3-216

3-216

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 26 APRIL 2007 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van mevrouw Elke Tindemans aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de verkiezingen van 10 juni 2007 en de implicaties voor de studenten» (nr. 3-1514)

De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mevrouw Elke Tindemans (CD&V). - Op zondag 10 juni trekken we weer met z'n allen naar de stembus. We zijn ervan overtuigd dat de meerderheid van de burgers deze gelegenheid graag te baat nemen om hun mening te uiten over het gevoerde beleid en de voorgestelde alternatieven.

Niettemin levert dit voor sommigen onder ons ernstige praktische problemen op, zoals moeilijke verplaatsing of lange wachtrijen. Voor studenten ontstaan bijkomende problemen doordat zij zich niet zelden dienen te verplaatsen van de stad waar ze studeren, naar de stad waar ze zijn ingeschreven. Bovenop deze verplaatsing moeten ze soms nog lang in de rij staan in het stembureau.

Daar de verkiezingsdatum midden in de examenperiode valt, is CD&V van mening dat van deze studenten een disproportionele inspanning wordt gevraagd.

Is de minister zich bewust van de extra moeilijkheden die de keuze van de verkiezingsdatum voor de studenten veroorzaakt?

Is de minister van plan op dit vlak richtlijnen aan de gemeenten te geven?

Overweegt de minister eventueel de gemeenten te vragen om aan studenten, op vertoon van hun studentenkaart, voorrang te verlenen bij het uitbrengen van de stem, zodat ze niet onnodig tijd verliezen in het stembureau?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

Op 1 maart 2007 hebben mijn diensten een specifieke omzendbrief naar de kantonhoofdbureaus en naar de burgemeesters gezonden betreffende de situatie van de studenten tijdens de verkiezingsperiode.

Wat de stemplicht betreft, voorziet het Kieswetboek uitdrukkelijk in het geval van de student(e) die om studieredenen in de onmogelijkheid verkeert om te stemmen. Hij of zij kan een andere persoon machtigen om in zijn of haar naam te stemmen, op voorwaarde dat hij of zij een attest voorlegt van de instelling waar hij of zij onderwijs geniet.

Wat de bijzitters betreft, dient de voorzitter van het kantonhoofdbureau op het moment dat hij de bijzitters oproept, bijzonder te letten op het statuut van student dat sommige bijzitters kunnen hebben. Indien studenten worden aangewezen en de uitoefening van deze functie het slagen voor hun examens in gevaar zou kunnen brengen, worden ze uitgenodigd hun wettige redenen zo snel mogelijk te melden aan de voorzitter van het kantonhoofdbureau. De formulieren hiervoor zijn beschikbaar op de website www.verkiezingen.fgov.be. De voorzitters van de kantonhoofdbureaus worden verzocht deze redenen van verhindering met het nodige begrip te beoordelen. Om een ruime publiciteit aan deze maatregelen te geven, hebben mijn diensten deze informatie naar de directeurs van de verschillende onderwijsinstellingen verzonden.

Met de genoemde maatregelen is het volgens mij niet noodzakelijk specifieke voorrang aan de studenten te verlenen bij het uitbrengen van hun stem.

Mevrouw Elke Tindemans (CD&V). - Ik vind dit antwoord onvoldoende. Mijn vraag ging specifiek over het verlenen van voorrang aan studenten die de moeite hebben gedaan zich te verplaatsen naar de stad of gemeente waar ze ingeschreven zijn, om hun kiesplicht te vervullen. Blijkbaar kan deze voorrang niet officieel worden geregeld. Het feit dat ze niet kunnen worden opgeroepen als bijzitter, doet hierbij niet ter zake. Ik vind het jammer dat geen rekening wordt gehouden met mijn bekommernis om de studenten zo weinig mogelijk tijd te doen verliezen bij het vervullen van hun stemplicht.