4-1440/1

4-1440/1

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

6 OKTOBER 2009


Wetsvoorstel tot wijziging van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecöordineerd op 19 december 1939, inzake de afschaffing van het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten

(Ingediend door mevrouw Nele Jansegers c.s.)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt, in aangepaste vorm, de tekst over van een voorstel dat reeds op 2 april 2004 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 3-618/1 - 2003/2004).

Het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD) werd in het leven geroepen om tussen te komen in de financiering van de personeels- en/of werkingskosten van diensten die instaan voor de opvang buiten de normale schooluren van kinderen van 2,5 tot 12 jaar diensten die voor de opvang van zieke kinderen tussen 0 en 12 jaar instaan diensten die buiten hun normale openingsuren instaan voor de flexibele opvang van kinderen van 0 tot 12 jaar enz. Het zwaartepunt ligt dus bij initiatieven inzake buitenschoolse kinderopvang van kinderen van drie jaar of ouder. Dit fonds wordt gestijfd met jaarlijkse bijdragen van de werkgevers ten bedrage van 0,05 % van de totale loonmassa van de door hen tewerkgestelde werknemers.

Krachtens artikel 5, § 1, II, 1º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zijn de gemeenschappen, wat de bijstand aan personen betreft, bevoegd voor het gezinsbeleid met inbegrip van alle vormen van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen. Het gezinsbeleid werd immers door de bijzondere wetgever aangeduid als een persoonsgebonden aangelegenheid in de zin van artikel 128, § 1, van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994.

Het is volstrekt onaanvaardbaar dat bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap, in casu kinderopvang als deel van het gezinsbeleid, door de federale Staat gerecupereerd worden via de unitaire sociale zekerheid. Dit is met het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten immers het geval. De bijzondere wetgever wordt hierdoor zonder meer buitenspel gezet.

In zijn advies over een voorontwerp houdende sociale bepalingen, dat uiteindelijk resulteerde in de wet van 25 januari 1999 en dat onder meer voorzag in een uitbreiding van de categorieën van kinderen in wier kosten het FCUD tussenkomt, wees de Raad van State op deze flagrante bevoegdheidsoverschrijding door de federale Staat. De Raad van State toonde op glasheldere wijze aan dat de federale Staat, door de wijziging (die uiteindelijk bij de voormelde wet van 25 januari 1999 doorgevoerd werd) van artikel 107 van de bij het koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zijn eigen logica ondergraven heeft. Die logica bestond erin dat de financiering van initiatieven inzake kinderopvang met de middelen van het FCUD beschouwd diende te worden als een met gezinsuitkering gelijk te stellen voordeel in natura, verstrekt aan op kinderbijslag rechthebbende werknemersgezinnen. Door de bepalingen inzake het FCUD in de wettelijke regeling van de kinderbijslag voor werknemers op te nemen, en dus dit fonds in de federaal gebleven sociale zekerheid te verankeren, rechtvaardigde de federale Staat de subsidiëring van initiatieven inzake kinderopvang, wat op zich tot de bevoegdheden van de gemeenschappen behoort. De beschreven logica mist sinds de genoemde wetswijziging elke grondslag. Sinds de inwerkingtreding van de wet van 25 januari 1999 komt het FCUD immers niet langer alleen maar tussen in de kosten voor kinderen die krachtens de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders recht geven op kinderbijslag, maar eveneens in de kosten gemaakt voor kinderen die recht geven op gewaarborgde kinderbijslag, kinderen van politieke vluchtelingen en kinderen van grensarbeiders. De Raad van State zei hierover het volgende : « Het is zeer de vraag of dergelijke uitbreiding nog kan worden geacht betrekking te hebben op een met gezinsuitkering gelijk te stellen voordeel in natura verstrekt aan op kinderbijslag rechthebbende werknemersgezinnen en of, met andere woorden, die uitbreiding nog kan worden gezien als een zaak van sociale zekerheid, waarvoor de federale overheid nog bevoegd kan worden geacht. »

Na een procedure bij het toenmalige Arbitragehof door de Vlaamse regering, heeft dit Hof weliswaar de grondwettigheid aanvaard van artikel 107 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zoals vervangen bij de programmawet (I) van 24 december 2002. Het Hof aanvaardde de grondwettigheid ervan echter enkel in de mate dat het FCUD niet gemachtigd is om rechtstreeks aan « diensten » subsidies te verstrekken. Daaruit blijkt nogmaals hoe nauw het gebruik van de financiële middelen van het FCUD samenhangt met de bevoegdheid van de gemeenschappen om op grond van artikel 5, § 1, II, 1º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen het beleid met betrekking tot de voorzieningen inzake kinderopvang te voeren.

Ten gevolge van dit arrest heeft de federale regering bij wet van 21 april 2007 de regeling inzake het FCUD andermaal gewijzigd, ditmaal met de bedoeling de regeling meer in overeenstemming te brengen met de bevoegdheidsrechtelijke vereisten zoals geformuleerd door het Grondwettelijk Hof. Uit de memorie van toelichting bij deze wet blijkt de bedoeling van de wetgever om de tegemoetkoming van het FCUD niet meer te verbinden aan de opvangvoorzieningen en een recht toe te kennen aan het kind. Het Fonds komt aldus tussen in de financiering van de kosten voor de opvang van ieder op kinderbijslag rechtgevend kind bij welbepaalde opvangdiensten. Om de criteria te bepalen waaraan de structuren moeten beantwoorden, moet, aldus artikel 107 in zijn nieuwe lezing, een samenwerkingsakkoord worden gesloten tussen de federale Staat en de bevoegde deelgebieden. Deze nieuwe regeling is echter nog steeds niet in werking getreden.

Intussen zijn de geesten, wat het FCUD betreft, verder gerijpt in de richting van een volledige overheveling van deze materie naar de gemeenschappen. In het kader van de werkzaamheden voor een verdere staatshervorming waren de traditionele partijen in maart 2008 immers overeengekomen om het FCUD volledig op te doeken en de bevoegdheid erover alsook de overeenstemmende middelen definitief toe te wijzen aan de gemeenschappen (zie Senaat, stukken 4-602, 603 en 604). Zoals bekend is hiervan tot op heden echter niets in huis gekomen ingevolge het afspringen van de gesprekken omtrent de hervorming van de Staat.

Het Vlaams Belang heeft in alle geval steeds geijverd voor een splitsing van de gehele sociale zekerheid. Op die manier kan een einde gemaakt worden aan de huidige versnippering van bevoegdheden die een efficiënt bestuur onmogelijk maakt. Het is bijvoorbeeld niet logisch dat Vlaanderen bevoegd is om een eigen gezinsbeleid te voeren, terwijl de kinderbijslagen een federale aangelegenheid gebleven zijn. Sociale zekerheid is in het algemeen als een vorm van bijstand aan personen te beschouwen. Een volledige splitsing van de sociale zekerheid, op middellange termijn, is wellicht de beste oplossing om bevoegdheidsconflicten zoals deze uit de wereld te helpen. Een defederalisering van de gezinsbijslagen is in elk geval dringend nodig om de gemeenschappen toe te laten een coherente gezinspolitiek te voeren.

Er is niet alleen de principiële discussie over het feit of de federale Staat zich door de subsidiëring van kinderopvang al dan niet op het terrein van de gemeenschappen begeeft. De bestaande toestand is daarenboven voor Vlaanderen heel lang uiterst nadelig gebleken. Zo kregen in 1998 de Nederlandstalige kinderopvanginitiatieven slechts 0,229 miljard (17 %), terwijl de Franstalige initiatieven 1,145 miljard frank (83 %) uit het FCUD ontvingen. De toenmalige Vlaamse minister van Welzijn, Luc Martens, verklaarde in een interview in het najaar van 1998 met de krant De Standaard dat hij bij de federale woordvoerders als het ware op zijn knieën moest gaan zitten om een beetje geld te krijgen voor Vlaamse initiatieven op het vlak van kinderopvang. Sindsdien werd er beloofd dat de scheeftrekkingen zouden weggewerkt worden. Dat is de voorbije jaren inderdaad ook gebeurd, zij het op een tergend traag tempo; het evenwicht is nog altijd niet hersteld. Volgens de jongst beschikbare gegevens zouden Nederlandstalige initiatieven in 2006 nog altijd maar 53,60 % van de middelen hebben gekregen tegen 45,70 % voor de Franstalige initiatieven.

De indieners zijn hoe dan ook de mening toegedaan dat de gemeenschappen het aangewezen niveau vormen om initiatieven inzake kinderopvang te ondersteunen en niet de federale Staat. Daarom voorziet artikel 2 van het onderhavige wetsvoorstel in een opheffing van artikel 107 van de bij het koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, dat betrekking heeft op de instelling van het FCUD, en strekt artikel 3 van het onderhavige wetsvoorstel tot de opheffing van de artikelen 23 en 24 van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, welke betrekking hebben op de bijdragen die de werkgevers verschuldigd zijn aan het FCUD.

In plaats van toe te laten dat de federale Staat de bevoegdheden van de gemeenschappen naar zich toe trekt, zou men er beter voor zorgen dat de gemeenschappen over voldoende middelen beschikken om de hun toegewezen bevoegdheden naar behoren te kunnen uitoefenen. De aangewezen manier om dat te doen is de toekenning van verregaande fiscale autonomie aan de gemeenschappen. Die fiscale autonomie heeft als voordeel tegenover een verhoging van de dotaties uit de federale schatkist aan de gemeenschappen, dat zij zal leiden tot een responsabilisering van de gemeenschappen. Uiteraard kan de federale wetgever de gemeenschappen niet de verplichting opleggen om eigen fondsen te creëren. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet dan ook niet in een dergelijke verplichting omdat zij de autonomie van de gemeenschappen — die de inzet vormt van het wetsvoorstel — meteen zou uithollen. De gemeenschappen moeten naar eigen goeddunken over de aanwending van hun middelen kunnen beslissen. De indieners zijn overigens van oordeel dat kinderopvang belangrijk is, maar dat tevens de thuiswerkende ouder, die zelf voor de opvang van zijn kinderen instaat, niet mag vergeten worden. Enerzijds beweert men dat er geen geld is voor de invoering van een opvoederloon voor de thuiswerkende ouder, maar anderzijds wordt er wel massaal geld gepompt in kinderopvang.

Het Vlaams Belang is voorstander van een daadwerkelijke keuzevrijheid voor de ouder. Een dergelijke keuzevrijheid kan slechts gewaarborgd worden wanneer de overheid alle ouders ondersteunt, zowel de thuiswerkende als de buitenshuiswerkende ouder. Van een dergelijke geïntegreerde gezinspolitiek kan slechts werk gemaakt worden, wanneer niet alleen kostencompenserende sectoren van de sociale zekerheid zoals gezinsbijslagen, maar tevens de inkomenscompenserende takken van de sociale zekerheid (waarvan een opvoederloon deel zou uitmaken) aan de gemeenschappen worden toegewezen.

Artikel 4 van het wetsvoorstel voorziet ten slotte in een verdeling van de resterende financiële middelen van het FCUD over de gemeenschappen op basis van het aantal kinderen tussen 3 en 12 jaar (de belangrijkste doelgroep van het FCUD) dat tot elke gemeenschap behoort.

Nele JANSEGERS
Jurgen CEDER
Anke VAN DERMEERSCH.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 107 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998, 25 januari 1999, 24 december 2002 en 21 april 2007, wordt opgeheven.

Art. 3

In de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling worden opgeheven :

1º artikel 23, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995;

2º artikel 24.

Art. 4

De resterende financiële middelen van het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten worden overgeheveld naar de gemeenschappen. De verdeling over de gemeenschappen gebeurt op basis van het aantal kinderen tussen 3 en 12 jaar dat op de eerste dag van de eerste maand volgend op de datum van inwerkingtreding van deze wet tot elke gemeenschap behoort.

Art. 5

Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

21 september 2009.

Nele JANSEGERS
Jurgen CEDER
Anke VAN DERMEERSCH.