4-78 | 4-78 |
De heer Jurgen Ceder (VB). - In juli 2000 vaardigde onderzoeksrechter Vandermeersch een internationaal aanhoudingsbevel uit tegen de Congolese minister van Buitenlandse Zaken Yerodia. Hij wilde de minister vervolgen wegens het aanzetten tot rassenhaat en volkerenmoord. De reden van het aanhoudingsbevel was dat Yerodia de Tutsi's in Congo `ongedierte' had genoemd.
Deze week raakte bekend dat er op het bekende Facebook een groep was gecreëerd met de naam Bruxelles élargie, libérée et surtout francisée. Deze groep publiceerde een manifest waarin de Vlaamse pendelaars werden omschreven als `woekerend ongedierte', dat elke ochtend de Brusselse arbeidsmarkt overspoelt om 's avonds het geld af te geven aan `de vijand'. Vandaag, nu er een gerechtelijke klacht werd ingediend, zeggen de initiatiefnemers in de krant dat het maar een grapje was.
Of het een grap was, is irrelevant. Als een webstek Marokkanen had omschreven als woekerend ongedierte, zouden de verantwoordelijken daarvan er vermoedelijk niet vanaf komen met de mededeling dat het maar om te lachen was. Het CGKR zou zich daar evenmin bij neerleggen.
Het is bovendien twijfelachtig of het om een grap ging. Niet alleen de `domme' Vlamingen hadden het immers zo niet begrepen, want een aantal FDF-politici, waaronder de parlementsleden Persoons en Derbaki Sbaï en het gemeenteraadslid Jean-Louis Péters, werden onmiddellijk lid van die Facebookgroep.
Mijn vraag gaat niet over het feit of dit al dan niet een grap was, maar wel over het beleid van het CGKR, dat toen het kennis kreeg van het incident en van de klacht onmiddellijk verklaarde niet bevoegd te zijn omdat het een communautaire kwestie betreft. De antidiscriminatiewet stelt inderdaad dat het Centrum niet bevoegd is voor discriminatie op grond van taal. Het Centrum negeert echter dat er hier niet wordt gesproken over Nederlandstaligen, maar wel over Vlamingen, wat niet alleen een taalkundige groep is, maar ook algemeen erkend wordt als een etnische groep. De antiracismewet en het daarin gebruikte criterium van etnische afstamming zijn dus van toepassing.
Zelfs als men de aangehaalde tekst zou afdoen als een communautair incident, is het Centrum nog niet noodzakelijk onbevoegd. In het recente boek Taaleisen juridisch getoetst, uitgegeven onder redactie van Alen en Sottiaux, staat ook een bijdrage van dé specialist inzake discriminatierecht, Jogchum Vrielink. Hij uit daarin kritiek op de houding van het CGKR en meer bepaald op de stelling dat de antiracismewet niet kan worden ingeroepen voor communautaire twisten, zoals het Centrum die zelf noemt op zijn webstek. Hij wijst er terecht op dat er `ten overvloede kan op gewezen worden dat Walen en Vlamingen in beginsel onder de grond "etnische afstamming" gebracht kunnen worden'. Hij besluit dan ook: `Dat impliceert dat een toepassing van de wet, gebaseerd op de interpretatie waarin communautaire conflicten volledig uitgesloten zijn van de antiracismewet, in beginsel in strijd is met de verplichtingen die voortvloeien uit de betrokken teksten. Het CGKR kan zich dus niet langer onbevoegd verklaren in dergelijke zaken.'. De auteur is bovendien van mening dat een discriminatie op grond van taal ook een indirecte discriminatie op grond van de antidiscriminatiewet kan uitmaken, waarvoor het CGKR alweer bevoegd is.
Welke maatregelen zal de minister nemen om de onwettelijke en selectieve weigering van het CGKR om op te treden tegen racisme ten aanzien van Vlamingen te doen ophouden?
Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen. - Ik heb kennisgenomen van de verklaringen die op een website verschenen zouden zijn en waarnaar u verwijst. Ik heb deze verklaringen naar het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding doorgestuurd met de vraag te onderzoeken of het Centrum in dezen juridisch bevoegd is om op te treden. Ik wacht op een gedetailleerd juridisch antwoord van het Centrum. Ik zal de heer Ceder dat antwoord van het Centrum doorsturen.
Los van de juridische vraag of deze verklaringen binnen de juridische competenties van het Centrum vallen, staat het vast dat deze verklaringen duidelijk een vorm van stigmatisering en kleinering in zich dragen. Ze moeten derhalve op moreel vlak met de grootste stelligheid worden veroordeeld, wat het Centrum niet nagelaten heeft te doen, met name op zijn website.
De heer Jurgen Ceder (VB). - Wanneer we het antwoord van het Centrum kennen, zal ik, indien nodig, op deze zaak terugkomen.