4-1387/3 | 4-1387/3 |
8 JULI 2009
I. INLEIDING
Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd door de regering in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend op 19 mei 2009 (stuk Kamer, nr. 52-1997/1).
Het werd er geamendeerd en op 2 juli 2009 aangenomen met 86 tegen 15 stemmen bij 35 onthoudingen en op dezelfde dag nog verzonden naar de Senaat. De Senaat heeft het geëvoceerd op 6 juli 2009.
Op haar vergadering van 8 juli 2009 heeft de commissie voor de Justitie het wetsontwerp besproken in aanwezigheid van de minister van Justitie.
II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE
De heer De Clerck, minister van Justitie, herinnert eraan dat de wet van 8 augustus 1997 betreffende het Centraal Strafregister in het Wetboek van strafvordering de artikelen 595 en 596 heeft ingevoegd, op grond waarvan de gemeentebesturen uittreksels uit het strafregister van particulieren dienen af te leveren. Deze artikelen zijn evenwel nog niet in werking getreden, zodat de aflevering van deze uittreksels geschiedt op grond van een omzendbrief.
Het Centraal Strafregister moet toelaten alle overheden die betrokken zijn bij de strafuitvoering en alle administratieve overheden die kennis moeten nemen van elementen uit veroordelingen, aansluiting te geven op dit Centraal Strafregister.
De omzendbrief nr. 95 van 2 februari 2007, die als grondslag diende voor de aflevering van deze uittreksels werd echter vernietigd door arrest nr. 189 761 van 26 januari 2009 van de Raad van State, zodat de artikelen 595 en 596 van het Wetboek van strafvordering dringend van kracht moeten worden.
De Raad van State oordeelde immers dat de minister van Justitie geniet geen grondwettelijke of wettelijke machtiging om een dringend reglementair stelsel te organiseren om de aflevering van uittreksels uit het Strafregister mogelijk te maken.
Om deze redenen wil het huidige wetsontwerp :
1. in eerste instantie, de artikelen 595 en 596 Sv. in werking laten treden;
2. in tweede instantie, het uittreksel uit het strafregister « model 2 » (art. 596, tweede lid Sv.) wettelijk verankeren en de inhoud ervan duidelijk definiëren teneinde een acceptabel evenwicht te bereiken tussen het individueel belang (recht op privacy) en het algemeen belang, meer specifiek in het kader van de jeugdbescherming.
Nieuw in het wetsontwerp zijn :
— de integratie van de veroordelingen bij eenvoudige schuldverklaring;
— de integratie van de door de onderzoeksrechter uitgesproken verboden om een activiteit uit te oefenen die de beschuldigde in contact zou brengen met minderjarigen als voorwaarde voor de invrijheidsstelling in het kader van een lopend gerechtelijk onderzoek;
— de strafuitvoeringsrechtbanken die kennis moeten kunnen nemen van de strafrechtelijke antecedenten van de personen waarmee zij in het kader van een mogelijke invrijheidsstelling rekening moeten kunnen houden.
Wanneer een particulier een uittreksel vraagt met het oog op de uitoefening van een activiteit met minderjarigen, moet het afgeleverde uittreksel naast de beslissingen bedoeld in artikel 595, tweede lid, Sv. het volgende vermelden :
• het feit dat men moet weten of de betrokken persoon een verbod opgelegd kreeg door de onderzoeksrechter in het kader van een lopend gerechtelijk onderzoek, om een activiteit met minderjarigen uit te oefenen;
• de veroordelingen bij eenvoudige schuldverklaring;
• de opschorting van de rechterlijke uitspraak;
• de eventuele veroordelingen in het buitenland ten laste van Belgen. De laatste drie soorten beslissingen worden vermeld indien ze zijn uitgesproken voor feiten die werden gepleegd ten aanzien van een minderjarige en dit feit een element van het misdrijf is of er de straf van verzwaart.
In de Kamercommissie voor de Justitie zijn er enkele discussies geweest, onder andere over de werkstraffen : niet alle werkstraffen zijn in het wetsontwerp opgenomen. Dat is toe te schrijven aan het feit dat er nog geen algemene regeling is voor die problematiek. Een andere discussie ging over de door de onderzoeksrechter uitgesproken verboden.
De rechter kan de veroordeling bij eenvoudige schuldverklaring uitspreken wanneer de redelijke termijn verlopen is. Er is in de Kamercommissie een discussie geweest over de vraag of die schuldverklaringen, drie jaar na de definitieve veroordeling, nog vermeld moeten worden. Volgens het algemeen beginsel verdwijnen die veroordelingen na drie jaar. In de Kamercommissie voor de Justitie besprak men de vraag of de schuldverklaringen onder hetzelfde principe vielen.
De minister benadrukt dat het wetsontwerp in de Kamer gesteund werd door meerdere fracties. De ingediende wetsvoorstellen over hetzelfde thema werden in het wetsontwerp opgenomen.
III. ALGEMENE BESPREKING
De heer Mahoux stelt zich vragen over de datum van inwerkingtreding van de wet op 30 juni 2009. Die datum is verstreken zodat er nu een wetgevingstechnisch probleem rijst. De minister heeft verschillende keren gewezen op die vervaldag tijdens zijn optreden in de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Het probleem van de voorlopige hechtenis en de inschrijving van de opheffing van die hechtenis, met verbod, werd niet besproken. Als iemand de opheffing van de voorlopige hechtenis met voorwaardelijke invrijheidsstelling krijgt, dan staat dat in zijn strafregister. Er wordt dus een gegeven ingeschreven voor iemand die nog altijd het vermoeden van onschuld geniet. Dat lijkt hem vreemd. Hoe zit het met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het grondbeginsel van vermoedelijke onschuld ?
Hij gaat akkoord met het beginsel dat de schuldverklaring in het strafregister zou worden opgenomen. Dat geldt niet voor de voorwaardelijke voorlopige hechtenis.
De minister antwoordt dat, wat de inwerkingtreding van de wet betreft, het voor hem heel goed denkbaar is een wettelijke grondslag met terugwerkende kracht vast te stellen vanaf 30 juni 2009. De wet heeft uitwerking vanaf 30 juni 2009. In geval van betwisting inzake de uitgereikte attesten, moet er een wettelijke grondslag zijn. Artikel 11 bepaalt dus duidelijk dat de wet vanaf 30 juni uitwerking heeft.
Wat de voorlopige hechtenis betreft, meent de minister dat die inschrijving essentieel is. De onderzoeksrechter kan maatregelen nemen en aan de opheffing van de voorlopige hechtenis voorwaarden koppelen in verband met werk enz. Indien de beklaagde volgens die voorwaarden van opheffing van voorlopige hechtenis bijvoorbeeld niet met minderjarigen mag werken, dan is het van groot belang dat die voorwaarden bekend zijn via de inschrijving ervan in het strafregister. Indien een potentiële werkgever een attest van het strafregister vraagt, dan kan hij kennis nemen van bepaalde verboden.
De heer Mahoux antwoordt dat de persoon nog altijd vermoedelijk onschuldig is.
De minister wijst erop dat het belang van de bescherming van de samenleving en van kinderen moest afgewogen worden in het kader van gerechtelijke onderzoeken en niet van opsporingsonderzoeken, en dat impliceert een inverdenkingstelling door een onderzoeksrechter en een verbod. Tot dat verbod kan enkel worden beslist onder dezelfde voorwaarden als van een aanhoudingsbevel. Er zijn dus voldoende aanwijzingen ten aanzien van de beschuldigde die enkel in vrijheid wordt gesteld op voorwaarde dat dat hij geen contact heeft met kinderen. Dat verbod zal enkel in het strafregister worden vermeld op het ogenblik dat het vonnis wordt uitgesproken. Als het vonnis dat verbod overneemt, wordt het in het strafregister opgenomen zoals bij de overige definitieve gerechtelijke beslissingen. Vanaf dan bestaat dit probleem niet meer.
Mevrouw Van dermeersch stelt vast dat de problemen van retroactiviteit, en het juridisch vacuüm dat vandaag bestaat, zijn ontstaan omdat de Raad van State de omzendbrief van 2 februari 2007 heeft vernietigd. De Raad van State heeft terecht vastgesteld dat werkstraffen zouden moeten worden opgenomen in artikel 594 van het Wetboek van strafvordering. Waarom is dit niet gebeurd ? Een werkstraf is immers een straf, een terechtwijzing van de maatschappij voor een gedrag of inbreuk dat in onze maatschappij niet getolereerd wordt. Werkstraffen moeten dus, volgens spreekster, opgenomen worden in artikel 594 Sv.
Mevrouw Taelman stelt zich vragen over de exacte toepassing van deze wet. Nu al leveren de gemeenten de uittreksels uit de strafregisters en zij zullen dat ook in de toekomst verder blijven doen. Het is dus belangrijk dat de gemeenten precies weten welke de draagwijdte van de wet is. Graag had zij van de minister vernomen of de gemeenten hierover goed geïnformeerd zijn en precies weten op welke beroepsactiviteiten de wet van toepassing is. Er zijn een aantal beroepen waarvoor bij wet of verordeningen, toegangs- of uitoefeningsvoorwaarden zijn voorzien en waarvoor een uittreksel uit het strafregister noodzakelijk is. Wijzigt deze wet hier iets aan ? Is het afhankelijk van het type van beroep ? Waar is deze informatie terug te vinden voor de gemeenten ?
Betreffende de werkstraffen bepaalde de omzendbrief van 2 februari 2007 dat zij niet mochten voorkomen op het uittreksel. De wet over de bewakingsondernemingen voorziet hierin nochtans wel voor welbepaalde activiteiten. Hoe moet een gemeente dit dan oplossen ? Moet het al dan niet vermeld worden ? Met welke wetgeving moet rekening worden gehouden ?
De heer Vandenberghe komt terug op de terugwerkende kracht van de wet. In de mate dat er geen strafbepalingen toepasselijk zouden zijn kan er in terugwerkende kracht worden voorzien. De rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof laten dit toe in uitzonderlijke en gemotiveerde omstandigheden. Dit geldt uiteraard niet als het een wet betreft met strafrechtelijk gevolg. Spreker meent dat dit in casu niet het geval is, maar wenst hierover bevestiging van de minister te krijgen.
Spreker stelt vast het om een gedeeltelijke aanpassing van de wet gaat, slechts punctuele elementen worden gewijzigd. Het ontwerp dat oorspronkelijk aan de Kamer werd voorgelegd had een ruimer perspectief.
Een algemene vraag betreft de doorstroming van de informatie naar de gemeenten. Het Centraal Strafregister is nog niet gedigitaliseerd. Het is duidelijk dat het gaat om de opslag van de meest gevoelige informatie. Volgens het Verdrag van Straatsburg van 28 januari 1981 over de bescherming van persoonsgegevens valt deze informatie onder de strengste categorieën.
Wordt deze gevoelige informatie centraal verzameld en doorgegeven per brief en per databank ? Als het opgeslagen wordt in een databank moeten er bijkomende garanties nageleefd worden. Bestaat er een controle om de privacybescherming van deze gegevens te garanderen ? Valt de bescherming van deze gegevens onder een federale wetgeving of is het een geregionaliseerde bevoegdheid ?
Betreffende de voorlopige hechtenis beëindigd onder voorwaarden — beslissing die kan worden genomen door de onderzoeksrechter, de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling — merkt spreker het volgende op. Formeel gesproken zijn het slechts beslissingen, dus geen straffen. Deze beslissingen zijn echter verbonden aan voorwaarden waarvan de overheid kennis moet kunnen nemen om op te treden. De controle op de naleving van deze voorwaarden moet mogelijk zijn en dit kan alleen als deze voorwaarden ergens opgeslagen worden. Moet dit technisch gesproken in het strafregister of kan dit ook in een ander register ? Beschikt de politie eventueel over een ander register waarin deze informatie ook wordt opgenomen ?
Mevrouw Nagy vraagt of de omstandigheden die worden beoogd in het wetsontwerp zich vaak voordoen. Gebeurt het bijvoorbeeld vaak dat een persoon die wordt beschuldigd van pedofilie onder voorwaarden wordt vrijgelaten ? Men mag er toch van uitgaan dat het ofwel gaat om zodanig ernstige feiten dat een voorlopige invrijheidsstelling niet opportuun is, ofwel om eerder lichte overtredingen die een opname in het strafregister niet zouden verantwoorden.
De heer Mahoux wijst op de vele formulieren die een gemeente kan afleveren en naar de wijze waarop informatie in de praktijk wordt ingewonnen, ook bij het afleveren van een bewijs van goed zedelijk gedrag. Men mag niet vergeten dat het, in voorkomend geval, gaat om personen die nog niet veroordeeld zijn en dus onschuldig zijn tot het tegendeel wordt bewezen. Men mag zich dus de vraag stellen wie allemaal toegang heeft tot deze gegevens in het Centraal Strafregister. Spreker is het ermee eens dat minderjarigen moeten worden beschermd, en dat bijgevolg de voorlopige invrijheidstelling gebonden kan worden aan voorwaarden. Maar wanneer een gemeente, in de prakijk, telkens wanneer iemand postuleert voor een functie die de omgang met een minderjarige veronderstelt, moet nagaan of er voor de betrokkene bepaalde vermeldingen in het Centraal Strafregister zijn die het hem onmogelijk maken om tijdelijk een bepaald beroep uit te oefenen, moet men zich de vraag stellen naar de toegankelijkheid van deze gegevens.
Dit is iets helemaal anders dan nagaan of de voorwaarden van een voorlopige invrijheidstelling wel worden nageleefd. Het gaat om onschuldige mensen en het is reeds gebeurd dat een persoon zelfmoord pleegt om zijn onschuld te bewijzen. De heer Mahoux meent dan ook dat enkel de betrokken persoon toegang mag hebben tot deze vermeldingen in het Centraal Strafregister, met uitsluiting van alle anderen, zoals bijvoorbeeld politiediensten en dergelijke. Het gaat om informatie die een meer vertrouwelijk karakter heeft dan het Centraal Strafregister in het algemeen, waar men in de prakijk in de gemeentebesturen makkelijk toegang toe heeft. Men moet er zich voor hoeden om een nieuwe schandpaal in het leven te roepen, terwijl spreker niet genoeg kan benadrukken dat de betrokken personen niet veroordeeld en dus onschuldig zijn tot bewijs van het tegendeel.
Mevrouw Crombé-Berton stelt zich vragen bij het 2º van het artikel 6 van het wetsontwerp. Dit bepaalt : « Het in het tweede lid bedoelde uittreksel mag niet worden afgeleverd aan een persoon die zich in voorlopige hechtenis bevindt. » Betekent dit dat het wel mag worden bezorgd aan een persoon die het in zijn plaats komt afhalen ? Valt dit te rijmen met het standpunt dat enkel de betrokken persoon toegang mag hebben tot de vermeldingen in het Centraal Strafregister ?
De minister wijst erop dat het voorgelegde wetsontwerp niet ideaal is. Sedert de wet van 1997 is het werk om tot een gedigitaliseerd Centraal Strafregister te komen niet afgewerkt. Als gevolg daarvan moeten de gemeenten met een dubbel systeem moeten blijven werken. De hoofdopdracht is dan ook het uitbouwen van een digitaal Centraal Strafregister, met een duidelijke afbakening wie ertoe toegang heeft via een digitale sleutel. Dit werk moet tegen 2012 zijn afgerond. Dit is essentieel. Intussen is het een dringende noodzaak om aan de gemeenten een wettelijke basis te geven om toegang te hebben tot het Centraal Strafregister met het oog op het afleveren van het bewijs van goed zedelijk gedrag aan particulieren, die dit nodig hebben wanneer zij voor een bepaalde betrekking in aanmerking komen. De terugwerkende kracht is dan ook essentieel, vermits anders deze wettelijke basis ontbreekt. De Raad van State heeft duidelijk aangegeven dat men dit probleem niet kan oplossen middels een omzendbrief of een koninklijk besluit. Vermits het hier niet gaat om strafbepalingen, is er ook geen juridisch probleem met de terugwerkende kracht.
Vanuit deze optiek werden een aantal keuzes gemaakt. Wat de werkstraffen betreft, is er een afweging gemaakt : worden zij nu reeds ingeschreven of is het beter om hiermee te wachten totdat er een globaal plan voorligt ? Uiteindelijk heeft de minister ervoor geopteerd om de werkstraffen buiten voorliggend wetsontwerp te houden omdat deze aangelegenheid hiervoor geenszins rijp is. Er bestaan weliswaar autonome werkstraffen, maar de werkstraf heeft tot doel om de reïntegratie van de betrokkene mogelijk te maken. Zij wordt dan ook niet betrokken in voorliggend ontwerp.
Zo moet er een algemene denkoefening plaatsvinden met betrekking tot de werkstraffen, met name over de wetgeving omtrent de bewakingsdiensten, de privédetectives, en dergelijke. In het kader van deze wetgeving moeten de administratieve instanties dan kunnen worden ingelicht over de veroordelingen tot werkstraffen. Ook hier is het wenselijk om een gedigitaliseerde structuur af te wachten zodat het probleem fundamenteel kan worden aangepakt. Op deze wijze wordt het risico van improvisatie vermeden.
De minister verduidelijkt dat enkel de particulieren toegang hebben tot het register, met het oog op het bekomen van het attest dat aan de werkgever moet worden bezorgd. De werkgever heeft helemaal geen toegang. De minister erkent dat de toepassing van deze principes in de gemeenten niet steeds optimaal is, maar er is geen andere structurele oplossing en bovendien staan er sancties op het schenden van deze principes.
De heer Vincent Cambier, directeur van de Dienst Centraal Strafregister, verklaart dat de centrale dienst en de gemeentelijke diensten naast mekaar functioneren omdat de gemeentebesturen niet automatisch het centrale, digitale register kunnen raadplegen. Het centrale register wordt immers « opgeschoond ». Ongeveer 300 000 dossiers van het Centraal Strafregister worden nog onderzocht op hun verenigbaarheid met het nationale nummer met de bedoeling om alle dossiers een uniek nummer toe te kennen en de betrouwbaarheid van de erin vermelde gegevens te kunnen verzekeren. Men heeft immers spellingsfouten ontdekt zodat over de identiteit van de betrokken personen geen zekerheid kan worden geboden en dit is het gevolg van het veelvuldig toekennen van codes op de griffies van de rechtbanken, in de gemeentelijke registers en in het centraal register. Deze gegevens worden nu allemaal samengevoegd om de betrouwbaarheid te controleren. Anders kan men vanuit de gemeentelijke registers nooit op een vlotte manier toegang hebben. Er zijn ook vreemdelingen die hier een straf hebben opgelopen en dus in het centrale register zijn geregistreerd, zonder dat ze evenwel een nationaal nummer hebben. Dit werk moet tegen 31 december 2012 af kunnen zijn.
In de toekomst moet dit werk mogelijk maken dat de gemeentebesturen het Centraal Strafregister verzoeken om een uittreksel te bezorgen, zoals dit vandaag gebeurt met het nationaal register. Dit moet een uitreiking « à la carte » mogelijk maken overeenkomstig de doelstelling. Het beheer van de gegevens zal echter gebeuren op het niveau van het Centraal Strafregister, zodat daar kan worden opgemaakt of een bepaalde persoon al dan niet toegang kan hebben tot een bepaald beroep.
De minister verklaart geen concrete cijfers te hebben over het aantal gevallen waarop voorliggend wetsontwerp zou kunnen worden toegepast. Het gaat alleszins om een zeer beperkt aantal. In ernstige gevallen zal de betrokkene van zijn vrijheid worden beroofd na een rechterlijke uitspraak, maar in andere gevallen zullen de voorwaarden opgelegd door de onderzoeksrechter moeten worden vermeld op de uittreksels die door de gemeenten worden afgeleverd, precies met het oog op de bescherming van de minderjarigen. Justitie moet erop toezien dat het gevraagde uittreksel de werkgever op de hoogte kan brengen van dit verbod.
De heer Mahoux herhaalt dat het risico van een nieuwe schandpaal voor mensen die nog niet veroordeeld zijn niet ondenkbeeldig is en dat dergelijke situaties reeds aanleiding hebben gegeven tot het plegen van zelfmoord. Wanneer het klopt wat de minister zegt, namelijk dat in de meest ernstige gevallen de betrokkene van zijn vrijheid wordt beroofd, betekent dit dat de maatregelen vervat in het wetsontwerp zullen worden toegepast op personen die verdacht worden van minder zware feiten. Zij zullen dus de concrete gevolgen ondervinden.
De minister antwoordt dat het verantwoord is om in deze gevallen de vermeldingen op te nemen op het bewijs van goed zedelijk gedrag. Men mag daarbij niet vergeten dat het, overeenkomstig artikel 6 van het wetsontwerp, gaat om de situatie waarbij het uittreksel wordt aangevraagd teneinde toegang te krijgen tot een activiteit die valt onder opvoeding, psycho-medisch-sociale begeleiding, hulpverlening aan de jeugd, kinderbescherming, animatie of begeleiding van minderjarigen door een persoon die een verbod heeft gekregen om dergelijke activiteiten uit te oefenen. In andere gevallen moeten deze vermeldingen niet gebeuren.
De heer Mahoux meent dat een dergelijk uittreksel enkel aan de betrokkene kan worden overhandigd. De vraag blijft wie anders nog toegang heeft tot de bewuste gegevens, nog los van de eventuele lekken in de gemeentebesturen.
De minister antwoordt dat niemand anders toegang heeft tot deze gegevens en dat bovendien de vermeldingen enkel dienen te gebeuren wanneer het uittreksel wordt gevraagd om toegang te hebben tot bepaalde beroepen.
Mevrouw Nagy is het volledig eens met de doelstelling van het wetsontwerp, met name de bescherming van minderjarigen, maar erkent ook het gevaar van de betrokkenheid van het gemeentebestuur dat laagdrempelig is en waar vertrouwelijke gegevens weleens worden meegedeeld aan derden. Zij suggereert dan ook om de vermeldingen enkel op te nemen in het Centraal Strafregister. Een persoon die een dergelijk formulier nodig heeft om toegang te hebben tot een bepaald beroep, kan zich dan rechtstreeks wenden tot het Centraal Strafregister.
De minister herhaalt dat er zware sancties staan op het meedelen van vertrouwelijke gegevens uit het strafregister. Bovendien verwijst hij naar artikel 9 van het ontwerp, dat bepaalt dat de informatie wordt overgezonden aan de politiedienst van de gemeente waar de betrokkene zijn woon- of verblijfplaats heeft of, wanneer de betrokkene geen woon- of verblijfplaats in België heeft, aan het Centraal Strafregister. Ten slotte ligt een structurele oplossing volgens de minister in een beter uitgebouwd, gedigitaliseerd Centraal Strafregister dat wordt gerealiseerd tegen 2012. Hij meent dat er voldoende veiligheidsmaatregelen zijn ingebouwd in het wetsontwerp opdat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene wordt gerespecteerd.
Mevrouw Nagy erkent dat een persoon die vertrouwelijke gegevens lekt hiervoor zwaar gestraft kan worden, maar intussen is het kwaad geschied. Zij blijft erbij dat de informatie best enkel bewaard wordt in het Centraal Strafregister.
Mevrouw Crombé-Berton herhaalt dat het bepaalde in artikel 6, 2º, van het ontwerp — « Het in het tweede lid bedoelde uittreksel mag niet worden afgeleverd aan een persoon die zich in voorlopige hechtenis bevindt. » — geen enkele zin heeft. Wie in voorlopige hechtenis is genomen, kan zich immers niet rechtstreeks wenden tot de gemeentelijke administratie en enkel de betrokkene mag, overeenkomstig de verklaring van de minister, toegang hebben tot de gegevens die hem aanbelangen.
De minister antwoordt dat deze bepaling werd ingevoegd om te vermijden dat iemand die zich in voorlopige hechtenis bevindt nog snel een uittreksel kan bekomen alvorens hij wordt vrijgelaten onder voorwaarden, bijvoorbeeld om niet te werken met minderjarigen.
Mevrouw Crombé-Berton begrijpt niet waarom deze bepaling vereist is vermits de betrokkene, wanneer hij zich in voorlopige hechtenis bevindt, zich hoe dan ook niet rechtstreeks tot het gemeentebestuur kan wenden.
De heer Vandenberghe verwijst naar artikel 35, § 1, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, dat valt onder het hoofdstuk « Vrijheid onder voorwaarden en invrijheidstelling onder voorwaarden », en dat bepaalt dat, in de gevallen waarin voorlopige hechtenis kan worden bevolen of gehandhaafd, de onderzoeksrechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte, de betrokkene in vrijheid kan laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden. Een van de mogelijke voorwaarden is dat de betrokkene geen contact mag hebben met minderjarigen.
Wanneer nu iemand in zo'n geval zich naar het gemeentehuis begeeft om een bewijs van goed zedelijk gedrag te bekomen, kan hij dit dan krijgen en, zo ja, worden de opgelegde voorwaarden hierin vermeld ? Volgens spreker staat dit niet met zoveel woorden in de tekst van het ontwerp.
Tevens wenst hij te vernemen waar alle voorwaarden voor voorlopige invrijheidsstelling worden geregistreerd, die door de onderzoeksrechter, de raadkamer of de kamer van inbeschuligingsstelling worden opgelegd. Wie controleert deze gegevens ? Wie heeft hiertoe toegang ? En wanneer wordt deze informatie geschrapt ? Dit is belangrijk voor de rechtszekerheid vermits het gaat om discrediterende informatie.
De heer Vandenberghe betreurt dat de hervorming reeds zo lang aansleept. Dit brengt met zich mee dat men steeds wetgevend moet optreden om een urgent probleem op te lossen, waarbij de algemene beginselen uit het oog worden verloren.
De heer Mahoux merkt op dat de personen die de vertrouwelijkheid niet respecteren niet echt worden bestraft.
Meer bepaald werden de administratieve overheden belast met het beheer van de gegevens in de gemeentelijke strafregisters, terwijl dat van Justitie zou moeten afhangen. Is het noodzakelijk om te werken via de gemeenten, waar de kans op lekken legio is ?
Mevrouw Nagy vraagt waarom men moet wachten tot 2012 opdat iedereen die een uittreksel uit het strafregister nodig heeft exclusief een beroep kan doen op het Centraal Strafregister, wat de kans op lekken en verspreiding van persoonlijke informatie zou kunnen beperken.
De minister antwoordt dat het gemeentelijke systeem nog niet is verbonden met het centrale systeem. Bijgevolg moet men werken met de middelen waarover men beschikt. Tegen 2012 moet het systeem geregeld zijn op een structurele en verschillende manier.
Mevrouw Nagy haalt het voorbeeld aan van mensen zonder woonplaats, die de mogelijkheid hebben om zich rechtstreeks tot het Centraal Strafregister te richten.
De minister bevestigt dat deze mogelijkheid voor die mensen bestaat, want ze zijn in geen enkele gemeente ingeschreven. Met het systeem zoals het momenteel is georganiseerd, is het niet mogelijk om te beantwoorden aan de vraag van alle andere personen die een uittreksel uit het strafregister wensen.
De minister geeft het voorbeeld van iemand die van de onderzoeksrechter een verbod heeft gekregen om een activiteit uit te oefenen in contact met minderjarigen. Hoe moet dit verbod worden uitgevoerd ?
Indien de persoon over een woonplaats beschikt, wordt de informatie rechtstreeks naar de lokale politie gestuurd, zonder de gemeente op de hoogte te brengen. Op het moment dat de persoon een uittreksel uit het strafregister vraagt, richt hij zich tot zijn gemeente, die contact opneemt met de lokale politie. Het is pas op dat moment dat de gemeente op de hoogte wordt gebracht van het bestaan van het verbod.
Indien de persoon daarentegen geen woonplaats in België heeft, richt hij zich direct tot het Centraal Strafregister om zijn B-attest te verkrijgen.
De heer Delperée geeft toe dat hij de bedoeling van het debat niet goed begrijpt. De taak van de senatoren bestaat erin de voorliggende tekst eventueel te amenderen. Sommigen lijken echter het principe van het strafregister en de organisatie ervan op lokaal en nationaal niveau in twijfel te trekken.
De heer Vandenberghe is van mening dat het artikel 6 van voorliggend wetsontwerp nogal verwarrend is geformuleerd. Er wordt gesproken over « de veroordelingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 1º en 17º, en de beslissingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 2º, 4º, 5º en 16º », maar de beslissing waarover het gaat, is opgesomd in artikel 590, 18º. Verder in de tekst wordt echter afzonderlijk toegevoegd wat in artikel 590, 18º staat : « De gemeentelijke administratie vermeldt bovendien of de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een verbod om een activiteit uit te oefenen die hem in contact zou brengen met minderjarigen, uitgesproken door een rechter of een onderzoeksgerecht met toepassing van artikel 35, § 1, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis ». Hieruit blijkt dat het verbod zowel door een rechter ten gronde als door een onderzoeksgerecht, de kamer van inbeschuldigingstelling of de raadkamer kan opgelegd worden. Komen alle juridische beslissingen van een onderzoeksrechter, de kamer van inbeschuldigingstelling en de raadkamer bij de politie terecht ?
Mevrouw Nagy wil de doelstellingen of het mechanisme van het Centraal Strafregister niet in twijfel trekken. Men moet er echter op letten dat men geen nadeel berokkent aan personen die onschuldig kunnen blijken te zijn. Bijgevolg dient de senator een amendement in op artikel 9, dat bepaalt dat de informatie doorgegeven wordt aan de politiedienst van de gemeente of aan het Centraal Strafregister. Men zou erop moeten toezien dat alleen het Centraal Strafregister de uittreksels van het strafblad kan uitreiken.
De heer Mahoux wenst te weten of dit technisch haalbaar is. Indien niet, moet dit zo snel mogelijk in orde zijn.
Wat artikel 6 van het wetsontwerp betreft, wordt bepaald dat het verbod op het uittreksel dient te worden vermeld tot op het moment dat de daarop volgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen. Wat gebeurt er daarna met deze vermelding ? Dit betekent dat er helemaal geen verplichting meer is om ze te vermelden. Dit moet uitdrukkelijker worden verwoord.
De minister antwoordt dat de verbinding tussen de gemeentes en het Centraal Strafregister nog steeds technisch en structureel onmogelijk is. De invoering van het nieuwe systeem blijft een prioriteit en moet ten laatste in 2012 afgerond zijn.
Wat het vermelden en schrappen van informatie op het Centraal Strafregister betreft, wijst de minister op artikel 9, dat bepaalt dat de beslissingen tot intrekking, wijziging of verlenging worden overgezonden aan de politiedienst of aan het Centraal Strafregister met het oog op de definitieve beslissing.
De heer Vankrunkelsven raadt aan om een beroep te doen op de ervaring bij de Kruispuntbank voor de sociale zekerheid, die reeds jaren naar behoren functioneert.
IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
Artikel 1 tot 8
Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 9
Mevrouw Nagy dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 4-1387/2), dat het ontworpen artikel 9 wil vervangen om te voorkomen dat ernstige informatie over het privéleven van een persoon, die nog steeds geacht wordt onschuldig te zijn, onthuld wordt door lekken bij het gemeentebestuur, dat er toegang toe heeft. Burgers zouden zich volgens dit amendement tot het Centraal Strafregister moeten wenden om het uittreksel te verkrijgen.
Volgens mevrouw Nagy geven de antwoorden van de minister niet correct weer waarom deze oplossing technisch onmogelijk is, aangezien de rechter in werkelijkheid op ieder ogenblik ook een beslissing aan het Centraal Strafregister kan sturen.
De heer Mahoux verwijst naar de tweevoudige verklaring van de minister, die enerzijds zegt dat het in de huidige stand van zaken niet mogelijk is, en dat hij anderzijds van plan is om meer aan de vertrouwelijkheid van het strafregister te werken, vooral om het vermoeden van onschuld te beschermen.
De minister bevestigt deze verklaring. Bovendien bevat het koninklijk besluit van 19 juli 2001 tot uitvoering van de wet betreffende het Centraal Strafregister heel nauwkeurige veiligheidsmaatregelen inzake persoonlijke toegangscodes, die voor ambtenaren van de gemeente toegankelijk worden wanneer het gemeentebestuur toegang krijgt tot het Centraal Strafregister. Wat het amendement betreft, moet men beseffen dat het in de huidige stand van zaken onmogelijk is dat het Centraal Strafregister de burger rechtstreeks bedient.
Mevrouw Nagy vraagt of dit ook geldt voor mensen zonder papieren. De « gebruikers » kunnen burgers zijn, zowel als « B-modellen ».
De minister antwoordt dat het afleveren van alle B-modellen door het Strafregister het computersysteem zou doen crashen. Daarom vraagt hij om het amendement te verwerpen.
Artikel 10
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 11
De heer Mahoux stelt vast dat de wet met terugwerkende kracht op 30 juni 2009 in werking zal treden. Hij heeft vragen bij de inschrijvingen die van 1 juli tot de inwerkingtreding van deze wet gebeurd zijn. Hoe wordt de terugwerkende kracht geregeld ? Worden deze inschrijvingen met terugwerkende kracht onbestaande, of worden zij illegaal ?
De heer Delpérée merkt op dat retroactiviteit op het niveau van de wetgever niet verboden is.
V. TEKSTCORRECTIES
Op basis van het advies van de Dienst Wetsevaluatie van de Senaat stemt de commissie in met de volgende tekstcorrecties, die ook de goedkeuring wegdragen van de minister.
Artikel 2
In de Nederlandse tekst :
— « de ontzettingen uit de ouderlijke macht » vervangen door « ontzettingen uit het ouderlijk gezag »;
— « 17º veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring ... ».
De Franse tekst als volgt verbeteren :
« 18º ... lorsqu'elle concerne des personnes ... ».
Artikel 4
De Nederlandse tekst van het 1º vervangen als volgt :
« 1º de woorden « veroordelingen bij eenvoudige schuldverklaring, veroordelingen » worden ingevoegd tussen de woorden « tot gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, » en de woorden « tot geldboete van ten hoogste 500 frank ».
Artikel 6
Luidens de Nederlandse tekst vermeldt het uittreksel « behalve de veroordelingen en de beslissingen bedoeld in het eerste lid » meerdere gegevens. Luidens de Franse tekst vermeldt het uittreksel « outre les décisions visées à l'alinéa 1er » meerdere gegevens (dus behalve de beslissingen, en niet behalve de veroordelingen). In de Nederlandse tekst van het eerste lid is geen sprake van beslissingen, maar alleen van veroordelingen. (In de Franse tekst van het eerste lid is er echter sprake van beslissingen (« décisions »). De minister meent dat de Nederlandse tekst moet worden aangepast aan de Franse tekst.
VI. STEMMINGEN
Amendement nr. 1 wordt verworpen met 10 stemmen bij 1 onthouding.
Het verbeterde wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 10 stemmen bij 1 onthouding.
Vertrouwen is geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Francis DELPÉRÉE. | Patrik VANKRUNKELSVEN. |