4-507/1

4-507/1

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

14 JANUARI 2008


Wetsvoorstel tot aanvulling van het Strafwetboek teneinde de ongeoorloofde beïnvloeding door particulieren van personen die een openbaar ambt uitoefenen strafbaar te stellen

(Ingediend door de heer Francis Delpérée)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel wil een bepaling in het Strafwetboek invoegen om de ongeoorloofde beïnvloeding door particulieren strafbaar te stellen. Het betreft dus een aanvulling van de specifieke strafbaarstelling van personen die een openbaar ambt uitoefenen.

Corruptie en alle vormen van machtsmisbruik met het oog op persoonlijke verrijking zijn ernstige bedreigingen voor de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten. Het bestrijden van dergelijke wanpraktijken is van levensbelang voor de goede werking van een democratische samenleving. Daarvoor zijn verschillende juridische instrumenten voorhanden, zowel op nationaal als op internationaal vlak. Op 29 januari 1999 bijvoorbeeld legde de Raad van Europa een Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie ter ratificatie voor (1) . Zoals zijn buurlanden beschikt België sinds 10 februari 1999 bovendien over een moderne wet om corruptie te bestrijden.

Corruptiebestrijding heeft de laatste jaren opmerkelijke ontwikkelingen gekend. Europese Staten treden bijvoorbeeld strenger op tegen corruptie in de privésector. « Cette forme de corruption porte en effet préjudice à l'ensemble de la société en violant certaines valeurs essentielles dans les relations contractuelles comme la confiance ou la loyauté. Ils ont inséré dans la convention pénale du Conseil de l'Europe et dans celle de l'OCDE un article spécifique à ce sujet » (2) .

De wet van 10 februari 1999 voert in het Belgisch recht op het gebied van omkoping een nieuwe bepaling in, die de zogenaamde ongeoorloofde beïnvloeding strafbaar stelt. Krachtens artikel 247, § 4, van het Strafwetboek, is er sprake van ongeoorloofde beïnvloeding « indien de omkoping het gebruik tot doel heeft door de persoon die een openbaar ambt uitoefent, van de echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt om een handeling van een openbare overheid of een openbaar bestuur of het nalaten van die handeling te verkrijgen ».

« L'incrimination du trafic d'influence cherche à atteindre l'entourage de l'agent ou le parti politique auquel il adhère et à sanctionner le comportement des personnes qui, proches du pouvoir, tentent d'obtenir des avantages en raison de leur situation, contribuant ainsi à l'instauration d'un climat de corruption. Cela permet (...) de s'attaquer à ce que l'on appelle la « corruption ambiante » qui sape la confiance des citoyens (...). Cette infraction diffère de la corruption en ce que le trafiquant d'influence n'est pas tenu « d'agir ou d'éviter d'agir » comme le ferait un fonctionnaire. Le bénéficiaire de cet avantage indu assiste la personne (...) en exerçant ou proposant, d'exercer une influence abusive sur une tierce personne qui peut accomplir (ou s'abstenir d'accomplir) un certain acte. L'influence « abusive » doit contenir une intention de corrompre de la part du trafiquant d'influence : les formes de lobbying connues ne relèvent pas de cette notion » (3) .

Helaas is in de Belgische wetgeving de ongeoorloofde beïnvloeding alleen strafbaar wanneer ze wordt gepleegd door een persoon die een openbaar ambt uitoefent. Het Franse Strafwetboek daarentegen voorziet in een tweede, ruimere, vorm van ongeoorloofde beïnvloeding die betrekking heeft op elke privé-persoon die op ongeoorloofde wijze een bepaalde handeling van een openbare overheid tracht te verkrijgen : « le fait, par quiconque, de solliciter ou d'agréer, directement ou indirectement, des offres, des promesses, des dons, des présents ou des avantages quelconques pour abuser de son influence réelle ou supposée en vue de faire obtenir d'une autorité ou d'une administration publiques des distinctions, des emplois, des marchés ou toute autre décision favorable ».

Dit voorstel wil een leemte aanvullen in de Belgische wetgeving door in het Strafwetboek een bepaling op te nemen die de ongeoorloofde beïnvloeding door particulieren strafbaar stelt (4) . « Le trafic d'influence commis par une personne n'exerçant pas de fonction publique peut être tout aussi dommageable. On songe, par exemple, au parent d'un ministre qui intercède, contre rémunération, auprès dudit ministre pour que celui-ci prenne une décision favorable au corrupteur. Le parent dudit ministre, ayant pourtant usé de son influence, ne pourra être puni de trafic d'influence, dès lors qu'il n'exerce pas de fonction publique » (5) .

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 2

De voorgestelde bepaling is ingegeven door artikel 12 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van corruptie (6) .

Deze bepaling voorziet in de strafbaarstelling van een verhouding tussen drie partijen waarbij een persoon die een echte of vermeende invloed kan uitoefenen op een openbare overheid, die invloed inruilt tegen een voordeel dat hij ontvangt van iemand die van deze invloed gebruik wenst te maken.

De bestanddelen van de strafbaarstelling verschillen van die van het gebruik van invloed « door de persoon die een openbaar ambt uitoefent » als bedoeld in artikel 247, § 4, van het Strafwetboek : de voorgestelde bepaling verbiedt de « ongeoorloofde » beïnvloeding, en niet het « aanwenden » van invloed. Terwijl voor een persoon die een openbaar ambt uitoefent het aanwenden van invloed zelf strafbaar is (7) , geeft het woord « ongeoorloofde » in de voorgestelde bepaling aan dat er sprake kan zijn van een geoorloofd gebruik van invloed door een persoon die geen openbaar ambt uitoefent. « L'influence « abusive » doit contenir une intention de corrompre de la part du trafiquant d'influence : les formes de lobbying connues ne relèvent pas de cette notion » (8) . Zo vallen betaalde diensten die op transparante wijze verricht worden door personen die gespecialiseerd zijn in betrekkingen met overheidsbesturen, zoals advocaten, raadslieden of lobbyisten, buiten het toepassingsgebied van de wet.

Of de invloed al dan niet is uitgeoefend dan wel of de beïnvloeding al dan niet leidt tot het beoogde resultaat, is van geen belang.

Deze strafbaarstelling gaat gepaard met dezelfde straffen als de gewone private omkoping als bedoeld in artikel 504ter van het Strafwetboek.

Francis DELPÉRÉE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In titel V « Misdaden en wanbedrijven tegen de openbare orde door bijzondere personen gepleegd », hoofdstuk IX « Enige andere misdrijven tegen de openbare orde », van het Strafwetboek, wordt een nieuwe afdeling III ingevoegd, met als opschrift : « AFDELING III — Ongeoorloofde beïnvloeding van personen die een openbaar ambt uitoefenen », die een artikel 317 bevat, dat luidt als volgt :

« Art. 317. — Ongeoorloofde beïnvloeding bestaat in het feit dat een persoon die geen openbaar gezag of openbaar ambt in de zin van artikel 246 uitoefent, rechtstreeks of door tussenpersonen, voor zichzelf of voor een derde, een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook vraagt of aanneemt om op onrechtmatige wijze invloed uit te oefenen op openbare overheden en ambtenaren om van hen een handeling of het nalaten van die handeling te verkrijgen.

Ongeoorloofde beïnvloeding wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van 100 euro tot 10 000 euro. ».

30 november 2007.

Francis DELPÉRÉE.

(1) Dit Verdrag werd door België geratificeerd en is op 23 maart 2004 in werking getreden. België maakte een voorbehoud met betrekking tot de uitvoering van het Verdrag. Dit houdt in dat de Belgische Staat krachtens zijn nationale wetgeving de handelingen bedoeld in artikel 12 van het Verdrag (ongeoorloofde beïnvloeding) niet strafbaar zal stellen wanneer die niet het gebruik tot doel hebben door de persoon die een openbaar ambt uitoefent, van de echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt. De juiste redenen van dit voorbehoud zijn niet gekend, maar het kan verklaard worden door het feit dat de wet van 10 februari 1999 niet in deze mogelijkheid voorzag : in de rechtsleer wordt dit beschouwd als een « leemte in de Belgische wetgeving ».

(2) http://www.europarl.eu.int/comparl/libe/elsj/zoom_in/28_fr.htm.

(3) Rapport explicatif, Convention pénale sur la corruption du Conseil de l'Europe, Strasbourg, 27 janvier 1999.

(4) In tegenstelling tot « personen die een openbaar ambt uitoefenen », wier handelingen strafbaar gesteld worden in artikel 247, § 4, van het Strafwetboek.

(5) S. Evrard, « La loi du 10 février 1999 relative à la répression de la corruption » J.T., 1999, blz.339.

(6) « Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar interne recht als strafbaar feit aan te merken, wanneer opzettelijk gepleegd, het beloven, aanbieden of geven, rechtstreeks of onrechtstreeks, van elk onverschuldigd voordeel als beloning, aan enige persoon die beweert of bevestigt in staat te zijn invloed uit te oefenen op de besluitvorming door een van de personen, bedoeld in de artikelen 2, 4 tot en met 6 en 9 tot en met 11, ongeacht of het onverschuldigde voordeel voor hem zelf is of voor iemand anders, alsmede het vragen, ontvangen of aanvaarden van het aanbod of de belofte daarvan als beloning voor bedoelde beïnvloeding, ongeacht of de invloed al dan niet is uitgeoefend dan wel of de veronderstelde beïnvloeding al dan niet leidt tot het beoogde resultaat ».

(7) D. Flore, « L'incrimination de la corruption — Les nouveaux instruments internationaux — La nouvelle loi belge du 10 février 1999 », La Charte, 1999, blz. 94.

(8) Rapport explicatif, Convention pénale sur la corruption du Conseil de l'Europe, Strasbourg, 27 janvier 1999, nr. 65.