gesloten. Tussen 2000 en 2004 werd maar liefst 10 % van het aantal publiek toegankelijke geldautomaten gesloten. Het feit dat hierdoor het cliënteel aanzienlijk langere afstanden moet afleggen om nota bene over zijn eigen spaartegoed te kunnen beschikken was slechts bijzaak. Hierdoor ontstonden er in België diverse zogenaamde « blinde vlekken » waar er in een straal van tal van kilometers geen bankautomaat te bespeuren viel.
Naar aanleiding van druk vanuit zowel de politieke hoek als de consumentenorganisaties werden er diverse akkoorden afgesloten met de banksector waarbij overeengekomen werd om de systemen voor selfbanking ook beschikbaar te stellen voor de niet-klanten. Bovendien werd afgesproken om deze systemen, zoals voorheen reeds het geval was, kosteloos ter beschikking te stellen voor iedereen.
Er is echter gebleken dat de banken hun cliënteel vanaf 1 januari 2008 5 tot 70 eurocent aanrekenen per geldopname in een (self-)bankautomaat van een andere bank. De banken die een geldautomaat uitbaten rekenen de kosten voor een transactie door aan de bank van de depositohouder die dan al dan niet kiest om deze kosten door te rekenen aan hun cliënteel. Sommige banken rekenen zelfs kosten aan wanneer het eigen cliënteel geld afhaalt aan een geldautomaat van de eigen bank. De banken communiceren dat niet voldoende aan hun cliënteel waardoor de meeste mensen gewoonweg niet op de hoogte zijn dat er voor het afhalen van geld een kostprijs wordt aangerekend. Enkele banken vermelden de kosten zelfs niet op de maandelijkse rekeninguittreksels maar rekenen de kosten aan op het einde van het jaar om kostentransparantie te vermijden.
De banken dreigen hierdoor twee keer langs de kassa te passeren. De eerste keer omdat ze door het afbouwen van de contactpunten en het personeel direct aanzienlijke kosten hebben bespaard. Een tweede keer omdat ze de kostprijs voor de elektronische installaties die een rechtstreekse kostenbesparing hebben mogelijk gemaakt willen doorrekenen aan het cliënteel door bij een geldopname nogmaals een kost aan te rekenen.
Uit een parlementaire vraag nr. 4-3172 van senator Dirk Claes blijkt daarenboven dat het aantal geldafhalingen door niet-cliënten uitgevoerd in selfbanks spectaculair toeneemt. In 2006 ging het om 18 242 583 verrichtingen, in 2007 om 42 636 684 verrichtingen en in 2008 om 63 806 370 verrichtingen. Het aantal geldafhalingen dat in België wordt uitgevoerd aan de elektronische terminals van de vennootschap Atos Worldline die Banksys en Bank Card Company heeft overgenomen, stijgt eveneens : van 94 465 013 geldafhalingen in 2006 tot 103 628 717 geldafhalingen in 2008.
Doelstelling van het wetsvoorstel
Het is de betrachting van het wetsvoorstel om een grotere transparantie te verkrijgen met betrekking tot de kosten die kunnen worden aangerekend bij het afhalen van geld aan een geldautomaat.
Artikel 2 voorziet dat de kredietinstelling slechts kosten voor een geldopname kan aanrekenen indien zij de kaarthouder op een transparante wijze inlicht met betrekking tot de aangerekende kosten op het moment van de geldopname. Op deze wijze kan de kaarthouder met voldoende kennis van zaken een oordeel vormen over de kostprijs van de geldopname en tarieven vergelijken. De kaarthouder krijgt bijvoorbeeld op het moment waarop hij aan de geldautomaat een bedrag opvraagt van 50 euro een vermelding op het scherm dat er voor deze verrichting 10 of 20 eurocent wordt aangerekend. De kaarthouder kan dan oordelen of hij al dan niet met de transactie wenst door te gaan of ervoor kiest om zich tot een andere geldautomaat te wenden.
| Dirk CLAES Wouter BEKE Elke TINDEMANS Tony VAN PARYS. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Iedere kredietinstelling in de zin van artikel 1 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, die een elektronisch systeem voor het afhalen van geld aanbiedt, kan de kosten van een elektronische geldopname slechts aan de kaarthouder of zijn kredietinstelling doorrekenen indien zij de kaarthouder hiervan op een uitdrukkelijke, duidelijke, goed leesbare en ondubbelzinnige wijze op de hoogte stelt op het moment van de geldopname.
17 september 2009.
| Dirk CLAES Wouter BEKE Elke TINDEMANS Tony VAN PARYS. |