4-1380/1

4-1380/1

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

6 JULI 2009


HERZIENING VAN DE GRONDWET


Herziening van artikel 150 van de Grondwet


(Verklaring van de wetgevende macht, zie « Belgisch Staatsblad » nr. 131, Ed. 2 van 2 mei 2007)


VOORSTEL VAN DE HEREN PHILIPPE MAHOUX EN FRANCIS DELPÉRÉE


TOELICHTING


A. Huidige toestand

Artikel 150 van de Grondwet bepaalt thans dat de jury wordt ingesteld voor alle criminele zaken (1) , alsook voor politieke en drukpersmisdrijven. Ingevolge de wet van 7 mei 1999 werden drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie zijn ingegeven, aan de bevoegdheid van het hof van assisen ontrokken (2) .

Deze bevoegdheid van het hof van assisen kadert in de klassieke driedelige indeling van misdrijven in overtredingen, die voor de politierechtbank komen, wanbedrijven die tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank behoren en misdaden die in principe gereserveerd zijn voor het hof van assisen.

De drieledige indeling van de misdrijven, die aan de rechter duidelijk maakt welke de toepasselijke regels van het strafrecht en het strafprocesrecht zijn, wordt echter voortdurend op de helling gezet door de uitgebreide techniek van correctionalisering (en — in veel mindere mate — contraventionalisering).

Sinds de wet van 1 februari 1977, tot wijziging van de Wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden en het Strafwetboek (3) , kan een misdaad door de onderzoeksgerechten naar de correctionele rechtbank worden verwezen, via de aanneming van verzachtende omstandigheden, voor zover de wettelijk voorziene straf ten hoogste 20 jaar opsluiting bedraagt. Voordien bestond deze mogelijkheid slechts ingeval de wettelijke straf ten hoogste 15 jaar opsluiting bedroeg en in enkele gevallen waar de normale straf maximaal 20 jaar bedroeg. De wetten van 6 februari 1985 (4) , van 11 juli 1994 (5) , van 13 april 1995 (6) , van 28 november 2000 (7) en van 23 januari 2003 (8) , verruimden verder de toepassingsmogelijkheden van de correctionalisering, zodat ook een aantal misdaden waarvan de wettelijke straf meer dan 20 jaar bedraagt, kunnen worden gecorrectionaliseerd (9) . Bovendien kan ingevolge de wet van 11 juli 1994 de procureur des Konings, wanneer er geen gerechtelijk onderzoek is geweest, eveneens de correctionalisering voorstellen.

Verder is correctionalisering door raadkamer of kamer van inbeschuldigingstelling ook mogelijk op grond van de aanneming van een strafverminderende verschoningsgrond (10) . Dit is met name het geval voor de uitlokking.

Door de techniek van de correctionalisering — welke trouwens ook nog kan worden toegepast bij de berechting door de vonnisgerechten — kan de strafmaat afgestemd worden op de concrete ernst van de feiten en de persoon van de dader. Evenwel is de correctionalisering door de raadkamer en kamer van inbeschuldigingstelling in de praktijk verworden tot een onberedeneerd automatisme dat ertoe strekt de meeste misdaden aan het hof van assisen te onttrekken. Bovendien gaat het ook conceptueel om een betwistbaar mechanisme, in de zin dat het onderzoeksgerecht — dat geen uitspraak kan doen over het bewezen zijn van de feiten — op een anticipatieve en voor het vonnisgerecht bindende wijze oordeelt dat indien de feiten bewezen zouden verklaard worden, er verzachtende omstandigheden bestaan welke van die aard zijn dat slechts een straf van een lagere misdrijfcategorie moet worden opgelegd. De als uitzondering bedoelde mogelijkheid van correctionalisering en contraventionalisering is de algemene regel geworden waardoor de grondwettelijke regels inzake de bevoegdheid in criminele zaken worden miskend en waardoor de notie verzachtende omstandigheden wordt uitgehold (11) .

B. Voorstel

Onderhavig voorstel tot herziening wenst de bevoegdheid van het hof van assisen niet uit te breiden.

De huidige kunstmatige praktijk van systematische correctionalisering, via de aanneming van soms behoorlijk illusoire verzachtende omstandigheden is onbevredigend.

De bestaande regeling brengt vanwege de soevereine appreciatiebevoegdheid betreffende de verwijzing van het dossier naar de correctionele rechtbank of het hof van assisen, bovendien het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot de rechtspleging in gevaar. Het is immers mogelijk dat bepaalde rechtsgebieden op basis van wisselende beleidsoverwegingen plots zaken voor het hof van assisen brengen die in andere rechtsgebieden blijvend worden gecorrectionaliseerd.

Er werd een nieuw systeem van bevoegdheidsverdeling uitgewerkt. Onderhavige tekst wil deze nieuwe rechterlijke inrichting invoeren in het Wetboek van Strafvordering. Hiervoor is een herziening van de Grondwet onontbeerlijk.

Daarnaast wenst de Commissie niet te raken aan de regel dat ook politieke misdrijven en drukpersmisdrijven door het hof van assisen worden berecht.

1. Het nieuwe stelsel dat wordt voorgesteld

Er wordt een nieuw stelsel voorgesteld wat de verdeling van de strafrechtelijke bevoegdheden betreft. Ten eerste wordt de bevoegdheid van de politierechtbank behouden inzake overtredingen. Daarnaast dient de correctionele rechtbank bevoegd te blijven voor de wanbedrijven. Bovendien wordt deze rechtbank bevoegd om kennis te nemen van de misdaden waarvoor de wet voorziet in straffen van minder dan twintig jaar, alsook een limitatieve, door de wet vastgestelde lijst van misdaden.

Het hof van assisen daarentegen is bevoegd voor misdaden die door de wet bestraft worden met opsluiting van meer dan twintig jaar, met uitzondering van de misdaden die reeds expliciet aan de correctionele rechtbank zijn toegewezen.

Een stelsel waarbij bepaalde nu aan het hof van assisen toegewezen misdaden worden gecorrectionaliseerd, dient ook binnen het nieuwe stelsel mogelijk te blijven.

Opdat dit nieuwe stelsel in het wetboek van Strafvordering kan worden ingevoerd, dient men echter absoluut artikel 150 van de Grondwet te wijzigen. Aangezien dan niet alle misdaden nog voor het hof van assisen kunnen worden gebracht, moet de tekst van de Grondwet aangepast worden en bepalen dat de jury alleen bevoegd is voor de misdaden die hem op limitatieve wijze zijn toegewezen.

2. De institutionele aspecten

Er dient rekening te worden gehouden met artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Dat artikel bepaalt dat, binnen de grenzen van de bevoegdheden van de- gewesten en de gemeenschappen, de decreten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar kunnen stellen en de straffen wegens die niet-naleving bepalen overeenkomstig Boek I van het Strafwetboek. Op deze basis zijn de gewesten en de gemleenchappen dus gemachtigd om bepaalde gedragingen als misdaad te beschouwen. In die context is het niet nodig om de federale wetgever de macht voor te behouden om vast te stellen welke misdaden voor een jury worden gebracht. Het zou moeten vaststaan dat de jury wordt ingesteld om te oordelen over de misdaad die hem door de wet, het decreet of de regel van artikel 134 wordt toegekend. Een dergelijke bepaling tast noch de organisatie van de hoven en rechtbanken, noch de definitie van de verschillende categorieën van strafbare feiten aan, die nog steeds uitsluitend onder de federale wet vallen.

3. Wijziging van de Grondwet

Er wordt dus een in drie leden onderverdeelde tekst voorgesteld, luidende :

« Art. 150. — De jury wordt ingesteld voor de misdaden die hem worden toegekend door de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel.

Hij neemt kennis van politieke misdrijven.

Hij berecht drukpersmisdrijven, behoudens drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn. »

Philippe MAHOUX.
Francis DELPÉRÉE.

VOORSTEL


Enig artikel

Artikel 150 van de Grondwet wordt vervangen als volgt :

« Art. 150. — De jury wordt ingesteld voor de misdaden die hem worden toegekend door de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel.

Hij neemt kennis van politieke misdrijven.

Hij berecht drukpersmisdrijven, behoudens drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn. ».

12 juli 2007.

Philippe MAHOUX.
Francis DELPÉRÉE.

(1) Wet van 7 mei 1999 tot wijziging van de Grondwet, Belgisch Staatsblad van 29 mei 1999.

(2) Naast de niet-gecorrectionaliseerde misdaden is het hof van assisen ook bevoegd voor wanbedrijven en overtredingen die samenhangen met zulke misdaden.

(3) Wet van 1 februari 1977, tot wijziging van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden en het Strafwetboek, Belgisch Staatsblad van 19 februari 1977.

(4) Wet van 6 februari 1985 tot wijziging van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, Belgisch Staatsblad van 19 februari 1985.

(5) Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging, Belgisch Staatsblad van 21 juli 1994.

(6) Wet van 13 april 1995 betreffende seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen, Belgisch Staatsblad van 25 april 1995.

(7) Wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, Belgisch Staatsblad van 17 maart 2001.

(8) Wet van 23 januari 2003 houdende harmonisatie van de geldende wetsbepalingen met de wet van 10 juli 1996 tot afschaffing van de doodstraf en tot wijziging van de criminele straffen, Belgisch Staatsblad van 13 maart 2003.

(9) Concreet kunnen vandaag de volgende misdaden aan de bevoegdheid van het hof van assisen ontrokken worden : — alle misdaden waarvan de in de wet bepaalde straf twintig jaar opsluiting niet te boven gaat; — de misdaad bedoeld in artikel 347bis van het Strafwetboek, wanneer de gijzeling voor de gegijzelden geen andere gevolgen heeft dan een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, ongeacht de leeftijd van de gegijzelde persoon; — de misdaad bedoeld in artikel 472 van het Strafwetboek die met toepassing van artikel 473 van hetzelfde Wetboek met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar wordt gestraft, wanneer het geweld of de bedreiging voor het slachtoffer geen andere gevolgen heeft dan een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid; — de misdaad bedoeld in artikel 510 van het Strafwetboek, die met toepassing van artikel 513, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar omdat de brand bij nacht is gesticht; — De misdaad bedoeld in artikel 518, eerste lid, van het Strafwetboek, die met toepassing van het tweede lid van hetzelfde artikel wordt gestraft met tweeëntwintig jaar opsluiting; — de misdaad bedoeld in artikel 530, laatste lid, van het Strafwetboek, die met toepassing van artikel 531 van hetzelfde Wetboek wordt gestraft met twintig jaar tot dertig jaar opsluiting wanneer het geweld of de bedreiging voor het slachtoffer geen andere gevolgen heeft dan een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid bepaald in artikel 400 van hetzelfde Wetboek; — de misdaad bedoeld in artikel 375, laatste lid, van het Strafwetboek.

(10) Artikelen 411-414 van het Strafwetboek.

(11) Aldus wordt bijvoorbeeld de omstandigheid dat men niet eerder veroordeeld is tot een criminele straf of tot verschillende correctionele straffen waar nodig als een verzachtende omstandigheid aangemerkt teneinde een verwijzing naar het hof van assisen te vermijden.