4-211/1

4-211/1

Belgische Senaat

BUITENGEWONE ZITTING 2007

29 SEPTEMBER 2007


Wetsvoorstel tot uitbreiding van het recht op vaderschapsverlof bij vroeggeboorte

(Ingediend door mevrouw Nahima Lanjri c.s.)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van DOC 51 1336/001.

Er werden initiatieven genomen om de moederschapsrust te verlengen indien het kind langer in het ziekenhuis moet blijven dan de moeder. Het wetsvoorstel DOC 51 0676/001 komt hieraan tegemoet, en ook de vorige regering heeft aangekondigd een initiatief daarover te nemen.

De inzet van de vader voor, tijdens en na de zwangerschap wordt steeds meer geapprecieerd door de moeders en door de maatschappij. In het geval van een problematische vroeggeboorte of andere medische complicatie die het kind langer in het ziekenhuis houdt dan de moeder, is de betrokkenheid van de vader evenzeer belangrijk, zowel voor de moeder als voor het pasgeboren kind en de eventuele andere kinderen van het gezin. Vaak zal minstens één van de ouders immers bij het kind in de verpleeginstelling willen blijven. Daarom stellen wij voor om in dit geval niet enkel de moederschapsrust, maar ook het vaderschapsverlof passend te verlengen, namelijk met drie dagen indien het kind langer dan de moeder in het hospitaal moet blijven.

Aangezien het vaderschapsverlof een korte periode bent, heeft het geen zin dezelfde berekening toe te passen als voor het moederschapsverlof, dat volgens de betreffende voorstellen verlengd zou worden met het aantal dagen dat het kind langer in het hospitaal verbleef. Indien dezelfde wijze van berekening zou gebeuren voor de man, zou het vaderschapsverlof vaak proportioneel veel meer worden verlengd dan dat van de moeder.

Met dit wetsvoorstel willen wij een bijdrage leveren aan de verdere betrokkenheid van de vader bij het gezinsleven. Een evenwichtigere verdeling van de taken komt immers niet enkel de moeder, maar de maatschappij als geheel ten goede, aangezien de moeder op die manier werk en gezin beter kan combineren. Deze verandering kan daartoe bijdragen.

De uitkering voor het vaderschapsverlof zal ook tijdens de verlengde periode moeten blijven doorlopen. Deze bevoegdheid wordt, zoals in het verleden, aan de Koning gedelegeerd.

Nahima LANJRI
Wouter BEKE
Sabine de BETHUNE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1985 en bij de wet van 10 augustus 2001, wordt vervangen als volgt :

« § 2. De werknemer heeft het recht om van het werk afwezig te zijn, ter gelegenheid van de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs zijn zijde vaststaat, gedurende tien dagen, door hem te kiezen binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag van de bevalling.

Indien het pasgeboren kind in een verplegingsinrichting moet opgenomen blijven nadat de moeder deze verplegingsinrichting verlaten heeft, wordt het recht, bedoeld in het vorige lid, met drie dagen verlengd.

Gedurende de eerste drie dagen afwezigheid geniet de werknemer het behoud van zijn loon.

Gedurende de volgende zeven dagen, eventueel verhoogd met het in het tweede lid bedoelde aantal dagen, geniet de werknemer een uitkering waarvan het bedrag wordt bepaald door de Koning en die hem wordt uitbetaald in het raam van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. ».

Art. 3

Artikel 25quinquies, § 2, van de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomst wegens dienst op binnenschepen, ingevoegd bij de wet van 10 december 1962 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 maart 1971 en door de wet van 10 augustus 2001, wordt vervangen als volgt :

« § 2. De werknemer heeft het recht om van het werk afwezig te zijn, ter gelegenheid van de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs zijn zijde vaststaat, gedurende tien dagen, door hem te kiezen binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag van de bevalling.

Indien het pasgeboren kind in een verplegingsinrichting moet opgenomen blijven nadat de moeder deze verplegingsinrichting verlaten heeft, wordt het recht, bedoeld in het vorige lid, met drie dagen verlengd.

Gedurende de eerste drie dagen afwezigheid geniet de werknemer het behoud van zijn loon.

Gedurende de volgende zeven dagen, eventueel verhoogd met het in het tweede lid bedoelde aantal dagen, geniet de werknemer een uitkering waarvan het bedrag wordt bepaald door de Koning en die hem wordt uitbetaald in het raam van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. ».

26 juli 2007.

Nahima LANJRI
Wouter BEKE
Sabine de BETHUNE.