4-987/1

4-987/1

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

3 NOVEMBER 2008


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, wat de organisatie van sociale verkiezingen betreft

(Ingediend door de heer Jurgen Ceder en mevrouw Nele Jansegers)


TOELICHTING


Inleiding

Om de vier jaar worden in de ondernemingen sociale verkiezingen gehouden.

De verkiezingsprocedure wordt beschreven in de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven (ondernemingsraden) en in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (comités voor preventie en bescherming op het werk).

In theorie zouden de sociale verkiezingen een grondige oefening in democratie moeten zijn waarbij de werknemers in alle vrijheid de kans krijgen te bepalen wie hen de volgende vier jaar in het sociaal overleg zal vertegenwoordigen.

In de praktijk organiseren de zuilgebonden vakbonden echter via hun bevriende partijen voor zichzelf een monopolie aan de hand van twee wettelijke bepalingen : artikel 20ter van de wet van 20 september 1948 dat bepaalt dat enkel kandidatenlijsten kunnen ingediend worden door interprofessionele representatieve werknemersorganisaties en artikel 14 van dezelfde wet, dat de norm daarvoor legt op 50 000 leden.

De wet legt met 50 000 leden de norm voor eventuele nieuwkomers dermate onrealistisch hoog dat niet-zuilgebonden vakbonden geen enkele kans maken om op korte termijn representatief te kunnen zijn. Daardoor hebben zij niet de mogelijkheid deel te nemen aan de sociale verkiezingen en dus ook geen kans om enige lokale geloofwaardigheid bij de werknemers op te bouwen welke hen zou toestaan ooit uit te groeien tot een grote organisatie.

De kiesdrempel van 50 000 leden bij de sociale verkiezingen ten gunste van de drie monopolisten ACV, ABVV en ACLVB is fundamenteel ondemocratisch : het is alsof sp.a, Open VLD en CD&V samen zouden beslissen dat aan de gemeenteraadsverkiezingen enkel partijen mogen deelnemen die 50 000 leden tellen. Aldus zouden alle nieuwe en lokale partijen geen schijn van kans maken.

Het spreekt voor zich dat de wettelijke bepalingen inzake de kiesdrempel van 50 000 leden door ACV, ABVV en ACLVB volmondig gesteund worden, ook al hebben zij graag de mond vol van « democratie » en « inspraak ». De drie zuilgebonden vakbonden dienen niet de belangen van de werknemers maar in de eerste plaats hun eigen belangen en die van hun Belgische sponsors.

Vaak géén verkiezingen

Verkiezingen waarbij altijd slechts drie monopolisten aan bod komen, wekken uiteraard maar weinig enthousiasme bij de werknemers. Dat leidt ertoe dat de sociale verkiezingen compleet gescleroseerd zijn. De vakbonden hebben de grootste moeite om kandidaten te vinden. Bij gebrek aan interesse van de werknemers wordt er vaak zelfs helemaal geen verkiezing georganiseerd.

Uit een artikel in De Standaard van 2004 blijkt dat er in 2000 in 7 % van de bedrijven waar een ondernemingsraad moest worden verkozen, geen enkele kandidaat opdaagde. Koploper in de afwezigheid van kandidaten was het onderwijs met 28,1 %.

Bij gebrek aan kandidaten, of omdat er minder of net evenveel kandidaten opdagen dan het aantal te begeven mandaten, worden de verkiezingen vaak ook stopgezet. De openstaande mandaten worden dan « rechtstreeks toegewezen » aan de kandidaten. Uiteraard is dat een gevolg van voorafgaande afspraken tussen de drie monopolisten. Van Gyes becijferde dat er in 2000 in 18 % van de bedrijven met verkiezingen voor de ondernemingsraad uiteindelijk geen enkele stem werd uitgebracht; voor de preventiecomités liep dat zelfs op tot 30 %. Er waren grote verschillen tussen de bedrijfssectoren, met weinig afgelastingen in de metaal- en textielindustrie (3,8 à 6,5 %) en veel in de non-profitorganisaties (tot 30 %).

In sommige sectoren wordt het niet-houden van sociale verkiezingen door de werkgevers ook cash betaald aan de vakbonden via het overmaken van grote bedragen aan de Fondsen voor Bestaanszekerheid. Een goed voorbeeld daarvan is de bouwsector : in deze sector houdt een kwart van de grote bouwbedrijven geen sociale verkiezingen. In ruil krijgen de vakbonden via het Fonds van de Bouw enorme bedragen toegestopt, zonder verdere controle.

In overheidsbedrijven of ex-overheidsbedrijven zijn de voordelen die de zuilgebonden vakbonden genieten zo groot dat sociale verkiezingen alleen maar de afgesproken verdeling van de postjes en mandaten zouden kunnen doorkruisen. Bij het beursgenoteerde bedrijf Belgacom en bij de deels geprivatiseerde Post waren er in 2004 dus geen sociale verkiezingen.

Tijd voor verandering

Er zijn tal van juridische elementen om aan te tonen dat het huidige monopolie van de drie zuilgebonden vakbonden strijdig is met de Grondwet, met de antidiscriminatiewet en met de door België geratificeerde verdragen inzake arbeidsrecht en collectief overleg.

1. De Grondwet : vrijheid van vereniging, vrijheid van meningsuiting, recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen

De vrijheid van vereniging impliceert volgens vaste rechtspraak dat het niet-lid zijn van een vereniging niet tot nadeel mag leiden : een werknemer die verhinderd wordt deel te nemen aan de sociale verkiezingen omdat hij geen lid wil of mag zijn van de drie monopolisten, wordt natuurlijk ernstig benadeeld.

Bovendien garandeert de Grondwet sinds enkele jaren het sociale grondrecht op informatie, overleg en collectief onderhandelen. Dat recht wordt aan een werknemer, die geen lid wil of mag zijn van één van de drie monopolisten, flagrant onthouden.

2. De antidiscriminatiewet

De antidiscriminatiewet stelt een verbod in op discriminatie op basis van politieke overtuiging. Aangezien de drie vakbondsmonopolisten zich bekennen tot een duidelijke christendemocratische, socialistische en liberale politieke overtuiging is het duidelijk dat een monopolie inzake sociale verkiezingen voor deze drie vakbonden een discriminatie vormt op basis van politieke overtuiging : waarom zou een werknemer, die zich niet wil bekennen als christendemocraat, socialist of liberaal, niet mogen deelnemen aan de sociale verkiezingen ?

Op basis van de huidige antidiscriminatiewet is het weren van de kandidatuur van een werknemer die niet wil of mag aansluiten bij één van de drie zuilgebonden monopolisten, een verboden discriminatie.

3. De internationale verdragen

Diverse internationale verdragen en overeenkomsten, waaronder die van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), garanderen een werknemer zijn recht op deelname aan individueel en collectief arbeidsoverleg, alsook deelname aan een normale syndicale werking.

In de huidige situatie wordt voor een massa werknemers de uitoefening van deze rechten verhinderd.

Dit wetsvoorstel beoogt de rechten en vrijheden van de werknemers te herstellen en zo echt vrije sociale verkiezingen mogelijk te maken.

Het voorstel

De indieners stellen vooreerst vast dat door een onhaalbaar hoge drempel van 50 000 leden op te leggen voor interprofessionele werknemersorganisaties, de wet het monopolie van de christendemocratische, socialistische en liberale politieke overtuiging inzake vakbonden in stand houdt en vergrendelt. De groei en opkomst van meer eigentijdse, neutrale vakbonden wordt aldus verhinderd, ook al is een dergelijke evolutie de jongste decennia wél toegestaan voor de mutualiteiten, waar naast de « grote drie » ook neutrale en onafhankelijke ziekenfondsen een groeiend succes kennen. Wij willen dan ook de ondemocratische en ongrondwettelijke drempel van 50 000 leden schrappen.

Wij willen bovendien een betere regeling uitwerken inzake representativiteit op het niveau van de onderneming.

Onder de huidige wetgeving kan een werknemer die behoort tot een feitelijke vereniging of een vereniging met rechtspersoonlijkheid welke in een bepaald bedrijf 80 % van de werknemers verenigt, niet deelnemen aan de sociale verkiezingen indien zijn vereniging niet aangesloten is bij één van de drie monopolisten. Een geïsoleerde werknemer daarentegen, die aangesloten is bij het ABVV, ACV of ACLVB, mag wel deelnemen ook al kent hij niemand in het bedrijf. De representativiteit van de ene wordt dus vermoed, die van de andere niet, en daardoor wordt de keuzemogelijkheid bij de echte verkiezing voor de werknemers beperkt tot drie monopolisten.

Wij willen werknemers van een bedrijf de mogelijkheid bieden zich te verenigen en kandidaten voor te dragen indien zij 10 % van de werknemers achter zich kunnen scharen. In een gelijkaardige regeling is trouwens reeds voorzien voor kaderleden. Er is geen reden waarom aan niet-kaderleden de mogelijkheden ontzegd worden die wel geboden worden aan kaderleden.

Wij willen ten slotte de bepaling schrappen die een vakbond toelaat een verkozen werknemer zijn mandaat in de ondernemingsraad te ontnemen indien hij geen lid meer is van de vakbond op wiens lijst hij zou verkozen zijn. De werknemers hebben immers gestemd voor deze persoon om hem een mandaat te geven. Het komt een vereniging niet toe om hem dat mandaat eventueel met een gedwongen ontslag te ontnemen.

In een dergelijke regeling, waarbij partijen hun verkozenen de zetel kunnen ontnemen door ontslag, is ook niet voorzien bij gemeenteraads- of andere verkiezingen.

Jurgen CEDER
Nele JANSEGERS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 14, § 1, 4º, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, vervangen bij de wet van 29 juli 1986, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in de bepaling onder a) worden de woorden « en die ten minste 50 000 leden tellen » opgeheven;

2º er wordt een bepaling onder « c) » ingevoegd, luidende :

« c) de feitelijke vereniging of de vereniging met rechtspersoonlijkheid die onder haar leden ten minste twee werknemers telt als bedoeld in paragraaf 1, 2º, en die samen tewerkgesteld zijn in dezelfde onderneming als bedoeld in paragraaf 1, 1º. Deze vereniging wordt beschouwd als representatieve werknemersorganisatie indien ten minste 10 % van het aantal werknemers als bedoeld in paragraaf 1, 2º, ter ondersteuning de kandidatenlijst van de vereniging voor sociale verkiezingen ondertekent. ».

Art. 3

In artikel 20ter van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 5 maart 1999 en 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid, eerste zin, wordt het woord « interprofessionele » opgeheven;

2 o in hetzelfde lid, eerste zin, worden de woorden « , § 1, tweede lid, 4º, a), » opgeheven.

Art. 4

Artikel 21, § 2, 4º, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 7 juli 1994, wordt opgeheven.

17 oktober 2008.

Jurgen CEDER
Nele JANSEGERS.