4-1071/3 | 4-1071/3 |
30 JUNI 2009
De commissie heeft dit voorstel van resolutie besproken tijdens haar vergaderingen van 6 januari, 26 mei en 30 juni 2009.
In het kader van de bespreking van dit voorstel van resolutie heeft de commissie op 31 maart 2009, in samenwerking met AWEPA en UNICEF, een seminarie gehouden over de thematiek van de overleving van kinderen. De tekst van dit seminarie is opgenomen als bijlage bij dit verslag.
I. Inleidende uiteenzetting door mevrouw de Bethune
Dit voorstel van resolutie geniet brede steun van alle democratische fracties en is het resultaat van een ruim overleg waarbij ook deze deskundigen werden geconsulteerd.
Er werden wereldwijd reeds heel wat campagnes gevoerd ter promotie van de overlevingkansen van kinderen in ontwikkelingslanden, in het bijzonder in Sub-Saharaans Afrika. Volgens statistieken blijken de overlevingskansen van kinderen onder de vijf jaar er immers nog altijd zeer laag te zijn. De inspanningen in de strijd tegen kindersterfte moet dus in de eerste plaats gericht zijn op sub-Saharaans Afrika.
Mevrouw de Bethune onderstreept dat de problematiek van de overleving van kinderen een prioriteit voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking moet zijn.
II. Bespreking van de amendementen
Na het seminarie van 31 maart 2009 werden 17 amendementen ingediend. Deze amendementen werden besproken tijdens de vergaderingen van 26 mei en 30 juni 2009.
A. Considerans
Lid 18bis (nieuw)
Mevrouw de Bethune c.s. dienen het amendement nr. 4 dat ertoe strekt om na het 18e lid een nieuw lid in te voegen, luidende : « Overwegende dat het terugdringen van het aantal moedersterftes — MDG 5 — cruciaal is om de overlevingskansen van kinderen te vergroten. ».
Mevrouw de Bethune stipt aan dat volgens Millenniumdoelstelling 5 in 2015 moedersterfte wereldwijd met driekwart moet zijn teruggebracht ten opzichte van 1990. Het is evident dat indien de nodige aandacht wordt besteed aan de overleving van moeders, dit ook de overlevingskansen van de kinderen vergroot.
Lid 18ter (nieuw)
Mevrouw de Bethune c.s. dienen het amendement nr. 5 in ten einde na het 18e lid nog een nieuw lid in te voegen, luidende : « Rekening houdend met het feit dat er, voornamelijk in sub-Saharaans Afrika en Zuid-Azië, een acuut tekort is aan goed opgeleide gezondheidswerkers en kwaliteitsvolle farmaceutische producten. ».
Volgens mevrouw de Bethune zijn de regio's die het hardst getroffen zijn door een hoge kindersterfte, immers ook de regio's met een enorm tekort aan degelijk opgeleide gezondheidswerkers. Vaak ontbreekt ook de nodige medicatie. Er is een wanverhouding tussen het aantal zieken en het personeel dat nodig is om daaraan het hoofd te bieden.
Lid 19
Mevrouw de Bethune c.s. dienen het amendement nr. 6 in dat in de considerans, het 19e lid wil aanvullen met de woorden : « en het gebrek aan gezonde en evenwichtige voeding ».
Mevrouw de Bethune onderstreept dat kindersterfte niet enkel te wijten is aan ondervoeding, maar ook aan slechte of onevenwichtige voeding.
Lid 21
Mevrouw Zrihen dient amendement nr. 1 in, dat lid 21 wil doen vervallen.
Lid 24
Mevrouw de Bethune c.s. dienen het amendement nr. 7 in dat ertoe strekt het 24e lid aan te vullen met de woorden : « en ondermeer verwijzend naar de enorme impact die seksuele en reproductieve vorming, geboorteplanning, exclusieve borstvoeding, goede basishygiëne, zuiver water, enz. hebben op de overlevingskansen van kinderen. ».
Volgens mevrouw de Bethune zijn dit eenvoudige en goedkope maatregelen die de overlevingskansen van kinderen aanzienlijk verhogen.
Lid 31
Mevrouw de Bethune stelt voor om het 31e lid van de considerans betreffende de verwijzing naar de Verklaring van Parijs en de Accra Agenda in te voegen na het 5e lid.
Volgens spreekster hoort de vermelding van de Verklaring van Parijs en de Accra Agenda logischerwijze bij de opsomming van de andere internationale verdragen en verklaringen ter zake.
De commissie stemt hiermee in.
Lid 32bis (nieuw)
Mevrouw Zrihen dient amendement nr. 2 in, dat een nieuw lid 32bis wil invoegen, luidend als volgt : « Overwegende dat de overleving van kinderen, ook al is die doelstelling heel specifiek en in de eerste plaats gericht op kinderen en moeders, duurzame gevolgen heeft, de basisgemeenschappen bij de kwestie betrekt en responsabiliseert en georganiseerd is rond de bepalingen van sociale bescherming. ».
Volgens mevrouw Zrihen moet er nog eens bevestigd worden dat ontwikkeling een geheel is dat ieders welzijn moet beogen, ongeacht de leeftijd, het geslacht, de overtuiging enz. Naast de specifieke middelen die worden ingezet voor de overleving van kinderen, dient dit initiatief ook in een ruimere context te worden bekeken omdat het positief kan inwerken op alle beoogde gemeenschappen.
B. Dispositief
Punt 1
Mevrouw de Bethune c.s. dienen het amendement nr. 8 in dat beoogt het punt 1 aan te vullen met de woorden : « In het bijzonder moet de strategienota « Eerbied voor de Rechten van het Kind in Ontwikkelingssamenwerking » (maart 2008) en de beleidsnota « Het recht op gezondheid en gezondheidszorg » (november 2008) geïmplementeerd worden. ».
Mevrouw de Bethune onderstreept dat beide recente nota's de houding uitleggen die België in de internationale hulpverlening zou moeten aannemen en de samenwerking die het met zijn partners zou moeten ontwikkelen. Ze vormen het referentiekader voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking ter zake.
Punt 2
Mevrouw de Bethune c.s. dienen het amendement nr. 9 in dat in punt 2, tussen het eerste en het tweede gedachtestreepje een nieuw gedachtestreepje wil invoegen, luidende : « — conform de Verklaring van Parijs, de projecten die de Belgische ontwikkelingssamenwerking ondersteunt of coördineert af te stemmen op het gezondheidsbeleid dat door het ontwikkelingsland zelf wordt uitgewerkt; ».
Mevrouw de Bethune c.s. dienen vervolgens het amendement nr. 10 in ten einde het derde gedachtestreepje aan te vullen met de woorden : « en fondsen beschikbaar te stellen voor parlementaire capaciteitsopbouw ».
Volgens mevrouw de Bethune is het essentieel dat wij als donor ons zoveel mogelijk richten naar de procedures en het beleid van het land via een constructieve, maar kritische dialoog. Het ownership van onze partnerlanden dient versterkt te worden.
Het is ook belangrijk de parlementaire relaties met onze partnerlanden te optimaliseren en daar ook de nodige fondsen voor te voorzien.
Mevrouw de Bethune stelt vervolgens voor om dit punt 2 te verplaatsen en in te voegen na het bestaande punt 4.
De commissie stemt hiermee in.
Punt 4
Mevrouw de Bethune c.s. dienen de amendementen nrs. 11, 12, 13 en 14 in die ertoe strekken na het eerste gedachtestreepje vier nieuwe gedachtestreepjes in te voegen.
Amendement nr. 11 strekt ertoe te vermelde dat de projecten gemoduleerd en afgestemd moeten worden op de specifieke context van een bepaald land of regio. Immers, donoren hebben dikwijls de neiging ontwikkelingsprogramma's te veralgemenen in al de partnerlanden. Nochtans vergt elk land of regio een specifieke aanpak. Wat in één bepaald land werkt, kan in een ander land een totaal ander resultaat hebben.
Amendement nr. 12 beoogt prioriteit te verlenen aan eenvoudige en goedkope interventies met hoge impact die op grote schaal geïmplementeerd kunnen worden en de overleving van vele kinderen kunnen verzekeren. Het is belangrijk te focussen op eenvoudige interventies, zoals aandacht voor borstvoeding, zuiver water en goede basishygiëne, eerder dan dure en moeilijk toepasbare maatregelen te nemen.
Amendement nr. 13 heeft tot doel om in de projecten van de Belgische ontwikkelingssamenwerking inzake basisgezondheidszorg, aandacht voor kinderen te integreren, horizontaal en verticaal, en de expertise van het systeem bestaande in België aan de partnerlanden aan te bieden.
Amendement nr. 14 beoogt de conclusies uit de kinderrechtenrapporten van het VN-Comité voor de Rechten van het Kind te integreren in de projecten. Deze conclusies zijn een cruciale bron van informatie voor de donorlanden. De opmerkingen die het Comité formuleert zouden geïntegreerd moeten worden in de ontwikkelingsprojecten.
Mevrouw de Bethune c.s. dienen vervolgens het amendement nr. 15 in dat na het derde gedachtestreepje ook een nieuw gedachtestreepje wil invoegen, luidende : « - te investeren in de opleiding van gezondheidswerkers, kwaliteitsvolle medicijnen en een betere infrastructuur; ». Volgens mevrouw de Bethune is een investering weinig nuttig indien niet wordt geïnvesteerd in deze drie basiselementen.
Amendement nr. 16 van mevrouw de Bethune c.s. strekt ertoe het vierde gedachtestreepje te schrappen.
Punt 5
Mevrouw de Bethune c.s. dienen het amendement nr. 17 in dat ertoe strekt om punt 5 te schrappen.
Mevrouw de Bethune legt uit dat de aanbeveling van punt 5 (de Belgische projecten inzake basisgezondheidszorg) in feite vervat zitten in de tekst van punt 4 (de doelstellingen).
Punt 5bis (nieuw)
Mevrouw Zrihen dient amendement nr. 3 in, dat een punt 5bis (nieuw) wil invoegen, luidende : « 5bis. Die beleidsmaatregelen en initiatieven om de overlevingskansen van kinderen te vergroten, op te nemen in het kader van een ruimere holistische benadering die gericht is op de verdediging van de specifieke rechten van kinderen (recht op onderwijs, recht op sociale bescherming, recht op een stabiele en gezonde omgeving enz.). ».
Volgens mevrouw Zrihen mag de overleving van kinderen niet alleen vanuit een gezondheidsoptiek worden bekeken. De situatie van kinderen overal ter wereld verbetert, wanneer men hun verschillende rechten nauwgezet in acht neemt.
III. Stemmingen
De amendementen nrs. 1 tot 17 worden eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Het aldus geamendeerde voorstel van resolutie wordt in zijn geheel eveneens eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Elke TINDEMANS. | Marleen TEMMERMAN. |
Tekst aangenomen door de commissie (zie stuk Senaat, nr. 4-1071/4 - 2008/2009).
BIJLAGE
Seminarie
OVERLEVING VAN KINDEREN
31 maart 2009
Openingstoespraak door mevrouw Temmerman, voorzitter van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging
Dit seminarie is tot stand gekomen dankzij het initiatief van senator Sabine de Bethune, in samenwerking met UNICEF en AWEPA. Naar aanleiding van het UNICEF-rapport The State of the World's Children 2008 — Child Survival, werd in de Senaat een resolutie opgesteld om duidelijke aanbevelingen te doen aan onze regering en in het bijzonder aan minister van Ontwikkelingssamenwerking, Charles Michel.
Investeren in de strijd tegen kinder- en moedersterfte is een belangrijke stap in de ontwikkeling van een land. Sinds 1990 zien we in vele landen een verbetering van de gezondheid van kinderen, maar feit is dat nog steeds 9,6 miljoen kinderen per jaar sterven vóór ze de leeftijd van vijf jaar bereiken. Er blijft nog werk aan de winkel, zeker als we de vierde Millenniumdoelstelling (MDG 4), namelijk de kindersterfte tussen 1990 en 2015 met twee derden terugdringen, willen realiseren. Een actie op verschillende fronten is nodig, want dit vergt nog een aanzienlijke daling van de kindersterfte met 4 miljoen per jaar. De belangrijke oorzaken van kindersterfte zijn bekend : pneumonie, malaria, slechte voeding, HIV. Eenvoudige, betrouwbare en goedkope oplossingen zijn in een aantal gevallen mogelijk. Alleen moeten we die kinderen kunnen bereiken en dat is niet altijd eenvoudig. Zowel regeringen, NGO's als donoren hebben hier een belangrijke rol in te spelen, alsook de civiele maatschappij.
Inleiding van de heer Yves Wilmot, algemeen directeur UNICEF België
Het feit dat dit seminarie over de rechten van kinderen, hun welzijn en overleving plaats vindt in het halfrond van de Senaat, illustreert het belang van het onderwerp en de interesse in de Senaat en bij de verschillende beleidsmakers voor de problematiek. Dit gebeuren is voor UNICEF België geen eindpunt, maar een belangrijke mijlpaal in het opwekken van meer belangstelling voor de rechten van kinderen en van een extra inzet op alle beleidsniveaus voor het welzijn van de kinderen en het respect voor de rechten van het kind.
UNICEF, het internationaal kindernoodfonds van de Verenigde Naties, werd na de Tweede Wereldoorlog opgericht voor de kinderen in onze gebieden en in Centraal- en Oost-Europa die door de oorlog waren getroffen.
UNICEF is in de loop der jaren uitgegroeid tot de meest bekende en meest actieve verdediger van de kinderrechten ter wereld, in de geïndustrialiseerde landen en in de ontwikkelingslanden.
De situatie van de kinderen in de wereld blijft bijzonder zorgwekkend, maar in de voorbije zestig jaar werd enorme vooruitgang geboekt op het gebied van overleving en bescherming van kinderen, gezondheid, strijd tegen ondervoeding en promotie van het recht op participatie van kinderen in de samenleving.
Die vooruitgang is indrukwekkend, maar de uitdagingen blijven groot. Uit de jongste gegevens over kindersterfte in de wereld blijkt dat jaarlijks 9,2 miljoen kinderen sterven vóór de leeftijd van vijf jaar.
Die droevige realiteit moet ons in actie doen komen. We mogen ons er niet bij neerleggen. Het grootste deel van de kinderen die sterven vóór de leeftijd van vijf jaar zou kunnen worden gered dankzij eenvoudige, goedkope en efficiënte technieken. Het gaat om acties op het gebied van basisgezondheidszorg, vaccinatie, voeding, promotie van borstvoeding, drinkwater, toegang tot sanitair en bevorderen van de hygiëne.
De overleving van kinderen is een absolute prioriteit geworden in het strategisch plan van UNICEF voor de volgende jaren. De strijd tegen kindersterfte eist een geïntegreerde aanpak. Voor optimale slaagkansen moet op drie domeinen tegelijk worden gehandeld : de overleving van hun kinderen, bescherming en ontwikkeling. Die aanpak veronderstelt een duidelijke planning van de samenwerking en overleg, met als leidraad het Verdrag inzake de Rechten van het Kind dat dit jaar twintig jaar bestaat, en de VN-Millenniumdoelstellingen voor de Ontwikkeling.
UNICEF-België voert sedert 2007 een specifieke campagne om de aandacht te vestigen op de kindersterfte en de overleving van kinderen. De slogan van de campagne voor 2007 « Samen vier miljoen baby's redden » verwees naar de vier miljoen baby's die elk jaar sterven vóór de leeftijd van één maand. In 2008 werd de campagne toegespitst op ondervoeding. Dit jaar leggen we de klemtoon op de WaSH-activiteiten, namelijk water, sanering en hygiëne. Elke dag sterven 5000 kinderen omdat ze geen toegang hebben tot drinkbaar water, sanering en goede hygiëne. De combinatie van besmet water, afwezigheid van toiletten en een slechte hygiëne leidt jaarlijks tot het overlijden van 1,5 miljoen kinderen. De meeste kinderen sterven aan dehydratatie ten gevolge van diarree.
De cijfers spreken voor zich. Het is onaanvaardbaar dat 9,2 miljoen kinderen elk jaar sterven aan ziekten die te voorkomen zijn.
Er is echter ook reden tot optimisme. Regionale verschillen en verschillen tussen landen onderling tonen aan dat er wel degelijk vooruitgang mogelijk is indien de inspanningen worden opgedreven. De oorzaken zijn gekend en de middelen om de kindersterfte te lijf te gaan zijn beschikbaar : vaccinatie, zuiver drinkwater, muskietennetten en begeleiding van vrouwen tijdens zwangerschap en geboorte.
De uitdaging bestaat erin die middelen effectief ter beschikking te stellen van alle moeders en kinderen, in het bijzonder in de meest getroffen regio's. Daarvoor is ook politieke moed nodig. UNICEF België is dan ook bijzonder verheugd dit seminarie samen met de Senaat en AWEPA te mogen organiseren.
De strijd tegen kindersterfte is een van de Millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties. Het is een prioritair gegeven van de ontwikkelingsagenda en een absolute noodzaak om de andere Millenniumdoelstellingen te realiseren.
UNICEF België hoopt dat dit symposium ertoe kan bijdragen om van de overleving van kinderen een prioriteit te maken voor de beleidsmakers in ons land en om deze kwestie hoger op de agenda te plaatsen in de onderhandelingen en in de samenwerking met de partnerlanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking.
Inleiding van mevrouw Miet Smet, gemeenschapssenator en vice-voorzitter van AWEPA
Het doel van AWEPA, de Association of European Parliamentarians for Africa, is opleiding geven aan de politiek verantwoordelijken in Afrika, vooral aan de parlementensleden. AWEPA heeft memorandums of understanding afgesloten met veel parlementen in verschillende Afrikaanse landen. We benaderen nu ook de regionale parlementen en werken zelfs samen met het lokale niveau. Voorts willen wij Afrika op de agenda van de verschillende Europese landen houden. Dat is ook de reden waarom wij verheugd zijn dat dit seminarie vandaag samen met AWEPA kan worden georganiseerd.
Wat de bescherming van kinderen betreft, hebben wij verschillende manifesten mee ondertekend, en in het bijzonder het Manifesto for social protection of vulnerable children in Africa. Daarin wordt vooral de nadruk gelegd op de noodzaak van een minimum aan sociale bescherming voor iedere persoon in Afrika en een minimuminkomen voor iedereen. Het kan worden vergeleken met onze sociale zekerheid. Die ontbreekt in Afrika met als gevolg dat vele Afrikaanse gezinnen uiterst arm zijn.
Een tweede manifest, Vulnerable children, handelt over kinderen waarvan een of beide ouders gestorven zijn aan aids en die daardoor uiterst zwak staan in de samenleving.
In de opleidingen die wij aan de Afrikaanse politici geven zijn aids en de gevolgen ervan voor de kinderen een van de hoofdthema's. Dat gebeurt in de vorm van inleidingen, discussies, rollenspellen en getuigenissen van gezondheidswerkers, van vrouwen en ook van ondernemers — we weten immers dat de Afrikaanse economie onder het aidsprobleem lijdt. We proberen het thema, en meer bepaald de positie van de kinderen, in al onze cursussen, seminaries en workshops centraal te stellen.
Kinderen zijn immers de eerste slachtoffers. Het verheugt me dan ook dat de leden van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging het thema op de agenda hebben gezet. We zullen ernaar streven om aan de hand van dit manifest resultaten te boeken. De vraag is natuurlijk wat in de praktijk wordt gerealiseerd van alle teksten die worden opgesteld. Het is uitermate belangrijk dat de meest ontwikkelde landen — zoals de G20 — een duidelijk signaal geven aan onze Afrikaanse vrienden dat ze hen steunen en aandacht hebben voor hun problemen. De meeste Europese landen halen de vooropgestelde 0,7 % voor ontwikkelingsamenwerking niet; enkele landen halen wel de norm. België hoort daar helaas niet bij, maar doet een inspanning.
Thema 1 : Overleving van kinderen — situatieschets
1.1. Uiteenzetting van mevrouw Renée Van de Weerdt, adviseur « Overleving van Kinderen », UNICEF
I would like to discuss the important issues of child survival and the challenges we face globally and ways forward to achieve the Millennium Development Goals (MDG). I will go over these goals and look at the situation of children in the world, at the evidence based interventions, talk about progress, discuss the challenges and then debate on the way forward
In 2000, in New York, the Heads of State agreed on a set of goals to reduce the state of poverty and create a partnership that would reduce poverty by 2015, the so-called Millennium Development Goals. There are eight in total, with the fourth (MDG 4) specifically targeting child survival. Its aim is to reduce by two thirds the under five mortality rate by the year 2015, comparing them with the base line year which is 1990. The target has three indicators; the first being the under five mortality rate, secondly the infant mortality rate, and thirdly those of children immunized against measles.
If we look at the other MDG particularly those for fighting against poverty and reducing hunger and malnutrition, many things need to be done to achieve the MDG 4. The fifth goal (MDG 5), which is very important, refers to internal health. This is where many babies die very close after the delivery, so ensuring that mothers have access to health will also improve newborn health. Of course fighting aids, malaria, and other infectious diseases is also important to be able to achieve the MDG 4 and the others. The MDG that aims at sustainable environment also refers to water and access to water and sanitation. As diarrhoea is still a significant cause of child death, it is important that women and children have access to clean water and good sanitation.
I will talk to you about the numbers, but here it is very important to understand that even if child survival is such a critical area, there is very little reliable data available, the poorest countries in the world often have the weakest information systems so the data we work with is often insufficient.
Looking at the map, each little red dot represents five thousand children who die before their fifth birthday. Clearly you can see that the African continent and Asia carry the heaviest burden of these unnecessary deaths. Another unfortunate pattern is the newborn who die within the first month of their birth. The rates show that the highest newborn death rates are to be found especially in Africa and Asia. For maternal deaths the pattern is the same for the geographical distribution with the Sub Saharan Africa showing 50 % of deaths for both children under five and for maternal deaths.
If we look at the countries with the highest rates it is very striking to see that many are indeed African, and that many are affected by civil unrest or by war. If countries are affected by war then health systems are no longer operating and health workers, who could help save mothers and babies by simple interventions, are not being made available.
We now know not only where babies die but also what the main causes are. The sad news is that deaths of children under five are caused largely by infectious diseases, simple things as diarrhoea, pneumonia and measles. A lot of the newborn babies die from these infections. Clearly, the underlying cause is malnutrition, with almost 50 % of undernourished children dying from diarrhoea and pneumonia alone. There is a lot of talk about tuberculosis, aids, and malaria but simple infectious diseases are still killing many children unnecessarily.
With regards to the newborn deaths, it is the first 24 hours that are important. Fifty percent die within hours of their birth and it is within the same timeframe that most mothers die early after the delivery. This makes it very important that programmes ensure that health workers are there when women are pregnant and when women deliver and immediately after. This is how many many lives can be saved.
In recent years there have been many publications in The Lancet and in many other medical journals that have highlighted the interventions that work. The Lancet broke down the key causes of disease and then looked at the most effective preventive measures, such as breast feeding, using insecticide treated nets, immunization, clean deliveries, simple things that will work and which can reduce many deaths. We have been successful with these simple interventions especially in the use of insecticide treated bed nets which have seen a dramatic increase in their usage for children under the age of five from 2006 to 2007.
Another success story is the fight against measles. In 2000, 750.000 children died of measles with the Sub-Saharan Africa recording the highest figures, but in 2007 this number fell to below 200.000. The progress that has been made in Africa is very significant. Today, measles is not an important cause of death for children under the age of five in this region.
There is both good news and bad news. If we look at coverage of this proven cheap and effective intervention in the continuum of care, looking at pre-pregnancy, pregnancy, delivery, newborn babies, into children growing up, we are doing well in the things that we can do preventively such as immunization, ante-natal care and the use of bed nets. Moreover, when it comes to interventions that need 24-hour care and interventions that need to change people's behaviour, then there has been a lot of progress. However, the post-natal period is where we unfortunately only reach 20 % of the babies.
The increase of these cheap, highly effective interventions has led to significant progress in the MDG 4. Comparing data of 2007 and the base line year of 1990 it can be seen that in every part of the world significant progress has been made. Unfortunately, Africa does lag behind with the mortality rate fluctuating at around 150 which is unacceptably high and that is why with UNICEF and other agencies it is very important to focus on Africa.
Even if we say progress has been made in reaching the MDG 4 there are still 9 million children who die before reaching their fifth birthday. The vast majority of countries and especially those undergoing civil strife and war are those which are struggling to reach the MDG.
For MDG 5 the story is less joyful. If we look at data from 2005 compared to the base line of 1990, there is little to no progress in every region of the world. We know that saving mothers is a little more difficult, requiring functional health systems able to transfer patients when there are problems. We are aware of this issue but so little progress has been made that it is just totally unacceptable.
I have already addressed the challenges of countries affected by war, of how their health systems are completely ruined. Of course the HIV epidemic does not help. Many of these countries struggle with acute human resources shortage. I did mention the early newborn period and how difficult it is for health workers to be present at delivery. Many women, especially in Africa, still give birth at home, so making sure that a health worker is there at the delivery is an essential package of care. Unfortunately, for the poor countries the global financial crisis and growing food prices are not going to help them.
Does this mean that nothing can be done ? We have seen that from a few countries and many in the African region that this agenda can be met, that this is something that we can do. For us at UNICEF and with other partners for overseas aid, I think that building up programmes that have worked such as immunization and malaria control, are something we need to build onto. Clearly, we need to focus on the Sub-Saharan Africa where there is the highest burden of diseases and where the most children unnecessarily die. We are looking more and more into supporting community case management. We know that when community health workers are trained and supervised they can directly treat diarrhoea and pneumonia. By filling in the acute human resources gap, and by strengthening the community based approaches, this is the right way forward. Then of course we need to make inroads in maternal health, and to save the newborn by being there during the delivery.
We believe that with the political will, with additional financial resources, good policies in countries working in partnerships, with civil societies, with governments and with partner agencies, this is something we will achieve. Quoting Nelson Mandela « It always seems impossible until it is done », that is what we have to say when we look at MDG 4 and 5, this is something we can do, and if we fight together we will get there.
1.2. Uiteenzetting door de heer Patrick Kolsteren, hoofd van de Eenheid Voeding en Gezondheid van het Kind, Instituut voor Tropische Geneeskunde, Antwerpen
Naar mijn mening — maar het is natuurlijk mijn vakgebied — wordt er veel te weinig gewerkt rond mortaliteit bij kinderen en het belang van voeding.
I will talk to you about malnutrition especially in relationship with mortality. Here are a few figures to remind you how important mortality is in children in relationship to nutrition. About three and a half million deaths are due to undernutrition and malnutrition and 35 % of the disease burden found in children is also related to these factors, which is quite considerable. Moreover, 11 % of the total mortality and disability is related to malnutrition. We are in fact dealing with something which is very serious. This slide is probably the most central in the whole presentation showing what children mostly die from, pneumonia, diarrhoea, HIV/aids; but 60 % of the children who die are aggravated by their nutritional status because of malnutrition. So by attacking the nutritional status of children, improving nutrition you can have an enormous effect on decreasing mortality in kids.
The problem is highest in Africa, in Sub-Saharan Africa, South Asia, Central America and South East Asia. There are more children dying every year from malnutrition than from HIV/aids.
I know that HIV/aids is important, but we should always keep a certain perspective of things. If you look at what the international community is financing now, it is in large intervention areas such as malaria, tuberculosis, HIV/aids, but we are really forgetting a large group of children within this process.
I think when you talk about nutrition and malnutrition, it is important to explain what this is. When you talk about kids it means they are not growing very well, they become thin, they do not grow well in height, stay short, or there are deficiencies, micronutrient deficiencies in vitamin A, zinc, iron, and iodine.
I would like to show you how serious these issues are :
Stunting or being too short affects about 40 % of the children in the south. Most of the developing world has a very high prevalence rate of this growth deficiency, these children are just staying short, they are not dying as such but just not growing well.
Vitamin A deficiency increases the mortality rate by 15 to 20 % and it is one of major causes of blindness. Every year about one to two million kids lose one eye because of vitamin A deficiency.
Zinc deficiency affects linear growth and it affects immunity and resistance.
Mortality is important, but the whole spectrum is that there is a large effect on health through different mediators. The nutritional immune syndrome has always been well known, where the immune status is very depressed and children become very susceptible to infections. We always talk about measles, but what makes it so critical is that it is virulent in low income settings and the risk of death is very high due in part to poor nutrition.
Also, the nutritional status plays a significant role in delayed psycho- motor development. Children's school performance is low and many do not even finish the school programme. The IQ level is lower in the higher deficiency areas by as much as 15 points, which is enormous.
Based on information provided by UNICEF, the first level causes for maternal and child under-nutrition are diseases and inadequate food intake, at the secondary level are inadequate care and access to health care and then the more fundamental causes of the organization of the state, agricultural development and so forth.
Taking you through the more immediate causes of malnutrition the first element is the low birth weight. A child with a low birth weight is already mortgaged from the beginning. Moreover, maternal nutrition also plays an important role, so the two elements cannot be separated. Whatever the mother is suffering from during her pregnancy is going to affect the newborn resulting in a low birth weight with a high risk of death in the first year of life. No breast feeding or not exclusive breast feeding is a major cause of malnutrition. After six months children should normally get other food, called complementary feeding. However, what we see is that the quality, quantity and energy level of the food is very low and as a result the children do not grow very well. They do not receive any fruit or vegetables which are rich in vitamins, minerals and anti oxidants. Later on, they will start eating the family dish which is also impacted by food insecurity issues, and lacks quality leading to micronutrient deficiencies.
Another element that is very important is the pressure from infection, where the passive immunity protection given at birth wanes and the child has to build up its own immune system and then it becomes exposed to a wide range of infections. This leads to a decrease in appetite and loss of weight and the child does not recover very well.
Environmental sanitation is another factor causing diarrhoea, worm infections and all kinds of parasites which aggravate further the problems. So there is a vicious cycle where if you are malnourished your immune system is lowered, you get more infections and due to infections your appetite decreases, you lose weight and then your malnutrition status gets worse. So the cycle continues. This is indeed a very intricate relationship, infection and malnutrition and vice versa.
So what works ? A very good publication recently has reviewed all the evidence and it clearly promotes exclusive breast-feeding as working very well in the struggle against child mortality. Improving complementary feeding, making sure that kids get very well balanced diets with lots of micronutrients also work. Basic general hygiene, hand washing and good environmental sanitation have also enormous effect. Secondly, providing treatment for malnutrition, making sure that people in the field know how to treat well a severely malnourished child or the mother of a malnourished child, is essential to making progress in this matter. A few months ago I went to Uganda and visited a health service. There I saw some malnourished children being given antibiotics because they had respiratory tract infections, but nothing was being done to combat the root cause which was malnutrition.
What is lacking is access to good treatment and the ability to identify even moderately malnourished children. Vitamin A fortification has proven its worth as has iodisation of salt, zinc supplementation and improving maternal nutritional status during pregnancy. All these things do work. The figures show that for 99 % of coverage there is about a 24 % reduction in mortality by doing very basic interventions. If there is only 70 % of coverage then that mortality rate is reduced by only 17,3 %. The point is that we know what to do but we have to get it to the people and find ways to increase the coverage and to reach more people. Infrastructures do exist and there are health systems (though perhaps not functioning so well) outlets, first lines, health centres and outposts which need to be more efficient. Most of the interventions mentioned can be delivered through the health systems and they should really redefine their work and focus on child health and especially promotional activities on health.
Finally, we know what we have to do; no new things need to be done. The focus is on increasing coverage and to use the systems that exist. Furthermore, if some new investments have to be made adapted solutions have to be found for the local context. An initiative may work in one country very well but too quickly everyone wants to take it over and put it in a new country. Some things are very context specific, the way population is organised and the way social things are organised, so it is very important to find local solutions. Unfortunately, if we look at the amount of money spent on grants, 99 % is used to find new solutions which would only decrease mortality by 22 % maximum. Then again, if we just increased coverage, the effect would be a reduction in mortality by 66 %. Sadly, only 1 % of the grant money is made available to increase this coverage.
1.3. Gedachtewisseling
Mevrouw de Bethune, senator. — Ik wil de twee sprekers hartelijk danken voor de interessante inleiding en wil graag inpikken op de laatste conclusie van professor Kolsteren. Voor mij, als niet-expert in medische aangelegenheden, is die conclusie bijzonder confronterend. We gebruiken 99 % van de middelen om nieuwe oplossingen te vinden en maar 1 % om de bestaande oplossingen te implementeren. Kan professor Kolsteren een paar voorbeelden geven van de manier waarop die 1 % vandaag wordt aangewend door, bijvoorbeeld, het Instituut voor Tropische Geneeskunde of andere instellingen ? Wat geldt als good practice bij het verspreiden van de bestaande strategieën en welke voorbeelden dienen veralgemeend te worden ?
De heer Kolsteren, hoofd van de Eenheid Voeding en Gezondheid van het Kind, Instituut voor Tropische Geneeskunde, Antwerpen. — Het beste voorbeeld is de behandeling van ondervoeding. We weten wat we met ernstig ondervoede kinderen moeten doen en hoe we ze moeten begeleiden. De behandeling is eenvoudig en niet duur. We hebben richtlijnen nodig en we moeten mensen opleiden in districtshospitalen of gezondheidscentra. De richtlijnen bestaan; de Wereldgezondheidsorganisatie heeft ze uitgewerkt. We merken echter dat ze niet naar het terrein worden vertaald.
Zo zag ik enkele weken geleden in Uganda een zwaar ondervoed kind op een hospitaalbed liggen. Aangezien er niets aan zijn ondervoeding werd gedaan, is de kans groot dat het zal sterven. Dat gebeurt met 30 tot 40 % van de kinderen in dat geval. Terwijl we technisch weten wat we moeten doen en de behandeling niet veel geld kost. Eigenlijk hebben we niets nodig; we moeten alleen zorgen dat het nu gebeurt.
De heer Marc Van Boven, ondervoorzitter UNICEF België. — De overlevingskansen van een kind hangen ook af van de omstandigheden waarin het leeft. Een van de grote uitdagingen is dan ook het wijzigen van de omgevingsfactoren. Hoe geraken we uit de cirkel, bijvoorbeeld van het te groot aantal kinderen in een gezin, en hoe kunnen we die kinderen een betere toekomst geven ? UNICEF hecht veel belang aan onderwijs. Ook de economische omstandigheden zijn heel belangrijk. Met andere woorden, de omgeving is de eerste trap, de eerste val.
De tweede trap is deze van de politiek, wat in dit forum alleszins aan bod moet kunnen komen. De politieke leiders dragen immers een grote verantwoordelijkheid, zowel in de rijke als in de armere wereld. Vrede vormt een belangrijke schakel.
De heer Jef Helsen, voorzitter CD&V Senioren Herenthout. — De rode draad is « gezond » water. Zuiver water leidt immers tot betere medicatie, vitaminen en voedsel en als de kinderen gezond zijn, komen er meer middelen vrij voor de ouders.
Het is eveneens belangrijk om te luisteren naar die mensen. Het is onze taak naar hen te luisteren en niet omgekeerd. Zij zijn immers een nieuwe leven begonnen, na de kolonisatie en de te vlug gekomen zogezegde bevrijding. We kunnen die mensen met weinig middelen gemakkelijk aan zuiver water helpen.
Wat doet de farmaceutische industrie overigens voor die landen ? Wij betalen meer dan genoeg voor onze medicatie en dus is het noodzakelijk dat de farmaceutische bedrijven geld stoppen in de ontwikkeling van die landen en dat ze de medicatie, noodzakelijk ter bevordering van de gezondheid van de kinderen, bijna gratis leveren. In die landen mogen ze niet op winstbejag uit zijn, zoals in Afrika altijd het geval was.
De heer Hugo De Vlieger, afdeling Kindergeneeskunde UZ Leuven. — Ik ben de Belgische afgevaardigde bij EMEA Paediatric Committee te Londen. Ik wil de nadruk leggen op de toegang tot gezondheidszorg in ontwikkelingslanden en de kostprijs ervan. De mensen kunnen er zelfs de toegang tot gezondheidscentra niet betalen. In België hebben we een uitstekende gezondheidszorg en gezondheidsverzekering. Het is onze verantwoordelijkheid om deze systemen te exporteren. Ik denk bijvoorbeeld aan een systeem in Rwanda dat vrij goed van start is gegaan. De vraag is : hoe kunnen we ons eigen systeem naar de ontwikkelingslanden overbrengen ? Sinds de jaren zeventig is de verdeling van geneesmiddelen in de ontwikkelingslanden geprivatiseerd en dat was voor vele kinderen nefast.
Mevrouw Els Schelfhout, senator. — We hoorden zopas interessante feiten en cijfers. Ik las vanochtend in de krant dat België nooit zo veel aan ontwikkelingshulp uitgaf : 0,5 % van het bruto nationaal product. We moeten dit toch enigszins relativeren, want we zijn nog ver af van de vooropgestelde 0,7 %.
Ik heb een vraag over de efficiëntie van die hulp. Mevrouw Van de Weerdt verwees naar de cijfers van Child survival process. Er is te weinig vooruitgang. Als we ons afvragen hoe dat komt, blijkt dat het vaak gaat om landen waar de overheid tekortschiet in de zorg voor de burgers, landen waar corruptie en conflicten heersen.
Er zijn nog andere belangrijke factoren, onder meer de strijd tussen de donoren. Op micro-niveau is er een strijd tussen de NGO's, ook zij die op sommige plaatsen voor de voedselverdeling moeten instaan. Op macro-niveau is er een strijd tussen de verschillende partnerlanden. De jongste jaren stellen we volgende attitude vast : als men geen beroep kan doen op het ene land, dan doet men beroep op het andere. De kinderen over wie we het vandaag hebben, zijn de slachtoffers.
Ook de top-down benadering speelt een belangrijke rol. Steunen we voldoende lokale initiatieven ? De efficiëntie van de hulp moet grondig worden geanalyseerd, want de kinderen blijven het slachtoffer. We moeten ons eigen onvermogen durven te erkennen.
Mevrouw Julie Standaert. — Ik ben actief in Afrika in het kader van AWEPA.
Hoe moeten we het probleem van de weeskinderen en straatkinderen aanpakken die niet op een normale manier toegang krijgen tot de voorzieningen die eventueel voor andere kinderen beschikbaar zijn ?
Is het niet aangewezen om samen met de Afrikanen methodes van geboorteplanning te bespreken die aangepast zijn aan hun tradities en hun gebruiken, zodat de geboorteplanning, die noodzakelijk is, kan worden toegepast ?
Is het niet noodzakelijk om in de landen waar vruchtbare gronden zijn, samen met die landen een aangepast landbouwbeleid op te bouwen, opdat de landbouw effectief kan worden ontwikkeld ?
De heer Alban Quenum, directeur Familiale Gezondheid, ministerie Gezondheidszorg Benin. — In Benin heeft de WHO richtlijnen gegeven voor het gebruikt van zink tegen buikloop. UNICEF heeft zink ter beschikking gesteld van de kinderen van Benin. Zink wordt in combinatie met rehydratatiezout gebruikt bij de behandeling van diarree. Kan de toevoeging van zink aan kindervoeding worden overwogen om hen te versterken en hun immuniteit te verhogen ?
Mevrouw Renée Van de Weerdt, adviseur Overleving van kinderen, UNICEF. — Het is uiteraard onmogelijk om een complex onderwerp, dat raakvlakken heeft met landbouw, vrede en met tal van andere aspecten, in vijftien minuten te bespreken.
Een eerste punt is geboorteplanning. We moeten uiteraard geboorteplanning nastreven. Het vorige rapport, over de overleving van kinderen, werd gevolgd door een rapport over de overleving van moeders. De belangrijkste methode om moedersterfte tegen te gaan, is het aantal geboortes verminderen. Daarvoor moet in Afrika vooral aandacht worden besteed aan tienerzwangerschappen, die een groot probleem vormen. Zwangere tieners lopen immers veel meer risico om zelf te sterven en hun baby's zijn ook veel gevoeliger. Geboorteplanning is dus zeer belangrijk. In het nieuwe UNICEF-rapport over moedersterfte is geboorteplanning één van de belangrijkste pilaren. Er moet niet top down, maar lokaal worden gewerkt. Voorbehoedsmiddelen kunnen niet zomaar van bovenaf worden opgelegd, maar moeten lokaal worden besproken.
Water is uiteraard belangrijk : zonder water geen voedsel, zonder water diarree. De Belgische UNICEF-campagnes hebben altijd veel aandacht voor water. Jammer genoeg kunnen we met water niet alles voorkomen. Er zullen altijd ziektes blijven, bijvoorbeeld longontsteking, waarvoor gezondheidszorg noodzakelijk is.
Er werd gevraagd waarom zo weinig geld vloeit naar de dingen die werken. Het voorbeeld van de farmaceutische producten is een heel goed voorbeeld. We krijgen ongelooflijk veel geld om producten te kopen, maar niet om mensen op te leiden, om in infrastructuur te investeren, om gezondheidsstructuren op te zetten, noch voor programma's ter bestrijding van diarree en longontsteking. Donoren willen graag hun eigen « dingetjes ». Er worden graag muskietennetten gekocht, maar er is blijkbaar geen geld om gezondheidswerkers op te leiden of om families te waarschuwen voor de gevaren van malaria. Er gaat heel veel geld naar aids, wat natuurlijk uiterst belangrijk is, maar kinderen kunnen nog zoveel andere, banale ziektes krijgen. De mentaliteit van donoren om « dingetjes » te willen kopen, moet veranderen want hiermee zal men geen systemen verbeteren. Er is te weinig geld om gezondheidswerkers op te leiden, om te investeren in transport, supervisie, begeleiding en evaluatie. De bedragen die vandaag worden gegeven, volstaan niet om de ontwikkelingsdoelstellingen te realiseren.
Er was een vraag over de kostprijs van de gezondheidszorg. Een heleboel geografische en financiële obstakels belemmeren de toegang tot de gezondheidszorg. Één ervan is dat mensen vaak moeten betalen. Voor arme mensen is het inderdaad wellicht geen prioriteit om met hun kind naar een gezondheidspost te gaan.
Er worden vandaag wereldwijd debatten georganiseerd, waarbij onder andere het Instituut voor Tropische Geneeskunde te Antwerpen en andere universiteiten zijn betrokken, over de manier waarop gezondheidszorg financieel toegankelijk kan worden gemaakt. Om gezondheidszorg gratis te maken in ontwikkelingslanden zijn zeer hoge bedragen nodig. Sommige mensen stellen voor om één bedrag, bijvoorbeeld de user fee, weg te nemen. Dat is uiteraard belangrijk, maar het gaat om complexe systemen. Naast het financieel aspect, is een diepere analyse nodig om te begrijpen welke factoren een functioneel gezondheidsysteem toegankelijk maken.
De heer Patrick Kolsteren, hoofd van de Eenheid Voeding en Gezondheid van het Kind, Instituut voor Tropische Geneeskunde, Antwerpen. — Naast de gerichte vraag die nu wordt behandeld, zijn uiteraard nog andere elementen, zoals de toegang tot drinkbaar water of family planning, belangrijk. In 2050 zal de wereldbevolking schommelen rond de 9, 10 of 11 miljard mensen.
Vorig jaar is de voedseldistributie stilgevallen omdat de energiekost te hoog was en zijn er rellen uitgebroken in Kameroen, Senegal en de Filippijnen. Ik vrees dat dergelijke incidenten in de toekomst vaker zullen voorvallen.
Moeten we daarom aan lokaal aangepaste family planning doen ? We beschikken over een aantal goede, algemeen aanvaarde middelen, maar de vrouwen moeten er wel toegang tot hebben. In veel landen hebben vrouwen daarover geen zeggenschap.
Health care delivery is zeer belangrijk. De investeringen van de jongste vijftig jaar maken dat de structuren voorhanden zijn. Het elan is er nu wat uit en men begint nu verticale programma's rond tuberculose, malaria, enzovoorts op te zetten. De gezondheidsstructuren storten dan in elkaar, omdat er geen aandacht meer aan wordt besteed.
Het resultaat van de input over een bepaalde periode moet aantoonbaar zijn : men wil bijvoorbeeld weten hoeveel insecticide treated bed nets zijn uitgedeeld of hoeveel mensen werden behandeld. Zo kan men de cost effectiveness berekenen. Het is eigenlijk een donorprobleem; donoren zijn vragende partij.
De toegang tot de gezondheidszorg in een bepaald district verhogen en kinderen een betere gezondheidszorg verschaffen, zijn echter veel moeilijker te meten. Het resultaat daarvan kan ik niet meer becijferen en daarom wil men met mij niet meer in zee gaan. De mentaliteit van de donoren zou moeten veranderen.
Ontwikkelingslanden investeren in landbouw veelal vanuit een industrieel perspectief. Sinds hun onafhankelijkheid zijn landbouwexportproducten immers vaak hun belangrijkste bron van deviezen. De overgang naar investeren in lokale landbouw en in de micro-economie wordt nog onvoldoende gemaakt.
Zo lang kleine boeren hun veld met een hak bewerken, zal hun productie laag blijven. Er is nood aan een andere visie, zoals destijds in Europa. Kleine landbouwbedrijven moeten fuseren of verdwijnen.
NGO's moeten verantwoording afleggen aan hun achterban en dus hun realisaties kunnen aantonen. Daartoe moeten ze de controle over hun activiteit behouden, waardoor conflicten kunnen ontstaan met een plaatselijke regering die andere doelen vooropstelt. De NGO voert aan dat het ingezamelde geld in de aangekondigde projecten moet worden geïnvesteerd, want anders zullen zijn steungevers afhaken.
Het is mogelijk dat lokale werkkrachten worden « afgeroomd ». Zo bijvoorbeeld wanneer een NGO in Oeganda komt, zal ze de mensen die ze nodig heeft 1 500 of 2 000 euro per maand willen betalen, terwijl de overheid maar 600 euro betaalt aan een arts in een district. Het gevolg is dat die artsen weggaan. Een NGO start dus met een aantal mensen, maar na vijf maanden zijn ze vertrokken naar een andere NGO. De NGO's moeten dus zelf een inspanning leveren om alles te stroomlijnen en ervoor te zorgen dat ze de lokale structuren niet ondergraven met hun beleid.
Er werd gevraagd of zink versterkend werkt en de immuniteit kan verhogen. De vraag moet eerder als volgt worden geformuleerd : is het opportuun zink als versterkend middel toe te dienen ? Volgens mij is dit niet echt een prioriteit. Men kan beter het tekort aan jodium controleren of investeren in foliumzuur. Zink is een uitstekend middel bij de behandeling van diarree, maar het lijkt me niet aangewezen mensen op basis van een behandeling met zink sterker te maken. Dat zou geen gunstig effect hebben.
Mevrouw Isabelle Durant, senator. — Ik wens te reageren op de vragen van onze genodigden over de mentaliteit van de donorlanden en van de NGO's van die landen. De overleving van kinderen vereist een algemene aanpak. De toekomst van kinderen hangt af van verschillende omgevingsfactoren, die hier door de verantwoordelijken van UNICEF werden aangehaald, maar ook van de gezondheid en het welzijn van de moeder.
Vrouwen zijn een heel belangrijke doelgroep, vooral in bepaalde Afrikaanse landen waar men geen rekening houdt met hun fysieke of psychische integriteit. Ik denk vooral aan die vrouwen waarvoor vele Belgische senatoren zich inzetten, namelijk de vrouwen in Congo, in het bijzonder in Kivu, waar verkrachting als oorlogswapen wordt gebruikt.
Vrouwen, vooral de moeders, moeten bijzondere aandacht krijgen. Ze doen zwaar werk. Voor het aanbrengen van water en hout zijn ze vaak vele uren onderweg en dat heeft een weerslag op hun gezondheid. Via een geïntegreerde aanpak kunnen we zwangere of jonge moeders helpen hun kinderen beter te voeden. Ze kunnen worden bijgestaan in een reeks basisbehoeften, onder meer bij de fysiek zware taken die ze van 's ochtends tot 's avonds moeten vervullen.
De overleving van kinderen moet in de eerste plaats bekeken worden in het kader van de gezondheid en het welzijn van hun ouders, in het bijzonder de moeder.
Gezinnen moeten in hun dorp over behoorlijke voeding kunnen beschikken. Het is onbegrijpelijk dat landbouwers in ontwikkelingslanden slecht gevoed zijn, terwijl we in Europa overwegen onze wagens op biobrandstoffen te laten rijden.
Ik wil alleen benadrukken dat een algemene benadering van de mentale en fysieke gezondheid van de moeders, vooral inzake voeding en voedselsoevereiniteit, een tweede essentieel element is voor de overleving van kinderen.
Thema 2 : Focus op Afrika
2.1. Uiteenzetting van de heer Francisco Songane, voormalig minister van Gezondheid in Mozambique en expert inzake Maternal, Newborn and Child Health
I would like to thank everyone for this very important initiative, which I interpret as a continuation of a symposium in Antwerp last year to mark the 30 years of the Alma Ata Declaration on Primary Health Care. I see there is a commitment and dynamism to move forward involving the Belgian authorities, the parliament, the senate and the government.
What I want to point out is that amongst the countries with the highest burden of under five mortality, only sixteen countries are on track to meet the MDG 4, which is a very important message. This figure was obtained from the countdown group that conducts the evaluation and monitoring on how the countries are doing in MDG 4 and MDG 5.
Of the top ten countries making the most progress we could also add Eritrea which has made decided efforts to reduce the under five child mortality. Considering the African continent as a whole we have to take into account the underlying contexts where there are conflicts and the issues of HIV and aids. One such example is Zimbabwe which has a very high burden in terms of aids, and over the last three years the system has broken down due to the instability and the effects of the blockade strongly affecting the country's health system.
Two other countries experiencing conflict are the Democratic Republic of Congo and Chad. The conflict in Chad is related to the neighbouring Sudan in the region of Darfur with many people moving into the area leading to outbreaks of conflict and putting an added stress on the health systems.
Another issue to factor in is better reporting and better provision of services to reach the people who were not reached before, this would be a step forward. Nonetheless, the situation is not all gloomy, and there are indeed success stories like that of Eritrea and certainly that of Tanzania which has had a 24 % reduction in the under five mortality. The take home message from Tanzania is the courageous decision they took to delegate responsibilities to the districts, allocating the necessary resources and improving the management aspects, increasing the coverage of key child care interventions and using better the finances, all of which contributed to a better provision of services and a reduction in under five mortality. Tanzania has formally issued an integrated national plan to encompass maternal, newborn and child health.
Where there is a problem of maternal mortality there is to be found exactly at the same places high neonatal mortality. About 40 % of the mortality rate of children under five is due to neonatal deaths, deaths occurring in the first month of life. This is due to a lack of care during the pregnancy, at child birth and the two days following the delivery. So it is evident that we need to address the two factors, not only because of the survival of the neonate, but also of the mothers who die leaving orphans behind who have a fivefold increased risk of not surviving or having poor health.
By protecting the survival of the mother we protect the survival of the children. This is a fundamental human right and it has been largely violated in many countries. Mothers and their children have to be protected. Africa is still contributing considerably in terms of absolute numbers of child deaths where countries such as Nigeria, Ethiopia, Democratic Republic of Congo, Tanzania, are among the top contributors together with other countries in Asia.
I would like to address the aspect of "Continuum of care", the importance of going through from pre-pregnancy, pregnancy, care at child birth, attention immediately after birth and until the child reaches the age of five; care should not be fragmented but offered in a comprehensive approach taking both, the mother and the child. The other dimension of the continuum is in terms of space : at each level, from the household to the most sophisticated hospital, interventions have to be conducted in an effective manner and with the appropriate quality. We need to act together to guarantee the survival of our children.
Other constraints such as lack of funding and lack of long-term planning are critical elements. Every country is going through cycles of changes, of getting a plan that is started and after two three years is abandoned or changed, and another one begins, and so forth. Whatever has been started is never completed due to a lack of coordination and absence of long term commitment. It is important to get the integration and to reinforce the systems and move away from just focusing on the diseases and be comprehensive.
A good coordination of the different initiatives is needed. There are many initiatives now and rightly so to address malaria, aids, HIV, tuberculosis etc. However, we do need to have a better utilization of the resources at the country level and addressing a country plan. This transition has to happen, to have the commitment and to have the required coverage of interventions. The low coverage of interventions and inequity are the two underlying reasons for not progressing in the MDG 4 and MDG 5.
We need to change the way we do business, to have accountability at all levels and make the countries meet this challenge to the highest political levels. Presidents and Prime ministers have to take the leadership and not just the ministers of Health and ministers of Education or other social sectors. The parliaments have to be informed about the situation and the figures have to be presented at the national levels.
Governments have to change, to address the inequities to the benefit of the poor. Internationally we have to show solidarity as it is not just a donation, we have to work with the country when a contribution is given and get them out of this situation in the context of their own development strategies. We need to build up a spirit of solidarity similar to the one in Europe following the Second World War to get it back on its feet. We have to give the resources to revamp and to revitalize the countries which are impoverished in Africa and elsewhere in the world. It is the solidarity and working together which will help them move in the right direction. The Accra Agenda for action which is the follow up of the Paris Declaration, explains in detail all we have to do to gain success by reorientating all activities and approaches in terms of International cooperation.
2.2. Uiteenzetting door de heer Souleymane Diallo, UNICEF Benin
We willen u deelgenoot maken van twee hoopgevende ervaringen : de promotie van borstvoeding en de preventie voor de overdracht van aids van moeder op kind. Aangezien het hier voornamelijk over voeding gaat, zullen we het in de ons toegemeten tijd uitsluitend over borstvoeding hebben.
Dokter Alban Quenum zal de uiteenzetting geven. We hopen tijdens de vraagstelling details te kunnen geven over de ervaringen in Benin.
2.3. Uiteenzetting door de heer Alban Quenum, directeur Familiale Gezondheid, ministerie Gezondheidszorg Benin
Benin is een West-Afrikaans land met negen miljoen inwoners. Één inwoner op vijf is jonger dan 5 jaar. Bijna de helft van de bevolking leeft onder de internationale armoedegrens van 1,25 dollar. Er is veel ondervoeding : 38 % van de kinderen jonger dan 5 jaar heeft een groeiachterstand.
Benin heeft evenwel troeven in handen om borstvoeding en bijvoeding van goede kwaliteit te promoten. Het aantal kinderen dat na de geboorte borstvoeding krijgt, is gestegen van 23 % in 1996 naar 54 % in 2006. Het aantal kinderen jonger dan zes maanden dat uitsluitend borstvoeding krijgt, is gestegen van 10 % in 1996 naar 43 % in 2006. Dankzij borstvoeding en een betere bijvoeding is de kindersterfte gedaald van 167 in 1996 naar 125 in 2006.
Het voeden met uitsluitend borstvoeding is in Benin, net als in Ghana, opmerkelijk gestegen. In 1996 gebruikte men nog op grote schaal vervangmiddelen voor moedermelk. In 2006 werd bijvoeding evenwel sterk teruggedrongen. Veel minder kinderen onder de zes maanden kregen bijvoeding.
De continuïteit van de zorgen kwam hier uitgebreid aan bod. Voorafgaand onderzoek naar borstvoeding en bijvoeding is belangrijk voor het welslagen. Opinieleiders bij de voorlichtingcampagnes betrekken kan ertoe bijdragen om culturele barrières weg te werken en goede gewoonten in te voeren. Men kan ook de informatie verspreiden via de gebruikelijke kanalen zoals theater, gemeenschapsradio en spots, en een beroep doen op vrouwengroepen die borstvoeding steunen.
In korte tijd werd forse vooruitgang geboekt. In 1996 gaven 19 % vrouwen uitsluitend borstvoeding; in 2002 was dat 60 %.
Succesfactoren zijn de politieke wil en een aangepaste benadering via het gezondheidsysteem. De politieke wil kan worden omgezet in een welomschreven voedingsbeleid. De aanpassing van het gezondheidssysteem heeft gevolgen op nationaal, departementaal en gemeentelijk vlak omdat de actoren hebben bijgedragen tot het stimuleren van borstvoeding.
De bekwaamheid van de dienstverleners werd verhoogd. Op grote schaal werden opleidingen georganiseerd. De vernieuwing kwam tot stand dankzij de participatie van de gemeenschap en een holistische visie op de voeding.
Het succes in het testdepartement verspreidde zich over het hele land.
Er zijn twee uitdagingen : fundamentele ingrepen in de zuigelingenvoeding en de voeding van jonge kinderen met als perspectief de integratie van bijstand op het vlak van voeding in het gezondheidssysteem en, vooral, de oprichting van een Hoge Raad voor voeding en voedsel, belast met de coördinatie. De coördinatie is een uitdaging, want voeding gaat samen met landbouw, gezondheid, familie. De Hoge Raad zal onder het toezicht staan van de president van de Republiek.
2.4. Uiteenzetting door de heer Youssouf Cissé, expert in Water, Sanitation and Hygiene (WaSH), NGO CREPA Mali
Mali is een ingesloten land in West-Afrika. Het is een groot land, met een oppervlakte van 1 241 238 vierkante kilometer, en telt 12,3 miljoen inwoners. De bevolkingsdichtheid is zeer verschillend, gaande van 90 inwoners per vierkante kilometer in de Nigerdelta tot minder dan 5 inwoners per vierkante kilometer in het Saharaanse gebied in het noorden.
Water en waterzuivering zijn belangrijk voor de overleving van het kind. In dit kader zal ik het in de eerste plaats hebben over de dekking van de sanitaire voorzieningen. Hierover zijn heel weinig studies gemaakt. De weinige beschikbare gegevens zijn partieel of niet actueel. Mijn collega-arts heeft veel cijfergegevens aangehaald, maar voor de sector water en sanering bestaan die bijna niet.
Voor de afvoer van regenwater zijn de voorzieningen volstrekt ontoereikend. Er zijn wel enkele zeldzame voorzieningen in de stedelijke gebieden, maar in het algemeen zijn ze volstrekt ontoereikend. Stagnatie van regenwater is de oorzaak van een van de meest voorkomende ziekten in ons land : malaria.
De gebrekkige afvoer van uitwerpselen en het gebrek aan hygiëne liggen aan de basis van het merendeel van de besmettelijke ziekten. In de stedelijke centra zijn er latrines waarin de uitwerpselen kunnen worden opgevangen en waarlangs ze op een hygiënische manier kunnen worden verwijderd. In ontwikkelde landen gebeurt dat via riolen.
Uit de enquête over de demografie en de gezondheid (EDSM) bleek dat 61 % van de huishoudens zeer rudimentaire sanitaire installaties gebruikt; 7 % gebruikt aangepaste latrines, die als voldoende worden beschouwd; 30 % beschikt over geen enkele vorm van toilet. Dat cijfer loopt op tot 39 % in de landelijke gebieden. Er is dus een zeer duidelijk verschil tussen landelijke en stedelijke gebieden.
In de stedelijke gebieden wordt het huishoudwater afgevoerd via conventionele systemen zoals septische putten en zinkputten, die individuele voorzieningen zijn. Collectieve voorzieningen zijn zeer zeldzaam.
Het afvalwater van de industrie en de nijverheid wordt op grote schaal afgevoerd; zowel het volume als het beheer vormen een probleem.
In landelijke gebieden wordt het huishoudafval zeer vaak gebruikt om te bodem te verrijken. In stedelijke gebieden is de afvoer een zeer groot probleem. De gemeenten hebben niet altijd de middelen om die taak aan te pakken.
Sommige gebruiken gaan ook in tegen een goed beheer van afvalwater en uitwerpselen. Ze liggen voor een deel aan de basis van de besmettelijke ziekten in ons land. Een eerste voorbeeld is de ontlasting in open lucht. In sommige landelijke gebieden zijn er zeer weinig latrines en ontlasten veel mensen zich nog in de open lucht. De incidentie van ziekten die door fecaliën worden veroorzaakt, toont aan hoe schadelijk dit gebruik is voor de volksgezondheid.
De opslag van vuilnis, voor het naar de velden wordt vervoerd, is een probleem in de landelijke gebieden, maar zorgt door het gebrek aan middelen ook in de steden voor problemen. Het overmatige gebruik van plastic verpakking is een moeilijk te bestrijden vervuilingsbron. De opstapeling van niet-afbreekbare materialen in de natuur veroorzaakt aanzienlijke schade.
Bovendien wordt in de steden het afvalwater in goten geloosd. Hierdoor staat het afvalwater stil in de goten, wat bijdraagt tot de verspreiding van malaria.
Ik wil het even hebben over enkele ziekten die te wijten zijn aan onzuiver water en verontreiniging van het milieu.
In Mali zijn de meest voorkomende ziekten malaria, diarree en ziekten aan de luchtwegen.
Malaria blijft de belangrijkste ziekte en de belangrijkste doodsoorzaak onder de meest zwakkeren, zoals kinderen onder de vijf jaar en zwangere vrouwen. Dat blijkt uit de EDSM-IV van 2006.
Omdat diarree onder andere tot uitdroging en ondervoeding leidt, is het rechtstreeks of onrechtstreeks een van de belangrijkste doodsoorzaken bij jonge kinderen in de ontwikkelingslanden, vooral in Mali. Dat blijkt ook uit de EDSM. In de EDSM-IV van 2006 werd de mortaliteit bij kinderen en jongeren op 191 per 1000 geschat. Van de kinderen onder vijf jaar had meer dan 13 % in de twee weken voorafgaand aan de studie diarree gehad, bij de kinderen tussen 6 en 11 maanden was dat 20 % en bij de kinderen tussen 12 en 23 maanden was dat 22 %.
Naast deze aandoeningen komt ook schistosomiasis vaak voor in bepaalde, vooral landelijke, gebieden.
Het merendeel van de ziekten bij kinderen en jongeren zijn te wijten aan de slechte hygiënische omstandigheden en gebruiken. Een verbetering van de hygiëne en de sanitaire voorzieningen is de beste manier om de ziekten bij kinderen en jongeren in Mali terug te dringen.
Wat doen de NGO's en de regering om die problemen op te lossen ?
Wij hebben al enkele actieterreinen van de NGO's besproken. Het komt er in de eerste plaats op aan de beschikbaarheid van water en sanitaire voorzieningen te verbeteren. De NGO's ondersteunen het nationale beleid inzake water en sanitaire voorzieningen en het beleid dat de regering ter zake heeft uitgewerkt.
Wat de toegang tot het water betreft wil de regering één waterpunt per 400 personen.
Het boren en saneren van putten is een van de voornaamste activiteiten van de NGO's, evenals de oprichting van beheercomités voor de waterbevoorrading. Het is immers gebleken dat de aanwezigheid van waterpunten niet voldoende is, maar dat ze ook correct moeten worden beheerd en onderhouden. Ook moet men de bevolking informeren en erop wijzen dat er niet meer mag worden geput uit niet-drinkbare bronnen aangezien dat water niet geschikt is voor consumptie.
Ook het gebruik van latrines wordt aangemoedigd, vooral in de landelijke gebieden : de regering en de NGO's komen tussen in de aanleg van Sanplat-latrines en ecologische sanitaire latrines.
Privé-initiatieven voor het beheer van huishoudelijk afval worden ondersteund; economische belangengroepen met hoofdzakelijk werkloze jongeren houden zich al sinds 1990 met die sector bezig.
De hygiënische en sanitaire omstandigheden in de scholen worden verbeterd door de aanleg van latrines en waterpunten, door informatie en opvoeding en door het beheer van huishoudelijk afval.
2.5. Uiteenzetting van mevrouw Marie-Claire Kikontwe, senator Democratische Republiek Congo
In de spreektijd die ik hier vanochtend krijg, kan ik niet mijn volledige uiteenzetting naar voren brengen, maar ik wil u wel de lectuur ervan aanbevelen opdat u een totaalbeeld zou krijgen van de situatie van kinderen in de DRC, die het toneel was van wat door sommigen de « eerste Afrikaanse wereldoorlog » wordt genoemd.
Alle menselijke ontwikkelingsindicatoren staan in het rood, zoals blijkt uit de nationale enquête over de situatie van kinderen en vrouwen die in 2001 door UNICEF werd uitgevoerd. Flagrante schendingen van kinderrechten zijn legio, zowel binnen het gezin, op school, op het werk, op straat of in het kader van de gewapende conflicten.
Om deze enorme uitdaging het hoofd te bieden, sluit de DRC zich bij de internationale inspanningen aan door de ratificatie van verschillende internationale instrumenten over de bescherming van de rechten van het kind. Het Congolese parlement heeft verschillende wetteksten gewijzigd om ze te doen overeenstemmen met de geratificeerde teksten. De regering doet haar best om in samenwerking met de internationale agentschappen en de NGO's het leed van de kinderen in de DRC enigszins te verzachten.
Van alle kinderen die in erbarmelijke omstandigheden overleven zijn de wezen en andere kwetsbare kinderen (OEV) er het ergst aan toe.
Het Rapid Assessment, Analysis and Action Planning (RAAAP) programma, dat door het ministerie van Sociale zaken in november 2007 is opgestart met de financiële en technische steun van UNICEF, heeft aangetoond hoe groot het aantal wezen en andere kwetsbare kinderen wel is en hoezeer de opvang van die kinderen tekortschiet. Het pleit voor een meer gecoördineerd optreden en voor meer kwaliteit in de hulpverlening.
Om dat proces te begeleiden werd een OEV task force opgericht, die geleid wordt vanuit het ministerie van Sociale Zaken en het overkoepelend nationaal programma voor de strijd tegen aids, het PNMLS. Daarin zitten de voornaamste actoren die te maken hebben met de problematiek van de OEV in de DRC, namelijk de regering, de ministeries van Gender, Volksgezondheid, Mensenrechten, enz., vertegenwoordigers van het middenveld en de agentschappen voor bi- en multilaterale samenwerking.
Op basis van het onderzoek naar demografie en gezondheid van 2007 wordt geraamd dat één op vier Congolese kinderen OEV is, dat zijn er dus meer dan 8,2 miljoen. Het grote aantal wezen is een chronisch probleem op lange termijn.
Weeskinderen hebben meer dan andere kinderen te maken met ondergewicht : 30 % tegen 24 %. Ze worden meer dan anderen achtergesteld op school : 81 % tegen 63 %. Veel wezen zeggen dat ze gediscrimineerd worden in het gezin of in de gemeenschap. Aangezien adoptie weinig gangbaar is in de DRC, is de fysieke en psychische onzekerheid van weeskinderen groot omdat ze door hun opvanggezin kunnen verstoten worden indien de voogd het zo beslist.
OEV zijn meer blootgesteld aan het gevaar voor economische en seksuele uitbuiting, wat weer een verhoogd risico op besmetting met HIV/aids of een andere soa met zich meebrengt.
Wat de hulpverlening door de voornaamste actoren betreft, bereikt de Congolese staat via de provinciale directies 36 % van de OEV die worden opgevangen. Er wordt ook veel gedaan door de grote ziekenhuizen, zoals het kinderziekenhuis van Kalembelembe in Kinshasa, de universitaire ziekenhuizen van Kinshasa, Sendwe en Lubumbashi, het ziekenhuis van Panzi te Bukavu en het ziekenhuis van Goma.
Vanuit de Congolese civiele maatschappij zijn er veel initiatieven voor de opvang van OEV, vooral via de katholieke en protestantse geloofsgemeenschappen en de gespecialiseerde NGO's. Er wordt gewerkt in vier domeinen, naar gelang van de financiële mogelijkheden : gezondheid en vooral de strijd tegen HIV/aids, onderwijs, sociaaleconomische integratie en voedselhulp. Bij het RAAAP-programma zijn 320 organisaties betrokken, waaronder 301 nationale.
Ook de internationale gemeenschap vervult een belangrijke rol.
Omdat de nationale begrotingen vrij gering zijn, wordt gebruik gemaakt van externe financiering voor de uitvoering van steunprogramma's. Tot de multilaterale donoren behoren de Wereldbank, het Wereldfonds voor de bestrijding van HIV/aids, tuberculose en malaria, UNICEF, het Wereldvoedselprogramma, het VN-Bevolkingsfonds UNFPA, Het VN-Ontwikkelingsfonds voor vrouwen UNIFEM, enz.
De bilaterale samenwerking verloopt via USAID-PEPFAR en de Belgische, Franse, Japanse, Duitse en Britse ontwikkelingssamenwerking.
De belangrijkste internationale NGO's zijn Save the Children UK, World Vision, Christian Aid en de Clinton Foundation.
Onze aanbeveling aan de internationale gemeenschap is dat zolang de toestand in de DRC niet gestabiliseerd is, alle actoren erbij betrokken moeten kunnen worden en hun werkterrein moeten kunnen uitbreiden zodat de nodige middelen ter plaatse zijn en de begrotingen of de bijdragen kunnen verhoogd worden ten behoeve van projecten die goedgekeurd zijn, maar op financiering wachten.
Voor de komende vijf jaar worden vanuit de overheid, meer bepaald het ministerie van Gender en Gezin de volgende maatregelen ten aanzien van kinderen overwogen, naar gelang van de beschikbare middelen :
— toepassing van de wetgeving inzake kinderbescherming;
— uitstippeling van het nationaal beleid voor jonge kinderen van 0 tot 8 jaar;
— uitvoering van het actieplan met betrekking tot elke vorm van geweld tegen kinderen;
— toepassing, met de steun van UNICEF, van de Kaapstad-principes om de rekrutering van kindsoldaten tegen te gaan.
Wat de toegang van elk kind tot het basisonderwijs betreft, bevelen we het volgende aan :
— verhoging van de hulp aan Congolese NGO's, zoals het katholieke ORPER, of aan internationale NGO's, zoals World Vision, die hun sporen verdiend hebben inzake de opvang van weeskinderen, zodat ze nog meer middelen kunnen inzetten op onderwijs;
— financiering van beroepsopleidingscentra en de uitrusting en bouw van weeshuizen.
Inzake primaire gezondheidszorg vragen we :
— steun voor de uitvoering van het nationaal programma voor de gezondheid van de jeugd (PNSA), dat gericht is op de preventie van soa's en HIV/aids en de promotie van de reproductieve gezondheid;
— de verhoging van de financiële steun voor de geïntegreerde aanpak van kinderziekten (PCIME) die tot doel heeft de kindersterfte onder de leeftijd van vijf jaar te halveren;
— steun voor de uitwerking van het nationaal strategisch kader voor HIV/aidspreventie bij jongeren.
In verband met de justitiehervorming voor minderjarigen bevelen we meer steun aan voor de NGO's die actief zijn op het vlak van ontwikkeling en mensenrechten, de verspreiding en de vertaling in lokale talen van de juridische documentatie over mensenrechten en de versterking van de mogelijkheden van het gerechtelijk personeel.
We denken ook dat er meer hulp moet gaan naar de NGO's die weeshuizen beheren of OEV bijstaan en die al bewezen hebben wat ze waard zijn inzake humanitaire inzet en goed beheer.
Dat geldt voor de volgende organisaties :
— Amocongo en Femmes Plus, die zich bezighouden met aidsbestrijding;
— REEJER en ORPER, die straatkinderen begeleiden;
— Anges du Ciel, die werken met kindheksen;
— het Centre Tabitha, dat hulp verleent aan gehandicapte kinderen;
— CAFES en GRAMID, die actief zijn inzake onderwijs;
— CNOS, AASD, AFRED en ASAMIR, die ijveren voor socio-economische integratie;
— Réseau Action Femmes, dat juridische bijstand verleent.
Een gedeelte van de steun die aan deze organisaties wordt gegeven, moet ten goede komen van de opvanggezinnen waarmee ze samenwerken, want die gezinnen bieden een totaalbegeleiding die niet tot één sector beperkt blijft.
2.6. Uiteenzetting door de heer Karel Gyselinck, expert Gezondheid, Belgische Technische Coöperatie
Voor mijn uiteenzetting van vandaag heb ik inspiratie gezocht in de zeer recente beleidsnota over de gezondheidszorg die eind 2008 werd goedgekeurd onder de titel « Het recht op gezondheid en gezondheidszorg ». Die nota werd vorig jaar opgesteld onder leiding van DGOS en legt de houding uit die België in de internationale hulpverlening zou moeten aannemen en de samenwerking die het met zijn partners zou moeten ontwikkelen. Die nota geeft ook het internationale kader en de referentieverklaringen weer.
De grote troef van de nota is dat ze is voorafgegaan door uitvoerig participatief werk. Het conceptuele kader werd gezamenlijk uitgewerkt door alle Belgische organisaties die actief zijn in de internationale gezondheidszorg, met de hulp van het Platform Be-cause Health. Dat in 2007 uitgewerkte conceptuele kader heeft als titel : Investeren in gezondheid voor een beter welzijn.
Het betreft als het ware een swap op zijn Belgisch. Wij moedigen altijd de swaps in partnerlanden aan, maar door zelf de oefening te maken hebben wij veel geleerd. Vanuit soms erg uiteenlopende standpunten zijn we tot een consensus gekomen. Het was niet gemakkelijk om dat proces op te zetten, maar het bleek erg interessant te zijn en is een les voor de toekomst.
Als ik de nadruk leg op die nota, is dat omdat ik denk dat ze een referentiekader vormt. In ieder geval steunt BTC op die nota voor haar acties op het vlak van gezondheidszorg. Elke andere nota inzake gezondheidszorg zou zich daarnaar moeten richten en de uitvoering van deze resolutie zou daarop geïnspireerd moeten zijn.
Drie basisprincipes tonen ons de weg. Het eerste is de focus op het recht op gezondheid. Verschillende van de vorige sprekers hebben de nadruk gelegd op dat recht. Dat is belangrijk omdat gezondheid verder reikt dan de technische aspecten. De kinderrechten zijn een transversaal thema van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. De gezondheidsproblematiek overstijgt de problematiek van de gezondheidszorg. Gezondheid wordt geconditioneerd door een veelheid van factoren. De vorige sprekers hebben al het belang van de opvoeding en de gezondheid van de moeders onderstreept, evenals de hygiëne en het onderwijs, maar ook van de politieke, sociaal-economische en klimatologische context. Het is vanuit die gezichtshoek dat gezondheid moet worden benaderd. Op haar beurt is gezondheid een voorwaarde voor een evenwichtige sociaal-economische ontwikkeling. De bevordering van de gezondheid vergt een holistische visie en een multisectorale aanpak.
Het tweede principe is de nadruk op het welzijn. We mogen ons niet beperken tot de strijd tegen een bepaalde ziekte. Mensen moeten worden verzorgd vanuit een perspectief van psychisch, fysiek en sociaal welzijn, zowel op individueel als op familiaal en gemeenschapsvlak. Dat heeft gevolgen voor de te verstrekken zorg. Het volstaat niet kwaliteitsvolle curatieve zorg te verstrekken. Er moet ook brede aandacht gaan naar preventie en naar emanciperende en herstelgerichte zorgverlening.
Het derde principe is de nadruk op de duurzame ontwikkeling van de gezondheidssector en zijn zorgsysteem. Het heeft betrekking op het kader waarin de zorgverlening gebeurt. Dat zorgsysteem beperkt zich niet tot horizontale zorgverlening maar bevat ook verticale zorgverstrekking. Die moeten op elkaar afgestemd zijn en elkaar versterken.
In alle landen waar BTC werkt, proberen wij dat systeem te ondersteunen en voorrang te geven aan kinderen als een van de kwetsbare groepen. Wij doen geen specifieke interventies, maar het doel is zowel aandacht te hebben voor kwetsbare groepen als voor andere groepen. Dat veronderstelt een operationele integratie van de zorgverlening aan kinderen. Het gaat er dus om zo te handelen dat de zorgverlening aan kinderen optimaal kan worden geïntegreerd in het gezondheidszorgsysteem en niet om het systeem aan te passen ten behoeve van de gezondheidszorg voor kinderen. Op het terrein gaan vele klachten over de verticale vaccinatiecampagnes. Die hebben ook een opportuniteitsaspect omdat ze mensen van de courante gezondheidsverlening wegtrekken. Mensen kunnen ziek worden of sterven wanneer een arts of verpleegster niet aanwezig is op zijn of haar gezondheidscentrum. Er moet altijd worden gehandeld met respect voor het systeem.
Wat zijn de implicaties van die drie beginselen ? Ze vormen de leidraad voor een basisstrategie, met name de keuze voor een globale gezondheidszorg voor iedereen, gericht op de begunstigden en het systeem, met onderliggende waarden als billijkheid, participatie, autonomie en efficiëntie. Dat is iets anders dan een aanpak die exclusief is gericht op de ziekten, de ziekenhuizen en de technologie. Er is meer oog voor de doeltreffendheid met de bedoeling tot een groter welzijn te komen.
Gelet op de cijfers die we hebben gehoord, rijst de vraag of een specifiek programma nodig is om de resultaten te verbeteren. Ik verwijs naar een uiteenzetting van Nick Lorenz, professor aan het Zwitserse Instituut voor tropische geneeskunde. Nadat hij in alle Global Health Partnerships de efficiëntie van de verticale programma's had geanalyseerd, stelde hij vast dat, zelfs als een behandeling doeltreffend is voor een patiënt, bepaalde determinanten van het systeem, zoals de aanwezigheid van geneesmiddelen en uitrusting, de beschikbaarheid van gemotiveerd en bekwaam personeel, het rekening houden met sociaal-culturele aspecten en de problemen van toegankelijkheid, een rem zetten op de doeltreffendheid waardoor deze daalt van 98 % tot 25 %. Hij beveelt dan ook aan om voor alles te werken op de determinanten van het systeem, hetgeen gelijk loopt met wat verschillende sprekers hebben gezegd : als het bestaande systeem wordt versterkt, kan men ver geraken.
Welke uitdagingen zijn er voor de gezondheidszorg ? Die vraag werd geanalyseerd binnen het conceptuele kader en hernomen in de beleidsnota. De vaststellingen sluiten goed aan bij de aanbevelingen van prof. Lorenz.
Er zijn eerst en vooral onvoldoende kwaliteitsvolle farmaceutische en voor consumptie geschikte producten. Zo heeft enkele jaren geleden een siroop tegen luchtwegeninfecties de dood van 115 kinderen in Haïti veroorzaakt. Dat is misschien niet in de Europese pers gekomen, maar wij noemen dat « stille doders ». Er is dus een probleem van kwaliteitvolle geneesmiddelen.
Er is ook een tekort aan gekwalificeerd personeel. Als men gemotiveerd en bekwaam personeel wil hebben dat echt operationeel is, moeten die drie voorwaarden vervuld zijn.
Wat de beschikbaarheid betreft, stelt men vast dat er door de brain drain en HIV-aids dat vele mensen doodt, een wanverhouding ontstaat tussen het aantal zieken en het personeel dat nodig is om daaraan het hoofd te bieden.
Omwille van het grote aantal verticale programma's worden opleidingen georganiseerd. In Congo heeft men bijvoorbeeld vastgesteld dat een arts, die dikwijls de enige practicus is van het ziekenhuis, gedurende honderd dagen per jaar afwezig is. Dat betekent dat, indien een keizersnede moet worden uitgevoerd, er niemand is om dat te doen. Soms is een geoefende verpleegster aanwezig en kan ze iets doen, maar in de meeste gevallen betekent zoiets een ramp.
Een andere uitdaging vormen de belemmeringen van de toegang tot de gezondheidszorg en de toegenomen complexiteit van de internationale hulp, waar dikwijls parallelle systemen bestaan.
Ik wijs ook op het onvoldoende ownership op nationaal en lokaal niveau, het ontbreken van een realistisch nationaal plan voor de gezondheidssector en een onvoldoende, niet-duurzame en voorzienbare financiering die wordt gekenmerkt door een incoherente toewijzing.
De analyse wijst ook op een gebrek aan samenhang tussen de verschillende door de geldverschaffers voorgestelde hulpkanalen.
Die analyse leidt ons tot de volgende vraag : zijn wij, om in samenwerking met onze partnerlanden de goede werking van de gezondheidssector en de organisatie van een gezondheidssysteem dat rekening houdt met de behoeften van de kinderen, hun familie en hun gemeenschap te verbeteren, bereid om :
— ons zo veel mogelijk te richten naar de procedures en het beleid van het land via een constructieve, maar kritische dialoog die wordt ondersteund door wetenschappelijke en technische argumenten;
— de verbrokkeling van de hulp te reduceren en voorzichtig en selectief de internationale instellingen of programma's te steunen die een echte versterking van het systeem beogen;
— het ownership te versterken door, enerzijds, het sectoraal plan als uitgangspunt van de dialoog te nemen en, anderzijds, te zorgen voor een actieve betrokkenheid van de lokale gemeenschappen door ons af te stemmen op de behoeften op het terrein;
— conform Parijs en Accra, onze institutionele cultuur te wijzigen, onze procedures te vereenvoudigen en de modaliteiten van de hulp te versoepelen om de harmonisering en de begeleiding van het systeem te vergemakkelijken;
— een voldoende en voorzienbare financiering te garanderen, met als doel de 0,7 % te bereiken, en, op een langere termijn van 15 à 20 jaar, programma's te waarborgen in synergie met de verschillende Belgische actoren met respect voor de autonomie en een duurzame financiering om het systeem te versterken;
— de complexiteit van de dynamiek en van de processen te aanvaarden binnen het systeem in plaats van ons op de korte termijn te richten. Ik geef als voorbeeld het probleem van het personeel;
— de toegevoegde waarde te versterken van de Belgische ontwikkelingssamenwerking in de geïntegreerde strijd tegen de verwaarloosde prioritaire ziekten om aldus bij te dragen aan de versterking van het beleid van een land binnen operationele resultaatgerichte strategieën. De uitdaging bestaat erin om de bestaande plannen operationeel te maken. Om dat te doen moet de band met het terrein worden behouden, de wetenschappelijke documentatie en de kapitalisatie op het niveau van het partnerland worden aangemoedigd en een institutioneel geheugen op Belgisch niveau worden gecreëerd door gerichte onderzoeken op het terrein; ook het werken in netwerken en de onderzoeksplatformen moeten worden versterkt;
— de toegang te bevorderen tot kwaliteitsvolle farmaceutische, diagnostische en verbruiksproducten producten door onderzoek en ontwikkeling te steunen, de TRIPS-akkoorden soepel toe te passen en kwaliteit na te streven. In dat kader hebben een twintigtal Belgische organisaties eind december het handvest over de kwaliteit van de geneesmiddelen Be-cause Health ondertekend om ongevallen zoals die met de siroop in Haïti te voorkomen. Ik wil ook de Belgische wet betreffende de uitvoer van geneesmiddelen aanhalen die ver vooruitloopt op de rest van Europa, maar die nog moet worden geconsolideerd.
2.7. Gedachtewisseling
De heer Jef Helsen, voorzitter CD&V Senioren Herenthout. — We nemen soms te veel hooi op de vork. Het is beter kleinschalig te beginnen in de lokale gemeenschappen. We moeten ervoor zorgen dat de lokale gemeenschappen zich kunnen ontplooien. Als de kinderen makkelijker kunnen worden opgevoed, kunnen de volwassenen meer tijd besteden aan landbouw en ondernemen op kleine schaal.
Dat is veel belangrijker dan rechtstreeks geld te geven aan de regeringen. Onder andere in Congo is de rechtstreekse financiering van de regering falikant afgelopen. Denk maar aan de oorlog in Oost-Congo.
Mevrouw Marleen Temmerman, senator. — First of all I would like to congratulate the speakers for their interesting talks. I am pleased that focus has been placed on the health of women. Indeed if mothers are getting sick or dying, then the risk for the children having serious problems is very high. Within the assembly of the Senate last year a resolution was approved to pay more attention to maternal mortality and to try to reduce it.
Every year this Commission around Mother's Day organizes an activity called "Mother's Night", with Senators and Parliamentarians from all the different democratic parties to commemorate/remember all those mothers who did not make it to Mother's Day because they had died during child birth, or during pregnancy. Also this year many activities are going on in the assembly and of course everyone is invited. We will give some fliers and some information.
De heer Yves Willemot, algemeen directeur UNICEF België. — Namens UNICEF België dank ik alle sprekers.
Het treft mij dat er eigenlijk een vrij grote consensus bestaat. Men is het grosso modo eens over de analyse van de situatie, over de beschikbare oplossingen en over de uitdagingen om grotere groepen van kinderen, vrouwen en moeders toegang te geven tot de beschikbare technieken.
Als de consensus aanwezig is, hoe komt het dan dat we er vandaag niet of onvoldoende in slagen om die consensus op het terrein efficiënter te realiseren ? Waarom kunnen we op het terrein niet het verschil maken ?
De heer Ludo Welffens. — Mijn vraag is gericht tot Patrick Kolsteren en Renée Van de Weerdt. Volgens hen weten we niet of er in 2050 negen dan wel elf miljard mensen op de aarde zullen zijn. Welke gevolgen heeft die onzekerheid voor onze strategieën en onze politieke verantwoordelijkheden inzake gezondheid voor iedereen ?
De heer Youssouf Cissé, expert in Water, Sanitation and Hygiene (WaSH), NGO CREPA Mali — Een spreker vroeg zich af wat de oorzaak is van deze toestand. Er is vandaag immers een consensus over de kwestie van de overleving van kinderen. Maar we vinden dat de financiering nog niet op de juiste plaats terechtkomt. Om de gezondheid te verbeteren moet men niet in de eerste plaats geneesmiddelen verspreiden en in verzorging voorzien, maar wel het milieu saneren. De kinderen die we elk jaar verzorgen komen uit een ongezond leefmilieu. Daarom moet aandacht besteed worden aan hygiëne en sanering, die de voorwaarden vormen voor een betere gezondheid.
Vandaag wordt veeleer geïnvesteerd in verzorging dan in de verbetering van de leefomstandigheden. Dit moet bijgestuurd worden en de financiering moet naar de prioritaire acties gaan. Er is momenteel een te geringe beschikbaarheid van drinkwater. In mijn land leven sommige mensen met minder dan vijf liter water per dag. Het is zeer moeilijk om in dergelijke omstandigheden een gezondheidsbeleid te voeren. Ook analfabetisme heeft een negatieve invloed op gezondheid en hygiëne.
Kortom, we moeten de financiering beter besteden en de problemen bij de wortel aanpakken, voor we ons inspannen om de gevolgen ervan aan te pakken.
De heer Diallo Souleymane, UNICEF Benin. — Ik zou willen antwoorden op de vraag van de voorzitter van UNICEF België.
De moeilijkheden zijn gekend. Het eerste element houdt verband met onze aanpak. Het is moeilijk de ontwikkeling van iemand te verzekeren zonder dat die persoon effectief wordt betrokken. Er is een participatieve aanpak nodig om de problemen te identificeren en een oplossing te zoeken.
In die aanpak moet rekening worden gehouden met de culturele en sociale dimensie. Ze wordt niet vaak genoeg gebruikt; ze vraagt tijd. Onze projecten hebben geen tijd. Ze gaan over een periode van drie tot vijf jaar. Dat laat niet genoeg ruimte voor verandering. De meest duurzame resultaten worden behaald via gedragsverandering, maar dat vergt tijd.
Het tweede belangrijke element is het lokale bestuur. Het parlementslid dat hier het woord heeft genomen, had het over de rol die de lokale gemeenschappen kunnen spelen. De steun die we de lokale gemeenschappen, dorpen en wijken kunnen bieden om hun problemen te herkennen en samen oplossingen te zoeken, is cruciaal. Ook dat vergt tijd en middelen.
Het derde element zijn onze acties op het terrein. Onze programma's zijn kortlopend. Laten we programma's opstellen met een langer perspectief, vijf tot tien jaar, en laten we dan zien hoe de zaken evolueren. Dan zullen we ook meer marge hebben om onze prioriteiten vast te leggen.
Er moet prioriteit worden gegeven aan de sociale diensten. Benin zegt : « Alle meisjes naar school ». De regering heeft ook beslist dat onderwijs gratis is. Alle kinderen gaan dus naar school, maar er zijn geen leraars. De regering heeft niet genoeg financiële middelen om leraars te betalen. De gemeenschappen hebben vervolgens besloten leraren aan te werven; men noemt ze gemeenschapsleraren maar ze hebben geen opleiding gehad. De kinderen komen naar school. Ze zitten soms op de grond, maar de leraars zijn niet in staat kwaliteitsvol onderwijs te geven. Leraren opleiden vergt tijd. We moeten dus investeren in het beleid.
Voor de vroedvrouwen geldt hetzelfde probleem. Om de moedersterfte terug te dringen willen we meer gekwalificeerde vroedvrouwen. De vroedvrouwen nu zijn echter niet opgeleid, noch gemotiveerd. De motivatie en de prestaties van de gezondheidswerkers zijn een bepalende factor om de moedersterfte te verminderen.
Ten slotte is er de vorming. Daarin wordt onvoldoende geïnvesteerd. Wat is de inhoud ervan ? We geven onderricht, maar slechts zelden vorming. Nochtans leiden opvoeding en vorming tot gedragsverandering.
De factoren die we hebben besproken en de participatieve aanpak vormen de basis om eenvoudige technieken ingang te doen vinden, zoals borstvoeding, handen wassen, het gebruik van geïmpregneerde muskietennetten en de identificatie van gezondheidproblemen door de moeder opdat ze haar kinderen naar een gekwalificeerde gezondheidswerker in een gezondheidscentrum zou sturen. Als we de nadruk leggen op het gedecentraliseerde niveau, dan zullen we iets meer kunnen bereiken.
De heer Karel Gyselinck, expert Gezondheid, Belgische Technische Coöperatie. — Ik zou willen reageren op de vraag over de banden met het werk op het terrein.
Het is zeer belangrijk dat men zich op het terrein concentreert. Men neigt op dit ogenblik in de wereld steeds meer naar ontwikkelingssamenwerking in de vorm van budgettaire steun en de meeste geldschieters laten die steun afhangen van politieke en strategische motieven. Dat veroorzaakt soms een onevenwicht in het nadeel van de ontwikkelingssamenwerking en de aanwezigheid op het terrein. Een van de toegevoegde waarden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking is het behoud van de band met het terrein.
Volgens mij hebben NGO's die in nauw contact staan met de praktijk, hier een belangrijke rol te vervullen.
Ik stel ook vast dat de programma's van BTC een strategie met een dubbele verankering bevoordelen. Men wil zo dicht mogelijk bij het terrein blijven, maar veel dwingende zaken kunnen niet op het lokale niveau worden opgelost. Vandaar het belang van de band tussen het terrein en het nationale niveau.
De loskoppeling van het terrein is een van de redenen waarom men niet helemaal operationeel kan zijn. We moeten de beleidslijnen die op het nationale niveau werden geformuleerd, uittesten om na te gaan hoe ze op het terrein kunnen worden toegepast. We moeten steun bieden aan het onderzoek rond acties, experimenten documenteren, het centrale niveau feedback verstrekken over de mechanismen en strategieën op het terrein en nagaan hoe het nationaal beleid kan worden verbeterd. Dat proces is heel belangrijk.
Dr. Alban Quenum, directeur Familiale Gezondheid, ministerie Gezondheidszorg Benin. — Benin onderhoudt goede contacten met België en ik wil van deze gelegenheid gebruik maken om BTC te bedanken. Wat haar vertegenwoordiger zonet verklaarde, is correct. Er moet een band zijn tussen het nationale niveau en het veld. Ik ben het met de vertegenwoordiger van UNICEF eens dat wij onze aanpak in de loop van de jaren zullen verbeteren om meer invloed te hebben en meer resultaten te boeken.
Mevrouw Marie-Claire Kikontwe, senator Democratische Republiek Congo. — Ik kom terug op de vraag van UNICEF en zal het hebben over het akkoord en over de blijkbaar ontoereikende hulp in de DRC.
De realisaties van de Verenigde Naties in Congo zijn uiteraard niet alleen negatief. De vaccinatiecampagnes lopen bijvoorbeeld heel goed, in die mate zelfs dat polio is uitgeroeid. De enkele gevallen die zich nog voordoen, vinden hun oorsprong in de negen buurlanden die een ander vaccinatiebeleid voeren.
De ambtenaren van de Verenigde Naties en de Congolese regering werken heel goed samen, maar de hulp is onvoldoende. Het gaat immers om een uitgestrekt gebied en om enorme en aanhoudende problemen. De jongste oorlog van het CNDP in Noord-Kivu veroorzaakte een volksverhuizing van één miljoen mensen. De internationale hulp is ontoereikend en wordt ondoeltreffend. De MONUC spendeert bijvoorbeeld 1 miljoen dollar per dag, maar kan geen einde maken aan de opstand; het Rwandese leger heeft moeten ingrijpen. Men kan zich bepaalde vragen stellen, maar niet alles is negatief.
Volgens mij moet algemeen en diepgaand worden nagedacht over de manier waarop hulp wordt geboden. Soms lopen zaken dubbel en is de hulp niet meer efficiënt.
De heer Francisco Songane, voormalig minister van Gezondheid in Mozambique en expert inzake Maternal, Newborn and Child Health. — I would like to respond to the question of whether we should give money to the government or to the community. The problem is more how these two work together. Taking my experience in Mozambique, we had a country that was transformed into a sort of partition, each district and each province would with groups of NGO's and donors compete with each other on who was running the programme, and who was putting the money where. Each one had a different plan. What we need is to get a guiding document which is a Country Plan and the way it is prepared has to be in an open, comprehensive and transparent manner.
That is where leadership and stewardship of the Governments come in, to be open to getting all the stakeholders and all the donors round the table to prepare this plan, so that each and every player is the owner of the plan and gives the relevant input. If the plan has to be adapted then every two years it should be adjusted in collaboration with all the stakeholders participating. Whatever is done in a particular community since it is so specific and needs to be done by a particular NGO or community group then this has to be addressed in the Plan. The importance is that there has to be consistency that we are all doing the same thing rather than partition and proliferation.
Another element linked to this is the reinforcement of the capacity of the government institutions and all the institutions involved in the implementation of the programmes. If we do not do this then after ten years, even with good effective working NGO's we will not get the problems solved. Nowadays we have this practice of going by waves, this time it is HIV aids and tomorrow it is malaria, and the first NGO is abandoned by the donors. We need to get the sustainability into perspective. In addition the community has to be reflected in a very strong civil society. The civil society is paramount, it has to be organized to know what it stands for, that it has the right information. We have weak civil societies which cannot place the arguments in front of their parliaments and governments to do the right thing because they are not informed; the kind of discussions/conferences we have internationally has to be done in country, down to the community, certainly adjusted te the context.
Another comment on the consensus of what we are going to do. Last year was an enriching year showing top leadership on health relating matters. Evaluating how we are reaching the MDG's at the UN High Level Special Session was indeed extraordinary. Never before did we have so many top leaders talking about the importance of health, and especially of women and children, as a key for investment and change. That is a momentum we have to secure, to build on and move forwards.
Three important documents were released last year : the World Health Report which was on primary health care, then the report on Social Determinants of Health and Global Health Watch Two from the People's Health Movement. These documents were complementary although taking different perspectives. The social determinants of health are there on the table and we have to make sure that the leadership addresses this, to stress the importance of moving from the minister of Health to the Prime minister or the President. The role of the minister of Health is to provide the information, guiding where things have to go, but it is the President, the Prime minister and the Parliament who have to lead and ensure coordination among the different departments in Government and streamline health across all sectors.
On the point of Consensus to effect change. To do this we have to have clear communication between the different strata. What we decide at the higher levels is not cascaded down to the different representatives and stakeholders in the same way up to the country level. You find that a specific direction is agreed on but in country X this is not addressed as the local representatives question the practical aspects or are not informed at all. This communication has to be improved on to synchronize and to have consistency.
I repeat again the Accra Agenda for action which is a follow up to the Paris Declaration, everything is there on how we have to do business and effect the change. Solidarity is the attitude to be adopted.
Mevrouw Christiane Vienne, senator. — Een fundamenteel aspect volgens mij niet aan bod gekomen. Een volksgezondheidsbeleid vereist namelijk een rechtsstaat met een regering die gezag heeft.
Ik heb vaak het woord « holistisch » gehoord, maar in het beoogde werkterrein, moet ook rekening worden gehouden met het politieke aspect van de steun die de Europese Unie biedt aan de versterking van de rechtsstaat in de landen waarin ze aan ontwikkelingssamenwerking doet. Die twee zaken moeten gelijktijdig gebeuren, anders is daar op het vlak van de volksgezondheid nooit een beleid mogelijk.
Gezondheid is immers meer dan het ontbreken van ziekten, het is een lichamelijk en geestelijk evenwicht. Een goede gezondheid vereist een bepaalde context. Er werd in het debat gewezen op het belang van de essentiële voorwaarden voor de gezondheid, namelijk water, huisvesting en hygiëne. Op dat niveau moet zeker actie worden gevoerd.
Men kan een beleid voeren dat een breed toepassingsveld heeft, dat wil zeggen holistisch van opvatting, en dat tegelijkertijd doelgroepengericht is. Als men over weinig middelen beschikt, moeten er prioriteiten worden gesteld en dat is niet gemakkelijk.
Bij gebrek aan een gecoördineerd beleid en een follow-up daarvan in de tijd, zullen plagen als malaria, tuberculose en HIV-besmetting blijven toenemen.
Ik wil niemand provoceren, maar als men voor aids wereldwijd geen massale uitdeling van condooms en geen preventiebeleid organiseert, zullen de gevolgen voor de wereldbevolking dramatisch zijn. Hier moet dus over nagedacht worden.
Men moet zich bovendien baseren op de plaatselijke mogelijkheden. Geen enkel beleid werkt zonder de medewerking van de bevolking.
Er werd ook weinig gezegd over de ziekenfondsen die in Congo goed lijken te werken. De overheid zou de kosten van de volksgezondheid ten laste kunnen nemen, zoals men bij ons na de oorlog heeft gedaan.
Tot slot moeten de overheden instaan voor de coördinatie van de acties. Men kan een operator — UNICEF bijvoorbeeld — niet vragen de verschillende beleidsvormen inzake volksgezondheid in een bepaald land te coördineren. Dat is de rol van de staten. Zonder coördinatie is er geen volksgezondheidsbeleid. Er worden soms bijzonder efficiënte acties gevoerd, die echter zodanig verspreid zijn dat ze elkaar zouden kunnen tegenwerken.
U zult het er zeker mee eens zijn dat wij als parlementsleden ook de taak hebben onze collega's in de betrokken landen te steunen. We kunnen samenwerken op het politieke niveau — ik weet dat onze minister ook die mening is toegedaan — en de rechtsstaat versterken. We kunnen ook de coördinatie aanmoedigen.
Het is dus belangrijk eerst de beschikbare middelen beter te besteden en dan bijkomende middelen toe te kennen.
3. Voorstelling van de resolutie « Overleving van kinderen in ontwikkelingslanden » door mevrouw Sabine de Bethune, senator
De resolutie zal worden behandeld in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging. We zullen rekening houden met wat we hier hebben vernomen. Er zullen heel wat amendementen worden uitgewerkt. De leden die hier aanwezig zijn kunnen hun opmerkingen aan de organisatoren van dit colloquium of aan de commissieleden bezorgen, zodat over deze tekst van gedachten kan worden gewisseld.
In de resolutie willen we focussen op MDG 4, de overleving van kinderen. We gingen graag in op de uitnodiging van onze partners UNICEF en AWEPA, maar waarderen uiteraard ook alle andere experts en organisaties die op dit thema hun licht wilden doen schijnen. Het is onze bedoeling te focussen op het Belgische beleid op middellange termijn en te kijken hoe wij onze bijdrage kunnen leveren om MDG 4 wel te bereiken. In hun uiteenzettingen hebben de experts duidelijk aangetoond dat het risico bestaat dat die doelstelling tegen 2015 niet wordt gehaald. In België bestaat duidelijk de politieke wil om een bijdrage te leveren om die doelstelling wel te halen.
Tot slot richt ik me tot de minister van Ontwikkelingssamenwerking, de heer Charles Michel.
De voluntaristische houding van de minister inzake kinderrechten is gekend. We verwachten veel van zijn slottoespraak. Het probleem van de overleving van kinderen is een belangrijk punt in ons beleid op het vlak van ontwikkelingssamenwerking. We weten dat de minister zijn bijdrage zal leveren in het debat over hetgeen ons land in de toekomst kan doen.
4. Slotwoord van de heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking
Ik prijs het initiatief van de Senaat om personen samen te brengen die echt ervaring hebben met dit essentiële thema. Het verheugt mij dat hiermee een politieke bezorgheid in een ruime context kan worden geplaatst.
Ieder jaar sterven wereldwijd negen miljoen kinderen, dat betekent 25 000 per dag, één kind elke vier seconden. Vertaald naar België komt dat neer op duizend kleuterklassen. We mogen uiteraard niet werkloos toekijken en doen alsof het ons niet aanbelangt.
De oorzaken zijn bekend : ondervoeding, malaria, de overdracht van HIV door de moeder, onvoldoende toegang tot geschikte sanitaire voorzieningen, enz. Het aantal overlijdens is des te tragischer omdat, indien men dat echt wil, extreme armoede actief kan worden bestreden en die hoge cijfers kunnen worden teruggedrongen.
Deze vreselijke loterij treft de kinderen op zeer uiteenlopende wijze, want naar gelang van de plaats waar ze geboren worden, is de situatie immers zeer verschillend. In Niger en Angola sterft één kind op vier voor zijn vijfde verjaardag. In België is die mogelijkheid vijfenzestig maal kleiner. Het sterftecijfer van kinderen jonger dan vijf jaar bedraagt 253 per duizend in Niger, in België vier per duizend.
We moeten de situatie rationeel bekijken, een juiste, heldere diagnose stellen om verder te kunnen gaan dan uitlatingen, holle frasen, symposia en studiedagen, en concrete antwoorden te bieden op het terrein.
In dat opzicht zie ik een vleugje hoop. Sedert 2006, het jaar waarin de VN begonnen zijn met het bijhouden van statistieken, is het aantal overlijdens van kinderen jonger dan vijf jaar gedaald tot minder dan tien miljoen per jaar. Het kindersterftecijfer is met 60 % gedaald ten opzichte van de jaren 1960. In die periode haalden ongeveer twintig miljoen kinderen hun vijfde verjaardag niet. Met degelijke maatregelen kan dus vooruitgang worden geboekt, die weliswaar onvoldoende, maar toch bemoedigend is. Die vaststelling moet ons ertoe aanzetten meer inspanningen te leveren opdat alle gezinnen toegang zouden krijgen tot kwalitatieve gezondheidszorg.
Ik ben het uiteraard eens met de analyse dat voorrang moet worden gegeven aan een totale aanpak die gericht is op het zorgcontinuüm.
Informatie over gezinsplanning en contraceptie, medische begeleiding tijdens de zwangerschap en de geboorte, postnatale zorg en bijzondere medische interventies, moeten worden gebaseerd op de nationale gezondheidssystemen en in dat opzicht heb ik ten zeerste geapprecieerd wat over Accra werd gezegd.
We moeten bijzonder nauwlettend toezien op de gezondheid van moeders en kinderen, want als we geen aandacht besteden aan hun gezondheid, ondermijnen we alle inspanningen die worden geleverd om de ontwikkelingslanden te helpen uit de armoede te geraken.
De meest duurzame manier om gezondheidszorg voor kinderen en moeders te waarborgen, bestaat er volgens mij in de basisgezondheidszorg voor die groep nog te verbeteren. In dat opzicht is de totale versterking van de gezondheidssystemen de conditio sine qua non om de Millenniumdoelstellingen inzake ontwikkeling te kunnen bereiken. Ik denk aan de MDG 4, 5 en 6, en in het algemeen aan alle doelstellingen die tegen 2015 moeten worden bereikt.
De onderlinge samenhang tussen de Millenniumdoelstellingen voor de ontwikkeling vereist een multidisciplinaire benadering. De gezondheid speelt hierin een essentiële rol en andere sectoren en subsectoren beïnvloeden de resultaten in meer of mindere mate. Ondervoeding blijft natuurlijk een belangrijk obstakel voor de verbetering van de gezondheidstoestand.
Het gebrek aan drinkbaar water of een degelijke woning kunnen ook gezondheidsproblemen veroorzaken. Het opleidingsniveau van de moeder bepaalt in belangrijke mate de gezondheidstoestand van het kind. Ook de gewapende conflicten, migratie, natuurrampen en klimaatverandering hebben een nefaste invloed op de gezondheid.
De gezondheid heeft ook een belangrijke invloed op diverse domeinen en sectoren. Gezondheid is een noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling en het fysieke en mentale welzijn van kinderen. Gezondheid heeft ook een belangrijke invloed op de economische ontwikkeling en de demografische groei en gezondheidskosten kunnen bijvoorbeeld zwaar wegen op de begroting. Vele families komen vaak in armoede terecht door de hoge kostprijs van de medische behandelingen die ze moeten ondergaan.
Ondanks de inspanningen van de afgelopen jaren blijft de financiering van het gezondheidssysteem een belangrijk probleem. Om de financiële toegankelijkheid tot de gezondheidszorg te verzekeren en de dekking ervan uit te breiden, moeten nog meer inspanningen worden gedaan, onder meer via nieuwe financieringsmechanismen. Het oprichten van een socialezekerheidsstelsel is complex, maar vormt ook de basisvoorwaarde voor een universeel recht op gezondheid. België neemt actief deel aan de gesprekken en aan de oprichting van een ondersteunend kader voor de universele dekking van ziekterisico's in alle partnerlanden. Ze ijvert voor het plaatsen van die items op de agenda van de Europese Commissie.
Het platform Be-cause Health heeft de financiering van de gezondheidssystemen en de sociale zekerheid als hoofdthema's van het jaarlijks colloquium gekozen.
De concretisering van het recht op gezondheid vergt een engagement van alle betrokken partijen, zowel van de donoren als van de partnerlanden.
Voor de donoren is de doelstelling van de financiële middelen een essentieel element. De wil om tegen 2015 0,7 % van het BBP te bereiken, moet centraal blijven.
België heeft zich als extra doelstelling opgelegd dit percentage tegen 2010 te bereiken. Gisteren heeft de OESO de inspanningen van de verschillende landen op het vlak van ontwikkelingshulp gecontroleerd en met enige trots — die ik deel met alle parlements- en regeringsleden — kan ik melden dat de Belgische ontwikkelingshulp in 2008 met 13 % is gestegen, waardoor ons land tot de groep van landen behoort waar de ontwikkelingshulp het meest is gestegen. Ik denk wel dat 2009 in dat opzicht ook een belangrijk jaar zal zijn.
Naast de financiële middelen moeten de kinderrechten ook een systematische transversale doelstelling blijven bij de uitwerking van initiatieven inzake ontwikkelingssamenwerking.
Zoals u weet, vond ik het wenselijk dat het parlement spoedig kon debatteren over de strategische nota betreffende de kinderrechten, die in maart 2008 werd ingediend en besproken werd met alle actoren in ons land die dit debat een toegevoegde waarde kunnen geven. Dat betekent dat het thema kinderrechten wel degelijk de rode draad is in ons handelen. Ik zou willen dat dit document niet louter een zoveelste verslag is, maar dat het de kern is van een coherent, zo operationeel mogelijk beleid. Ik hoop dat België daardoor op internationaal gebied een voorbeeldrol kan spelen bij de concretisering van de initiatieven die de situatie van de kinderen in de wereld moet verbeteren, ook op het vlak van gezondheid.
Naast de inspanningen die landen als het onze moeten leveren, vind ik dat ook de partnerlanden een grote verantwoordelijkheid moeten dragen, zowel de civiele maatschappij als de regeringen en de openbare overheden.
Ik wil deze gelegenheid dan ook te baat nemen om te zeggen hoe fundamenteel het ons lijkt dat de landen die in 2001 in Abuja beloofd hebben hun budgettaire middelen voor gezondheid aanzienlijk te verhogen, die belofte ook werkelijk nakomen. De vergadering van de staatshoofden van de lidstaten van de Afrikaanse Unie was een belangrijke stap, maar de beloften moeten worden omgezet in daden.
Partnerlanden, donoren en internationale organisaties moeten worden gemobiliseerd in een partnerschap dat steunt op de bekende principes die in Parijs werden uitgesproken en enkele maanden geleden in Accra, Ghana, verder werden uitgewerkt : afstemming, harmonisering, eigenaarschap, capaciteitsopbouw, duurzame en voorspelbare financiering, enz. Die verschillende elementen moeten de hoeksteen vormen van het Belgisch beleid inzake gezondheidszorg, alsook een prioriteit van het internationaal partnerschap inzake gezondheid.
Ik bevestig nogmaals dat ik België wens te laten deelnemen aan dit internationaal partnerschap inzake gezondheid. Binnen mijn administratie werd daarover nagedacht, en ik kan nu al zeggen dat ik de principiële beslissing genomen heb eraan deel te nemen. We kunnen samen met het parlement en de actoren de voorwaarden voor onze acties op dat gebied vastleggen om deze beslissing te concretiseren.
Vooraleer te besluiten, wil ik met u nog enige beschouwingen delen over de internationale financiële en economische situatie.
België ontsnapt niet aan de moeilijkheden. Ons land, de Europese Unie en de hele wereld zullen worden geconfronteerd met een fundamentele, zelfs existentiële keuze, als dit al niet gebeurd is. De begrotingen van de donorlanden vertonen tekorten die elke week toenemen en de diverse instanties die belast zijn met de economische vooruitzichten, worden steeds pessimistischer over de financiële en economische situatie van ons land. Misschien zullen sommigen onder ons geneigd zijn zich ten behoeve van de publieke opinie enigszins simplistisch uit te laten, te wijzen op de noodzaak om het bijkomstige te scheiden van het noodzakelijke, en dus voor te stellen de middelen voor ontwikkelingssamenwerking te besteden aan het herstel van onze economie, de strijd tegen de werkloosheid, de ondersteuning van de koopkracht van onze burgers.
Uit budgettair oogpunt zal dit de komende weken en maanden een fundamentele vraag zijn.
Ik ben er vrij trots op dat onze regering, gesteund door het parlement, niet voor deze gemakkelijke weg heeft gekozen. Bij de begrotingscontrole heeft ze immers de middelen bestemd voor ontwikkelingssamenwerking en voor de ondersteuning van de ontwikkeling in de partnerlanden bevestigd. Ik denk in het bijzonder aan Afrika.
Aan hen die menen dat de onderontwikkeling van dat continent het probleem of één van de problemen van deze financiële en economische crisis zou zijn, zeg ik dat de ontwikkeling in Afrika wellicht een deel van de oplossing is voor een economisch en zelfs financieel herstel op internationaal gebied.
We moeten goed beseffen dat we niet op een eiland leven, ver weg van alles, want we zijn hier rechtstreeks bij betrokken. Het gaat in de eerste plaats om waardigheid, menselijkheid en zelfs vrijgevigheid. Voor degenen die niet overtuigd zouden zijn door het eerste argument, voeg ik eraan toe dat het een kwestie is van wederzijds belang. We hebben er alle belang bij dat de ontwikkelingslanden in staat zijn om de weg in te slaan naar welvaart en de verbetering van de levensomstandigheden van hun bevolking.
Ik wens nog een tweede element te benadrukken, waarover ik het eens ben met mevrouw Vienne. De capaciteit om ervoor te zorgen dat de wisselwerking tussen de verticale en de horizontale logica inzake gezondheid ten volle operationeel is op het terrein, de capaciteit om ervoor te zorgen dat men door preventie maar ook door concrete actie actief de strijd kan aanbinden tegen malaria of de verspreiding van HIV/aids — in dat opzicht ben ik voorstander van het blijven verstrekken van voorbehoedsmiddelen — heeft uiteraard maar zin en kans op slagen als er vrede is en veiligheid op politiek gebied.
Overal ter wereld stellen we vast dat gebieden die geconfronteerd worden met conflicten, oorlog, onzekerheid, instabiliteit, de miskenning van de meest fundamentele mensenrechten, niet meer over hetzelfde vermogen beschikken om samenlevingen uit te bouwen die rekening houden met dit minimale element van waardigheid. Daarom kan men geen debat als het huidige of andere debatten inzake ontwikkelingswerking overwegen zonder een sterke politieke visie, in de positieve betekenis van het begrip politiek, op de wijze waarop België, samen met andere landen, samen met de Europese Unie, overal ter wereld verantwoordelijkheid kan dragen en een rol kan spelen in het streven naar vrede en stabiliteit.
Ik sta helemaal open voor wat mevrouw Kikontwe gezegd heeft over Congo en de regio van de Grote Meren. Namens de Belgische regering verklaar ik dat wij ons ten volle willen inzetten om alle positieve krachten te steunen die « strijden » voor vrede en voor veiligheid. Kofi Annan heeft terecht gezegd dat er geen ontwikkeling mogelijk is zonder vrede en veiligheid. Omgekeerd is er ook geen vrede en veiligheid mogelijk zonder ontwikkeling.
Tot besluit geef ik u een uitspraak van de Amerikaanse schrijver Paul Auster mee tot bezinning : « Als we geen zorg dragen voor de kinderen, vernietigen we onszelf. We bestaan maar in het heden als we vertrouwen stellen in de toekomst. Laten we vertrouwen hebben in de toekomst. »