4-380/1

4-380/1

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

12 NOVEMBER 2007


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten en tot aanvulling van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument teneinde de toegang tot de beschermde werken te verruimen

(Ingediend door de heer Francis Delpérée c.s.)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 23 december 2005 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 3-1500/1 - 2005/2006).

Dit wetsvoorstel beoogt bepaalde technische correcties aan te brengen in de nieuwe bepalingen van de wetgeving betreffende de auteursrechten. Voorts is het de bedoeling voor de zogenaamde kopie voor gebruik in familiekring de toegang tot de beschermde werken te vergemakkelijken ten behoeve van de onderwijsinstellingen of de erkende instellingen voor gehandicaptenzorg, ziekenhuizen, strafinrichtingen en instellingen voor jeugdzorg. De indiener vindt het immers aangewezen het samengaan van het kopiëren voor eigen gebruik en de « technische beschermingsvoorzieningen » anders op te vatten, om beter rekening te houden met het belang van die rechthebbenden.

In het Belgisch recht is de regeling voor het « kopiëren voor eigen gebruik », wat het auteursrecht betreft, vastgesteld bij artikel 22, § 1, 5º, van de wet van 30 juni 1994, die bepaalt : « Wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, kan de auteur zich niet verzetten tegen (...) de reproductie van geluidswerken en audiovisuele werken die in familiekring geschiedt en alleen daarvoor bestemd is » en bij artikel 46, 4º, wat de naburige rechten betreft. Het gaat om een uitzondering op het principe van de voorafgaande toestemming van de auteur of de rechthebbenden voor enige handeling met betrekking tot de reproductie van een werk. Krachtens die uitzondering is het voor eenieder mogelijk een beschermd werk te kopiëren voor zover die kopie bestemd is voor een louter persoonlijk of familiaal gebruik. Die uitzondering zou van toepassing kunnen zijn op de download-handelingen die plaatsvinden in het kader van netwerken voor het uitwisselen van gegevens, « peer to peer » genaamd (1) .

Teneinde het Belgische recht in overeenstemming te brengen met richtlijn 2001/219/EG, staat de wet van 22 mei 2005 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, de uitgevers, producenten en informatieleveranciers toe gebruik te maken van « technische voorzieningen », teneinde te voorkomen dat werken op andere dragers worden gekopieerd dan wel het aantal mogelijke kopieën te beperken.

Het doen sporen van het « kopiëren voor eigen gebruik » met « technische voorzieningen », een knelpunt dat is geregeld bij de wet van 22 mei 2005, lijkt geen onverdeeld succes, zoals blijkt uit de talrijke negatieve reacties, zowel van rechtzoekenden als van consumentenverenigingen. Uit de recentste rechtsleerstudies blijkt dat passende regelingen moeten worden uitgewerkt om misbruik van « technische voorzieningen » weg te werken, alsook terdege rekening te kunnen houden met de belangen van de consumenten (2) .

De voormelde wet voorziet in een ruime waaier van sanctiemaatregelen, ter bestraffing niet alleen van de ongeoorloofde omzeiling van een doeltreffende technische voorziening, maar tevens van de ongeoorloofde voorbereiding van een soortgelijke handeling, meer bepaald het aanleveren van toestellen, alsook van producten of diensten die daartoe bestemd zijn. De bepaling van het misdrijf waarbij een technische voorziening op ongeoorloofde wijze wordt omzeild, werd te strikt opgevat, aangezien bij de omzeiling van een doeltreffende technische voorziening bedrieglijk opzet wordt vermoed (artikel 79bis, § 1, van de wet van 30 juni 1994). Wanneer de omzeiling vaststaat, is er sprake van een misdrijf, behalve wanneer de persoon die de daad heeft gesteld, het bewijs kan leveren dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, bijvoorbeeld door aan te tonen dat met de omzeiling niet werd beoogd een misdrijf van namaking te vergemakkelijken, omdat de omzeiling bedoeld was om een « kopie voor eigen gebruik » te maken. Een soortgelijke regeling van « vermoeden van schuld » is uiterst ongebruikelijk op strafrechtelijk gebied, en brengt het recht op het kopiëren voor eigen gebruik ernstig in het gedrang, temeer daar het bijzonder moeilijk te bewijzen is dat men « te goeder trouw » heeft gehandeld. Dit wetsvoorstel wil zulks verhelpen door een bepaling in uitzicht te stellen die het omzeilen van technische voorzieningen alleen strafbaar stelt wanneer is gebleken dat er sprake is van bedrieglijk opzet.

Hoewel de bescherming van de technische voorzieningen beoogt de rechthebbenden toe te staan een welbepaalde controle uit te oefenen op het gebruik van hun werken, is geen sprake van een absoluut « controlerecht »; het algemeen belang vereist immers dat de personen voor wie de uitzonderingen bedoeld zijn, van dat recht effectief gebruik kunnen maken. De wet voorziet in een lijst van uitzonderingen waarvoor ten behoeve van de rechthebbenden « afdoende vrijwillige maatregelen » moeten worden genomen, alsook in een geschilbeslechtingsprocedure die bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan worden ingesteld.

De uitzondering van « het kopiëren voor eigen gebruik in familiekring » behoort niet tot die lijst. Overeenkomstig de wetsbepalingen wordt die uitzondering alleen in de lijst opgenomen als daartoe in de Ministerraad een besluit wordt vastgesteld (artikel 79bis, § 2, tweede lid, en artikel 87bis, 2º, van de wet van 30 juni 1994). Door die uitsluiting wordt de uitzondering van « het kopiëren voor eigen gebruik » vertekend : bij ontstentenis van een soortgelijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, kunnen de rechthebbenden de toegang tot hun werk ongestraft beperken, bijvoorbeeld door te verhinderen dat een medium wordt gelezen op een in een computer geplaatste lezer dan wel op een lezer met brander, ook al gebeurt zulks in de strikt persoonlijke of familiale levenssfeer.

Om dat te verhelpen en om dat recht op kopiëren voor eigen gebruik daadwerkelijk vorm te geven, wordt bij dit wetsvoorstel « de uitzondering van het kopiëren voor eigen gebruik in familiekring » opgenomen in de lijst van uitzonderingen waarvoor « afdoende vrijwillige maatregelen » moeten worden genomen (artikel 79bis, § 2, eerste lid), alsmede in de lijst van de uitzonderingen waarvoor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de rechthebbenden het nemen van « passende maatregelen » kan opleggen (artikel 87bis, § 1, 2º en 3º). De voorgestelde bepaling biedt de Ministerraad desalniettemin de vrijheid dat mechanisme van de « afdoende vrijwillige maatregelen » aan te passen mocht die uitzondering « afbreuk doen aan de normale exploitatie van werken of van prestaties en de belangen van de rechthebbenden op onwettige wijze schaden ». Het wetsvoorstel keert die bepaling nogmaals om door het mechanisme van de « afdoende vrijwillige maatregelen » voor het kopiëren voor eigen gebruik te bevestigen, met dien verstande dat de Ministerraad in geval van buitensporige inbreuken op de normale exploitatie van werken of van prestaties het mechanisme mag aanpassen.

Bovendien lijkt die lijst van uitzonderingen waarvoor « afdoende vrijwillige maatregelen » moeten worden genomen onvolledig. Hij stemt trouwens niet geheel overeen met de lijst van de uitzonderingen waarvoor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de rechthebbenden het nemen van passende maatregelen kan opleggen. Met dit wetsvoorstel worden die lijsten aangevuld, en worden de fouten inzake de onderlinge concordantie van die beide wetsartikelen verholpen.

De technische beveiligingsmaatregelen vallen erg slecht bij de consumenten, en dreigen hen op een dwaalspoor te brengen bij de aankoop van media. Het is dan ook onontbeerlijk de producenten en uitgevers van met « technische maatregelen » toegeruste media te dwingen de gebruikers duidelijk zichtbaar en in begrijpelijke bewoordingen te informeren over eventuele gebruiksbeperkingen (3) , bijvoorbeeld door aan te geven dat het werk op bepaalde toestellen niet afspeelbaar is. Met het oog op de nodige doeltreffendheid wordt die verplichting opgenomen in de wet op de handelspraktijken en de bescherming van de consument, waarbij de « verkopers » van producten worden verplicht te eisen dat die regel in acht wordt genomen door wie hen in de handelsketen voorafgaat en hun de media verschaft welke zij verkopen, in casu de producenten, uitgevers en leveranciers. De opneming van die nieuwe bepaling in het consumentenrecht maakt het mogelijk die verplichting ook te doen gelden voor de content die niet door het recht op intellectuele bescherming wordt gedekt (4) .

Parallel met de voorgestelde aanpassingen zou het percentage van de vergoedingen voor kopiëren voor eigen gebruik moeten dalen of zelfs worden afgeschaft, mocht in almaar meer beveiligingsmechanismen worden voorzien welke het kopiëren van een significant deel van de op de markt gebrachte media verhinderen. De Adviescommissie van de betrokken milieus zal met dat gegeven terdege rekening moeten houden.

COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 1

Dit artikel behoeft geen commentaar.

Artikel 2

A) De wet van 22 mei 2005 heeft in artikel 79bis, § 1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten een strafrechtelijke sanctionering ingesteld in geval van ongeoorloofde omzeiling van elke doeltreffende technische voorziening.

De tekst van die nieuwe bepaling bevat veel juridische en terminologische onduidelijkheden. Krachtens die bepaling kunnen de constitutieve elementen van het nieuwe misdrijf worden opgedeeld in een materieel element, twee morele elementen en een vermoeden van bedrog :

— materieel element : het omzeilen van een doeltreffende technische voorziening;

— eerste moreel element (of algemeen opzet) : weten of redelijkerwijze behoren te weten dat een doeltreffende technische voorziening wordt omzeild;

— tweede moreel element (of bijzonder opzet) : weten of redelijkerwijze behoren te weten dat die omzeiling het plegen van het misdrijf bedoeld in artikel 80 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, namelijk namaking, kan vergemakkelijken;

— vermoeden van bedrog : de aanwezigheid van het tweede moreel element wordt vermoed, dat wil zeggen dat de beklaagde het tegendeel moet bewijzen (namelijk dat hij niet wist of niet redelijkerwijze behoorde te weten dat de omzeiling het misdrijf van namaking kon vergemakkelijken).

In strafzaken komt dergelijke omkering van de bewijslast, met andere woorden een vermoeden van bedrog, heel zelden voor. In ons strafrechtelijk systeem berust de bewijslast in principe bij het openbaar ministerie.

Het vermoeden van schuld werd inderdaad ingesteld bij artikel 67bis van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer. Dat artikel bepaalt dat een overtreding van die wet wordt vermoed te zijn begaan door de titularis van de nummerplaat van het voertuig, als de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet is geïdentificeerd. « Die afwijking van het beginsel volgens hetwelk de bewijslast op de vervolgende partij weegt, kan worden verantwoord in het licht van het doel dat door de wetgever is nagestreefd, met name een doeltreffende bestrijding van de verkeersdelinquentie in gevallen waarin het moeilijk is de identiteit van de overtreder vast te stellen. » (plechtige openingsrede van de heer Jean du Jardin, procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, op de openingszitting van 1 september 2003, blz. 15).

Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, blijkt dat « les présomptions de droit ou de fait figurant dans les lois répressives ne sont pas en soi incompatibles avec la présomption d'innocence, si elles sont insérées dans des limites raisonnables prenant en compte la gravité de l'enjeu et en préservant les droits de la défense » (EHRM, arrest Salabiaku van 7 oktober 1988, reeks A, nr. 141-A, § 28). Kennelijk is dat hier niet het geval.

Voor het misdrijf van het ongeoorloofd omzeilen van een technische voorziening is de instelling van een dergelijk vermoeden van schuld niet wenselijk. Er is geen enkele dwingende reden om het vermoeden in te stellen dat de dader van de feiten specifieke bedoelingen zou hebben (bijzonder opzet) : het openbaar ministerie is perfect in staat om het bewijs daarvoor te leveren.

Het lijkt ook overbodig om twee morele elementen te hanteren. Het eerste morele element is immers sowieso begrepen in het tweede. Als iemand weet of redelijkerwijze behoort te weten dat de « omzeiling het plegen van het misdrijf van namaking vergemakkelijkt », weet hij de facto ook of behoort hij redelijkerwijze te weten dat hij « een doeltreffende technische voorziening omzeilt ». Die nodeloze toelichting maakt de tekst minder leesbaar en daarom is ze niet opgenomen in de voorgestelde bepaling.

Louter wetgevingstechnisch is de verwijzing naar artikel 82 van de wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten fout : dit artikel handelt over het bijzonder beslag op ontvangsten die uit het misdrijf voortkomen, en dus niet over een misdrijf op zich (terwijl in de tekst nu sprake is van het vergemakkelijken van « het plegen van inbreuken bedoeld in de artikelen 80 en 82 »).

De voorgestelde bepaling maakt de strafbepaling dus eenvoudiger. De constitutieve elementen van het nieuwe misdrijf kunnen dus als volgt worden opgedeeld :

— materieel element : omzeiling van een doeltreffende technische voorziening;

— moreel element (bijzonder opzet) : weten dat deze omzeiling het plegen van het misdrijf van namaking bedoeld in artikel 80 kan vergemakkelijken.

Die bepaling stemt overeen met artikel 6.1 van richtlijn 2001/29/EG.

B) De in artikel 79bis, § 2, eerste lid, opgenomen beperkende lijst van de uitzonderingen waarvoor « afdoende vrijwillige maatregelen » moeten worden genomen door de rechthebbenden, is onvolledig. Ze komt overigens niet helemaal overeen met de lijst in artikel 87bis, § 1, 2º (lijst van de uitzonderingen waarvoor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de rechthebbenden het nemen van passende maatregelen kan opleggen).

De voorgestelde bepaling strekt ertoe die lijst aan te vullen. De toevoegingen betreffen :

— artikel 22, § 1, 4quater en artikel 46, 3ºter : de mededeling van werken ter illustratie bij onderwijs;

— artikel 22, § 1, 13º en artikel 46, 12º : de mededeling van uitzendingen, door erkende ziekenhuizen, gevangenissen en instellingen voor jeugd- of gehandicaptenzorg (5) .

Krachtens artikel 79bis, § 2, met betrekking tot de lijst van uitzonderingen waarvoor de rechthebbenden « afdoende vrijwillige maatregelen » moeten nemen, behoort de uitzondering van « het kopiëren voor eigen gebruik in familiekring » niet tot die lijst. Dit recht kan enkel tot deze uitzonderingen worden uitgebreid als daartoe in de Ministerraad een besluit wordt aangenomen. Als dat niet gebeurt, kunnen de rechthebbenden zich niet verzetten tegen het kopiëren voor eigen gebruik door middel van « doeltreffende technische voorzieningen ».

De voorgestelde bepaling strekt ertoe die regeling om te keren. De uitzonderingen voor het kopiëren voor eigen gebruik in familiekring moeten worden vergemakkelijkt door middel van « vrijwillige maatregelen ». Pas wanneer wordt vastgesteld dat de belangen van de rechthebbenden op onwettige wijze worden geschaad, kan de Ministerraad het mechanisme van de « afdoende vrijwillige maatregelen » aanpassen voor het « kopiëren voor eigen gebruik in familiekring ».

Deze nieuwe bepaling stemt overeen met artikel 6.4 van richtlijn 2001/29/EG.

De tweede wijziging brengt artikel 87bis in overeenstemming met die nieuwe regeling

Artikel 3

A + B) De beperkende lijst van de uitzonderingen waarvoor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de rechthebbenden het nemen van passende maatregelen kan opleggen, is onvolledig. Deze bepaling strekt ertoe die lijst aan te vullen met de verwijzingen naar de « vergeten » uitzonderingen. De toevoegingen betreffen artikel 22, § 1, 4quater en artikel 46, 3ºter, dus de mededeling van werken ter illustratie bij onderwijs;

C) Tijdens de bespreking van het wetsontwerp dat de wet van 22 mei 2005 is geworden, heeft de Kamer ingevolge de goedkeuring van amendementen de paragrafen van artikel 79bis vernummerd, maar heeft ze over het hoofd gezien de tekst van het nieuwe artikel 87bis terdege aan te passen. Deze bepaling strekt ertoe die vergetelheid weg te werken door in artikel 87bis, § 1, 3º, de verwijzing naar artikel 79bis, laatste lid, te verbeteren (6) . Het is van wezenlijk belang die bepaling te corrigeren, want het betreft de wettelijke basis op grond waarvan bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg een zaak aanhangig kan worden gemaakt, om de rechthebbenden te verplichten tot het veranderen van een technische voorziening die belet dat de rechtmatige verkrijgers van de beschermde werken en prestaties deze werken overeenkomstig hun beoogde doel gebruiken.

Artikel 4

Deze bepaling strekt ertoe in de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument de verplichting op te nemen dat de verkopers van producten met « technische voorzieningen » de consumenten duidelijk en bevattelijk moeten uitleggen dat voor die producten gebruiksbeperkingen gelden.

Francis DELPÉRÉE.
Georges DALLEMAGNE.
Jean-Paul PROCUREUR.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 79bis van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, ingevoegd bij de wet van 22 mei 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A. paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt :

« Eenieder die een doeltreffende technische voorziening omzeilt en die weet dat deze omzeiling het plegen van het misdrijf van namaking bedoeld in artikel 80 kan vergemakkelijken, is schuldig aan het misdrijf van het ongeoorloofd omzeilen van technische voorzieningen. Dit misdrijf wordt gestraft overeenkomstig de artikelen 81 en 83 tot 86. ».

B. paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :

« § 2. De rechthebbenden nemen binnen een redelijke termijn afdoende vrijwillige maatregelen, waaronder overeenkomsten met de andere betrokken partijen, om ervoor te zorgen dat de nodige middelen verschaft worden aan de gebruiker van een werk of een prestatie om van de uitzonderingen bepaald bij artikel 21, § 2, artikel 22, § 1, 4º, 4ºbis, 4ºter, 4ºquater, 8º, 10º, 11º en 13º, artikel 22bis, § 1, eerste lid, 1º tot 5º, en artikel 46, 3ºbis, 3ºter, 7º, 9º, 10º en 12º, gebruik te kunnen maken, zo de gebruiker op rechtmatige wijze toegang heeft tot het door de technische voorziening beschermde werk of prestatie.

De bepalingen bedoeld in het eerste lid zijn van toepassing op de uitzonderingen bepaald bij de artikelen 22, § 1, 5º en 46, eerste lid, 4º. Voor die beide uitzonderingen kan de Koning echter, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, nadere regels vaststellen voor de toepassing van de bepalingen bedoeld in het eerste lid, wanneer zij afbreuk doen aan de normale exploitatie van werken of van prestaties en de belangen van de rechthebbenden op onwettige wijze schaden. ».

Art. 3

In artikel 87bis van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A. in § 1, 2º, worden de woorden « of in de bepalingen door de Koning bepaald krachtens artikel 79bis, § 2, tweede lid » vervangen door de woorden « of van de uitzonderingen bepaald bij de artikelen 22, § 1, 5º, en 46, eerste lid, 4º, maar voor deze twee laatste uitzonderingen met inachtneming van de eventueel door de Koning op basis van artikel 79bis, § 2, vastgestelde voorwaarden »;

B. in § 1, 2º, worden de woorden « artikel 22, § 1, 4º, 4ºbis, 4ºter, 8º, » vervangen door de woorden « artikel 22, § 1, 4º, 4ºbis, 4ºter, 4quater, 8º, » en de woorden « artikel 46, 3ºbis, 7º » vervangen door de woorden « artikel 46, 3ºbis, 3ºter, 7º »;

C. in § 1, 3º, worden de woorden « 79bis, § 5 » vervangen door de woorden « 79bis, § 4 ».

Art. 4

In de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument wordt een artikel 15bis ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 15bis. — Bij een product dat is toegerust met een of meer « technische voorzieningen » in de zin van artikel 79bis van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, moet op het etiket verplicht een vermelding zijn aangebracht die de gebruikers duidelijk en bevattelijk aangeeft welke gebruiksbeperkingen gelden voor dat product. »

23 oktober 2007.

Francis DELPÉRÉE.
Georges DALLEMAGNE.
Jean-Paul PROCUREUR.

(1) De « Dienst voor de Intellectuele Eigendom » heeft een nota over het toepassingsgebied van de uitzonderingen op het kopiëren voor eigen gebruik bezorgd aan de « Adviescommissie van de milieus betrokken bij het kopiëren voor eigen gebruik » (OPRI 10072003). Dit advies werd unaniem goedgekeurd door die adviescommissie, zoals blijkt uit het antwoord van de minister van Energie op een schriftelijk vraag (QRVA 51 nr. 084 van 27.06.05, blz. 14540).

(2) N. Helberger, « La gestion des droits numériques du point de vue des consommateurs », IRIS plus, Observ. de l'audiov. européen, Uitgave 2005, nr. 8, blz. 6.

(3) Het Duitse recht bevat een soortgelijke bepaling in artikel 95 (d) van de wet op het auteursrecht.

(4) Het betreft content die tot het publiek domein behoort. Het kan onder meer gaan om content waarvan de beschermingstermijn is verlopen, zoals de werken van Wolfgang Amadeus Mozart of Jules Verne, dan wel om content die nooit door het auteursrecht werd beschermd, zoals bijvoorbeeld de wetteksten of de rechterlijke uitspraken.

(5) Die beide uitzonderingen staan nochtans in de lijst die is opgenomen in artikel 87bis, § 1 2o.

(6) Die bepaling verwijst momenteel naar artikel 79bis, § 5, een onbestaande bepaling ...