4-1255/3 | 4-1255/3 |
5 MEI 2009
I. Inleiding
Het wetsontwerp dat in dit verslag wordt behandeld en dat onder de optioneel bicamerale procedure valt, werd oorspronkelijk in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend als een wetsvoorstel van mevrouw Katharina Schryvers c.s. (stuk Kamer, nr. 52-1239/1).
Het werd op 26 maart 2009 door de Kamer van volksvertegenwoordigers aangenomen met 124 stemmen bij 1 onthouding, en diezelfde dag aan de Senaat overgezonden.
Op 27 april 2009 werd het geëvoceerd.
De commissie heeft het wetsontwerp tijdens haar vergadering van 5 mei 2009 besproken, in aanwezigheid van de staatssecretaris voor Begroting en Gezinsbeleid.
II. Inleidende uiteenzetting van de Staatssecretaris voor Begroting en Gezinsbeleid
De staatssecretaris herinnert eraan dat het voorliggende wetsontwerp op parlementair initiatief tot stand is gekomen.
De indieners, de dames Schryvers en De Rammelaere en de heer M. Terwingen, hebben vastgesteld dat artikel 75 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat het huwelijk moet worden voltrokken in het gemeentehuis, in vele gemeenten niet wordt nageleefd.
Om onzekerheid te voorkomen over de geldigheid van huwelijken die gesloten zijn op een andere plaats dan in het gemeentehuis, stellen de indieners voor om aan de gemeenteraad de bevoegdheid toe te kennen één of meerdere permanente plaatsen op het gemeentelijk grondgebied aan te wijzen waar huwelijken mogen worden voltrokken.
Tijdens de besprekingen in de Kamer van volksvertegenwoordigers is men het snel eens geworden over het beginsel om de gemeenten toe te staan andere plaatsen dan het gemeentehuis aan te wijzen voor het voltrekken van huwelijken. De discussies handelden vooral over de vraag welk soort plaatsen daarvoor in aanmerking konden komen en hoeveel plaatsen (één of meerdere) konden worden aangewezen.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft uiteindelijk besloten dat de gemeenteraad een andere plaats dan het gemeentehuis kon aanwijzen. Het ontwerp bepaalt bovendien dat deze plaats een neutraal karakter moet hebben, en dat de gemeente er het uitsluitend gebruiksrecht van moet hebben.
III. Algemene bespreking
De heer Vankrunkelsven verwijst naar de opmerkingen van de dienst wetsevaluatie. De woorden « op het grondgebied van de » kunnen in de Nederlandse tekst worden ingevoegd bij wijze van tekstcorrectie. De tweede opmerking strekt ertoe de woorden « neutraal karakter » te verduidelijken. Komt het niet eerder aan de gemeenten toe te beslissen wat zij als een neutrale plaats beschouwen ?
De staatssecretaris beaamt dat het begrip « openbare plaats met een neutraal karakter » moeilijk te omschrijven is. De bedoeling is dat plaatsen die refereren aan één of andere godsdienst uit te sluiten. In ieder geval zal er een interne controle van de gemeenten plaatsvinden. Het is wel de bedoeling dat slechts één plaats wordt aangewezen, niet meerdere plaatsen. In de Kamercommissie werd opgemerkt dat in vele gemeenten ook nu reeds een bepaalde openbare plaats is aangewezen, buiten het stadhuis.
De heer Vankrunkelsven is eveneens van mening dat de gemeentelijke controle er wel voor zal zorgen dat de betreffende plaats voldoende neutraal is.
De heer Delpérée stelt vast dat het ontwerp het heeft over een « openbare plaats met een neutraal karakter, waarvan de gemeente het uitsluitend gebruiksrecht heeft ». Deze formulering is ietwat redundant. Het volstaat om te verwijzen naar een « openbare plaats waarvan de gemeente het uitsluitend gebruiksrecht heeft ». Een dergelijke plaats is immers altijd neutraal. Indien men vreest dat de gemeente een plaats van eredienst zou aanwijzen, merkt spreker op dat de gemeente geen uitsluitend gebruiksrecht over een kerk of een moskee heeft.
De staatssecretaris geeft toe dat de ontwerptekst misschien redundant is, maar de Kamer wilde de zekerheid bieden dat huwelijken op een neutrale plaats worden voltrokken.
De heer Vankrunkelsven meent dat dubbele voorzichtigheid is verantwoord. Indien een gemeente bijvoorbeeld een klooster overneemt, kan dit moeilijk onmiddellijk als neutrale plaats worden beschouwd. Na verloop van enige tijd kan dit dan wel het geval zijn.
IV. Artikelsgewijze bespreking
Artikel 2
Amendementen nrs. 1 en 3
Mevrouw Lanjri dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 4-1255/2) dat ertoe strekt tegemoet te komen aan artikel 344, § 3 van de nieuwe Gemeentewet van 1988, waarbij is bepaald dat de bevoegdheden van het College van Burgemeester en Schepenen met betrekking tot de burgerlijke stand kunnen worden uitgeoefend door het districtscollege, ingeval er districtsraden zijn opgericht. Zo zijn er in de stad Antwerpen negen districten met een eigen districtsraad. In dat geval lijkt het duidelijk dat de districtsraad moet kunnen beslissen over de plaatsen waar het huwelijk kan plaatsvinden.
De staatssecretaris wijst erop dat in Antwerpen de huwelijken voor het ogenblik plaatsvinden in de negen districtshuizen.
De heer Vankrunkelsven vraagt zich af of de federale wetgever dit dient te regelen. Net zoals een decreet werd uitgevaardigd om de bevoegdheid in verband met de burgerlijke stand over te dragen aan de districtsraden, kan ook hier een decreet worden uitgevaardigd.
De heer Delpérée herinnert eraan dat de wetgeving over de burgerlijke stand en het huwelijk een federale bevoegdheid is.
Hij meent dat de indiener van amendement nr. 1 een pertinente vraag stelt. Als men wil dat het voorgestelde artikel 75 van het Burgerlijk Wetboek geen praktische problemen veroorzaakt, moet men rekening houden met het bestaan van de districtsraden.
Spreker is het dus eens met het beginsel van amendement nr. 1, hoewel de bewoordingen ervan voor verbetering vatbaar zijn. Hij dient dan ook een subamendement van technische aard in (amendement nr. 3, stuk Senaat, nr. 4-1255/2), teneinde het voorgestelde tweede lid beter te formuleren. Hij stelt voor om de woorden « Ingeval dat in de betrokken gemeente toepassing is gemaakt van de inrichting van binnengemeentelijke territoriale organen overeenkomstig artikel 41 van de Grondwet » te vervangen door de woorden « Ingeval in de betrokken gemeente binnengemeentelijke territoriale organen werden opgericht ».
De staatssecretaris herinnert eraan dat de wet de overdracht van sommige bevoegdheden van de gemeenteraad naar de districtsraad toestaat. Is het dan niet logisch te stellen dat wanneer de gemeenteraad de bevoegdheid om het huwelijk uit te spreken heeft overgedragen naar de districtsraad, laatstgenoemde bevoegd is om te bepalen waar het huwelijk voltrokken kan worden ?
Spreker heeft er echter niets op tegen dat de tekst uitdrukkelijk vermeldt dat er mogelijk districtsraden werden opgericht.
De heer Vankrunkelsven wijst erop dat men wordt geconfronteerd met het feit dat de huidige situatie in Antwerpen in tegenspraak is met artikel 75 van het Burgerlijk Wetboek. Misschien is deze afwijking door de decreetgever wel verantwoord. In ieder geval zou de aanneming van de amendementen ertoe leiden dat de huidige illegaliteit in Antwerpen wordt rechtgezet.
De heer Delpérée wijst erop dat artikel 75 van het Burgerlijk Wetboek in de huidige tekst bepaalt dat het huwelijk plaatsvindt in het « gemeentehuis ». Heel wat gefuseerde gemeenten blijven echter huwelijken voltrekken op een andere plaats dan in het gemeentehuis. Ze doen het bijvoorbeeld in het vroegere gemeentehuis van een van de gefuseerde entiteiten. Hoe kan die praktijk worden verzoend met artikel 75 van het Burgerlijk Wetboek ?
De staatssecretaris herinnert eraan dat het uitgangspunt van de indieners van het wetsvoorstel was dat heel wat gemeenten huwelijken voltrekken op andere plaatsen dan in het gemeentehuis. Ze hebben de wettelijke regeling aan die praktijk willen aanpassen zonder evenwel terug te keren naar de toestand zoals hij voor de fusie van gemeenten was. Om die reden heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers de bevoegdheid van de gemeenteraad beperkt : hij kan naast het gemeentehuis slechts één openbare plaats aanwijzen.
De heer Fournaux wijst erop dat er reeds huwelijken worden gesloten op heel andere plaatsen dan in het gemeentehuis. Als burgervader heeft hij al huwelijken voltrokken in het ziekenhuis en zelfs in de gevangenis. Hij verwijst bovendien naar de stad Namen, die onlangs een plaats buiten het gmeentehuis heeft ingehuldigd, waar de huwelijken worden voltrokken.
De staatssecretaris beklemtoont dat indien men artikel 75 van het Burgerlijk Wetboek niet wijzigt, die praktijken normaal niet mogelijk zijn.
De heer Fournaux heeft het ook over een praktisch aspect voor de grote steden. Indien men iedereen verplicht in het gemeentehuis te huwen, zal dat onvermijdelijk een overvolle agenda veroorzaken. Het is nuttig voor een andere plaats dan het gemeentehuis te zorgen. Het kan zelfs nuttig zijn te zorgen voor meer dan één plaats.
De heer Van Parys wijst erop dat de bevoegdheid in verband met de burgerlijke stand, bijvoorbeeld in Antwerpen, reeds is overgedragen aan de districtsraden. Het bepalen van een openbaren plaats waar het huwelijk moet worden voltrokken is dus geen bevoegdheid meer van het college van burgemeester en schepenen.
De heer Vankrunkelsven besluit dat het voorliggende wetsontwerp restrictief is en aldus enkel de mogelijkheid geeft één openbare plaats aan te wijzen. In feite worden de huwelijken vaak voltrokken op meerdere openbare plaatsen.
Mevrouw Zrihen onderstreept dat het uitbreiden van het aantal plaatsen waar huwelijken worden voltrokken niet zonder gevolgen blijft voor de administratieve organisatie van de gemeente. Ze denkt evenwel dat men de logica die bij de fusie van gemeenten is ontstaan, moet doortrekken. Door op vele plaatsen huwelijken te voltrekken, dreigt men het beheer van de gemeenten te bemoeilijken.
De heer Delpérée herinnert eraan dat men er bij de fusie van gemeenten altijd is vanuit gegaan dat er in de gefuseerde gemeenten administratieve steunpunten moesten blijven bestaan. Voor de burgers is het gemakkelijker dat ze de mogelijkheid krijgen dicht bij hun woonplaats te huwen. Waarom kan men niet toestaan dat men in die administratieve steunpunten huwt ?
Mevrouw Crombé-Berton geeft het voorbeeld van de stad Doornik, die uit 29 gefuseerde gemeenten bestaat. Het moet mogelijk zijn huwelijken te voltrekken op verscheidene plaatsen verspreid over het grondgebied van de gemeente die uit de fusie ontstaan is.
De staatssecretaris onderstreept dat de tekst van het wetsontwerp reeds minder restrictief is dan de huidige tekst van artikel 75 van het Burgerlijk Wetboek.
Mevrouw Crombé-Berton wijst erop dat de Franse tekst van artikel 75 van het Burgerlijk Wetboek het over « la maison commune » heeft. Dat hoeft niet noodzakelijk het gemeentehuis (« la maison communale ») te zijn. Het kan heel goed een oud gemeentehuis van een van de gefuseerde gemeenten zijn.
De staatsecretaris zegt dat artikel 75 van het Burgerlijk Wetboek van voor de fusie van de gemeenten dateert. De woorden « maison commune » betekenden « maison communale » in de situatie zoals ze was voor de fusie.
Naar aanleiding van de fusie van gemeenten heeft de administratieve circulaire van 27 december 1976 de oprichting toegestaan van hulpkantoren in de vroegere gemeentehuizen of in andere panden. Bij wijze van overgangsmaatregel werd toegestaan dat in die panden huwelijken werden voltrokken.
Spreker wil evenwel voorkomen dat men naar aanleiding van een wijziging van het Burgerlijk Wetboek het debat heropent om het voltrekken van huwelijken in elke gefuseerde gemeente toe te staan.
Inhoudelijk denkt de staatssecretaris dat het aan elke gemeente is om te beslissen of ze het voltrekken van huwelijken op gedecentraliseerde plaatsen wenst toe te staan, op voorwaarde dat het om neutrale openbare plaatsen gaat die uitsluitend door de gemeente worden gebruikt.
De Kamer heeft beslist slechts één afwijking voor het voltrekken van huwelijken buiten het gemeentehuis toe te staan. Door verscheidene afwijkingen toe te staan, dreigt men immers een debat in de gemeenten te heropenen om in elke gefuseerde gemeente het voltrekken van huwelijken toe te staan. Men moet evenwel oog hebben voor de gevolgen voor het beheer van de gemeente.
Amendement nr. 2
De heer Vankrunkelsven wijst erop dat het amendement nr. 1 ertoe strekt tegemoet te komen aan de problematiek van de bevoegdheidsoverdracht aan de districtsraden. Men zou de woorden « een andere openbare plaats » kunnen vervangen door de woorden « andere openbare plaatsen » om aldus tegemoet te komen aan de feitelijke situatie in grotere steden als Doornik, Charleroi, enzovoort.
Mevrouw Crombé-Berton denkt eveneens dat het beter is de gemeenteraad de mogelijkheid te geven verscheidene plaatsen aan te wijzen.
Na het debat dient Vankrunkelsven c.s. een subamendement op amendement nr. 1 in (amendement nr. 2, Stuk Senaat nr. 4-1255/2) om erin te voorzien dat de gemeenteraden de mogelijkheid krijgen andere openbare plaatsen met een neutraal karakter aan te wijzen om huwelijken te voltrekken.
De staatssecretaris onderstreept dat dit amendement het omgekeerde voorstelt van de oplossing waarvoor de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft gekozen. Hij vraagt of de combinatie van amendement nr. 1 met subamendement nr. 2 niet tot gevolg heeft dat de districtsraden verscheidene plaatsen zullen kunnen aanwijzen voor het voltrekken van huwelijken. Spreker ziet echter geen bezwaar indien dat de keuze van de districtsraden mocht zijn.
De heer Van Parys blijft erbij dat beide amendementen een verschillend probleem regelen. Daar waar amendement nr. 1 het probleem van de bevoegdheidsoverdracht aan de districtsraden regelt, komt amendement nr. 2 tegemoet aan de feitelijke situatie waarbij huwelijken worden voltrokken op verschillende plaatsen op het grondgebied van eenzelfde gemeente.
V. Stemmingen
De amendementen nrs. 1 tot 3 en het aldus geamendeerde artikel 2 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel wordt eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Met dezelfde eenparigheid heeft de commissie beslist vertrouwen te schenken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Francis DELPÉRÉE. | Patrik VANKRUNKELSVEN. |