4-547/1

4-547/1

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

18 MAART 2008


Belangenconflict tussen het Parlement van de Franse Gemeenschap en de Kamer van volksvertegenwoordigers naar aanleiding van het wetsvoorstel tot wijziging van de kieswetgeving met het oog op de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (stuk Kamer, nr. 52-0037/1)

Belangenconflict tussen het Parlement van de Franse Gemeenschap en de Kamer van volksvertegenwoordigers naar aanleiding van het wetsvoorstel tot wijziging van de kieswetgeving met het oog op de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (2) (stuk Kamer, nr. 52-0039/1)


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE INSTITUTIONELE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE HEREN VANDENBERGHE EN DELPÉRÉE


Met toepassing van artikel 32, § 1quater, eerste lid, van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen heeft de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden het voorliggende belangenconflict besproken tijdens haar vergaderingen van 20 februari, 5 en 12 maart 2008.

Tijdens de vergadering van 18 maart 2008 werd dit verslag ter goedkeuring aan de commissie voorgelegd.

In dit verslag wordt eerst beknopt de historische context geschetst waarin de problematiek van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde moet worden beschouwd (I). Daarna volgt een overzicht van de verschillende procedurestappen die met betrekking tot dit belangenconflict reeds werden doorlopen (II). Vervolgens komt de bespreking aan bod die de commissie aan deze zaak heeft gewijd met het oog op de redactie van een gemotiveerd advies aan het Overlegcomité (III). Daarin komen zowel procedurele aspecten aan bod, inzonderheid met betrekking tot de termijn, als inhoudelijke. Het verslag wordt afgesloten met het gemotiveerd advies aan het Overlegcomité.

I. INLEIDING

De problematiek van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde past in een historische context en het is aangewezen de hoofdlijnen daarvan kort in herinnering te brengen, meer bepaald wat de wijzigingen van het Kieswetboek betreft. Hierbij dient onze aandacht te gaan naar vier wetteksten (1) .

I.1. De wet van 8 november 1962

De wet van 8 november 1962 tot vastlegging van de taalgrens wordt op 31 oktober 1962 door de Kamer van volksvertegenwoordigers aangenomen door een meerderheid van de Vlaamse volksvertegenwoordigers, terwijl de meerderheid van de Franstalige volksvertegenwoordigers tegen stemt. De regering werkt een nieuwe wetgeving betreffende het taalgebruik uit, maar struikelt over het statuut van de gemeenten in de Brusselse rand. Nadat de Koning het ontslag van de regering heeft geweigerd, wordt er een akkoord gezocht onder ministers en vooraanstaande figuren van de twee coalitiepartijen. Dat akkoord leidde tot de wet van 2 augustus 1963.

I.2. De wet van 2 augustus 1963

De wet van 2 augustus 1963 bepaalt dat het administratief arrondissement Brussel in drie delen wordt opgesplitst : voortaan vormen zes « faciliteitengemeenten » een afzonderlijk administratief arrondissement, dat het bijzonder arrondissement Brussel wordt genoemd, de andere Vlaamse gemeenten vormen het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde en de huidige negentien gemeenten van de Brusselse agglomeratie vormen het administratief arrondissement Brussel. Electoraal blijven die drie administratieve arrondissementen echter samen het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde vormen, waar dus de taalgrens door loopt. De zes « faciliteitengemeenten » vormen in januari 1971 niet langer een administratief arrondissement, wanneer ze bij het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde worden gevoegd. De kieshervorming van 1993, die tevens de verdeling van de Kamerleden over de kiesarrondissementen herziet, schept een nieuw Vlaams kieskanton (dat van Zaventem) en wijzigt de grenzen van de kantons, zodat geen enkel Brussels kanton meer verder reikt dan de negentien gemeenten. In de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde blijven kiezers en kandidaten woonachtig in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en in het Nederlandse taalgebied samenleven.

I.3. De kieshervorming van december 2002

In 2002 werden in het Kieswetboek verscheidene wijzigingen aangebracht, om de kieskringen te doen samenvallen met de provincies. Die maatregel levert alleen een belangrijk probleem op in de vroegere provincie Brabant, die sinds 1993 is opgesplitst in een provincie Vlaams-Brabant, een provincie Waals-Brabant en een gebied dat tot geen enkele provincie behoort, namelijk dat van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat wil zeggen dat van de negentien gemeenten. De kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde bestaat voortaan uit het grondgebied van Brussel-Hoofdstad en een deel van de nieuwe provincie Vlaams-Brabant.

De wet van 13 december 2002 tot wijziging van het Kieswetboek alsook de bijlage ervan en de wet van 13 december 2002 houdende verscheidene wijzigingen van de kieswetgeving voorzien bijgevolg in het volgende :

— twee kieskringen, die van Leuven en die van Brussel-Halle-Vilvoorde, die niet overeenstemmen met provinciegrenzen, iets waarop het Arbitragehof in 2003 zal wijzen;

— een afzonderlijke voordracht van Franstalige kandidaten en van Nederlandstalige kandidaten in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde, zodat bij de resultaten van de Nederlandstalige lijsten van die kieskring de resultaten van de kieskring Leuven kunnen worden gevoegd, waarbij de lijsten van Vlaamse kandidaten van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde identiek zijn met de lijsten welke in de kieskring Leuven worden voorgedragen;

— het behoud van de mogelijkheid tot lijstenverbinding tussen de Franstalige lijsten die worden ingediend in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde en de lijsten die worden ingediend in de kieskring Waals-Brabant.

De Raad van State heeft advies uitgebracht over de nieuwe wetsbepalingen en wierp daarbij een aantal bezwaren op, die de regering naast zich heeft neergelegd. De Raad van State heeft onder andere vragen bij het verschil in behandeling tussen de kiezers en de kandidaten van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde al naargelang ze kiezen voor of opkomen op lijsten die alleen zijn ingediend in die kieskring of die ook zijn ingediend in de kieskring Leuven.

Arrest nr. 73/2003 van het Arbitragehof van 26 mei 2003 is in die context heel belangrijk. Het Hof spreekt zich uit over de vraag of de bepalingen van beide wetten van 13 december 2002 aan het gelijkheidsbeginsel beantwoorden.

Er is heel wat commentaar gegeven op de beslissing van het Grondwettelijk Hof, zowel politieke als juridische. Het is aangewezen de belangrijkste passages van vermeld arrest hier in herinnering te brengen :

« B.9.5. Door de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde te handhaven, behandelt de wetgever de kandidaten van de provincie Vlaams-Brabant op een andere wijze dan de kandidaten van de andere provincies vermits, enerzijds, zij die kandidaat zijn in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde in concurrentie moeten treden met de kandidaten die elders dan in die provincie kandideren, en, anderzijds, zij die kandideren in de kieskring Leuven niet op dezelfde wijze worden behandeld als zij die kandideren in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde.

B.9.6. De maatregel gaat weliswaar uit van de bekommernis, die reeds in het arrest nr. 90/94 werd vastgesteld, om te zoeken naar een onontbeerlijk evenwicht tussen de belangen van de verschillende gemeenschappen en gewesten binnen de Belgische Staat. De gegevens van dat evenwicht zijn niet onveranderlijk. Het Hof zou evenwel in de plaats van de wetgever oordelen, indien het zou beslissen dat onmiddellijk een einde zou moeten worden gemaakt aan een situatie die tot op heden de goedkeuring van de wetgever had, terwijl het Hof niet alle problemen kan beheersen waaraan de wetgever het hoofd moet bieden om de communautaire vrede te handhaven.

B.9.7. In geval van behoud van provinciale kieskringen voor de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers, kan een nieuwe samenstelling van de kieskringen in de vroegere provincie Brabant gepaard gaan met bijzondere modaliteiten die kunnen afwijken van degene die gelden voor de andere kieskringen, teneinde de gewettigde belangen van de Nederlandstaligen en de Franstaligen in die vroegere provincie te vrijwaren. Het komt niet aan het Hof, maar aan de wetgever toe die modaliteiten nader te bepalen.

B.9.8. Om die redenen kan worden aanvaard dat de door de bestreden wet gemaakte indeling in kieskringen behouden blijft gedurende de door artikel 65 van de Grondwet bepaalde termijn van vier jaar die aanvangt op het in artikel 105 van het Kieswetboek bepaalde ogenblik. »

Het Arbitragehof vernietigt vervolgens verscheidene bepalingen van vermelde wetten. Het beschikkend gedeelte van het arrest luidt als volgt :

« Om die redenen,

het Hof

1. vernietigt :

— de artikelen 3, 4, 5, 6, 9, 10 en 11 van de wet van 13 december 2002 « tot wijziging van het Kieswetboek evenals zijn bijlage »;

— artikel 6 van de wet van 13 december 2002 houdende verschillende wijzigingen van de kieswetgeving, in zoverre het artikel 118, laatste lid, van het Kieswetboek invoegt;

— de artikelen 10, 2º, en 12, 2º, van dezelfde wet;

— artikel 16 van dezelfde wet, in zoverre het voor de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers van toepassing is op de kieskringen Brussel-Halle-Vilvoorde, Leuven en Nijvel;

— artikel 25 van dezelfde wet, in zoverre het betrekking heeft op het bijzonder model van stembiljet voor de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde;

— de artikelen 28, 29 en 30 van dezelfde wet;

2. verwerpt, met inachtneming van wat gepreciseerd is in B.9.2 tot B.9.9, de beroepen tot vernietiging voor het overige;

3. handhaaft, wat de verkiezingen van 18 mei 2003 betreft, de gevolgen van artikel 6 van de wet van 13 december 2002 houdende verschillende wijzigingen van de kieswetgeving. »

De motivering en de beschikking van dit arrest hebben aanleiding gegeven tot uiteenlopende commentaar. Iedereen is het erover eens dat het Hof een optreden van de federale wetgever vraagt om de ongrondwettigheid die bij het onderzoek van die zaak aan het licht is gekomen, uit te vlakken. Er blijft echter discussie bestaan over de precieze betekenis van het arrest, over de gevolgen die eruit voortvloeien en, meer nog, over de oplossingen die kunnen worden bedacht om het vermelde probleem op te lossen.

II. BELANGENCONFLICT : PROCEDURE (2)

Bron : Nota nr. 2008/23 van de Dienst Wetsevaluatie.

1. Op 7 november 2007 nam de Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken, Algemene Zaken en het Openbaar Ambt twee wetsvoorstellen aan die beide de kieswetgeving beogen te wijzigen met het oog op de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (3) .

Op 9 november 2007 schaarde het Parlement van de Franse Gemeenschap zich vrijwel unaniem achter een voorstel van motie waarin die assemblee verklaarde dat haar belangen ernstig worden geschonden door de stemming in de Kamercommissie over deze wetsvoorstellen (4) . In de motie vraagt het Parlement van de Franse Gemeenschap dat de behandeling van de wetsvoorstellen in het federale Parlement wordt geschorst met het oog op overleg (5) .

Daarmee was het belangenconflict een feit. Er is immers een belangenconflict zodra de procedure tot regeling van een belangenconflict op rechtsgeldige wijze is opgestart.

2. De motie van het Parlement van de Franse Gemeenschap is gericht tegen twee wetsvoorstellen. Dat is ongebruikelijk, maar niet uniek (6) . Beide wetsvoorstellen beogen de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. Dat dit twee wetsvoorstellen vergt, houdt verband met de wetgevingsprocedure : de splitsing van de kieskring voor de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers en het Europees Parlement wordt geregeld met een optioneel bicameraal wetsvoorstel, die van de Senaat met een verplicht bicameraal wetsvoorstel. Niettemin gaat het, ook al nam het Parlement van de Franse Gemeenschap slechts één motie aan, om twee belangenconflicten, die bovendien een verschillend procedureel parcours zouden kunnen volgen (7) .

3. De vraag van het Parlement van de Franse Gemeenschap schorste de wetgevende procedure van de betrokken wetsvoorstellen niet meteen. De schorsing voor de regeling van een belangenconflict neemt immers pas een aanvang na de indiening van het commissieverslag over de bestreden tekst of, indien er geen verslag wordt ingediend, voor de eindstemming in de plenaire vergadering (8) . Aangezien de vraag van het Parlement van de Franse Gemeenschap werd meegedeeld voor de indiening van het commissieverslag, bleef zij voorlopig zonder rechtsgevolg.

4. Het verslag van de Kamercommissie werd rondgedeeld op 5 december 2007 (9) . Op die dag werd de wetgevende procedure van de beide wetsvoorstellen gedurende zestig dagen geschorst met het oog op overleg.

Artikel 103 van het Kamerreglement bepaalt dat de commissie waarbij het bestreden wetsvoorstel aanhangig is, een advies verstrekt over het belangenconflict. De Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken, de Algemene Zaken en het Openbaar Ambt bracht haar advies uit op 19 december 2007 (10) . Luidens het advies bevinden alle relevante argumenten zich reeds in het verslag over de bespreking van de wetsvoorstellen. Dat verslag werd bezorgd aan de Kamerdelegatie met het oog op het overleg met het Parlement van de Franse Gemeenschap.

Het overleg tussen de Kamerdelegatie en de delegatie van het Parlement van de Franse Gemeenschap leidde op 29 januari 2008 niet tot een oplossing (11) . De plenaire vergadering van de Kamer werd daarvan in kennis gesteld op 31 januari 2008 (12) , die van het Parlement van de Franse Gemeenschap op 12 februari 2008 (13) .

Bij brief van 4 februari 2008 deelde de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat mee dat het overleg niet tot een oplossing leidde en dat het geschil derhalve aanhangig wordt gemaakt bij de Senaat die binnen dertig dagen een gemotiveerd advies uitbrengt aan het Overlegcomité. Het comité beschikt vervolgens eveneens over dertig dagen om, volgens de procedure van de consensus, een beslissing te nemen (14) .

5. De termijn van dertig dagen waarin de Senaat een gemotiveerd advies moet uitbrengen, ging in op 5 februari 2008 (15) .

Wordt de adviestermijn voor de Senaat geschorst door de krokusvakantie ?

De gewone wet bepaalt hierover niets. Er zijn tegenstrijdige precedenten met betrekking tot de schorsing van de termijnen van de belangenconflictenprocedure als gevolg van het parlementaire reces. In het belangenconflict over de Vlaamse wooncode werd de adviestermijn voor de Senaat geschorst door het zomerreces (16) , maar in een verder verleden werd geoordeeld dat het parlementaire reces de termijn niet schorst (17) .

De parlementaire overlegcommissie heeft de voorbije krokusvakantie niet aangemerkt als een recesperiode waarin de termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet worden geschorst. De overlegcommissie heeft evenwel niet de bevoegdheid zich uit te spreken over een eventuele schorsing van de termijnen in de procedure tot regeling van een belangenconflict. Beslissingen van de Overlegcommissie over recesperiodes hebben bijgevolg geen rechtsgevolgen voor de termijnen in de belangenconflictenprocedure.

Zonder een andersluidende beslissing van de Senaat, verstrijkt de adviestermijn derhalve op woensdag 5 maart 2008.

6. In de loop der jaren ontstond in de Senaat de gewoonte om belangenconflicten te verzenden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden met het oog op de redactie van een voorstel van gemotiveerd advies. Dit voorstel wordt vervolgens ter bespreking en ter stemming aan de plenaire vergadering voorgelegd.

III. BESPREKING MET HET OOG OP DE REDACTIE VAN EEN GEMOTIVEERD ADVIES VAN DE SENAAT AAN HET OVERLEGCOMITÉ

Tijdens haar eerste vergadering, op 20 februari 2008, heeft de commissie zich afgevraagd binnen welke termijn zij het gemotiveerd advies moest uitbrengen dat de wet van haar verlangt. Tijdens haar vergaderingen van 5 en 12 maart 2008 heeft zij de vragen geanalyseerd die de procedure voor belangenconflicten heeft opgeroepen.

III.1. De adviestermijn voor de Senaat : schorsing tijdens de krokusvakantie ?

Er ontspint zich een discussie over de datum waarop de adviestermijn van dertig dagen voor de Senaat is ingegaan. Aan de orde komt onder andere de vraag of die termijn tijdens de krokusvakantie werd geschorst dan wel kan worden verlengd.

De gewone wet van 9 augustus 1980 bepaalt hierover niets. Zoals in hoofdstuk II is aangetoond, bestaan er precedenten in beide richtingen : soms werd de termijn geschorst, soms niet.

Uit de tussenkomsten van de leden van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden blijkt dat er er twee stellingen bestaan. Zij worden als volgt gestaafd :

III.1.1. Stellingen pro de schorsing van de termijn tijdens de krokusvakantie (de heren Vandenberghe en De Decker, mevrouw Defraigne en de heren Monfils, Moureaux en Delpérée)

— Het belangenconflict werd bij de Senaat aanhangig gemaakt door het schrijven van de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de heer Van Rompuy, van 4 februari 2008. Gezien de opschorting van de parlementaire activiteiten tijdens de krokusvakantie heeft de voorzitter van de Senaat slechts op 12 februari 2008 kennis kunnen nemen van dit schrijven. Tijdens de krokusvakantie was er noch een vergadering van het Bureau van de Senaat, noch een plenaire vergadering gepland. Bijgevolg kon het belangenconflict niet reglementair naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden worden verwezen;

— de in artikel 32, § 1quater, eerste lid, van de gewone wet van 9 augustus 1980 bepaalde termijn van dertig dagen, is een termijn van orde en geen vervaltermijn. Er bestaat tegen de niet- naleving van die termijn dan ook geen sanctie;

— de plenaire vergadering van het Parlement van de Franse Gemeenschap — die het belangenconflict heeft opgeworpen — werd op 12 februari 2008 in kennis gesteld van het feit dat het overleg tussen de Kamerdelegatie en de delegatie van het Parlement van de Franse Gemeenschap niet tot een oplossing heeft geleid;

— om een ernstig onderzoek aan het belangenconflict te kunnen wijden, is het raadzaam de einddatum voor de Senaat om een advies uit te brengen, vast te leggen op 12 maart 2008; zo is er voldoende reflectietijd;

— het is zaak te weten op welk moment de Senaat werkelijk kennis heeft genomen van het schrijven van de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Men moet de « dies a quo » kennen vanaf welke de termijn van 30 dagen voor de Senaat loopt. Is de brief van de Kamervoorzitter voor de krokusvakantie aangekomen, dan is de situatie duidelijk : iedereen was op de hoogte en de wettelijke termijnen liepen ononderbroken door. Indien de brief echter tijdens de krokusvakantie is aangekomen, is de termijn geschorst tot op het moment dat de voorzitter van de Senaat kennis heeft kunnen nemen van het schrijven van de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers;

— de rechtsregel is dat de termijn niet loopt tegen diegene die onbekwaam is om op te treden;

— men moet het probleem oplossen in het licht van de doelstelling van de in de wet bepaalde termijn. Op het ogenblik dat de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot stand is gekomen, bestond het systeem van de Parlementaire Overlegcommissie nog niet. De Parlementaire Overlegcommissie is ter zake dan ook niet bevoegd. De in de wet bepaalde termijnen zijn termijnen van orde en geen vervaltermijnen. Dat betekent dat ze de mogelijkheid willen scheppen om op een ordentelijke wijze te kunnen beraadslagen zonder dat dit tot een onredelijke vertraging aanleiding geeft. Het is dus niet zo dat de Senaat op bijvoorbeeld de 31e dag geen advies meer zou kunnen uitbrengen. Enkel indien het Overlegcomité op de 31e dag reeds een advies zou uitbrengen, zou een later advies van de Senaat overbodig zijn. Er bestaan bovendien precedenten waarbij de Senaat de termijn van 30 dagen lichtjes heeft overschreden en toch nog een nuttig advies heeft uitgebracht;

— de Senaat moet zijn rol in dezen niet abstract opnemen, maar het probleem behandelen in de politieke context waarin het land zich bevindt, waarbij er op andere plaatsen nog politieke onderhandelingen lopende zijn. Ook die factor moet in het werkschema van de Senaat verrekend worden indien men in iets positiefs wil uitmonden;

— de precedenten leren dat het principe van een termijn van orde (en dus niet van een termijn van verval, zoals die geldt voor de Raad van State) niet tot gevolg mag hebben dat een dossier in de Kamer of in de Senaat geblokkeerd blijft om te verhinderen dat de assemblee die over het ontwerp heeft gestemd, de wetsprocedure, wat haar betreft, kan afronden. De assemblee die het ontwerp goedkeurt, heeft immers een verhaal. Zij kan, na het verstrijken van de termijnen van orde, ofwel aandringen op voortgang, ofwel de volgende stap uitlokken. Zo zou bijvoorbeeld de Kamer in het huidige geval, wanneer de Senaat na 30 dagen geen advies heeft uitgebracht, het Overlegcomité kunnen adiëren met het verzoek om de procedure voort te zetten;

— de Senaat heeft in het verleden meermaals het beginsel van de termijn van orde aanvaard. In het belangenconflict over het wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 43, § 5, en 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken, tot aanvulling van artikel 43 van dezelfde wet en tot invoeging van een artikel 43septies in de wet, liep de overlegtermijn ten einde op 29 maart 1998. De termijn voor het uitbrengen van een gemotiveerd advies werd door de Senaat zelf op 30 april 1998 verlengd met een maand en op 27 mei 1998 nogmaals verlengd met een week (18) ;

— men moet in onderhavig geval, wat de termijnen van orde betreft, niet de letter van de wet volgen, maar veeleer de geest. De letter van de wet leidt tot een zeer fundamentalistische opvatting in de samenleving. L'esprit de la loi maakt de rechtsstaat leefbaar.

III.1.2. Stellingen contra de schorsing van de termijn tijdens de krokusvakantie (de heren Coveliers, Van Hauthem en Lambert)

— Er is geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling die het de Senaat mogelijk maakt de termijn van 30 dagen tijdens de krokusvakantie te schorsen; een dergelijke handelwijze zou enkel aanvaardbaar zijn tijdens het zomerreces; de ratio legis van de in de gewone wet van 9 augustus 1980 vastgelegde termijnen is juist dat, wanneer een belangenconflict wordt opgeworpen, men op een zo fundamenteel politiek probleem stuit, dat het niet aanvaardbaar is dat men dat probleem voor zich uit blijft schuiven en geen oplossingen zoekt; het heeft er alle schijn van dat er ter zake nog steeds geen oplossing in het vooruitzicht is;

— de commissie had reeds sneller bijeengeroepen kunnen worden : de notificatie van het — mislukte — overleg tussen de Kamer van volksvertegenwoordigers en het Parlement van de Franse Gemeenschap dateert van 4 februari 2008. Dat betekent dat de termijn voor de Senaat om een advies uit te brengen aan het Overlegcomité, is beginnen lopen op 5 februari 2008;

— de nota van de Dienst Wetsevaluatie van de Senaat gaat er ook van uit dat de termijn van 30 dagen voor de Senaat is ingegaan op 5 februari 2008;

— is « 5 minuten politieke moed » ook een termijn van orde ? De toepassing van de rechtsregel « de termijn loopt niet tegen diegene die onbekwaam is om op te treden », is in dit geval wellicht een politieke invulling van de heersende politieke onmacht;

— tijdens de krokusvakantie werden de termijnen voor de parlementaire behandeling van optioneel bicamerale wetsontwerpen niet geschorst door de Parlementaire Overlegcommissie;

— de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden van de Senaat en de commissie voor de Landsverdediging van de Kamer van volksvertegenwoordigers hebben een gezamenlijke commissievergadering gehouden tijdens de krokusvakantie;

— de waarde van een democratische rechtsstaat wordt mee gemeten aan de hand van de manier waarop de overheid haar eigen regels naleeft. De eerbiediging van die regels moet vergelijkbaar zijn met de manier waarop de burger verplicht wordt deze regels na te leven. Wanneer een burger een annulatieberoep aanhangig wenst te maken bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, heeft hij daarvoor 60 dagen. Wanneer hij — om de één of andere reden, bijvoorbeeld het postkantoor is gesloten — zijn brief post op de 61e dag om 8 uur 's ochtends, dan zal dit verzoekschrift door de Raad van State worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor een asielzoeker die 30 dagen krijgt om een zaak aanhangig te maken. Het feit dat de Senaat zichzelf, zonder wettelijke bepaling, een extra week de tijd gunt om een advies aan het Overlegcomité uit te brengen, is niet correct ten opzichte van de burger;

— de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft niet gedraald met de overzending van de notificatie dat het overleg tussen de Kamer en het Parlement van de Franse Gemeenschap niet tot een oplossing heeft geleid; tijdens de krokusvakantie was er geen reces en was de griffie van de Senaat operationeel;

— de algemene regel is « de dies a quo telt niet mee, de dies ad quem wél ». Het gevolg hiervan is dat de termijn voor de Senaat verstrijkt op 5 maart 2008;

— het is in een democratie niet aanvaardbaar dat de Senaat autonoom beslist dat het een rechtsprincipe is dat de termijnen worden geschorst zodra hij met reces gaat.

III.1.3. Conclusie

De meerderheid van de commissieleden is van oordeel dat, vanwege het feit dat de Senaat niet kon vergaderen tijdens de krokusvakantie, de termijn van dertig dagen binnen welke de Senaat een advies aan het Overlegcomité dient te verstrekken, verstrijkt op 12 maart 2008.

Op de vraag of daardoor een precedent wordt gecreëerd dat de termijnen steeds geschorst zullen worden tijdens een vakantieweek, antwoordt de voorzitter dat elk geval afzonderlijk moet worden bekeken.

Een meerderheid van de commissieleden stelt voor om voldoende tijd te laten voor bilaterale en andere contacten alvorens tot een bespreking ten gronde over te gaan met het oog op het uitbrengen van een advies.

Andere leden hekelen deze werkwijze en wensen dat de commissie zo snel mogelijk start met een bespreking ten gronde.

Tot besluit van deze discussie gaat de commissie niet in op het verzoek van een lid om het Parlement van de Franse Gemeenschap te horen over de vraag in welke opzicht zijn belangen zouden worden geschaad.

De commissie is het er wél over eens dat de Senaat, in overeenstemming met de wet van 9 augustus 1980, een inspanning moet doen om tot een ernstig advies te komen, bij voorkeur met een aanzet tot mogelijke pistes die tot een oplossing zouden kunnen leiden.

III.2. Discussie ten gronde

De discussie ten gronde liep over twee vergaderingen op respectievelijk 5 en 12 maart 2008. De volgende thema's kwamen daarbij aan bod : de draagwijdte van het arrest nr. 73/2003 van het Arbitragehof, de vraag of de Franse Gemeenschap ernstig zou worden benadeeld door de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde en alternatieven voor die splitsing. Tijdens de laatste vergadering dook de problematiek van de termijn weer op omdat sommigen vreesden dat de commissie de adviestermijn van dertig dagen verder zou verlengen. Uiteindelijk mondde het debat ten gronde uit in een advies.

III.2.1. Vergadering van 5 maart 2008

Er wordt herinnerd aan de uiteenzetting van de heer Jean-François Istasse, voorzitter van de delegatie van het Parlement van de Franse Gemeenschap (stuk Kamer, nr. 52-37/9, blz. 5).


De heer Hugo Vandenberghe licht het standpunt van de CD&V/N-VA-fractie als volgt toe.

De wet van 13 december 2002 tot wijziging van het Kieswetboek evenals zijn bijdrage, die de provinciale kieskringen heeft ingevoerd, bevatte een aantal bepalingen in verband met Brussel-Halle-Vilvoorde en Vlaams-Brabant, die door de arresten nrs. 30/2003 van 26 februari 2003 en 73/2003 van 26 mei 2003 van het toenmalige Arbitragehof, huidig Grondwettelijk Hof, respectievelijk werden geschorst en vernietigd.

Naar het oordeel van de CD&V/N-VA-fractie is de lezing van het vernietigingsarrest duidelijk.

Op het eerste punt van het dispositief vernietigt het een aantal bepalingen die betrekking hebben op de organisatie van de kiesverrichtingen in Vlaams-Brabant.

Op het tweede punt verwerpt het Hof voor het overige, met inachtneming van wat wordt gepreciseerd in de overwegingen B.9.2. tot B.9.9., de beroepen tot vernietiging. In de overwegingen B.9.2. tot B.9.9. — die niet alleen argumenten zijn, maar die ook uitdrukkelijk in het dispositief van het arrest worden overgenomen — wordt de hele problematiek onderzocht in welke mate de organisatie van de kiesverrichtingen in de kieskring Vlaams-Brabant samen kan gaan met die in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde, al dan niet in combinatie met elkaar. Het Hof heeft duidelijk gesteld dat dit niet mogelijk was, maar het gaf de wetgever een termijn van 4 jaar om het aan de orde gestelde probleem op te lossen. In de mate dat de provinciale kieskringen als uitgangspunt dienen voor de organisatie van de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, heeft dat gevolgen voor de verkiezing in Vlaams-Brabant. Aangezien Halle-Vilvoorde deel uitmaakt van Vlaams-Brabant, dient Halle-Vilvoorde noodzakelijkerwijze in de kieskring Vlaams-Brabant te worden opgenomen. Dat impliceert de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde in een kieskring Brussel en een kieskring Halle-Vilvoorde, waarbij Halle-Vilvoorde wordt opgenomen in de kieskring Vlaams-Brabant. Het Arbitragehof heeft in zijn arrest duidelijk gemaakt dat, gelet op de bijzondere situatie die zich voordoet in de verhouding tussen Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, er in bijzondere modaliteiten kan worden voorzien om de problemen die zich daar voordoen, te regelen.

Het standpunt van de CD&V/N-VA-fractie is dat zij voor de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde is, maar dat zij bereid is te spreken over bijzondere modaliteiten in het kader van de kieswetgeving. Het verdient dan ook de voorkeur te streven naar een onderhandelde oplossing over dit probleem in de filosofie van het voormelde arrest van het Arbitragehof, dit wil zeggen een oplossing die gepaard zou kunnen gaan met bijzondere modaliteiten binnen de kieswetgeving. Het probleem moet immers opgelost zijn voor de eerstvolgende verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Bij gebrek aan onderhandelde oplossing zal de normale parlementaire procedure worden voortgezet. De voorkeur blijft uitgaan naar een onderhandelde oplossing om te vermijden dat men in een carroussel van belangenconflicten en alarmbellen terecht zou komen, die én politiek én juridisch tot veel vragen en bijkomende moeilijkheden aanleiding zullen geven en het land niet zullen dienen.

De heer Francis Delpérée merkt op dat hij samen met nog een aantal anderen net een voorstel van bijzondere wet heeft ondertekend houdende institutionele maatregelen, alsook twee andere wetsvoorstellen en dat deze drie voorstellen voortvloeien uit de werkgroep « staatshervorming » (Octopus) (stukken Senaat, nrs. 4-602/1, 4-603/1 et 4-604/1). Het voorstel van bijzondere wet bevat een « roadmap » voor het dossier « BHV ».

Die roadmap is opgesteld door het Comité van wijzen. Ze is goedgekeurd door de Octopus-groep en opgenomen in de toelichting van het voorstel van bijzondere wet dat gisteren is ingediend en dat morgen in overweging moet worden genomen tijdens de plenaire vergadering van de Senaat.

De heer Delpérée zal op woensdag niet iets anders zeggen dan wat hij op dinsdag heeft gezegd of wat hij op donderdag zal zeggen.

Wat heeft hij gisteren gezegd, waarmee anderen het eens waren ? Dat de volgende regering in de komende maanden een onderhandelde oplossing zal moeten vinden voor het dossier Brussel-Halle-Vilvoorde.

De heer Delpérée zou veel over dat dossier kunnen vertellen — vanuit historisch, juridisch en politiek oogpunt. Hij zal de commissie graag zijn standpunt en dat van de cdH hierover toelichten.

Hij zou echter niet graag de werkzaamheden van morgen op de helling zetten door misplaatste verklaringen of grootsprakerige uitlatingen. Hij hoeft geen moeite te doen om zichzelf enige samenhang op te leggen. Ook legt hij zichzelf discretie op, wetende dat het niet de flitsen van de fotografen of de spots van een televisiestudio zijn die de onderhandelde oplossing waarover hij het had opeens zullen tevoorschijn toveren.

Hij blijft dus achter het standpunt staan dat de cdH in overleg met de andere Franstalige partijen heeft ingenomen, met betrekking tot een dossier dat qua belangrijkheid door geen van de partijen die bij dit belangenconflict betrokken zijn, mag worden onderschat.

Het is niet de taak van de Senaat om een oplossing voor het probleem BHV te vinden. De taak van de Senaat is beperkter, namelijk het geven van een advies inzake het belangenconflict dat is opgeworpen door het Parlement van de Franse Gemeenschap met betrekking tot het wetsvoorstel dat in de Kamercommissie is aangenomen. Voor spreker bestaat dit advies al, in de vorm van de toelichting van het voorstel van bijzondere wet waarover hij het eerder had.

De voorzitter, de heer Armand De Decker, herinnert eraan dat de taak van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden van de Senaat erin bestaat een gemotiveerd advies te formuleren voor het Overlegcomité met betrekking tot het belangenconflict. Het is niet per se haar taak een oplossing te vinden op het niveau van die commissie. Het is natuurlijk niet tijdens een openbare commissievergadering dat dit soort onderhandelingen tot een oplossing zou kunnen leiden.

De heer Van Hauthem verklaart nog geen argumenten te hebben gehoord of gelezen ter staving van het door het Parlement van de Franse Gemeenschap aanhangig gemaakte belangenconflict.

De tekst van de motie van het Parlement van de Franse Gemeenschap is in dezen alles behalve duidelijk (doc. PCF, 2007-2008, Nº 476/1 en stuk Kamer, nr. 52-37/8, blz. 5). Blijkbaar is het, volgens de motivering van het belangenconflict, een fundamenteel recht voor de Franstaligen om te kunnen stemmen voor kandidaten die zowel in Brussel als in Halle-Vilvoorde opkomen. Het kan voor spreker niet dat een dergelijk « recht » zou worden gelijkgesteld met bijvoorbeeld de fundamentele rechten en vrijheden die opgenomen zijn in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties. Waar haalt men het vandaan om dit feit een fundamenteel recht te noemen ? Niets belet de Franstaligen om kandidatenlijsten voor de verkiezingen in te dienen, niet alleen in Halle-Vilvoorde, maar ook in West-Vlaanderen, Limburg enzovoort.

Ook de motivering als zou de solidariteit tussen de Franstaligen van Wallonië, Brussel en Halle-Vilvoorde verbroken worden, gaat volgens de heer Van Hauthem niet op. Ook in andere Vlaamse provincies wonen er Franstaligen. Is met deze Franstaligen de solidariteit dan « d'office » verbroken ?

Vervolgens wordt in de motivering ook verwezen naar de omzendbrief-Peeters die een bepaalde interpretatie geeft van de taalwetgeving in bestuurszaken. De betrokken overweging luidt als volgt : « Overwegende dat de rechten van de Franstaligen in de gemeenten met een bijzonder statuut van het Nederlandse taalgebied worden bedreigd door het beleid van de Vlaamse Gemeenschap, met name via de omzendbrief-Peeters en de omzendbrief-Martens, waarin de definitief bij wet erkende en bij de Grondwet gewaarborgde rechten worden ontkend . » Deze passage maakt spreker zeer boos : ofwel erkent men de rechtspraak van de Raad van State, ofwel erkent men die niet. Bij arrest van 23 december 2004 heeft de Raad van State gesteld dat de omzendbrieven-Peeters en -Martens de enige correcte interpretatie van de taalwetgeving in bestuurszaken vormen. Blijkbaar aanvaarden de Franstaligen in dezen niet de rechtspraak van de Raad van State.

Het feit dat de Vlamingen in het federale Parlement hun meerderheid hebben gebruikt, zou, aldus nog de motie, op fundamentele wijze afbreuk doen aan het institutionele evenwicht tussen de twee grote gemeenschappen van het land. Er zijn een aantal aangelegenheden in de Grondwet ingeschreven waarvoor men heeft beslist dat de democratische besluitvorming of de macht van het getal opzij worden geschoven en die met bijzondere meerderheidswetten moeten worden geregeld. Welnu, de kieswetgeving is daar niet bij. Als het volstaat dat de minderheid in dit land meent, op een totaal onterechte manier overigens, dat haar belangen geschaad zijn en daardoor het parlementaire wetgevingsproces kan blokkeren, dan zouden de Vlamingen juist hetzelfde kunnen doen en elk wetsvoorstel kunnen tegenhouden dat hen niet zint, door een belangenconflict op te werpen of door de alarmbelprocedure op gang te trekken. In dezen wordt het wapen, het instrument van het belangenconflict, compleet misbruikt, met bovendien het dreigement dat, indien het met dit belangenconflict niet lukt, het Waals Parlement en vervolgens het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op hun beurt een belangenconflict aanhangig zouden kunnen maken. Op die wijze zou het dossier voor meer dan een jaar kunnen worden geblokkeerd. Dat komt, aldus spreker, neer op een dictatuur van de minderheid.

Uit het pleidooi van vorige sprekers om tot een onderhandelde oplossing voor het probleem te komen, leidt de heer Van Hauthem af dat het in ons land volstaat om een zaak te blokkeren.

Spreker ziet bovendien niet in waarom men zou onderhandelen over iets waarover alle politieke geledingen in Vlaanderen het eens zijn. Spreker brengt in dat verband de tekst van het Vlaams Regeerakkoord in herinnering : « De regeringspartijen engageren zich daarenboven tot de onmiddellijke splitsing van het kiesarrondissement en het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde door de goedkeuring van een gemeenschappelijk wetsvoorstel in het federale Parlement » Vlaams Regeerakkoord 2004, « Vertrouwen geven, verantwoordelijkheid nemen », blz. 78).

Het is bovendien zo dat hiervoor geen prijs mag worden betaald omdat de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde de logica zelf is, omdat zij conform het territorialiteitsbeginsel is en omdat de huidige kieskring een anomalie is in het licht van de grondwettelijke indeling van België in taalgebieden. Spreker wijst erop dat zijn fractie, het Vlaams Belang, dan ook niet inziet waarom men zou moeten streven naar een onderhandelde oplossing. Hij vraagt dan ook dat de Franstaligen zouden stoppen met de blokkering van het wetgevingsproces door vanuit verschillende parlementen telkens hetzelfde belangenconflict op te werpen.

Het Vlaams Belang vraagt dat de democratische besluitvorming haar gang kan gaan. Als heel politiek Vlaanderen de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde wil en het arrest van het Arbitragehof in die politieke termen heeft vertaald, dan ziet hij niet goed in hoe een minderheid zich daartegen kan blijven verzetten door van de meerderheid alsnog een prijs te eisen.

In het door de Senaat uit te brengen advies zou een oproep kunnen worden opgenomen aan het Parlement van de Franse Gemeenschap en het Waals Parlement om de blokkeringen te staken, zo niet dan moet de Senaat beslissen om aan het Overlegcomité geen advies te verstrekken. Op die wijze kan de procedure verder haar gang gaan.

De heer Armand De Decker, voorzitter, is van mening dat het standpunt van het Vlaams Belang nogal simpel en zelfs simplistisch is. Als voorzitter kan hij niet aanvaarden dat de Franstaligen als een minderheid in België worden beschouwd. De Franse Gemeenschap is een component van de Belgische Staat, net zoals de Vlaamse Gemeenschap.

Waarom begrijpen de Vlamingen niet dat er een evenwicht wordt verbroken wanneer men de Franstalige partijen vraagt om tienduizenden kiezers te laten vallen in een kieskring die bestaat sinds het ontstaan van België ? Waarom moeten de Vlaamse politieke partijen in Brussel kiezers verliezen die bijkomende Vlaamse volksvertegenwoordigers kunnen opleveren ?

De heer Marcel Cheron verklaart namens de Écolo-fractie dat de tekst van de motie die het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft goedgekeurd, duidelijk is. Hierin vindt men alle elementen terug die verduidelijken waarom de Franstaligen, die worden vertegenwoordigd door het democratisch verkozen Parlement van de Franse Gemeenschap, van oordeel zijn dat er een belangenconflict moet worden aangevoerd naar aanleiding van de stemming in de commissie voor de Binnenlandse Zaken, de Algemene Zaken en het Openbaar Ambt van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

De Écolo-fractie pleit voor een pragmatische aanpak vanwege de Senaat. Er moet een oord voor discussie, uitwisseling van argumenten en een op onderhandelingen gebaseerde oplossing worden gevonden. Zoals de heer Delpérée sluit de heer Cheron zich aan bij de tekst van de memorie van toelichting bij het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen, ingediend door de heren Hugo Vandenberghe, Philippe Monfils, Paul Wille, Philippe Moureaux, Johan Vande Lanotte, Francis Delpérée, Marcel Cheron en mevrouw Freya Piryns en meer bepaald bij de volgende paragraaf : « Ten slotte zal ook de problematiek van de kieswetgeving worden onderzocht, door het bestuderen van dusdanig gevoelige punten — omwille van de uiteenlopende zienswijzen — als de instelling van een federale kieskring, het laten samenvallen van de regionale en federale verkiezingen, en een onderhandelde oplossing om een antwoord te bieden op het arrest van het Grondwettelijk Hof inzake Brussel- Halle-Vilvoorde » (stuk Senaat, 2007-2008, nr. 4-602/1, blz. 4).

Een geblokkeerde situatie heeft geleid tot een stemming in de Kamercommissie, hetgeen een belangenconflict en de situatie waarin we ons momenteel bevinden, heeft teweeggebracht. Indien men echt een oplossing wil bereiken, is men bereid te onderhandelen. Over de oplossingen moet echter worden onderhandeld en er moet een oord worden gevonden om dat te doen. Men moet tegelijk het kader maar ook de geesten kunnen verruimen.

De Senaat moet uiteraard een gemotiveerd advies uitbrengen in het kader van artikel 32, § 1quater, eerste lid, van de gewone wet van 9 augustus 1980, maar men moet op een andere plaats overleg plegen over de oplossing.

Mevrouw Defraigne merkt op dat het dossier « BHV » bij sommigen surrealistisch overkomt en een irrationele, passionele en uiterst berekende dimensie lijkt te krijgen. Van buitenaf gezien kan het dossier perifeer en onbeduidend overkomen, maar niets is minder waar. Het gaat niet enkel om het recht van een minderheid, maar ook om de naleving van de grondrechten. Het is zaak onze internationale en Europese verplichtingen na te komen.

Om haar advies voor te bereiden, moet de commissie weer beginnen bij de grond van de zaak.

Het arrest nr. 73/2003 van 26 mei 2003 van het Arbitragehof vernietigt gedeeltelijk de kieshervorming van 2002, die zoals aangekondigd tot doel had de grenzen van de kieskringen te laten samenvallen met de provinciegrenzen. Het Hof vernietigt de bepaling op grond waarvan de Vlaamse lijsten tegelijk in de kieskring BHV en Leuven zouden kunnen worden ingediend (waarbij er opnieuw een soort Vlaams-Brabant met inbegrip van Brussel zou worden gevormd, zonder de Franstalige stemmen in de rand te verhinderen). Het Hof is van oordeel dat het behoud van de kieskring BHV ten gevolge van deze vernietiging niet meer strookt met de bedoeling van de wetgever om de grenzen van de kieskringen te laten samenvallen met de provinciegrenzen : het Hof ziet hierin een schending van het gelijkheidsbeginsel.

a. De grond van de zaak

Bij het lezen van het arrest nr. 73/2003 van het Arbitragehof en van de adviezen van de Raad van State met betrekking tot de voorstellen en amendementen die hierover zijn ingediend, kunnen verschillende rechtselementen in herinnering worden gebracht.

1. Volgens het arrest van het Arbitragehof zou er een oplossing moeten worden gevonden vóór 19 juni 2007, de dag waarop vier jaar eerder de gecoöpteerde senatoren werden aangewezen. Een oplossing was met andere woorden niet noodzakelijk vóór de organisatie van de volgende federale verkiezingen. Er diende echter wel een oplossing te komen vóór de verkiezingen daarna : de oplossing zou er pas kunnen komen in de loop van 2010 of begin 2011 (behalve in geval van vervroegde ontbinding van de federale Kamers).

2. De Grondwet legt de splitsing van de kieskring BHV niet op. De artikelen 4 en 63 van de Grondwet kunnen de splitsing niet wettigen : ze zijn in dat opzicht « neutraal ». Welke oplossing er ook gevonden wordt, artikel 63 schrijft evenwel voor dat de beginselen inzake evenredigheid en gelijkheid moeten worden gevrijwaard. Ook het beginsel « een man/een vrouw, een stem » dient te worden nageleefd.

3. Het Arbitragehof schrijft deze splitsing evenmin voor.

— Het arrest van het Arbitragehof heeft slechts betrekking op de kieskringen voor de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers : de verschillende behandeling die het Hof opmerkt, vloeit voort uit het feit dat de wetgever heeft beslist dat de kieskringen en de provinciegrenzen voor de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers samenvallen. Dit arrest kan in geen geval de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde verantwoorden voor de verkiezingen van de Senaat en het Europees Parlement, die worden georganiseerd op basis van kiescolleges.

— Het Hof eist de splitsing van deze kieskring niet voor de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Het is de hervorming van 2002 (of wat hiervan overblijft na de gedeeltelijke vernietiging ervan) die door het Hof wordt bekritiseerd. Er is bijgevolg sprake van onverenigbaarheid tussen de hervorming van 2002, zoals die eruitziet na de gedeeltelijke vernietiging ervan door het Hof, en het behoud van de kieskring BHV. De Raad van State bevestigt deze interpretatie : door (bijvoorbeeld) terug te keren naar de oude kieskringen of in het algemeen de logica van de provinciale kieskringen te verlaten, moet de kieskring BHV niet worden gesplitst. Er moet « iets worden gedaan », maar een splitsing van deze kieskring is niet noodzakelijk.

— Het Arbitragehof vraagt rekening te houden met de bescherming van de minderheden in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde alsook in de ganse voormalige provincie Brabant.

b. De elementen die de regering naar voren heeft geschoven na het einde van de crisis in 2005

In de maanden april en mei 2005 heeft de regering getracht een akkoord over de kwestie te bereiken, maar tevergeefs. Op 11 mei vroeg de eerste minister in een verklaring voor de Kamer van volksvertegenwoordigers om deze besprekingen sine die uit te stellen. Hierbij gaf hij aan dat een goede oplossing ter zake zou voortvloeien uit een beslissing waarover de beide gemeenschappen overleg zouden hebben gepleegd en die door beide zou worden aanvaard : « een taalgroep kan niet eenzijdig zijn visie opdringen aan een andere taalgroep. ». Hij heeft ook gevraagd dat men op termijn tot een akkoord zou komen. « Maar vooral zal dit een sereen klimaat vereisen, dat onder de dreiging van een stemming in het parlement niet mogelijk is. Zo werkt ons samenlevingsmodel niet. » (19) .

In het voorakkoord over de kieskring BHV van 2005 werd voor het volgende mechanisme geopteerd :

« In het arrondissement BHV zouden de Franstaligen worden ingedeeld in drie categorieën. De eerste categorie omvat de 6 faciliteitengemeenten (Kraainem, Wezembeek, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Drogenbos). De Franstalige inwoners zouden hier hun huidige administratieve en electorale rechten behouden. Ze zouden zelfs onder het toezicht van de Franse Gemeenschap worden geplaatst voor een hele reeks persoonsgebonden aangelegenheden (waaronder cultuur en kleuteronderwijs). De tweede categorie zou een groep van 17 gemeenten omvatten waar de (electorale) faciliteiten die momenteel aan de Franstaligen zijn toegekend geleidelijk zouden uitdoven volgens een nog te bepalen tijdschema. Bovendien zouden deze faciliteiten niet meer gelden voor nieuwe inwoners. Het zou dus gaan om een overgangsregime. De derde categorie, een groep van 12 gemeenten die nog verder van Brussel verwijderd zijn (waar gemiddeld slechts 10 % Franstaligen wonen), zou onmiddellijk worden geschrapt. Voor de gemeenten van de laatste twee categorieën zouden de Franstaligen bijgevolg op termijn niet meer kunnen stemmen op Franstalige kandidaten in Brussel, maar ofwel op Vlaamse kandidaten, ofwel op eventuele lijsten die Franstaligen in Vlaanderen zouden indienen. »

De gordiaanse knoop « BHV » zou op die manier doorgehakt worden. Het idee was om elementen voor persoonlijk federalisme in de rand uit te werken, omdat men in dit voorakkoord de Franse Gemeenschap de mogelijkheid bood scholen of crèches te openen of sport- en cultuurverenigingen te financieren. De Raad van State heeft zonder geldige reden twijfels geuit over de grondwettelijkheid van dit voorstel.

De bedoeling was om in artikel 63 van de Grondwet een reeks maatregelen op te nemen om de kieskring te splitsen, in ruil waarvoor de Franstaligen heel wat uitzonderingen in tijd en ruimte zouden verkrijgen. Er werd een gemeenschappelijke kieskring voor Vlaams-Brabant en Brussel opgericht voor de Vlaamse lijsten. Zoals in de bepalingen van de wet van 2002 die door het Arbitragehof werden vernietigd, waren de Vlaamse lijsten identiek in Vlaams-Brabant en Brussel.

De Franstalige lijsten zouden op hun beurt worden ingediend in Brussel en in de zes gemeenten in de rand; in dit welbepaalde kiesgebied veranderde er dus niets ten opzichte van de bestaande situatie.

De situatie op electoraal gebied zou er als volgt uitzien :

— De Brusselse kiezers kunnen stemmen op Vlaamse of Franstalige lijsten, net zoals de kiezers in de zes faciliteitengemeenten.

— De kiezers in Waals-Brabant (kieskring Nijvel) kunnen uitsluitend op Franstalige lijsten stemmen, zoals dat vandaag het geval is. Deze lijsten kunnen een verklaring tot apparentering met de Franstalige lijsten in Brussel indienen voor de toewijzing van de zetels. Men kan geen kandidaat zijn voor twee lijsten : Brussel en Waals-Brabant.

— Voor de kiezers in Vlaams-Brabant (kieskringen Halle-Vilvoorde en Leuven) verandert de situatie : zij kunnen stemmen op dezelfde kandidaten, die tevens opkomen in Brussel (hetgeen nieuw is voor de kiezers van Leuven), voor zover ze stemmen op Nederlandstalige lijsten.

— De Franstalige kiezers in Halle-Vilvoorde die buiten de zes faciliteitengemeenten wonen, kunnen hun stem uitbrengen in een Brusselse gemeente op voorwaarde dat ze wonen in een van de gemeenten (20) op een welbepaalde lijst en dat ze kiesgerechtigd zijn tijdens de verkiezingen van 2007. Op termijn zou de keuze van alle inwoners beperkt zijn tot de Vlaamse lijsten.

De Franstalige onderhandelaars hadden de mogelijkheid voor de overgrote meerderheid van de Franstaligen in Halle-Vilvoorde om te stemmen op de Franstalige lijsten in Brussel behouden, vooral in de zes faciliteitengemeenten, terwijl de Vlamingen hadden verkregen dat enkel de lijsten met Vlaamse kandidaten nog mochten worden aangeboden aan de kiezers in het grootste deel van het administratieve arrondissement Halle-Vilvoorde.

Daarbij komt dat het er enkel om ging het arrest van het Arbitragehof uit te voeren : het arrest had enkel betrekking op de verkiezing van de Kamer. Voor de Senaat en het Europees Parlement bleef de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde bestaan. Voor die verkiezingen behielden de Franstaligen al hun rechten.

Het vervolg is bekend, gaat mevrouw Defraigne verder. De Vlaamse partijen hebben tijdens deze zittingsperiode opnieuw een reeks voorstellen ingediend, waarvan de inhoud grosso modo overeenstemt met de teneur van de voorstellen die tijdens de vorige zittingsperiode werden ingediend.

De Franstalige partijen hebben geprobeerd om op de verschillende voorstellen te reageren via andere voorstellen en via een aantal amendementen die werden ingediend.

De Raad van State heeft over sommige van die voorstellen advies kunnen uitbrengen en heeft voor andere verwezen naar zijn vroegere adviezen. Het is niet overbodig om een lijst te maken van de voorstellen die een alternatief voor de splitsing bieden. Deze voorstellen verschillen nog van dit voorakkoord uit 2005.

c. Andere mogelijke oplossingen

Tijdens de huidige en de vorige zittingsperiode werden een aantal voorstellen die een « alternatief » voor de splitsing vormden, ingediend. Deze voorstellen kunnen bondig als volgt worden samengevat :

— de huidige garanties van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde uitbreiden naar alle Franstaligen en Vlamingen van de vroegere provincie Brabant voor alle verkiezingen waarop de problematiek betrekking heeft. De bedoeling is om naast de acht provinciale kieskringen een nieuwe kieskring op te richten die de administratieve arrondissementen Brussel-Hoofdstad, Nijvel, Halle-Vilvoorde en Leuven omvat;

— de electorale kaart ongemoeid laten, mits voor de vigerende indeling een andere rechtvaardiging wordt gegeven dan de provinciegrenzen, bijvoorbeeld via een interpretatieve wet. Deze oplossing werd voorgesteld door de grondwetsspecialisten M. Verdussen en H. Dumon, tijdens een hoorzitting in de commissie voor de Binnenlandse Zaken van de Kamer in maart 2005 (H. Dumont heeft toen hierover tevens een opiniestuk gepubliceerd in La Libre Belgique). Hun standpunt is gebaseerd op het feit dat de verantwoording van de kieskring BHV naar aanleiding van de vernietiging van de wet van 2002 door het Arbitragehof niet langer opgaat. Bovendien spreekt het Hof met betrekking tot deze kieskring enkel over « verschil in behandeling » en niet over « discriminatie » (dit wil zeggen een ongegronde ongelijke behandeling). Een nieuwe verantwoording zou kunnen volstaan om de handhaving ervan te wettigen. Het Hof heeft een discrete opening in die richting gemaakt door erop te wijzen dat kan worden voorzien in « bijzondere modaliteiten die kunnen afwijken van degene die gelden voor de andere kieskringen ».

De Raad van State heeft de grondwettelijkheid van dit denkspoor niet erkend;

— terugkeren naar de indeling vóór de hervorming van 2002 : deze mogelijkheid wordt uitdrukkelijk door de Raad van State overwogen;

— de grootte van een momenteel provinciale kieskring wijzigen (zelfs in beperkte mate), teneinde van deze provinciale logica los te raken;

— men zou een hervorming van de electorale kaart kunnen overwegen die het volgende impliceert :

+ de verkiezing van een deel van de volksvertegenwoordigers op grond van colleges (zoals voor de Senaat), teneinde de stemmenkanonnen de mogelijkheid te bieden bij de verkiezingen op te komen voor alle kiezers van hun gemeenschap;

+ de verkiezing van het andere deel van de volksvertegenwoordigers op grond van kleine kieskringen, teneinde de lokale verankering te bevorderen;

— het behoud van BHV en wijziging van artikel 63 van de Grondwet, teneinde de bepalingen die door het Arbitragehof werden bekritiseerd erin te herschrijven. Dit artikel is voor herziening vatbaar verklaard.

Op niet-limitatieve wijze werden op een gegeven moment tijdens het debat ook andere opties aangehaald :

— de splitsing met inschrijvingsrecht als kiezer in een kieskring naar keuze (naar het voorbeeld van artikel 89bis van het Kieswetboek, waardoor de kiezers van Voeren en Komen respectievelijk in Aubel, Frans taalgebied, en in Heuvelland, Nederlands taalgebied, kunnen gaan stemmen);

— het inschrijvingsrecht in Brussel dat na de splitsing enkel wordt voorbehouden voor de kiezers van de zes gemeenten in de rand (optie die naar voren werd geschoven door de formateur, de heer Yves Leterme, op 6 november 2007). Deze oplossing werd door de Franstaligen verworpen, aangezien ze het bijna-akkoord van 2005 niet evenaart;

— de splitsing met de vorming van een federale kieskring : hierbij zou een aantal volksvertegenwoordigers bij de verkiezingen opkomen voor alle Belgische kiezers. Deze optie (die naar voren werd geschoven door de PAVIA-groep en een tijdlang werd overgenomen door de heer Didier Reynders) is evenwel als dusdanig geen antwoord op de splitsing van BHV, omdat men er de moeilijkheden omtrent de theorie van uti possidetis bijvoorbeeld niet mee kan omzeilen — een tegenkanting die door N-VA en CD&V werd gemaakt;

— de splitsing met dubbel stembiljet : de kiezers van de gesplitste kieskring zouden over twee stembiljetten beschikken, het ene met Brusselse kandidaten, het andere met kandidaten uit HV en zouden er slechts een gebruiken.

Tot slot benadrukt mevrouw Defraigne dat het Arbitragehof nooit geëist heeft dat de kieskring BHV zou worden gesplitst.

De heer Geert Lambert toont zich graag bereid om een historisch overzicht te geven van de evolutie van de taalwetgeving. Maar daarvoor is het hier noch de plaats, noch de tijd. Aan de orde is immers enkel de verplichting voor de Senaat om een advies te verstrekken over het voorliggende belangenconflict.

a. België en zijn evenwichten

Net als de heer Delpérée wenst de heer Lambert mee te zoeken naar een oplossing. Dat hoeft niet voor het oog van de camera te gebeuren. Niets belet de commissie om met gesloten deuren te vergaderen.

Ten gronde is hij het ermee eens dat er best naar een onderhandelde oplossing voor het conflict wordt gestreefd. Hij stelt echter node vast dat deze kwestie reeds drie jaar op de politieke agenda staat en dat men, ondanks de grote verklaringen over vijf minuten politieke moed, nog geen stap dichter bij een oplossing is gekomen.

In dat verband weerspreekt hij de bewering van mevrouw Defraigne dat men in 2005 op een steenworp verwijderd was van een oplossing. De geschiedenis heeft haar rechten. De heer Lambert verklaart uitdrukkelijk dat die vermeende oplossing er geen was. Hij betreurt dat en wil later wel eens terugkomen op de redenen van die mislukking. Op dit ogenblik moge het volstaan te stellen dat sommigen blijkbaar niet langer doordrongen zijn van het historisch besef dat ons land op een aantal evenwichten is gebouwd. De afspraken die daaromtrent zijn gemaakt, zijn fundamenteel. Één van die afspraken betreft de indeling van ons land in vier taalgebieden en de goedkeuring van taalwetten. Sommigen betreuren dat, maar de akkoorden daarover zijn historisch gegroeid.

Spreker behoort niet tot diegenen die geloven dat de Nederlandse cultuur minderwaardig is en de Franse hoogstaand. Maar men kan niet ontkennen dat het Nederlands een zwakkere cultuur is, louter vanwege het feit dat haar taalgebied kleiner is, net zoals het Frans op zijn beurt, op internationaal vlak, door het Engels onder druk is komen te staan. Jack Lang, de Franse minister van Buitenlandse Zaken, heeft vroeger als minister van Cultuur trouwens — terecht — maatregelen genomen om de Franse taal te beschermen. In ons land werden er niet alleen om culturele, maar ook om politieke redenen, die nog steeds als fundamenteel worden ervaren, afspraken gemaakt over de indeling van ons land in taalgebieden. Wanneer men die afspraken op de helling wenst te zetten, dan heeft dat zeer verregaande consequenties.

Vanuit Franstalige hoek wordt opgeworpen dat het in ons land onaanvaardbaar is dat één taalgroep haar wil oplegt aan de andere. Spreker kan daar deels in meegaan. Maar dat principe moet dan ook in de omgekeerde richting gelden. Wanneer een gemeenschap stelselmatig weigert om de door de andere gemeenschap voorgestelde oplossingen te onderzoeken of bepaalde realiteiten onder ogen te zien, dan komt dat evenzeer neer op het weigeren van de dialoog.

De splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde is een oud verhaal waarvoor vroeg of laat een ontknoping moet worden gevonden. Tot nu toe is er zelfs geen begin van oplossing in zicht geweest. Na de federale verkiezingen van 10 juni 2007 voelden de Vlaamse partijen zich echter gesterkt door een duidelijk electoraal mandaat en verklaarden ze zich bereid om de wetsvoorstellen houdende de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde goed te keuren en daarvan de consequenties te dragen. Met dat signaal willen ze nagaan of de Franstaligen respect kunnen opbrengen voor de evenwichten en de historische afspraken die daarover zijn gemaakt. De taalgrens behoort tot die kern.

Spreker moet echter vaststellen dat er langs Franstalige zijde niet de minste poging is gedaan om tot een oplossing te komen. Integendeel, men komt weer op de proppen met de grote Brabantse kieskring. Dergelijke voorstellen ondergraven de bestaande evenwichten nog meer en kunnen niet ernstig worden genomen. Inmiddels wordt het land reeds meer dan tien maanden gegijzeld zonder dat er enige vooruitgang is geboekt.

b. Ernstige benadeling van de Franse Gemeenschap ?

De fundamentele vraag waarover de commissie zich moet buigen, is of de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde de belangen van de Franse Gemeenschap ernstig zou benadelen.

In juridische procedures dienen de verzoekers duidelijk aan te tonen in welke belangen zij zich benadeeld achten. De motie van het Parlement van de Franse Gemeenschap reikt echter geen enkel argument aan waaruit zou blijken dat de fundamentele belangen van de Franstaligen zouden worden geschaad. Is het de bedoeling van de Vlamingen om de Franstaligen in Halle-Vilvoorde hun actief kiesrecht te ontnemen ? Neen. Is het de bedoeling van de Vlamingen om de Franstaligen in Halle-Vilvoorde hun passief kiesrecht te ontnemen ? Neen. Zij zullen nog steeds lijsten kunnen indienen in de kieskring Vlaams-Brabant, zoals ze dat nu kunnen doen in de kieskring West-Vlaanderen. De verkiezing van het Vlaams Parlement vormt daarvan het perfecte voorbeeld. Een kandidaat van een Franstalige partij is verkozen in de kieskring Vlaams-Brabant en heeft effectief zitting in het Vlaams Parlement. Aan Franstalige kant verklaart men nu wel dat er destijds een historische vergissing werd begaan toen Toon Van Overstraeten uit de Waalse Gewestraad werd gezet, hoewel hij er rechtmatig gekozen was. Maar ten gronde hebben de Franstaligen nog steeds niet de intentie om hun houding op dat vlak te wijzigen.

De in de Kamer aanhangige wetsvoorstellen hebben dus geenszins tot doel de Franstaligen hun democratisch kiesrecht te ontnemen. Maar het mag evenmin de bedoeling zijn om, als tegenprestatie, van de Vlamingen te eisen dat ze de afspraken herzien die over de taalgrens en de faciliteitengemeenten zijn gemaakt. Zo worden de evenwichten waarop ons land is gebouwd, verstoord. De eis om de faciliteiten aanzienlijk uit te breiden, kan derhalve niet ernstig worden genomen. Zij gaat in tegen de arresten van het hoogste administratieve rechtscollege, de Raad van State. In een rechtsstaat mag men verwachten dat die arresten worden gerespecteerd. Men moet echter eens te meer vaststellen dat de Franstaligen opnieuw van de kleinste opening gebruik proberen te maken om die rechtspraak te omzeilen.

België is een complex land, met subtiele evenwichten. De faciliteiten zijn daar een onderdeel van. Ze werden destijds in zes gemeenten ingevoerd om de pacificatie tussen de Franstalige minderheid en de Nederlandstalige bevolkingsgroepen te bewerkstelligen. Natuurlijk zijn de tijden veranderd. Maar wanneer instellingen de mogelijkheid die aan de bevolkingsgroepen wordt geboden om vreedzaam naast elkaar te leven en privaat hun eigen taal te kunnen gebruiken, pogen te misbruiken om het omgekeerde te realiseren, dan dient men zich toch de vraag te stellen of de wil nog aanwezig is om die afspraken op correcte wijze na te leven. De herhaalde pogingen van de Franse Gemeenschap om voet aan de grond te krijgen in de faciliteitengemeenten, zijn daar een mooi voorbeeld van. Telkens werd ze teruggefloten door het Arbitragehof (zie onder andere het Carrefour-arrest-I : nr. 54/96 van 3 oktober 1996, het Carrefour-arrest- II : nr. 22/98 van 10 maart 1998, het Carrefour-arrest-III : nr. 50/99 van 29 april 1999, het het Carrefour-arrest-IV : nr. 56/2000 van 17 mei 2000 en het Carrefour-arrest-V : nr. 145/2001 van 20 november 2001). Desondanks blijft men pogen de bestaande evenwichten te ondermijnen.

De motie van het Parlement van de Franse Gemeenschap betreffende het voorliggende belangenconflict vormt daarvan een nieuwe illustratie. Zo wordt opgeworpen dat « de Franse Gemeenschap de instelling is die de solidariteit tussen alle Franstaligen in ons land waarborgt » (stuk Kamer, nr. 52-37/8, blz. 6). Dat gaat regelrecht in tegen de Grondwet en verstoort opnieuw de institutionele evenwichten.

Op grond van de lectuur van de motie en van de argumentatie in de desbetreffende parlementaire stukken is de heer Lambert dan ook van oordeel dat de Senaat eigenlijk maar één advies kan verstrekken, namelijk dat er geen belangenconflict is.

De politieke episode die ons land nu doormaakt, wekt bij spreker grote bekommernis over de evolutie die ons land in de komende maanden te wachten staat. Die uitspraak zal sommigen verwonderen. Maar om de verhoudingen tussen de twee grote gemeenschappen te pacificeren, blijft spreker ervoor pleiten om een fundamenteel debat te houden over wat zij nog samen wensen te doen. Beide gemeenschappen moeten daarbij als evenwaardig ten opzichte van elkaar worden beschouwd. Daarenboven zou ook de Duitstalige Gemeenschap in dat gesprek moeten worden betrokken. Het volstaat dus niet langer om in de marge van de Grondwet te blijven morrelen of te blijven vasthouden aan wat ooit een begin van oplossing had kunnen zijn.

Als overtuigd Europeaan is de heer Lambert van mening dat alleen door samenwerking binnen de Europese Unie vooruitgang kan worden geboekt. Als buren zullen Vlamingen en Walen vanuit de Euregiogedachte nauwere contacten moeten leggen om op bepaalde terreinen samen beleid te voeren, zoals inzake klimaat en met het oog op het behoud van de solidariteit. Maar dat alles begint vanuit respect voor elkaar en de mogelijkheid om gekozenen te hebben in elkaars gewest.

De door de Kamercommissie goedgekeurde wetsvoorstellen doen namelijk op geen enkele wijze afbreuk aan het recht van iedere burger om zijn vertegenwoordigers te kiezen. Zij respecteren het institutioneel kader dat vanaf de jaren 1960 werd uitgetekend met het oog op de samenleving van de twee grote gemeenschappen in dit land. Spreker hoopt dan ook dat hij zich vergist wanneer hij uit de uiteenzetting van de heer Hugo Vandenberghe meent te kunnen afleiden dat de goedkeuring van deze wetsvoorstellen eigenlijk geen waarde heeft en zij buiten beschouwing mogen worden gelaten omdat toch naar een onderhandelde oplossing zal worden gestreefd. Indien men het bestaande institutioneel kader niet langer wenst te respecteren, dat men het dan zegge. Op dat ogenblik zal de heer Lambert zijn discours veranderen.

De heer Hugo Vandenberghe repliceert dat de vorige spreker zijn verklaringen verkeerdelijk heeft geïnterpreteerd.

De heer Christophe Collignon maakt vier opmerkingen.

a. Een onderhandelde oplossing

Spreker is het eens met het besluit dat de grote meerderheid van de bevolking een onderhandelde oplossing wil voor het probleem van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. Elk voorstel is welkom, maar ondanks de deskundigheid in deze commissie, blijft het een moeilijk probleem.

b. Schending van de belangen van de Franse Gemeenschap

Het begrip belangenconflict moet niet als dusdanig opgevat worden, maar in het raam van de federale Staat. In deze context is er sprake van een belangenconflict wanneer een gemeenschap oordeelt dat een bepaling haar belangen zal schaden, niet haar eigen belangen, maar haar belangen in het raam van de werking van de federale Staat. De bewering dat de belangen van de Franse Gemeenschap niet aangetast worden, is dus niet juist. Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft niet zomaar de procedure van het belangenconflict op gang gebracht. Het meent integendeel dat de wetsvoorstellen die in de Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken, de Algemene Zaken en het Openbaar Ambt aangenomen werden, een groot probleem vormen voor de Franstaligen.

c. Gemotiveerd advies van de Senaat

De heer Collignon deelt de mening van de heren Delpérée en Cheron dat een onderhandelde oplossing de beste manier is om uit de impasse te komen. Of men het wil of niet, de stemming die in de Kamercommissie de twee gemeenschappen tegenover elkaar heeft geplaatst, heeft een trauma achtergelaten bij de Franstaligen. Wat een federale Staat in evenwicht houdt, is de wil van de deelstaten om zich te ontwikkelen en samen te werken met respect voor de diversiteit. Het numerieke overwicht aanwenden om elk probleem op te lossen waarover de deelgebieden van de federale Staat het niet eens raken, zet de grondslagen van deze Staat op losse schroeven en zal tot grote problemen leiden. Men moet zich ervan bewust zijn dat de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde voor de Franstaligen een essentiële voorwaarde vormt voor het behoud van de federale Staat en het wederzijdse respect tussen de gemeenschappen.

d. Arrest nr. 73/2003 van het Arbitragehof

Het Arbitragehof heeft geoordeeld dat de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde een grondwettelijk probleem vormt, maar heeft niet gezegd dat de splitsing ervan de enige oplossing is. Er zijn er andere.

De heer Hugo Coveliers verklaart dat dit belangenconflict één van de basisprincipes van de democratie raakt, namelijk de eerbiediging van democratisch goedgekeurde wetgeving. Daar behoren onder andere de taalwetten uit 1963 toe en de opeenvolgende staatshervormingen.

Het is de taak van de Senaat om aan het Overlegcomité een gemotiveerd advies te verstrekken over het onderhavige belangenconflict. Maar aan de orde is niet langer de vraag of het Arbitragehof in zijn arrest nr. 73/2003 al dan niet heeft verklaard dat de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde moet worden gesplitst. Het Hof zou zijn bevoegdheid te buiten zijn gegaan indien het daarover stelling had ingenomen. Het diende enkel te oordelen over de vraag of de inwoners van de kieskring Leuven door de wetten van 13 december 2002 werden gediscrimineerd. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord en de betrokken bepalingen vernietigd. Het aanvaardde weliswaar dat de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde behouden werd voor de verkiezingen van 10 juni 2003, maar het eiste terzelfder tijd van de wetgever dat hij het probleem zou oplossen tegen de verkiezingen in 2007. Dat is echter — typisch Belgisch — niet gebeurd. Hopelijk wordt de kwestie geregeld tegen de volgende verkiezingen, zo niet loopt ons land het risico door de OVSE te worden berispt.

Na het vernietigingsarrest van het Arbitragehof heeft zich evenwel een nieuw feit voorgedaan. In de Kamer van volksvertegenwoordigers zijn er wetsvoorstellen ingediend met het oog op de splitsing van de voormelde kieskring. Die voorstellen werden door een democratische meerderheid aangenomen in de Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken, algemene Zaken en het Openbaar Ambt. De democratie is in dit land echter zodanig gemodelleerd ter wille van bepaalde belangen dat ze er sterk door wordt verzwakt. Één van de instrumenten daartoe is het belangenconflict, dat geen juridisch bevoegdheidsconflict is, maar een politiek conflict.

De Franstalige partijen beweren nu dat de meerderheidsstemming in de Kamercommissie niet moet worden gerespecteerd. Maar hoe dikwijls hebben Vlaamse partijen al niet met Franstalige partijen tegen de Vlamingen gestemd ? Er zijn voorbeelden waarbij Vlaamse partijen knarsetandend wetteksten hebben goedgekeurd, hoewel 80 % van de Vlaamse publieke opinie en van de gekozen parlementsleden er tegen was.

Als een stemming hun niet goed uitkomt, passen de Franstaligen de « arithmétique hollandaise » toe door te zeggen dat er van een democratische meerderheid geen sprake kan zijn wanneer er fundamentele rechten worden geschonden.

De Senaat is er nu toe gehouden om uiterlijk tegen 12 maart 2008 een advies te verstrekken over de vraag welke belangen van de Franstalige Gemeenschap geschaad zouden kunnen worden.

Artikel 2 van de Grondwet bepaalt dat België drie gemeenschappen omvat : de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap.

De heer Geert Lambert heeft terecht opgemerkt dat de belangen van de individuele Franstalige in Vlaanderen hier niet aan de orde zijn. Net zo min als de belangen van de individuele Chinees in Antwerpen door de Volksrepubliek China of Taiwan moeten worden verdedigd, moeten de belangen van die Franstalige in Vlaanderen door de Franse Gemeenschap worden verdedigd. Daarvoor moet die burger de gebruikelijke democratische kanalen volgen en eventueel zijn rechten voor de rechtbanken afdwingen.

Als de Franse Gemeenschap zich, in strijd met de taalwetgeving en de opeenvolgende staatshervormingen, over de taalgrens gaat moeien met de individuele belangen van de Franstaligen in Vlaanderen, zoals Turkije dat doet met de Turken in Irak, dan heeft dat historisch een naam.

Het individuele belang van de Franstalige is identiek en evenwaardig aan het belang van elke andere burger in Vlaanderen, die in de private sfeer om het even welke taal mag gebruiken. Maar dat belang kan niet door een ander constitutioneel orgaan, zoals de Franse Gemeenschap, worden verdedigd. Dat zou in strijd zijn met de Grondwet die uitdrukkelijk bepaalt dat de indeling in taalgebieden en de taalgrens moeten worden geëerbiedigd.

Er kan dus geen twijfel over bestaan dat er geen belangenconflict voorhanden is om de eenvoudige reden dat de Franse Gemeenschap in dezen gewoonweg geen belang heeft. Indien ze meent dat er een bevoegdheidsconflict is — quod non —, dan kan zij bij het Grondwettelijk Hof een beroep tot vernietiging van de betrokken wetten indienen.

De heer Francis Delpérée wijst op het beledigende karakter van de woorden van de vorige spreker, wanneer hij de situatie van Belgen vergelijkt met die van buitenlanders op Belgisch grondgebied.

De heer Vankrunkelsven maakt de volgende kanttekeningen.

a. Een onderhandelde oplossing

Spreker verklaart dat zijn partij zich volkomen achter de passage in de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen schaart, volgens welke er zal worden gestreefd naar « een onderhandelde oplossing om een antwoord te bieden op het arrest van het Grondwettelijk Hof inzake Brussel-Halle-Vilvoorde » (stuk Senaat, nr. 4-602/1, blz. 4). Dit voorstel van bijzondere wet komt uit de werkgroep staatshervorming (Octopus) en is ondertekend door vertegenwoordigers van acht verschillende Nederlandstalige en Franstalige politieke partijen.

De Open VLD heeft zich, zowel tijdens de vorige legislatuur als tijdens de verkiezingscampagne in de aanloop naar de federale verkiezingen van 10 juni 2007, steeds voorstander betoond van een dialoog tussen de gemeenschappen. Het is niet zijn partij die verklaard heeft dat vijf minuten politieke moed zouden volstaan om het probleem op te lossen . Het was ook niet zijn partij die ervoor heeft geijverd om met betrekking tot de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde het woord onverwijld in het Vlaams regeerakkoord op te nemen en die achteraf in die regering is blijven zitten.

b. Historiek

In haar historische schets verliest mevrouw Defraigne uit het oog dat België thans tien provincies telt en dat die indeling vrij definitief is.

Eén van de pistes die zij aangeeft om het probleem van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde op te lossen bestaat erin naar het verleden terug te keren en een kieskring in te stellen die het grondgebied van de oude provincie Brabant omvat.

De heer Vankrunkelsven is van oordeel dat men nog verder in de tijd kan teruggaan toen het hertogdom Brabant een veel ruimer gebied omspande en bijvoorbeeld ook de provincie Noord-Brabant in Nederland omvatte. Maar de geschiedenis is wat ze is. Er kan bijgevolg niet meer aan de binnenstatelijke grenzen worden getornd.

c. Belangenschade voor de Franse Gemeenschap ?

De heer Vankrunkelsven beklemtoont dat de Open VLD achter de wetsvoorstellen staat die de Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken, algemene Zaken en het Openbaar Ambt heeft goedgekeurd. Zijn partij is eveneens van oordeel dat de belangen van de Franse Gemeenschap niet door de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde zouden worden geschaad. Zoals de heer Lambert heeft uiteengezet, staan deze voorstellen er niet aan in de weg dat Franstalige partijen lijsten indienen in Vlaams-Brabant en er campagne voeren, net zo min als Franstaligen voor kandidaten op die lijsten kunnen stemmen. Hoogstwaarschijnlijk zullen zij er zelfs meer zetels in de federale Kamer behalen dan nu. Indien evenwel zou blijken dat de voorgestelde regeling voor verbetering vatbaar is, dan is zijn partij bereid daarover te onderhandelen.

Vanuit die optiek acht hij de door het Parlement van de Franse Gemeenschap aangenomen motie nogal tergend omdat ze expliciet en impliciet de gedachte vertolkt dat de Franse Gemeenschap zich bedreigd voelt door de Vlaamse Gemeenschap. Na decennia vreedzaam samenleven binnen de Vlaamse Gemeenschap acht hij dat vrij verregaand, maar tot daar aan toe. Dat de goedkeuring van de betrokken wetsvoorstellen volgens de motie afbreuk doet aan het institutionele evenwicht tussen de twee grote gemeenschappen van het land, ook daar neemt hij akte van. Maar wat bijzonder irritant is, is de volgende considerans : « Overwegende dat de Franse Gemeenschap de instelling is die de solidariteit tussen alle Franstaligen in ons land waarborgt » (stuk Kamer, nr. 52-37/8, blz. 6). Juist deze overweging is manifest in tegenspraak met het Belgisch institutioneel kader. De Franse Gemeenschap is enkel bevoegd voor het Franse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Zij is geenszins bevoegd in Vlaanderen. Daarvoor zijn onder anderen de Franstalige gekozenen in de Senaat bevoegd. Zij dienen te waken over de solidariteit tussen alle individuen in het land. Het is dan ook uiterst betreurenswaardig dat de Franse Gemeenschap een stelling verdedigt die juridisch onhoudbaar is. Aldus valt zij andere instellingen aan met de bedoeling het institutionele evenwicht te doorbreken.

Spreker besluit dat de commissie de tijd moet nemen om, liefst unisono, een advies te verstrekken. Zijn partij is bereid om tot een onderhandelde oplossing van het probleem van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde te komen teneinde de institutionele evenwichten te verbeteren. Maar de Franstaligen moeten er zich goed rekenschap van geven dat, indien er geen akkoord uit de bus komt, die wetsvoorstellen ooit tot wet zullen worden verheven.

De heer Delpérée antwoordt als volgt op de verklaringen van de heer Vankrunkelsven.

a. Solidariteit tussen Franstaligen

De heer Vankrunkelsven geeft een verkeerde interpretatie van de considerans betreffende de solidariteit tussen alle Franstaligen in het land. De solidariteit waarvan hier sprake is, is een politieke solidariteit met de Franstaligen in de hele wereld. Het is geen juridisch begrip of een uitbreiding van het toepassingsgebied van de decreten van de Franse Gemeenschap. Indien het cdH in een Vlaamse kieskring een lijst indient, spreekt het vanzelf dat de Franstaligen solidair zullen zijn met al wie zich kandidaat stelt of voor deze partij stemt.

b. De gegrondheid van de motie van het Parlement van de Franse Gemeenschap

De vraag of de motie al dan niet gegrond is, is niet zo belangrijk. De vraag is of er rechten geschonden zijn. Sommigen oordelen dat grondrechten in het gedrang komen. Het belangenconflict dat het Parlement van de Franse Gemeenschap aanvoert, is echter geen bevoegdheidsconflict. De Senaat moet niet nagaan of de wetten correct nageleefd of toegepast werden. De taak van de Senaat bestaat erin te onderzoeken of de wetsvoorstellen die in de Kamercommissie zijn aangenomen, een inbreuk zijn op wat de Franse Gemeenschap belangrijk acht, haar belangen en haar waarden. Wat voor het Parlement van deze gemeenschap een probleem vormt, is de eenzijdige aanneming van twee wetsvoorstellen in de Kamercommissie van Binnenlandse Zaken.

Spreker verheugt zich over het feit dat de indieners van het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen teruggrijpen naar een andere methode, de onderhandelde oplossing (stuk Senaat, nr. 4-602/1, blz. 4).


De heren Antheunis en Fournaux hebben zelf een voorstel geformuleerd. Het is niet in de vorm van een wetsvoorstel gegoten, maar bevat een aantal beginselen die volgens de indieners kunnen bijdragen tot een oplossing van het probleem. Het voorstel wordt kort uiteengezet voor de commissie, die er akte van neemt.

De heer Filip Anthuenis gaat akkoord met de stelling van de heer Lambert dat de tijd aangebroken is voor fundamentele en structurele hervormingen. Daarom heeft hij samen met senator Fournaux in een constructieve geest een voorstel uitgewerkt dat uitsluitend hun persoonlijk standpunt vertolkt en niet dat van hun respectieve partijen Open VLD en MR. Dat zou trouwens moeilijk gaan omdat de twee partijstandpunten over deze kwestie mijlenver uit elkaar liggen. Indien elke senator er zich toe blijft beperken het standpunt van zijn partij te vertolken, dan zullen zij naast elkaar blijven praten en blijft de zaak muurvast zitten. Het voorstel dat hij met senator Fournaux heeft uitgewerkt, wenst de commissie en eventueel ook het Overlegcomité een aantal pistes aan te reiken om uit de impasse te geraken.

In het licht van artikel 143 van de Grondwet en artikel 32, § 1quater, van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen rijst trouwens de vraag of de leden van de commissie in deze aangelegenheid wel als vertegenwoordigers van hun partij zitting hebben. Verscheidene interpretaties zijn mogelijk. De grondwetgever heeft de Senaat immers de kernopdracht gegeven om de betrekkingen tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten te onderhouden en te optimaliseren. In voorafspiegeling van de toekomstige Senaat der gewesten en gemeenschappen zou onze assemblee haar adviestaak inzake belangenconflicten op een ernstige wijze moeten vervullen.

Vanuit dat perspectief hebben de senatoren Anthuenis en Fournaux bijgevolg zelf een voorstel van oplossing uitgewerkt. Aan te stippen valt dat zij daarover met senatoren van andere partijen hebben overlegd. Maar door het communautair opbod hebben die besloten niet mee in dit verhaal te stappen.

De heer Richard Fournaux verklaart dat de heer Anthuenis en hijzelf niet de pretentie hebben te geloven dat zij alleen er kunnen in slagen het probleem als bij wonder op te lossen. Hun initiatief is ingegeven door het besef dat veel burgers in het hele land en niet alleen in de betreffende streek en gemeenten, verwachten dat de politieke wereld een oplossing voor het probleem vindt.

Door de politieke impasse haakt een groot deel van de bevolking af. Ze denkt dat ze gegijzeld wordt omdat men er niet in slaagt problemen op te lossen die uiteindelijk vrij lokaal zijn. De politieke wereld moet ervoor zorgen dat er door middel van een compromis oplossingen worden gevonden.

Hij kan het eens zijn met de stelling van de heer Lambert — hoe aanstootgevend ook voor Franstaligen — dat steeds meer burgers begrijpen dat het tijd wordt om veel fundamenteler vragen te stellen indien wij er niet in slagen onderling een aantal moeilijkheden uit de weg te ruimen.

Heel wat burgers menen dat politici — mannen en vrouwen — in een assemblee als de Senaat rond de tafel kunnen plaatsnemen om een oplossing tot stand te brengen, in plaats van die taak aan deskundigen te geven die 's nachts in een of ander kasteel een oplossing zullen vinden.

Als burgemeesters wijzen de heren Fournaux en Anthuenis erop dat het organiseren van een volksraadpleging in de betrokken gemeenten op zich niet zo dwaas is. Het zou integendeel een oplossing kunnen zijn.

De kern van hun boodschap is dat wanneer iedereen op zijn standpunt blijft en zijn taboes niet durft prijs te geven, men nooit tot een oplossing zal komen. Met hun voorstel willen beide senatoren, die toch een democratische representativiteit en geloofwaardigheid hebben, het signaal geven dat men de platgetreden paden moet verlaten om oplossingen te vinden.

Het voorstel van de heren Anthuenis en Fournaux luidt als volgt :

a. Inleiding

Het voorliggende voorstel is een poging om uit de impasse te geraken die is ontstaan rond de problematiek BHV. Het weze gezegd dat dit probleem vooral woedt in de Wetstraat en in een aantal gemeentehuizen. De rest van het land is zeer weinig geïnteresseerd in deze problematiek, en begrijpt nog minder het belangenconflict dat er rond is ontstaan. Een VUB-onderzoek (2002) heeft trouwens aangetoond dat de inwoners van de Brusselse rand « zelf niet echt wakker liggen van deze problematiek die vooral de « nationale » gemoederen beroert waarbij de faciliteitengemeenten veeleer het « slachtveld'zijn waar die nationale prestigestrijd wordt uitgevochten ».

Toch moet er voor « BHV » een dringende oplossing komen. De problematiek weegt dermate zwaar op de besluitvorming in ons land dat vele waarnemers zelfs stellen dat een nieuwe definitieve regering weinig kans maakt (en dus best niet start) zonder een oplossing voor BHV. En er is natuurlijk het fameuze arrest van het Grondwettelijk Hof dat stelt dat er zonder wetswijziging(en) geen federale verkiezingen meer kunnen doorgaan in ons land.

Ook de onderhandelaars die sinds de federale verkiezingen van juni 2007 hieromtrent meerdere malen trachtten een oplossing te bereiken, geraakten er niet uit. De kwestie is zodanig geëscaleerd en opgeblazen door politieke gevoeligheden dat er zich tot op heden nog steeds geen oplossing aandient.

Waar staan we nu in de procedure ?

Een belangenconflict behelst een hele procedure.

Ingevolge het falen van het voorziene overleg werd het geschil aanhangig gemaakt bij de Senaat die binnen een termijn van dertig dagen — lopende vanaf 12 februari — een gemotiveerd advies uitbrengt aan het Overlegcomité.

In welk klimaat kwam dit voorstel tot stand ?

Naast het feit dat de Senaat op dit moment dus « geadieerd » wordt door het fameuze belangenconflict, heeft de grondwetgever aan de Senaat een kerntaak toebedeeld. Namelijk het onderhouden en optimaliseren van de betrekkingen tussen de federale staat, de gemeenschappen en de gewesten. De Senaat heeft dus eigenlijk de plicht om zich te buigen over deze problematiek.

Vandaar dat de initiatiefnemers van voorliggend voorstel, zich rond de tafel hebben gezet om uit de impasse te geraken. Zij luisterden constructief en te goeder trouw naar elkaar en toonden begrip voor elkaars gevoeligheden.

Wij maakten tabula rasa met het verleden en vertrokken met een wit blad. Wij legden vanzelfsprekend het nodige realisme aan de dag, maar hanteerden tegelijkertijd de nodige creativiteit om uit de impasse te geraken.

Sleutelbegrippen in het voorliggend voorstel zijn respect voor elkaar, respect voor onze rechtsstaat en, specifiek met betrekking tot de faciliteitengemeenten, respect voor de gemeentelijke autonomie.

Vanzelfsprekend kaderen onze voorstellen binnen de huidige Grondwet en binnen het kader van de Taalwetgeving met respect voor de rechten van de minderheden.

De initiatiefnemers zijn er zich van bewust dat er waarschijnlijk bijkomende aangepaste en hedendaagse maatregelen nodig zullen zijn om de bestuurskracht, de kwaliteit van het leven, de levensvatbaarheid en de omgang met de vele talen binnen het Brussels Gewest te optimaliseren. Deze maatregelen maken geen deel uit van voorliggend voorstel.

b. Wat stellen we concreet voor ?

— Voor de huidige faciliteitengemeenten wordt het principe van de gemeentelijke autonomie gehanteerd : Organisatie van een volksraadpleging in de faciliteitengemeenten met de vraag of de inwoners bij het Brussels Gewest willen aansluiten of bij het Vlaamse Gewest willen blijven. De Federale overheid engageert zich om de wil van de burgers te respecteren en in wetgeving om te zetten.

— Vanzelfsprekend kunnen gemeenten zelf in het kader van hun gemeentelijke autonomie beslissen om tegemoet te komen aan de noden van minderheden in verband met, onder meer, het bestuurlijk taalgebruik maar ook voor andere problemen. Een billijke toepassing van dit principe kan alleen maar de tevredenheid van alle inwoners van de gemeenten bevorderen. Het is trouwens niet nieuw, maar wordt succesvol in het buitenland toegepast. Een kwestie van « good governance » dus. Trouwens een bezoek aan onze Kust of de Ardennen toont aan hoe anderstaligen een perfect onthaal kunnen genieten, zonder dat daar ook maar één van bovenaf opgelegde maatregel aan te pas kwam.

— Het huidige systeem van faciliteiten verdwijnt (zie supra).

— De kieskring BHV wordt gesplitst. In de praktijk zijn er voortaan drie kieskringen : Vlaams Brabant (voortaan met Leuven en Halle-Vilvoorde), Waals Brabant en Brussel. Kiezers gaan dus naar de stembus in de kieskring waar zij gedomicilieerd zijn.

De betrokken gemeenten, gewesten en de federale overheid engageren zich erover te waken dat deze principes gezamenlijk en te goeder trouw worden uitgevoerd.

De heer Joris Van Hauthem is van oordeel dat dit creatieve voorstel in strijd is met hetgeen is opgenomen in de bijkomende Regeerverklaring van de Vlaamse regering van 18 mei 2005 : « De gemeenten in de rand rond Brussel behoren tot het Nederlandse taalgebied en de Vlaamse regering verzet zich unaniem tegen welke territoriale uitbreiding van Brussel dan ook. »

III.2.2. Vergadering van 12 maart 2008

Volgens de heer Philippe Monfils moet het debat over het voorliggende belangenconflict in een ruimer kader worden gevoerd. Men kan het bijgevolg een gelukkig toeval noemen dat de VN-Commissie voor de eliminatie van raciale discriminatie zich juist op dit ogenblik vragen stelt bij de Vlaamse Wooncode en inzonderheid bij de regeling die de toegang tot sociale woningen beperkt tot kandidaten die Nederlands spreken of bereid zijn het te leren. Voorts herinnert het Comité eraan dat België het minderhedenverdrag zou moeten ratificeren.

Nadat de Raad van Europa reeds verschillende waarnemers naar ons land heeft gestuurd om te onderzoeken of de rechten van de Franstaligen in de faciliteitengemeenten worden geschonden, zijn het nu dus zelfs de Verenigde Naties die zich daarvoor beginnen te interesseren.

Het voorliggende belangenconflict draait eigenlijk rond de institutionele evenwichten waarop de Belgische federale staat is gebouwd en de plaats die de verschillende componenten daarin innemen. Onze Grondwet bevat verschillende bepalingen die die evenwichten waarborgen. Zij staan model voor het evenwichtig compromis tussen Nederlandstaligen en Franstaligen. Zo zijn er de faciliteiten voor de Franstaligen in de zes Brusselse randgemeenten die, hoewel ze in het Nederlandse taalgebied liggen, hoofdzakelijk Franstalig zijn; voor de Brusselse Vlamingen — in een stad die voor 90 pct. Franstalig is — zijn er dan weer garanties voor hun parlementaire vertegenwoordiging. Zij die bouwstenen uit het Belgisch huis wensen weg te nemen, moeten er zich van bewust zijn dat ze de stabiliteit van de constructie ondermijnen. Met de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde zou één van de steunpilaren van onze federale staat worden weggeslagen. Het is in die optiek dat de door de Kamercommissie aangenomen wetsvoorstellen de belangen van de Franse Gemeenschap ernstig dreigen te benadelen. Het gaat dus niet alleen om het feit dat Franstaligen in de Rand niet meer voor kandidaten uit Brussel zouden kunnen stemmen, maar ook om de stabiliteit en de werking van België als federale staat. Een federale staat kan niet functioneren indien de meerderheid zijn institutionele visie aan de minderheid opdringt. Als lid van de Europese Unie en de Raad van Europa zou ons land de rechten van de minderheden, in casu van de Franstaligen, toch moeten eerbiedigen.

Gelet op het voorgaande is spreker van oordeel dat naar een onderhandelde oplossing voor het probleem van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde moet worden gezocht, zoals in de toelichting bij de Octopus-wetsvoorstellen wordt bepaald die door vertegenwoordigers van acht verschillende Franstalige en Nederlandstalige partijen zijn ondertekend.

De heer Philippe Moureaux merkt op dat de taalstrijd in onze contreien reeds eeuwenoud is. De eerste taalwetgeving dateert namelijk van 1477, toen een aantal Vlaamse steden zoals Gent, na de dood van Karel de Stoute, Maria van Bourgondië pas als vorstin wilden aanvaarden indien zij een charter tekende waarin het gebruik van het Vlaams werd geëerbiedigd.

Wat het voorliggende belangenconflict betreft, is spreker van oordeel dat de Senaat enige bescheidenheid aan de dag moet leggen. Hij sluit zich bijgevolg aan bij de conclusie van de heer Monfils dat er naar een onderhandelde oplossing moet worden gezocht.

De heer Van Hauthem merkt op dat het in Franstalig België blijkbaar bon ton is om de internationale instellingen te gebruiken, of veeleer te misbruiken, om aan te tonen hoezeer Franstaligen in België in het algemeen en in Brussel-Halle-Vilvoorde in het bijzonder worden gediscrimineerd. Zij hangen daarbij een beeld van Vlaanderen op als een bekrompen en onverdraagzame regio. Nochtans hebben noch de Raad van State noch het Grondwettelijk Hof, die in hun besluitvorming toch ook de mensenrechtenverdragen betrekken, enig bezwaar gemaakt tegen de Vlaamse Wooncode en de door de heer Monfils gewraakte bepaling in verband met de taalvereisten.

Het is een terugkerende tactiek. Indien de Franstaligen hun slag niet thuishalen, kaarten ze hun zogezegde discriminatie aan bij internationale instellingen. Het heeft in Vlaanderen het omgekeerde effect.

Ten gronde blijft spreker van oordeel dat er geen belangenconflict is om de eenvoudige reden dat het Parlement van de Franse Gemeenschap niet heeft aangetoond in welke belangen het ernstig zou worden benadeeld.

Wat de termijn betreft, is spreker van oordeel dat de procedure op 12 maart 2008 moet worden afgesloten. De commissie heeft de termijn van dertig dagen reeds met één week tot die datum verlengd. Indien de commissie er op die dag niet in slaagt een advies uit brengen, dan loopt de procedure, wat de Senaat betreft, ten einde. In dezen geldt de regel dat de afwezigheid van een advies, ook een advies is. Er kan dus geen sprake van zijn om de termijn van dertig dagen nog eens te verlengen. Indien de Senaat dat wel doet, dan vervult hij niet langer de adviesfunctie die hem door de gewone wet van 9 augustus 1980 wordt opgedragen, maar speelt hij een politieke rol in het kader van de regeringsonderhandelingen en de behandeling van de drie wetsvoorstellen die uit de Octopuswerkgroep zijn voortgekomen. Indien de commissie zich de vrijheid voorbehoudt om de termijn te blijven verlengen, waarom heeft zij dan de einddatum eerst op 12 maart 2008 vastgesteld ? Dat houdt geen steek.

De heer Geert Lambert sluit zich aan bij de stelling dat de commissie uiterlijk op 12 maart 2008 een advies moet verlenen. Hij heeft zich eerder bereid getoond om de klok stil te zetten indien zou blijken dat er tegen die datum een onderhandelde oplossing zou worden gevonden. Maar hij vermoedt dat men de termijn wil verlengen totdat een nieuwe eerste minister in functie is getreden die dan maar een oplossing moet zoeken. Die handelwijze is niet correct in het licht van de termijnbepaling in artikel 32, § 1 quater, van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De termijn van dertig dagen is zijns inziens geen termijn van orde, maar dient strikt te worden toegepast. Bijgevolg moet de commissie op 12 maart 2008 tot een advies komen.

Ten aanzien van de heer Monfils verklaart de heer Lambert dat de taalvereisten in de Vlaamse Wooncode uitsluitend het goed nabuurschap beogen en niet moeten worden beschouwd in het licht van de verhouding tussen Franstaligen en Nederlandstaligen in de Rand.

De heer Lambert ziet geen heil in een advies dat een onderhandelde oplossing moet worden gevonden, omdat hij geen enkele stap in die richting ziet. Bovendien strookt een dergelijk advies niet met de procedure die bepaalt dat er een advies moet worden verstrekt over de vraag of er al dan niet een belangenconflict is. Zijn antwoord op die vraag luidt ontkennend. De door de Kamercommissie goedgekeurde wetsvoorstellen doen op geen enkele wijze afbreuk aan het kiesrecht van de Franstaligen in Halle-Vilvoorde en benadelen dus niet de belangen van de Franse Gemeenschap.

De heer Delpérée blijft bij zijn standpunt dat de commissie moet werken in het perspectief dat werd uitgezet in de toelichting van het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen, namelijk : « Ten slotte zal ook de problematiek van de kieswetgeving worden onderzocht, door het bestuderen van dusdanig gevoelige punten — omwille van de uiteenlopende zienswijzen — als de instelling van een federale kieskring, het laten samenvallen van de regionale en federale verkiezingen, en een onderhandelde oplossing om een antwoord te bieden op het arrest van het Grondwettelijk Hof inzake Brussel-Halle-Vilvoorde. » (stuk Senaat, nr. 4-602/1, blz. 4). Gelet op het aantal ondertekenaars, geniet dat voorstel, dat van de Octopuswerkgroep afkomstig is, de goedkeuring van een ruime parlementaire meerderheid. Het ziet ernaar uit dat de toekomstige eerste minister diezelfde woorden in zijn regeringsverklaring zal overnemen. Het gemotiveerd advies van de commissie en de Senaat kan dus die richting uitgaan.

De heer Vankrunkelsven verklaart dat zijn partij voorstander is van een onderhandelde oplossing van het probleem van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde, maar tegelijkertijd het legalisme getrouw blijft en de wetgevingsprocedure met betrekking tot de door de Kamercommissie goedgekeurde wetsvoorstellen niet wenst te blokkeren. Die procedure dient gewoonweg verder te lopen.

Spreker ging ermee akkoord om de termijn van dertig dagen met één week te verlengen tot 12 maart 2008. Maar het mag niet de bedoeling zijn om de zaak op de lange baan te schuiven totdat de termijn weer eens kan worden geschorst tijdens het paasreces. De wet van 9 augustus 1980 is geen vodje papier. De commissie is het bijgevolg aan zichzelf verplicht om uiterlijk op 12 maart 2008 een advies te verstrekken.

De heer Hugo Vandenberghe verklaart dat het geenszins de bedoeling mag zijn om de zaak naar de Griekse kalender te verwijzen. De commissie heeft steeds aangenomen dat de termijn van dertig dagen een termijn van orde is die eventueel kan worden verlengd, op voorwaarde dat de commissie met bekwame spoed aan de redactie van een gemotiveerd advies werkt. Er bestaat geen reden om die praktijk te wijzigen.

Het feit dat de termijn van dertig dagen zou worden verlengd, verhindert het Overlegcomité geenszins om het belangenconflict in beraad te nemen en naar een oplossing te zoeken. Het advies dat de Senaat in die fase nog zou verstrekken, kan dan nog steeds door het Overlegcomité mee in overweging worden genomen. Het komt niet aan de Senaat toe daarover te beslissen. Bovendien beschikken de bij het belangenconflict betrokken assemblees over middelen om de procedure te laten doorgaan indien ze van oordeel zijn dat een assemblee de termijn verlengt zonder over de zaak te beraadslagen. De belangenconflictprocedure mag immers niet worden aangegrepen om de wetsprocedure te verlammen.

Indien de Senaat toch zou menen dat het om een vervaltermijn gaat, dan is die inmiddels verstreken en hoeft er geen advies meer te worden uitgebracht.

De heer Vandenberghe is van oordeel dat de Senaat geen inhoudelijk standpunt moet innemen, maar een procedureel advies zou moeten verstrekken. Het is niet aan de Senaat om vast te stellen dat er geen belangenconflict is en dat de motie van het Parlement van de Franse Gemeenschap bijgevolg onontvankelijk moet worden verklaard. In dat geval geldt er geen termijn en is er geen advies.

Het advies zou daarom de volgende richting moeten uitgaan :

— er zijn verschillende standpunten naar voren gebracht;

— de voorkeur gaat uit naar een onderhandelde oplossing in het kader van de regeringsonderhandelingen en dit vóór 15 juli 2008.

De heer Hugo Coveliers stelt vast dat de heer Vandenberghe als goed advocaat met betrekking tot de termijn thans een andere opvatting verdedigt dan tijdens de vorige legislatuur. Met de beslissing van de commissie om de termijn van dertig dagen te verlengen, geeft de Senaat het corruptogeen signaal dat wettelijk bepaalde termijnen voor iedereen gelden behalve voor hemzelf. Dergelijke handelwijze is onaanvaardbaar.

Wat de historiek betreft, wijst de heer Coveliers erop dat de belangenconflictprocedure op verzoek van de Franstaligen is ingevoerd. Toen ze bij de staatshervorming in 1980 de omvang van de bevoegdheden zagen die naar de gewesten en de gemeenschappen zouden worden overgeheveld, waren ze van oordeel dat de uitoefening van die bevoegdheden door het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap de belangen van de Franstaligen zou benadelen, zonder dat daarbij werd gepreciseerd of het om de Franstaligen in de Rand ging of niet. Voor een dergelijke benadeling diende volgens hen in een specifieke procedure te worden voorzien. Zo zag de belangenconflictprocedure het daglicht. Het mocht immers niet om een bevoegdheidsconflict gaan waarover een rechtscollege zou oordelen. Dat was in hun ogen een stap te ver en te gevaarlijk. Het belangenconflict moest worden opgevat als een politieke betwisting waarover kon worden gemarchandeerd en het spel van geven en toegeven kon worden gespeeld. Daarom werd besloten om een politiek orgaan, de Senaat, met de behandeling van die conflicten te belasten. De bestendige deputatie, eveneens een politiek orgaan, gold daarbij als voorbeeld omdat het betwistingen inzake stedenbouw behandelde.

Maar de ervaring leert dat de Senaat in zijn taak tekortschiet omdat het de termijn telkens verlengt.

De heer Coveliers stelt vast dat de Grondwet verschillend wordt geïnterpreteerd door, enerzijds, het Parlement van de Franse Gemeenschap en, anderzijds, de Kamer van volksvertegenwoordigers en het Vlaams Parlement.

Het Parlement van de Franse Gemeenschap deelt zichzelf namelijk de bevoegdheid toe om de belangen van de Franstaligen in Vlaanderen te verdedigen, hoewel dat regelrecht in strijd is met de Grondwet. De Franstaligen zouden in Vlaanderen bijgevolg een dubbele bescherming genieten : die verleend door de Vlaamse Gemeenschap en, daarbovenop, die verleend door de Franse Gemeenschap. Dat is discriminatoir ten opzichte van de Nederlandstaligen in Vlaanderen.

Spreker besluit dan ook dat er geen belangenconflict is omdat het vermeende belang dat zou worden geschaad, niet rechtmatig is.

De heer Marcel Cheron verklaart dat zijn partij heeft meegewerkt aan de uitwerking van het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen (stuk Senaat, nr. 4-602/1). Bijgevolg sluit hij zich aan bij degenen die pleiten voor een advies waarin aangedrongen wordt op een onderhandelde oplossing.

De heer Vankrunkelsven kan zich eveneens aansluiten bij een dergelijk procedureel advies. Dat betekent wel dat de Senaat zich noch in positieve noch in negatieve zin uitspreekt over de grond van het belangenconflict. Door in het advies te verwijzen naar het voormelde voorstel van bijzondere wet, wordt aangegeven dat een grote parlementaire meerderheid zich engageert om tegen 15 juli 2008 tot een oplossing te komen. Om die reden hoeft het debat hier niet ten gronde te worden gevoerd.

De heer Geert Lambert betitelt de stelling van de heer Vandenberghe dat, wanneer er geen belangenconflict is, er ook geen termijn geldt, als zeer origineel. Daarom verduidelijkt hij zijn visie over het verloop van de belangenconflictprocedure.

Wanneer een assemblee een belangenconflict opwerpt, dan dient daarop een antwoord te worden gezocht. Dat onderzoek verloopt in drie fases. Eerst wordt akte genomen van het feit dat er een belangenconflict is opgeworpen, vervolgens wordt de argumentatie onderzocht waaruit moet blijken dat de belangen van die assemblee ernstig zouden worden benadeeld, ten slotte volgt de conclusie dat het bewijs van de benadeling al dan niet is geleverd. Er bestaat dus een duidelijk onderscheid tussen het aanvoelen dat er belangenschade kan zijn en de effectieve benadeling.

In het voorliggende geval is het volgens spreker duidelijk dat er geen belangenschade zal zijn. Het belangenconflict is derhalve ontvankelijk, maar ongegrond. Een dergelijk advies staat een onderhandelde oplossing niet in de weg. Het maakt enkel een einde aan de parlementaire fase van de belangenconflictprocedure zodat de zaak naar het Overlegcomité kan worden doorverwezen.

Indien men er niet in slaagt een onderhandelde oplossing te vinden, dan moet men toch weten waar men op afstevent. Na de stemming in de Kamercommissie gingen er in bepaalde partijen stemmen op dat hiermee het signaal was gegeven dat naar de splitsing werd gestreefd. Dat is iets anders dan de intentie om een perceptiepolitiek te voeren waarbij men de indruk wekt het probleem te zullen oplossen, terwijl men dat eigenlijk niet zal doen.

Daarom gaat hij niet akkoord met het voorgestelde procedureel advies dat er een onderhandelde oplossing moet komen. Dat behoort niet tot de adviesopdracht van de Senaat. Onze assemblee kan wel nadenken over een oplossing.

De heer Monfils verklaart dat noch de Grondwet, noch de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, noch het reglement van de Senaat er zich tegen verzetten dat de Senaat een gemotiveerd advies uitbrengt waarin geconcludeerd wordt dat naar een onderhandelde oplossing moet worden gezocht.

De heer Moureaux schetst de context waarin hij het voorliggende belangenconflict percipieert. Uitgangspunt zijn de federale verkiezingen van 10 juni 2007 waarvan de resultaten met het verstrijken van de tijd anders kunnen worden geïnterpreteerd.

Een eerste lezing van de nieuwe politieke situatie gaf aanleiding tot de oranje-blauwe formatiegesprekken die het land, zoals in 1981, zouden doen overhellen naar een christen-democratisch-liberale meerderheid. Was er niet het communautaire struikelblok geweest, dan was er wellicht een regering-Leterme/Reynders aangetreden.

Een tweede lezing die pas achteraf is opgedoken, betrof de verkiezingsresultaten in Vlaanderen, waarvan de betekenis langs Franstalige kant werd onderschat. Er was de verkiezingsoverwinning van de CD&V/N-VA, de status quo van het Vlaams Belang en de onverwachte, steile opgang van de Lijst Dedecker, die eveneens radicale standpunten huldigt ten opzichte van de toekomst van België.

Na zes maanden oranje-blauwe formatiegesprekken bleek dat de partijen op sociaal-economisch vlak tot een vergelijk konden komen. Op communautair vlak bleken de tegenstellingen tussen de Vlaamse en de Franstalige partijen echter onoverbrugbaar. De Vlaamse partijen voelden zich in hun eisen gesterkt door een sterk electoraal mandaat, terwijl de Franstalige partijen moeite hadden om die nieuwe realiteit te onderkennen.

Communautaire problemen zijn niet nieuw (zie supra — anno 1477). Zij duiken geregeld op, maar deze keer zijn de tegenstellingen wel erg scherp. In het verleden hebben dergelijke periodes van verhoogde communautaire spanning al tot grote omwentelingen geleid.

Dat we op dit ogenblik opnieuw in een dergelijke situatie terecht zijn gekomen, vloeit voort uit het feit dat er zich tegelijkertijd twee grote problemen aandienen : één ten gronde en een andere met een hoge symboolwaarde.

In de eerste plaats is er de verhevigde vraag van de Vlaamse Gemeenschap naar meer autonomie.

Ten tweede — en dat is een onderdeel van die vraag naar meer autonomie — is er de eis tot splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde, hetgeen voor zowel de Franstaligen als de Nederlandstaligen een symbooldossier is. Voor de Vlamingen staat de splitsing symbool voor de voltooiing van een belangrijk deel van hun communautair programma; voor de Franstaligen zet zij het institutioneel compromis op losse schroeven, waarvoor zij al zoveel toegevingen hebben moeten doen.

Tijdens de formatiegesprekken heeft zich dan een incident voorgedaan met mogelijk verstrekkende gevolgen voor ons land : op 7 november 2007 keurde de Vlaamse meerderheid in de Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken, algemene Zaken en het Openbaar Ambt eenzijdig de twee wetsvoorstellen goed houdende splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde.

Deze stemming kan volgens de heer Moureaux als volgt worden geïnterpreteerd. De enen wouden de Franstaligen een opdonder verkopen. Anderen wouden de Franstaligen wakker schudden om hen tot onderhandelingen te dwingen.

Indien de Senaat nu in zijn advies aan het Overlegcomité pleit voor een onderhandelde oplossing, dan stelt hij deels de Vlaamse volksvertegenwoordigers in het gelijk die met hun stemming beweging in het dossier hebben willen brengen om zo onderhandelingen op gang te trekken.

Daarom gaat de heer Moureaux akkoord met het voorstel om in het advies te bepalen dat er een onderhandelde oplossing voor het probleem moet worden gevonden. Dat is geen juridische, maar een politieke oplossing die de gespannen toestand kan helpen milderen. Indien de ene gemeenschap in het federale Parlement echter stelselmatig tegen de andere gemeenschap gaat stemmen, dan betekent dat het einde van België.

Het voorstel van de heren Vankrunkelsven en Monfils om naar een onderhandelde oplossing te streven, biedt het voordeel dat er niet in termen van winst of verlies voor de ene of de andere gemeenschap wordt gedacht.

Een dergelijk advies zou de Senaat tot eer strekken.

De heer Louis Ide pleit eveneens voor dit formeel advies.

De heer Joris Van Hauthem neemt akte van het feit dat er zich een meerderheid aftekent rond het voorstel om de passage uit de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen, betreffende Brussel-Halle-Vilvoorde om te vormen tot het advies van de Senaat over het voorliggende belangenconflict (stuk Senaat, nr. 4-602/1, blz. 4). Het is echter een novum dat de Senaat in een advies verklaart dat er een onderhandelde oplossing moet worden gevonden. Spreker vindt dat verregaand. Het betekent immers dat de parlementaire besluitvorming stopt en dat de in de Kamer hangende wetsvoorstellen niet in hun huidige formulering zullen worden goedgekeurd. Als dat het advies van de Senaat is, dan speelt hij zijn rol niet en begeeft hij zich op een gevaarlijk pad.

Spreker verzet zich daarom grondig tegen een dergelijk advies omdat het een gevaarlijk precedent schept.

Voor het overige deelt hij in grote mate de analyse van de verkiezingsresultaten van 10 juni 2007 door de heer Moureaux.

De heer Vandenberghe wijst erop dat men toch niet uit het oog mag verliezen dat de huidige situatie een bijzondere situatie is. Dit is overigens niet nieuw. De goedkeuringen van de taalwetten hebben altijd tot ernstige politieke crisissen geleid. Dat is een gegeven.

Bovendien mag men het toch niet als een gebrek beschouwen in de parlementaire democratie dat er onderhandeld wordt. Het is juist het parlementslid dat onderhandelt in het parlement dat zijn rol te volle vervult als politicus.

Om redenen die verschillende sprekers hebben aangeduid, kan de commissie in haar voorstel van gemotiveerd advies enkel tot de volgende eenvoudige conclusie komen die de heer Vandenberghe formuleert als een voorstel van gemotiveerd advies :

« De Senaat neemt akte van de diverse standpunten.

De Senaat stelt vast dat de oplossing van het probleem is geagendeerd in het kader van de lopende regeringsonderhandeling, zoals weergegeven in het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen (stuk Senaat, 2007-2008, nr. 4-602/1, blz. 4). »

Het voorstel van gemotiveerd advies wil duidelijk maken dat het akkoord dat CD&V zal geven een globaal akkoord zal zijn. Het streven naar een oplossing voor Brussel-Halle-Vilvoorde moet gezien worden in het streven naar een globaal akkoord. Het engagement van CD&V zal immers op het geheel betrekking hebben. Het kan niet dat het engagement van CD&V op één punt uit de globale context zou worden gerukt.

De heer Moureaux verklaart dat het voorstel van de heer Vandenberghe hem logisch lijkt. Er moet een algemene oplossing komen, geen gedeeltelijke.

De heer Vankrunkelsven onderschrijft de gedachtelijn van de heer Vandenberghe, maar stelt voor om de woorden « de oplossing ligt ... » te vervangen door de woorden « de Senaat geeft de ruimte om een oplossing te vinden ». Men mag met de tekst immers niet de indruk wekken dat er maar één oplossing is voor het probleem. Dat is niet juist, er zijn immers meerdere oplossingen.

De heer Vandenberghe verduidelijkt dat de verwijzing in het voorstel van gemotiveerd advies naar de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele hervormingen juist is opgenomen om aan te tonen dat het eventuele akkoord omtrent Brussel-Halle-Vilvoorde onderdeel zal moeten uitmaken van een globaal akkoord. Spreker stelt voor zijn tekstvoorstel als volgt aan te passen :

« De Senaat neemt akte van de diverse standpunten.

De Senaat stelt vast dat de eventuele of de noodzakelijk oplossing van het probleem is geagendeerd in het kader van de lopende regeringsonderhandelingen, zoals weergegeven in het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen (stuk Senaat, 2007-2008, nr. 4-602/1, blz. 4). »

Het woord « eventuele » laat open dat er andere oplossingen mogelijk zijn. Het woord « noodzakelijke » onderlijnt dat een oplossing noodzakelijk is omdat er ingevolge het arrest van het Arbitragehof geen kieswet is.

Op deze wijze verklaart de Senaat zich in te schakelen in het politieke akkoord waarnaar verwezen wordt in de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele hervormingen.

De heer Vankrunkelsven is akkoord met de idee dat er alle ruimte moet worden gegeven om te zoeken naar een onderhandelde oplossing. Maar men mag met de tekst niet de indruk wekken dat dit de enige oplossing is. Er is in de Commissie voor de Binnenlandse Zaken, de algemene Zaken en het Openbaar Ambt een wetsvoorstel gestemd en als er geen onderhandelde oplossing wordt gevonden, blijft de parlementaire procedure voor dit wetsvoorstel lopen.

De heer Moureaux antwoordt dat dit de persoonlijke interpretatie van de heer Vankrunkelsven is.

De heer Vandenberghe herinnert eraan dat de verschillende fracties daarover verschillende standpunten hebben ingenomen tijdens de discussie. Daarom verwijst spreker in zijn voorstel van gemotiveerd advies naar de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele hervormingen, dat uiteraard een compromis is. Om geen nieuwe moeilijkheden te creëren, tracht spreker zich te houden aan de overeenkomsten die terzake zijn afgesloten en die, door de fracties van de indieners van het betreffende voorstel van bijzondere wet, mee worden ondersteund.

De heer Monfils kan zich scharen achter de tekst van de heer Vandenberghe, maar heeft vragen bij het nut van woorden als « eventuele » en « noodzakelijke ». Deze twee woorden zouden door de ene of de andere gemeenschap beschouwd kunnen worden als een verwijzing naar hun eigen standpunt. Hij stelt voor strikt de tekst te volgen van het akkoord dat is opgenomen in de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele hervormingen, en die gewag maakt van een onderhandelde oplossing.

De heer Cheron is het eens met de tekst die de heer Vandenberghe voorstelt, maar ook met de opmerkingen van de heer Monfils. Er moet een antwoord gegeven worden op het arrest van het Arbitragehof. Hij verwijst naar de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen (stuk Senaat, 2007-2008, nr. 4-602/1, blz. 2, eerste paragraaf : « De regering wordt uitgenodigd om voor half juli een verklaring af te leggen in de Kamer van volksvertegenwoordigers over de inhoud van het tweede pakket ... » Dit tweede pakket houdt het volgende punt in : « Ten slotte zal ook de problematiek van de kieswetgeving worden onderzocht, door het bestuderen van dusdanig gevoelige punten — omwille van de uiteenlopende zienswijzen — als de instelling van een federale kieskring, het laten samenvallen van de regionale en federale verkiezingen, en een onderhandelde oplossing om een antwoord te bieden op het arrest van het Grondwettelijk Hof inzake Brussel-Halle-Vilvoorde. » (stuk Senaat, 2007-2008, nr. 4-602/1, blz. 4, derde paragraaf).

De heer Delpérée is het eens met de algemene zienswijze van de heer Vandenberghe, maar wenst dat het gemotiveerd advies dat in plenaire vergadering aangenomen moet worden, iets nauwkeuriger wordt geformuleerd en beter zou aansluiten bij de toelichting van het voorstel van bijzondere wet. Dit is een kwestie van samenhang. Het voorstel van bijzondere wet werd in de Senaat door senatoren ingediend. Zij moeten consequent blijven met de geest en de letter van het voorstel. Men moet vermijden dat er uiteenlopende formuleringen ontstaan. Hij stelt de volgende tekst van gemotiveerd advies voor :

« De Senaat neemt akte van de verschillende standpunten. Hij stelt vast dat een voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen op 5 maart 2008 in de Senaat werd ingediend door de heren Hugo Vandenberghe, Philippe Monfils, Paul Wille, Philippe Moureaux, Johan Vande Lanotte, Francis Delpérée, Marcel Cheron en mevrouw Freya Piryns,

dat het op 6 maart door de Senaat in overweging is genomen, dat het in de toelichting aangeeft dat de problematiek van de kieswetgeving moet worden onderzocht door het bestuderen van dusdanig gevoelige punten — omwille van de uiteenlopende zienswijzen — als de instelling van een federale kieskring, het laten samenvallen van de regionale en federale verkiezingen, en een onderhandelde oplossing om een antwoord te bieden op het arrest van het Grondwettelijk Hof inzake Brussel-Halle-Vilvoorde.

De Senaat oordeelt dat een dergelijke procedure voortaan gevolgd dient te worden. »

De heer Moureaux komt terug op het betoog van de heer Vankrunkelsven. Spreker benadrukt dat hoewel hij zijn fractie verbindt tot het goedkeuren van het voorstel van gemotiveerd advies, er geen sprake van kan zijn dat, indien de onderhandelingen mislukken, het voorstel dat in de Kamercommissie is aangenomen, erdoor komt. Elkeen moet zijn vrijheid behouden.

De heer Moureaux is het echter niet eens met de tekst van het gemotiveerd advies die door de heer Delpérée is voorgesteld. Hij begrijpt de heer Vandenberghe als hij zegt dat hij het eens is met een onderhandelde oplossing, maar in een groter geheel. Als men verwijst naar de toelichting van het voorstel van bijzondere wet en men het voorstel van bijzondere wet heeft ondertekend, moet men zich houden aan het algemene akkoord.

Wat betreft de tekst van het voorstel van gemotiveerd advies van de heer Vandenberghe, verklaart de heer Moureaux dat hij geen bezwaar heeft tegen de woorden « eventuele » of « noodzakelijke » (het is noodzakelijk een oplossing te vinden voor het probleem dat is aangekaart door het Grondwettelijk Hof). Hij stelt wel voor het woord « regeringsonderhandelingen » te vervangen door « onderhandelingen ». Men moet de omstandigheden meer buiten beschouwing laten en niet de indruk wekken dat andere partijen die niet in de regering zouden zitten niet op gelijke voet behandeld worden.

De heer Vandenberghe gaat akkoord met het voorstel van de heer Moureaux.

De heer Vankrunkelsven sluit zich aan bij deze oplossing en is van oordeel dat het belangrijkste is te verwijzen naar de toelichting van het voorstel van bijzondere wet. Maar hij wijst erop dat in de tekst van de toelichting geen oplossing staat. Vandaar dat hij voorstelt de woorden « de eventuele of noodzakelijke oplossing » te vervangen door « de weg naar een noodzakelijke oplossing ». Dit gaat over de procedure, de methodiek die wordt aangegeven. Bovendien stelt spreker voor volgende zin toe te voegen : « De Senaat spreekt zich daarom niet uit over de gegrondheid van het belangenconflict. »

De heer Coveliers citeert de betreffende alinea op blz. 4 van de memorie van toelichting bij het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen (stuk Senaat, 2007-2008, nr. 4-602/1). Spreker interpreteert de tekst als volgt : het gaat om een onderzoek naar een onderhandelde oplossing om een antwoord te bieden op het arrest van het Arbitragehof inzake Brussel-Halle-Vilvoorde. Dit antwoord had strikt juridisch genomen vóór de verkiezingen van 10 juni 2007 moeten worden gegeven. Spreker stelt vast dat men in deze opteert voor het zoeken naar een oplossing tot Sint Juttemis en het gaat hier dan zeker niet om 5 minuten politieke moed. Helemaal op het einde van het tweede pakket zal men pas zoeken naar een antwoord op de probleemstelling van het Arbitragehof.

De heer Ide verduidelijkt dat zijn fractie enerzijds streeft naar een onderhandelde oplossing maar dat anderzijds het wetsvoorstel in de Kamer zijn parallele parlementaire weg blijft bewandelen.

De heer Vandenberghe erkent dat er op dit ogenblik inderdaad nergens een oplossing is neergeschreven. Iedereen in België weet dat er nog geen oplossing is. Hij vindt het niet nodig om dat dan nog eens te herhalen in het voorstel van gemotiveerd advies. Hij stelt voor de woorden « de eventuele of noodzakelijke oplossing » te vervangen door « het zoeken naar een oplossing« . Iedereen weet dat een politiek vergelijk een globaal vergelijk zal zijn.

De heer Delpérée begrijpt dat de commissie het probleem niet tracht op te lossen. Dat zou een mirakel zijn. De commissie zou echter toch wel kunnen aangeven welke methodes of procedures haar het meest aangewezen lijken, zoals de indieners van het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen dat in hun toelichting hebben gedaan. Uitgaande van de tekst die de heer Vandenberghe heeft voorgesteld, zou men eenvoudigweg kunnen verklaren dat de Senaat oordeelt dat de oplossing voor het probleem gevonden moet worden volgens de methode die is aangegeven in de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen (stuk Senaat, 2007-2008, nr. 4-602/1). Spreker stelt ook voor niet alleen te verwijzen naar blz. 4 van dit stuk, omdat dit in tegenspraak is met de gedachte dat er een algemeen akkoord moet uitgewerkt worden.

Na deze discussie wordt het volgende voorstel van gemotiveerd advies ter stemming aan de commissie voorgelegd :

« Voorstel van gemotiveerd advies, aangenomen door de Commissie voor de Institutionele Hervormingen

De Senaat neemt akte van de diverse standpunten.

De Senaat stelt vast dat het zoeken naar een oplossing van het probleem is geagendeerd in het kader van de lopende onderhandelingen, zoals weergegeven in het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen (stuk Senaat, 2007-2008, nr. 4-602/1). »

De heer Lambert is van oordeel dat de commissie in kafkaiaanse toestanden aan het vervallen is. Spreker is het volmondig eens met de stelling van de heer Vandenberghe dat er niets verkeerds is aan parlementsleden die pogen naar oplossingen te streven. Maar het parlement heeft ook de taak om op een bepaald ogenblik te beslissen. Het huidige onderhandelingsproces is geen onderhandelingsproces van deze regeringsformatie. Dit onderhandelingsproces is bezig sinds 2003, met een hoogtepuntje in 2005, dat jammer genoeg niet tot een oplossing heeft geleid. De Kamer heeft op een bepaald ogenblik beslist om een keuze te maken. Op dat ogenblik wist men dat deze keuze belangenconflicten zou veroorzaken. Na zoveel maanden is in een poging tot een onderhandelde oplossing geen stap vooruitgang geboekt. Vandaag wordt de commissie geconfronteerd met een procedure die voorgeschreven is in een conflictsituatie in de interne rechtsorde en politieke orde van dit land, en waarin zij een uitspraak moet doen. De Senaat moet een gemotiveerd advies uitbrengen aan het Overlegcomité om een eventuele oplossing voor te stellen. Het nu voorliggende voorstel van gemotiveerd advies kan men echter met de volgende situatie vergelijken : de rechtbank duidt een gerechtsexpert aan in het kader van een burenruzie en het gemotiveerd advies van de expert is dat het goed zou zijn als de buren eens met elkaar zouden praten. Wanneer men als Senaat, die een politieke factor is, na vele onderhandelingen, nog steeds de deur open zet om te onderhandelen, maar tegelijkertijd ook zegt dat men nooit gaat beslissen, dan castreert men zichzelf. Spreker blijft van mening dat de commissie in een voorstel van gemotiveerd advies een antwoord moet bieden op de vraag die gesteld is door het Parlement van de Franse Gemeenschap. Dit Parlement verlangt hierop — terecht — een antwoord. Spreker is bereid om mee een tekst te stemmen waarin staat bij de overwegingen dat het aangewezen is om een onderhandelde oplossing te hebben op voorwaarde dat men ook een antwoord biedt op het belangenconflict en zegt dat het belangenconflict weliswaar ontvankelijk, maar ongegrond is.

De heer Lambert dient een amendement nr. 1 in, luidende als volgt :

« Het voorgestelde aanvullen als volgt :

« , maar acht het belangenconflict, opgeworpen door het Parlement van de Franse Gemeenschap, hoewel ontvankelijk, ongegrond. ». »

De voorzitter, de heer De Decker, twijfelt aan de ontvankelijkheid van het amendement.

Het lijkt hem evident dat een belangenconflict bestaat zodra een parlement het als zodanig beschouwt en de procedure opstart. Het komt de Senaat niet toe zich af te vragen of er al dan niet sprake is van een belangenconflict. Er is een belangenconflict, ten eerste omdat het een gigantische politieke evidentie is, en ten tweede omdat het Parlement van de Franse Gemeenschap besloten heeft het belangenconflict aan te voeren. De Senaat hoeft zich daar dus niet over te buigen.

De voorzitter legt het amendement nr. 1 van de heer Lambert toch ter stemming voor.

Amendement nr. 1 van de heer Lambert wordt verworpen met 11 stemmen tegen 3 bij 2 onthoudingen.

De heer Vankrunkelsven wijst erop dat de Senaatscommissie twee vaststellingen doet. Bijgevolg spreekt de commissie zich ook niet uit over de grond van de zaak. Dit blijkt uit het gebruik van de woorden « wij nemen akte van » en « wij stellen vast ».

De heer Moureaux onderstreept dat zijn fractie van oordeel is dat het belangenconflict gegrond was. Om een compromis te kunnen bereiken, aanvaardt de PS-fractie echter de tekst van het voorstel van gemotiveerd advies.

De heer Van Hauthem is van oordeel dat, wanneer het tekstvoorstel wordt aangenomen, een meerderheid in de Senaat het signaal geeft aan de indieners in de Kamer van het wetsvoorstel tot splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, dat zij de in de Kamercommissie gestemde tekst maar in de vuilbak moeten gooien en dat zij maar de toelichting moeten lezen bij het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen, dat in de Senaat is ingediend. Dit is de grenzen van de creativiteit in de politiek ver voorbij. Dit terwijl de senatoren zelf geen oplossing aanbrengen. Als dit de politieke betekenis van het gemotiveerd advies niet is, dan is het een advies dat door iedereen naar eigen goeddunken kan worden geïnterpreteerd.

De heer Cheron is het eens met het standpunt van de heer Moureaux. De fracties zitten in de commissie om de weg vrij te maken voor een onderhandelde oplossing, en de Ecolo-fractie aanvaardt dan ook de tekst van het voorstel van gemotiveerd advies. De strekking van deze tekst is meer politiek dan juridisch.

De heer Delpérée verklaart dat de Grondwet aan een Parlement van een Gemeenschap de mogelijkheid biedt om via de alarmbelprocedure of de procedure voor belangenconflicten de federale overheid — regering en Parlement — te wijzen op een probleem dat hen zorgen baart. Dit is een recht. Een andere gemeenschap moet dat recht niet ontkennen. Wat betreft de tekst van het voorstel van gemotiveerd advies, meent de heer Delpérée dat het veel eenvoudiger zou zijn te schrijven dat « de te volgen methode om het probleem op te lossen, aangegeven is in de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet ».

De heer Monfils is het eens met het voorstel van gemotiveerd advies, en meent dat de Senaat hiermee zijn taak volbracht heeft, aangezien hij akte neemt van de verklaringen van de verschillende partijen. Aan de heer Van Hauthem antwoordt hij dat hij blijkbaar vindt dat wanneer een gemeenschap die in de minderheid is (in casu de Franse Gemeenschap), oordeelt dat er een belangenconflict is omdat een meerderheid haar bepalingen oplegt, diezelfde meerderheid zomaar kan beslissen dat er geen sprake is van een belangenconflict, en dat die beslissing het oordeel van de gemeenschap kan vervangen. Dit is een onzinnige redenering die bovendien volledig in strijd is met de Grondwet en het reglement van de Senaat.

De Senaat heeft dus akte genomen van de verschillende standpunten. Net als alle andere Franstalige fracties heeft de MR nadrukkelijk verklaard en bewezen dat er sprake is van een belangenconflict. De Senaat is niet gebonden en kan in alle vrijheid een gemotiveerd advies uitbrengen. De MR-fractie zal het voorstel van gemotiveerd advies goedkeuren, en oordeelt dat er vanzelfsprekend sprake is van een ernstig belangenconflict voor de Franstaligen.

Als « backbencher », begrijpt de heer Anthuenis uit de discussies dat de meerderheid van de leden voorstander is van een onderhandelde oplossing. Spreker stelt ook vast dat er tot op vandaag maar één poging is geweest in deze commissie om ten gronde een tussenvoorstel te doen. Hij heeft ook begrepen uit de verschillende reacties op het door hemzelf en senator Fournaux ingediende voorstel van gemotiveerd advies dat er zeker geen meerderheid is voor dit voorstel in de commissie. Maar het is zijn aanvoelen dat er binnen afzienbare tijd nog wel eens zal teruggekomen worden op dit voorstel. Uit de tekst van het voorstel van gemotiveerd advies blijkt volgens de spreker duidelijk dat de Senaat er niet in geslaagd is om zich over de gegrondheid van het belangenconflict uit te spreken. Maar spreker zal de compromistekst mee stemmen.

III.3. Stemmingen

Het voorstel van gemotiveerd advies wordt aangenomen met 13 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.


Het verslag werd goedgekeurd eenparig goedgekeurd door de 16 aanwezige leden.

De rapporteurs, De voorzitter,
Hugo VANDENBERGHE.
Francis DELPÉRÉE.
Armand DE DECKER.

(1) Bron : Serge Govaert, Bruxelles-Hal-Vilvorde : du quasi-accord de 2005 à la procédure en conflit d'intérêts, Brussel, CRISP, 2007, nr. 1974, blz. 6-10.

(2) Bron : Nota nr. 2008/23 van de Dienst Wetsevaluatie.

(3) Wetsvoorstel tot wijziging van de kieswetgeving met het oog op de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde, Parl. St., Kamer, B.Z. 2007, 52-37/1, en wetsvoorstel tot wijziging van de kieswetgeving met het oog op de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (2), Gedr. St., Kamer, B.Z. 2007, 52-39/1.

(4) C.R.I., Parl. Fr. Gem., 9 november 2007, nr. 5 (2007-2008). Tweeëntachtig van de 85 leden steunden het voorstel, 3 leden onthielden zich.

(5) Proposition de motion relative à un conflit d'intérêts suscité par l'adoption par la Commission de l'Intérieur de la Chambre des représentants des propositions de loi modifiant les lois électorales, en vue de scinder la circonscription électorale de Bruxelles-Hal-Vilvorde (52-0037/001 et 52-0039/001, SE 2007), Gedr. St., Parl. Fr. Gem., 2007-2008, 476/1. De motie werd ook opgenomen, met de Nederlandse vertaling, in de bijlage bij het advies van de Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken, de algemene Zaken en het Openbaar Ambt (Gedr. St., Kamer, 2007-2008, 52-37/8, blz. 5-6).

(6) Zie de « motion relative à un conflit d'intérêts » waarbij de Franse Gemeenschapsraad de schorsing vroeg van 5 wetsvoorstellen ingediend in de Senaat (C.R.I., C.C.F., 5 juli 1988, blz. 41-43 en 55).

(7) Dat zou het geval geweest zijn indien de verslagen over de beide bestreden wetsvoorstellen op een verschillende datum waren ingediend. In theorie is het bijvoorbeeld ook mogelijk dat de beide betrokken assemblees een oplossing vinden voor één conflict en niet voor het andere.

(8) Art. 32, § 1ter, eerste lid, van de gewone wet van 9 augustus 1980.

(9) Verslag van de heren Doomst en Van Biesen, Gedr. St., Kamer, 2007-2008, 52-37/6. Het (verwijzende) verslag over het wetsvoorstel nr. 52-39 werd op dezelfde dag rondgedeeld (Gedr. St., Kamer, 2007-2008, 52-39/4).

(10) Verslag van de heren Van Biesen en Frédéric, Gedr. St., Kamer, 2007-2008, 52-37/8.

(11) Verslag van de heer Tommelein, Gedr. St., Kamer, 2007-2008, 52-37/9; verslag van de heer Walry, Gedr. St., P.F.G., 2007-2008, 476/2.

(12) Integraal Verslag, Kamer, 2007-2008, Plen 19, blz. 28-30.

(13) C.R.I., P.F.G., 2007-2008, nr. 13, blz. 22.

(14) Art. 32, § 1 quater, van de gewone wet van 9 augustus 1980.

(15) De termijn voor het overleg tussen de Kamer van volksvertegenwoordigers en het Parlement van de Franse Gemeenschap verstreek op 3 februari 2008. In het verleden werd evenwel aangenomen dat, na het verstrijken van de overlegtermijn, de adviestermijn slechts aanving zodra één van beide betrokken assemblees meedeelde dat het overleg niet tot een oplossing leidde (Gedr. St., Kamer, 1983-1984, 769/1; Gedr. St., Kamer, 1986-1987, 669/1). Die mededeling werd op 4 februari 2008 aan de Senaat bezorgd. De dag waarop het geschil aanhangig wordt gemaakt (de « dies a quo ») wordt niet meegerekend in de termijn, zodat de adviestermijn begint op 5 februari.

(16) Gedr. St., Senaat, 2006-2007, 3-1853/1, blz. 4.

(17) Gedr. St., Kamer, 1983-84, 769/1, blz. 2 .

(18) Zie Senaat, Handelingen nr. 1-181 van de Plenaire Vergadering van donderdag 30 april 1998; Verslag van Senator Erdman, Gedr.St., Senaat, 1997-1998, nr. 1-806/3.

(19) Verslag van de plenaire vergadering van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 11 mei 2005, 2004-2005, nr. 51 PLEN135, blz. 2-3.

(20) Het ging om gemeenten waar er het grootste aantal Franstalige inwoners bleek te wonen : Beersel, Sint-Pieters-Leeuw, Dilbeek, Asse, Merchtem, Meise, Vilvoorde, Machelen, Zaventem, Grimbergen, Overijse, Bever en Hoeilaart. Bovendien was deze mogelijkheid enkel in 2007 voorhanden voor de inwoners van 4 gemeenten : Lennik, Halle, Ternat en Steenokkerzeel.