3-2381/1 | 3-2381/1 |
4 APRIL 2007
In de staatsrechtelijke doctrine wordt het begrip grondwet in het algemeen in drie betekenissen gebruikt.
De eerste betekenis van grondwet is die van de constitutie als oprichtingshandeling. De grondwet is in die visie een in een document neergelegde handeling waarvan het gevolg is dat er een grondwettelijke rechtsorde (instellingen, bevoegdheden en ambten) wordt ingericht. Dit kan als het formeel constitutiebegrip worden omschreven.
Grondwet wordt, in een tweede betekenis, ook wel opgevat als een systeem van regels gericht op de begrenzing van overheidsmacht. Volgens deze functionele opvatting is een grondwet vooral gericht op toekenning en begrenzing van overheidsbevoegdheden, de regeling en begrenzing van openbare machtsuitoefening.
In een derde benadering, het politieke constitutiebegrip, is een grondwet exclusief verbonden aan de nationale staat. In deze, nauw met de idee van volkssoevereiniteit verbonden, betekenis is de constitutie vooral een politieke handeling : de grondwet is de uiting van de wil van een soeverein volk of natie om zichzelf als een zelfstandige politieke eenheid te manifesteren (zelfbeschikking) en zichzelf daartoe als staat te organiseren (constitutionele autonomie).
A. Hervormen zonder immobilisme
In het regeerakkoord van de huidige federale regering werden in het hoofdstuk « Beter Bestuur » in het kader van « de verdere uitbouw van de federale staat » de volgende doelstellingen en maatregelen aangekondigd :
— Het oprichten van een Forum dat op basis van het politiek akkoord tussen de regeringspartijen van 26 april 2002, de voorstellen tot herziening van de grondwet en de wetsvoorstellen voorbereiden die onder meer zullen moeten leiden tot :
— de hervorming van het tweekamerstelsel;
— de constitutieve autonomie van het Brussels Gewest;
— de herziening van artikel 195 van de Grondwet;
— de verkiezingsdata voor de federale en deelstaatverkiezingen;
— de invoering van de term « Parlement » voor de gewestelijke en gemeenschapsraden.
— Bovendien zou dit Forum oplossingen onderzoeken en wetsontwerpen uitwerken « voor verschillende vragen » om bij te dragen tot « een grotere structurele coherentie van de federale, gewestelijke en/of gemeenschapsbevoegdheden ». In dit kader zou het forum onder meer de verkeersveiligheid en het uitreiken van uitvoervergunningen voor wapens behandelen. In ditzelfde kader zou ook over de ontwikkelingssamenwerking gesproken worden « binnen de krijtlijnen van de bijzondere wet van 13 juli 2001 ».
— Het uitbreiden van de bevoegdheden van het Arbitragehof en er een Grondwettelijk Hof van maken.
— Het creëren van een basis door de grondwetgever voor de nieuwe bevoegdheden die werden toegekend aan het Rekenhof.
De verklaring tot herziening van de Grondwet die aan het eind van de vorige legislatuur werd goedgekeurd, stelde 60 artikelen in herziening.
Op het vlak van de resultaten terzake dient te worden vastgesteld :
— het Forum werd in het najaar van 2004 geïnstalleerd, maar de eerste vergadering was meteen ook de laatste.
Van de opdrachten die het Forum volgens het regeerakkoord kreeg, werd alleen de regionalisering van de uitvoervergunningen voor wapens en de invoering van de term « Parlement » voor de gewest- en gemeenschapsraden gerealiseerd, maar dat gebeurde volledig buiten het Forum. De regionalisering van de wapenexport was één van de eerste initiatieven van de huidige federale regering. Over de wijziging van de benaming van de gewest- en gemeenschapsassemblees van « Raden » in « Parlementen » bestond een grote consensus. Het was de bekrachtiging in de Grondwet van wat decretaal reeds was ingevoerd.
— Arbitragehof : aan de bevoegdheden van het hof werd tijdens deze legislatuur niets gewijzigd. In de Senaat werd een voorstel tot herziening van de Grondwet om de benaming van het Arbitragehof te wijzigen in Grondwettelijk Hof goedgekeurd, maar nog niet in de Kamer.
— Rekenhof : bovenvermelde maatregel werd niet uitgevoerd.
— Vijf herzieningen van de Grondwet haalden de eindmeet. Voor de afschaffing van de doodstraf in de grondwet was er een ruime tweederdemeerderheid. De overige herzieningen waren technische aanpassingen : de opheffing van een aantal verouderde bepalingen en een wijziging in artikel 41.
De regering Verhofstadt II is inzake de verdere uitbouw van de federale staat de regering van de stilstand. Behalve de regionalisering van de wapenexport kwamen geen essentiële hervormingen tot stand.
Een herziening van de Grondwet met het oog op fundamentele en belangrijke hervormingen, wars van immobilisme, is daarom noodzakelijk.
B. Algemeen : een stabiel handvest met maatschappelijke relevantie
Vermits de Grondwet kan worden omschreven als een basisnorm die de organisatie van de staat, de grenzen van zijn optreden en zijn verhouding met de bevolking bepaalt, is het van groot belang dat deze « fundamentele wet » (zoals de grondwet ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd genoemd) erin slaagt de hoofddeugden van stabiliteit en overeenstemming met de maatschappelijke werkelijkheid, te verenigen. Enkel in die zin kan zij werkelijk haar rol spelen van identiteitskaart van de samenleving, die een land in de werkelijke zin van het woord « constitueert », tot zichzelf maakt. Enkel dan is het mogelijk dat de Grondwet de uiting is van een nationale consensus en bijgevolg ruimte schept voor een vorm van « Verfassungspatriotismus » (zoals dat duidelijk het geval is met de Duitse grondwet als basis voor de identiteit van het naoorlogse Duitsland).
Misschien is het wel zo dat de jongste decennia te veel aandacht werd besteed aan de eerste opdracht van een grondwet, namelijk de organisatie van de staat te omschrijven. Constitutioneel recht dient inderdaad meer te zijn dan een beschrijving van vigerende en/of wenselijke instellingen, en dient — zoals hierboven beschreven — stabiliteit en maatschappelijke relevantie met elkaar te verzoenen.
Dit voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet onderschrijft dit uitgangspunt.
Op het vlak van maatschappelijke relevantie heeft dit voorstel van verklaring tot herziening een dubbele doelstelling.
Enerzijds neemt zij akte van de ruime consensus in Vlaanderen dat de huidige Belgische federale staatsstructuur onvoltooid is en nieuwe stappen nodig zijn in de staatshervorming. Niettegenstaande de opeenvolgende staatshervormingen en de autonomie voor de deelstaten stellen we vast dat de huidige bevoegdheidsregels onvoldoende transparant en coherent zijn.
We stellen ook vast dat Vlaanderen en Wallonië een eigen en verschillende visie ontwikkelen inzake beleid en bestuur. Maatschappelijke problemen stellen zich anders in Vlaanderen dan in Wallonië.
Ook de voorgestelde oplossingen verschillen. Het handhaven van het status-quo is een rem op de ontwikkeling van de staatsvorming en bijgevolg een conservatieve houding. Een vooruitstrevende houding inzake de organisatie van de Staat bestaat erin meer autonomie en verantwoordelijkheid aan de deelstaten te geven waardoor zij het belangrijkste bestuursniveau in dit land worden. Alleen op deze wijze zullen maatschappelijke problemen en noden adequate oplossingen krijgen die overeenstemmen met de politieke voorkeuren van de deelstaten.
Deze evolutie naar een confederale inrichting van de Staat is de uiting van een welbepaalde visie op mens en samenleving, die de kwestie van de zogenaamde « communautaire tegenstellingen en problemen » ruim overstijgt. Deze visie vertrekt van de verbondenheid tussen mensen en het subsidiariteitsbeginsel : politieke structuren moeten dicht bij de mensen staan, duidelijk en eenvoudig zijn. Een moderne democratische staat is van onder naar boven opgebouwd. Vanuit die optiek worden de bevoegdheden van de federale overheid afgelijnd.
Vanuit een grensoverschrijdende verbondenheid en omwille van de menselijke zekerheid kiezen wij ook voor een objectieve, doorzichtige en omkeerbare solidariteit tussen de deelstaten. Een grotere autonomie en verantwoordelijkheid voor de deelstaten sluit solidariteit en coöperatie niet uit. Integendeel, zij zijn er onlosmakelijk mee verbonden.
In deze verklaring is bewust het huidige artikel 195 van de Grondwet niet opgenomen. Wij zijn van oordeel dat niet moet worden afgeweken van de principiële gestrengheid van de grondwetgever ten aanzien van de Grondwet. Misschien verraadt de onvrede over de « rigide » procedure tot wijziging wel dat al te veel niet-fundamentele bepalingen zijn opgenomen in een tekst die zich uit zijn wezen ver zou moeten houden van details en aandachtspunten van voorbijgaande aard. Anderzijds valt het ook op dat fundamentele kenmerken van ons staatsbestel totnogtoe uitgesloten bleven van een grondwettelijke confirmatie. Ook op dit vlak lijkt het zinvol grondwettekst en werkelijkheid nauwer bij elkaar te laten aansluiten.
Voor CD&V is het in ieder geval van het grootste belang dat de wijziging van de Grondwet niet wordt losgekoppeld van een raadpleging van het kiezerskorps. Het is enigszins verbazend dat zij die voorstellen in die zin doen er tevens voor pleiten het referendum of zelfs het grondwetgevend referendum in te voeren. Ook op dit vlak lijkt het ons van het grootste belang de zin voor evenwicht te bewaren en geen overhaaste wijzigingen door te voeren aan een herzieningsprocedure die ons land ongetwijfeld heeft behoed voor meer dan één avontuur.
C. De confederale optie : het zwaartepunt bij de deelstaten
Bij de herschikking van relaties tussen overheden gaat CD&V radicaal uit van het subsidiariteitsbeginsel. De opbouw van de Staat gebeurt van onderuit. Sterke en bestuurskrachtige gemeenten én Vlaanderen zijn de dragende pijlers van een behoorlijk bestuur. Wij kiezen ook voor meer Vlaanderen in een sociaal en slagvaardig Europa. De deelstaten moeten meer dan ooit een rol kunnen spelen in Europa.
Deze en vorige legislatuur werden nagenoeg geen stappen vooruit gezet op het vlak van de staatshervorming. Het Lambermont-akkoord voorzag in maxi-geld tegenover mini-bevoegdheden : zeer veel geld werd overgeheveld naar de gemeenschappen voor de financiering van vooral het Franstalig onderwijs in ruil voor de regionalisering van de gemeente- en provinciewet, een marginale verruiming van de fiscale autonomie, de zogenaamde splitsing van de buitenlandse handel, de verdere regionalisering van het landbouwbeleid en de regionalisering van de wapenexport.
Op de domeinen waar stappen echt nodig waren, mede gelet op het Vlaamse regeerakkoord — defederalisering van het gezondheids- en gezinsbeleid, homogene bevoegdheden op het vlak van het werkgelegenheids-, mobiliteits-, wetenschapsbeleid én een volwaardige fiscale autonomie ook op het vlak van de vennootschappen — is niets gebeurd.
Het standpunt van CD&V
CD&V wil de hefbomen van het sociaal en economisch beleid voor Vlaanderen en de Vlamingen, in Vlaamse handen. Dat impliceert een nieuwe staatshervorming in confederale zin waarbij het zwaartepunt bij de deelstaten dient te komen liggen. Vanuit onze keuze voor een « democratie van de verbondenheid » is het voor de Vlaamse christen-democraten belangrijk dat politieke structuren dicht bij de mensen staan en duidelijk en eenvoudig zijn. De integrale uitvoering van de vijf resoluties van het Vlaams Parlement van 3 maart 1999 zijn de eerste opstap naar een model dat de basisbevoegdheden bij de twee deelstaten legt.
Dit betekent : samen nagaan wat we samen willen doen. In onze visie moeten de basisbevoegdheden bij de twee deelstaten liggen. Zij beslissen, in onderling overleg en met wederzijdse instemming, welke bevoegdheden, op welke wijze en door welke instellingen op het Belgisch niveau worden uitgeoefend.
Wij kiezen daarbij prioritair voor de gemeente en de gemeenschap. Vlaanderen moet, met onze gemeenschappelijke taal, cultuur en geschiedenis als dragend kenmerk, voor ons het belangrijkste beleidsniveau worden. Ons uitgangspunt is het belang van de mensen, dat gediend is met een efficiënt, nabij en democratisch bestuur.
Vanuit een grensoverschrijdende verbondenheid en omwille van de menselijke zekerheid kiezen wij ook voor een objectieve, doorzichtige en omkeerbare solidariteit tussen de deelstaten. Vlaanderen heeft geen enkel belang bij een verarming van Wallonië, integendeel. Solidariteit blijft dus belangrijk. Dat gaat perfect samen met meer bevoegdheden en mogelijkheden — en dus ook meer verantwoordelijkheid — voor de deelstaten om zelf een sociaal-economisch beleid te voeren. Zo kunnen zowel Vlaanderen als Wallonië de beste keuzes maken voor het welzijn en de welvaart van hun inwoners.
Daarom pleiten we voor een objectieve en doorzichtige solidariteit tussen Vlaanderen en Wallonië. Er moet een einde worden gemaakt aan de voor Vlaanderen nefaste verdeelsleutels bij overheidsinvesteringen en aan de niet objectiveerbare transfers in de sociale zekerheid. Een maximale bestedingsautonomie gekoppeld aan fiscale verantwoordelijkheid voor Vlaanderen en Wallonië moeten zorgen voor een doorzichtig en rechtvaardig solidariteitsmechanisme waarbij beide deelstaten maximale ontplooiingskansen krijgen en met eigen middelen een beleid voeren naar eigen inzichten.
Artikel 35 van de Grondwet als scharnierartikel
Deze verklaring stelt een aantal artikelen van de Grondwet in herziening, die een effectieve uitvoering moeten geven aan een organisatie van de staat gebaseerd op een fundamentele tweeledigheid op basis van twee deelstaten met daarnaast een specifiek statuut voor Brussel en de Duitstalige Gemeenschap. Voor ons is artikel 35 van de Grondwet het scharnierartikel om deze basisdoelstelling mogelijk te maken.
Tevens worden een aantal artikelen in herziening gesteld die belangrijke bevoegdheden op het niveau van de deelstaten brengt. Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat bepaalde bevoegdheidsoverdrachten ook kunnen worden doorgevoerd door middel van een wijziging van de bijzondere wetten en dus geen herzieningsverklaring vereisen.
Om een effectiever beleid te voeren dat aansluit bij de verwachtingen van de mensen wil CD&V volgende bevoegdheden in een eerste fase toewijzen aan de deelstaten :
— het volledige gezins- en gezondheidsbeleid;
— alle aspecten van het werkgelegenheidsbeleid;
— het beleid inzake collectieve arbeidsovereenkomsten;
— volwaardige belastingbevoegdheid zodat het beleidsniveau dat verantwoordelijk is voor de uitgaven ook verantwoordelijk is voor de inkomsten. De basis hiervan wordt gevormd door de meest democratische van de belastingen : de personenbelasting. Tevens moeten de deelstaten bevoegd worden voor de vennootschapsbelasting;
— substantiële delen van het veiligheids- en justitiebeleid;
— de huurwetgeving;
— de mobiliteit, inbegrepen de regionale spoorinfrastructuur en de exploitatie ervan. Tevens wordt hen medebeslissingsrecht gegeven in het spoorinvesteringsprogramma en in de exploitatie van de hoofdinfrastructuur;
— het volledige wetenschapsbeleid;
— aspecten van de verkeersreglementering;
— het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten;
— het Rampenfonds.
Brussel krijgt vanwege zijn opdracht als tweetalig gebied en hoofdstad van Vlaanderen, België en Europa een aangepast statuut waarbij de autonomie met betrekking tot de lokale materies behouden blijft en zijn hoofdstedelijke rol verder wordt uitgebouwd. De bevoegdheid van de twee deelstaten strekt zich uit over Brussel, waar eigen instellingen opdrachten kunnen vervullen voor de deelstaten. Die instellingen fungeren ook als instrumenten van ontmoeting en samenwerking, geënt op de specificiteit van Brussel. De gelijke behandeling van alle Vlamingen van binnen of buiten Brussel en van de andere Brusselaars die dit wensen, is hierbij het uitgangspunt.
Andere CD&V-prioriteiten zijn een sterk Vlaams beleid voor de Vlaamse rand rond Brussel : meer aandacht voor de Vlaamse rand en voor de faciliteitengemeenten; de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde; een aangepast en specifiek huisvestingsbeleid zodat er in de rand betaalbare woningen zijn voor iedereen; een degelijk onthaal — en communicatiebeleid ten aanzien van de anderstaligen en eerbied voor het Nederlandstalig karakter van de Rand, in rechte en in feiten.
Tevens gelooft CD&V in de voortzetting van de Europese eenmaking. Europa is de globale actor die de belangen van de EU-inwoners moet kunnen behartigen in de wereld. De evolutie naar democratischere structuren en naar een grotere betrokkenheid van de mensen bij de Europese Unie, moet met spoed worden doorgezet. Daarom moeten de Vlamingen aan de Europese beslissingstafel zo snel mogelijk een eigen stem krijgen in de eigen Vlaamse materies. Zo kunnen we onze taal en identiteit en onze visie op de toekomst op Europees niveau verdedigen.
D. Grondrechten
Daarnaast wenst CD&V ook een aantal wijzigingen in de Grondwet door te voeren die bepaalde grondrechten en waarden uitdrukkelijk verankeren : recht op veiligheid, vrijheid van ondernemen, een betrouwbare overheid die aandacht heeft voor de zwaksten, zoals kinderen, duurzame ontwikkeling op basis van een evenwichtige economische groei en van prijsstabiliteit, internationale solidariteit, ...
Een algemene inherzieningstelling van titel II van de Grondwet (« De Belgen en hun rechten »), teneinde de verworvenheden van de voornaamste mensenrechtenverdragen in de Grondwet te incorporeren, zoals door de preconstituante in 1999 werd voorgesteld, is voor CD&V niet langer opportuun, nu deze incorporatie voor een belangrijk deel is gerealiseerd door de wijziging van de bijzondere wet op het Arbitragehof. Op een praktisch bevredigende en technisch eenvoudiger manier is zo een resultaat bereikt dat tegemoet komt aan de wensen van CD&V. De incorporatie in kwestie mag immers niet worden beschouwd als een symbool, maar moet een concrete meerwaarde bieden voor de mensen in het algemeen en de rechtzoekenden in het bijzonder.
E. Genderneutraal
CD&V is voorstander van een grondwetswijziging met de bedoeling deze genderneutraal te ontwikkelen. Onze Grondwet is een gendergeladen tekst wat inhoudt dat ze voor onze huidige taalgemeenschap vanzelfsprekendheden bevat die erop neerkomen dat het mannelijke steeds het algemene, het centrale en het hoger gewaardeerde is, terwijl het vrouwelijke het uitzonderlijke, het marginale en het minder gewaardeerde vormt.
Op die manier ressorteren dergelijke op genderideologie gebaseerde vooronderstellingen een discriminerend effect in de wijze waarop de beide geslachten ten opzichte van elkaar worden beschouwd.
Die visie wordt ondersteund door de Raad van Europa die reeds in aanbeveling nr. R(90) 4 de nadruk vestigde op de fundamentele rol van taal in het vormen van een individuele sociale identiteit, alsook op de interactie die bestaat tussen taal en sociale gedragingen.
De Raad sprak daarbij de overtuiging uit dat het seksisme dat het huidige taalgebruik in de meeste Europese landen kenmerkt, waarbij het mannelijke prevaleert op het vrouwelijke, de totstandkoming van gelijkheid tussen man en vrouw verhindert omdat het aldus het bestaan van vrouwen als de helft van de wereldbevolking negeert.
Het opsporen en verwijderen van dergelijke vooronderstellingen in de wetgeving is op zichzelf trouwens één van de doelstellingen van de gendermainstreaming die sinds de Wereldconferentie in Peking van 1995 internationaal weerklank vond. Net als de Raad van Europa, de Europese Unie en talrijke staten heeft ook ons land zich ertoe verbonden hier aandacht aan te besteden en er werk van te maken.
Aldus wordt de tweede reden voor het bepleiten van deze grondwetswijziging duidelijk. We kunnen in ons land niet oprecht beweren te streven naar gendergelijkheid in het algemeen beleid, laat staan dat het ook effectief zou gebeuren, indien onze hoogste juridische norm zelf in strijd is met de minimale vereisten welke deze vergt.
Ten slotte maakt een dergelijke wijziging van de Grondwet het niet alleen mogelijk dat voortaan juridisch genderbewust taalgebruik op een systematische en coherente wijze in de hele verdere wetgeving ingang kan vinden, het zal ook het bewustzijn over en het draagvlak voor een dergelijk beleid, dat we met z'n allen hebben onderschreven, vergroten.
Deze principes werden op hoog internationaal niveau effectief reeds doorgevoerd. Zo kan als positieve illustratie verwezen worden naar het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie waarin het systematische gebruik van de mannelijke vorm vervangen werd door mannelijke en vrouwelijke vormen.
F. Artikelsgewijze toelichting
Artikelen 1 tot en met 3
Deze artikelen confirmeren momenteel het federale karakter van de staat en het naast elkaar bestaan van twee soorten gefedereerde entiteiten, namelijk de gemeenschappen en de gewesten.
Om de confederale optie concreet in te schrijven en de deelstatelijkheid grondwettelijk te verankeren, dienen deze artikelen vatbaar te zijn voor herziening in functie van de invoering van twee deelstaten, en de deelgebieden Brussel en de Duitstalige Gemeenschap.
Artikelen 4, 5, 6, 7, 33, 38, 39, 42, 115 tot en met 140
De herziening van deze artikelen is een logisch gevolg van het in herziening verklaren van de artikelen 1 tot en met 3 en 35. De confederale optie impliceert dat de terminologie Gemeenschappen en Gewesten voorbijgestreefd zal zijn. Een keuze voor een coherente herziening heeft tot gevolg dat ook alle bepalingen van titel II, hoofdstuk IV, « De gemeenschappen en de gewesten » en alle bepalingen waarin naar de gemeenschappen en de gewesten wordt verwezen voor herziening vatbaar worden verklaard.
Aanvulling van een titel Ibis met een artikel 7ter om de internationale solidariteit als algemene beleidsdoelstelling voor de deelstaten en de federale Staat in te schrijven
CD&V speelde een voortrekkersrol in de totstandkoming van de wet van 25 mei 1999 betreffende de Belgische internationale samenwerking. Nu wil ze dit in een snel veranderende wereld blijven doen om België een pioniersrol te laten vervullen inzake internationale solidariteit.
Daarom wil CD&V in de Grondwet titel Ibis « Algemene beleidsdoelstellingen van het federale België, de gemeenschappen en de gewesten » met een nieuw artikel 7ter aanvullen. Hierbij gaan we ervan uit dat de invoering van deze titel, die in de Senaat reeds werd gestemd, in de Kamer wordt bevestigd.
Dit sluit aan bij de voorgestelde Grondwet voor Europa die een gelijkaardige tekst bevat.
CD&V wenst deze tekst in de Grondwet omdat landen niet enkel verantwoordelijk zijn voor hun eigen nationale territorium maar ook ten opzichte van de mondiale ruimte. Democratie, mensenrechten en internationale solidariteit zijn zowel een ethische plicht als een feitelijke noodzaak. Om te overleven is het noodzakelijk om buiten de grenzen te kijken.
Een nieuw artikel 7ter dient in titel Ibis van de Grondwet te worden ingevoegd, luidend als volgt : « In de betrekkingen met de rest van de wereld handhaven België, de gemeenschappen en de gewesten hun waarden en belangen en zetten zich ervoor in. Zij dragen bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. »
Artikel 10, tweede lid
In het licht van de Europese regelgeving en rechtspraak ter zake, dient artikel 10 te worden aangepast om het openbaar ambt ook toegankelijk te maken voor niet-Belgen.
Artikel 10, derde lid
Tevens wordt voorzien in een aanpassing van artikel 10, derde lid, teneinde te voorzien dat de Grondwet, de wetten, decreten en de in artikel 134 bedoelde regel genderneutraal dienen te worden geformuleerd. Deze bepaling kan voor de Grondwet uitvoering krijgen bij toepassing van het coördinerend artikel 198 van de Grondwet.
Met betrekking tot de genderneutraliteit van de artikelen die betrekking hebben op het Koningshuis wordt titel III, hoofdstuk III, in herziening gesteld.
Herziening van titel II, teneinde een artikel 12bis in te voegen houdende het grondrecht op veiligheid
In een evolutieve benadering van de door titel II van de Grondwet gewaarborgde rechten verdient het aanbeveling een nieuw grondwetsartikel in te voegen, dat de bescherming van de mensen prioritair stelt. De zorg voor veiligheid van mensen en goederen moet een constante aandachtsfactor voor iedere overheid zijn.
Het begrip « veiligheid » wordt hier opgevat in objectieve zin. Het betreft hier de legitieme verwachtingen van mensen om in een redelijke mate te worden beschermd tegen externe gevaren en onheil. De term veiligheid wordt in dit raam ingevuld vanuit verschillende beleidsdomeinen, bijvoorbeeld openbare orde en veiligheid, rechtshandhaving, voedselveiligheid, verkeersveiligheid, arbeidsveiligheid, medische veiligheid en milieuveiligheid. Deze lijst is dus niet limitatief. Het grondwetsartikel richt zich weliswaar op de publieke taak van de overheid, doch doet op geen enkele wijze afbreuk aan eenieders persoonlijke verantwoordelijkheid.
Een verwijzing naar de wet-, decreet- en ordonnantiegever om de nodige regels vast te stellen ter bevordering van de veiligheid heeft met name betrekking op de verantwoordelijkheid van deze overheden om het nodige kader te scheppen binnen hetwelk de verantwoordelijke diensten en besturen en het gerecht hun taken in samenhang kunnen uitoefenen.
Artikel 16
In tegenstelling tot de regeling inzake eigendomsbescherming op het niveau van de Raad van Europa (artikel 1 van het eerste aanvullende protocol bij het EVRM) beschermt het huidige artikel 16 enkel tegen een volledige ontzetting uit het eigendomsrecht. Deze benadering past volkomen in een negentiende-eeuwse benadering van het eigendomsrecht, waarin men uitsluitend al dan niet eigenaar kan zijn. De evolutie in de loop van de twintigste eeuw heeft echter aangetoond dat eigendom vatbaar is voor een meer genuanceerde benadering, onder meer door het bestaan van velerlei vormen van gebruiksregeling door de overheid. We hoeven maar te denken aan de evolutie van het ruimtelijke ordeningsrecht om te beseffen hoe ver we zijn geëvolueerd van de gedachte van het absolute meesterschap als meest bijzondere kenmerk van het eigendomsrecht.
Welnu, net zoals in het kader van het ruimtelijke ordeningsrecht van in het begin aan de overheid een verplichting werd opgelegd het waardeverlies dat mensen leden onder invloed van een gebruiksregeling te vergoeden (de zogenaamde planbatenregeling), is het de bedoeling deze beginselen, die bevestigd worden door internationale rechtsregels, ook te verfijnen in het kader van artikel 16 van de Grondwet.
Artikel 22bis
Aansluitend bij ons eerder voorstel van verklaring tot herziening van titel II van de Grondwet om nieuwe bepalingen in te voegen betreffende de rechten van het kind verdient het aanbeveling titel II van de Grondwet te herzien, met de bedoeling de rechten van het kind op een proactieve en allesomvattende manier in de Grondwet op te nemen. Het volstaat immers niet op een plechtige en symbolische manier de nadruk te leggen op de kinderrechten. Men dient deze tevens op een gedetailleerde wijze grondwettelijk te verankeren. Deze verankering dient zowel rekening te houden met de voorzieningen voor kinderen, als met hun bescherming en participatie. Een herziening van titel II van de Grondwet strekt er toe om de rechten van het kind op een proactieve en allesomvattende manier in de Grondwet op te nemen. Uit het verslag dat werd opgemaakt bij de bespreking (en de hiermee gepaard gaande hoorzitting) van het wetsvoorstel van 16 juli 1999 in de Senaatscommissie voor Institutionele Aangelegenheden (Verslag Taelman, Parl. St. Senaat, nr. 2-21/4) blijkt dat ook heel wat deskundigen zich voorstander toonden van een zo ruim mogelijke opname van de rechten van het kind in de Grondwet.
Artikel 23
Artikel 23 wordt in herziening gesteld teneinde een lid toe te voegen betreffende het recht van de burger op een minimale dienstverlening inzake post, communicatie en mobiliteit.
Herziening van titel II, teneinde een artikel 23bis in te voegen ter bevestiging van de economische grondrechten.
Sinds de Grondwetsherziening van 1993-1994 is werk gemaakt van de integratie van de zogenaamde sociale, economische en culturele rechten of grondrechten van de tweede generatie in onze Grondwet. Deze evolutie is toe te juichen en verdient verdiept te worden in het licht van een grondwettelijke codificatie van de basisbeginselen van onze staatsordening.
Een aspect hiervan berust zeker in het formele bevestigen van de economische grondrechten, zoals de vrijheid van onderneming, in een parallel artikel 23bis, waarbij tevens kan worden verwezen naar de beginselen van duurzame en niet-inflatoire groei, hoge graad van concurrentievermogen en dergelijke, zoals bedoeld in artikel 2 van het EU-verdrag. Tevens kan van deze gelegenheid gebruik worden gemaakt om een aantal beginselen van gezond financieel bestuur grondwettelijk te verankeren, zoals daar zijn een bovengrens aan het begrotingstekort en aan het overheidsbeslag op de economie e.d.m.
Artikel 25
Artikel 25 wordt in herziening gesteld om een lid toe te voegen teneinde de waarborgen van de drukpers uit te breiden tot de andere informatiemiddelen.
Artikel 29
Artikel 29 wordt in herziening gesteld om de onschendbaarheid van het briefgeheim uit te breiden naar de andere communicatiemiddelen.
Artikel 30
De inherzieningstelling van artikel 30 is louter bedoeld om de ogenschijnlijke tegenspraak tussen deze bepaling en artikel 129 van de Grondwet recht te zetten, door uitdrukkelijk te bepalen dat de wetgever maatregelen kan nemen inzake het taalgebruik in sociale aangelegenheden.
Artikel 35
Deze bepaling werd in het Sint-Michielsakkoord ingevoegd en voorziet dat de federale overheid slechts toegewezen bevoegdheden heeft, en de gemeenschappen/gewesten de residuaire bevoegdheden.
Dit artikel is echter nog niet in werking getreden. Artikel 35 voorziet immers dat deze inwerkingtreding pas kan, nadat een uitvoeringswet is aangenomen die de specifieke bevoegdheden aan de federale overheid toewijst. Dit is op heden nog niet het geval.
Eerder dan aan de uitvoeringswet te werken om de inwerkingtreding mogelijk te maken, is het — conform de algemene optie om het zwaartepunt bij de deelstaten te leggen — echter wenselijk om het gehele artikel 35 te herzien.
Aldus zou het te herschrijven artikel 35 in een bottom-up benadering voorzien, waarbij aan de deelstaten het initiatief wordt gegeven om die normen uit te vaardigen, krachtens dewelke de federale overheid bepaalde bevoegdheden worden toegekend. Eenvoudig uitgedrukt : waar het (nu nog niet in werking getreden) artikel 35 voorziet dat de federale staat zelf zal uitmaken welke bevoegdheden hem nog toekomen, zullen de deelstaten voortaan bepalen welke bevoegdheden aan de federale staat toekomen.
Artikel 40 en de artikelen 144 tot en met 146
In hun huidige formulering sluiten deze bepalingen zo goed als elke betrokkenheid van de deelstaten bij de gerechtelijke organisatie en procedure uit. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Arbitragehof, is dit één van de voornaamste frictiepunten in de huidige bevoegdheidsverdeling.
Wij zijn van oordeel dat een meer efficiënte organisatie van de gerechtelijke structuur gebaat is bij een relevante, doch duidelijk omschreven impact van de deelstaten. Een evolutie in die zin is perfect complementair met een verdere eenmaking (met name op Europees niveau) van het materiële en het procedurele recht en sluit nauw aan bij de werkwijze die reeds wordt gevolgd in belangrijke federale staten als Duitsland, Zwitserland en de Verenigde Staten.
Artikel 44, eerste lid, van de Grondwet teneinde de bijeenroeping van de Kamers van rechtswege te vervroegen naar de eerste dinsdag van september.
Teneinde een volwaardige parlementaire controle van het regeringswerk mogelijk te maken en de organisatie van de parlementaire werkzaamheden te verbeteren is het aangewezen de bijeenroeping van de Kamers te vervroegen naar de eerste dinsdag van september.
Titel III, hoofdstuk I
In het kader van een hervorming van de instellingen wordt vaak gepleit voor een afschaffing van het tweekamerstelsel. CD&V deelt dit standpunt niet. Wel kunnen wijzigingen worden aangebracht aan een optimalere werking van de Senaat waarin de deelstaten nadrukkelijker worden vertegenwoordigd.
Artikelen 118, § 2 en 123, § 2
De zogenaamde « constitutieve autonomie » laat in haar huidige vorm bijzonder weinig ruimte voor autonoom optreden van de gefedereerde entiteiten bij het bepalen van hun eigen structuur. De unanieme rechtsleer heeft zich reeds negatief uitgelaten over deze minimalistische opvatting van de constitutieve autonomie, die met name belet dat de huidige gefedereerde entiteiten een eigen grondwet zouden opstellen. Een dergelijke grondwet is nochtans kenmerkend voor federale staten.
A fortiori moet deze mogelijkheid bestaan in een model waar de deelstaten hun eigen staatskarakter moeten kunnen vastleggen in een fundamentele wet.
Artikel 143
Met het oog op een actualisering van de huidige overlegprocedures en belangenconflictenregeling is een herijking van deze regeling gewenst.
Artikelen 144, 145, 146, 151, 153, 154, 156, 160-161
In het kader van meer deelstatelijke autonomie op het vlak van de inrichting van de rechterlijke macht en de werking van justitie is het noodzakelijk dat betrokken artikelen in herziening worden gesteld.
Artikel 170
Een wijziging van deze bepaling dient meer ruimte te scheppen voor de fiscale autonomie van de deelstaten.
Artikel 180
Een wijziging van deze bepaling dient het mogelijk te maken de deelstaten te betrekken bij de voordrachten van de leden van het Rekenhof en de deelstaten de mogelijkheid te geven zelf de regels te bepalen over het beheer en de controle van hun financiën.
Artikel 184
In alle federale staten hebben de deelstaten een belangrijke autonome bevoegdheid inzake lokale politie. De recente wijziging van artikel 184 sluit deze mogelijkheid uit en betekent dus een stap achteruit in de totstandkoming van de autonomie van de deelstaten.
Ter zake moet duidelijkheid worden gecreëerd in het voordeel van een werkelijke deelstatelijke rol bij de organisatie en uitbouw van het plaatselijke veiligheidsbeleid. De herziening van artikel 184 moet als het ware de synthese vormen van het in het (nieuwe) artikel 12bis vervatte recht op veiligheid en het subsidiariteitsbeginsel.
Decreet nr. 5
Dit decreet is een relict van de revolutiedagen van 1830 en ontzet de leden van de familie Oranje-Nassau uit iedere macht in België. De leden van het Nationaal Congres hebben het — in de sfeer van die dagen — nodig geacht dit decreet een constitutionele lading te geven, zodat het enkel kan worden gewijzigd volgens de procedure van artikel 195 Grondwet.
Het spreekt voor zich dat de verhoudingen die de invoering van deze semi-constitutionele bepaling in het najaar van 1830 konden verantwoorden reeds lang niet meer actueel zijn. Reeds vanaf de jaren 1840 zijn de verhoudingen tussen ons land en Nederland genormaliseerd, zodat eenieder het erover eens is dat deze bepaling als verouderd moet worden beschouwd.
Er is echter meer
In het licht van het internationale recht is een « wet » die slechts van toepassing is op een enkele, met name genoemde familie, die wordt uitgesloten van « alle macht » (inclusief de mogelijkheid om overheidsambten te bekleden), bijzonder betwistbaar. Dit geldt zowel in het licht van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens als in het licht van de Europese regelgeving inzake het vrije verkeer van personen. Er is dus meer dan voldoende reden om dit decreet uit de Belgische rechtsorde te verwijderen.
| Luc VAN DEN BRANDE Wouter BEKE Sabine de BETHUNE Mia DE SCHAMPHELAERE Etienne SCHOUPPE Jan STEVERLYNCK Elke TINDEMANS Hugo VANDENBERGHE Marc VAN PEEL. |
De Kamers verklaren dat er redenen zijn tot herziening van de volgende bepalingen van de Grondwet :
— Artikel 1;
— Artikel 2;
— Artikel 3;
— Artikel 4;
— Artikel 5;
— Artikel 6;
— Artikel 7;
— Titel I, tot invoeging van een Titel Ibis en een artikel 7ter om internationale solidariteit als algemene beleidsdoelstelling voor de deelstaten en de federale Staat in te schrijven;
— Artikel 10, tweede lid;
— Artikel 10, derde lid;
— Titel II, teneinde een nieuw artikel 12bis in te voegen houdende het grondrecht op veiligheid, nieuwe bepalingen in artikel 22bis met betrekking tot de rechten van het kind en een nieuw artikel 23bis ter bevestiging van de economische grondrechten;
— Artikel 16;
— Artikel 22bis;
— Artikel 23;
— Artikel 25;
— Artikel 29;
— Artikel 30;
— Artikel 33;
— Artikel 35;
— Artikel 38;
— Artikel 39;
— Artikel 40;
— Artikel 41;
— Titel III, hoofdstuk I;
— Titel III, hoofdstuk III, afdeling I;
— Titel III, Hoofdstuk IV;
— Artikel 143;
— Artikel 144;
— Artikel 145;
— Artikel 146;
— Artikel 151;
— Artikel 153;
— Artikel 154;
— Artikel 156;
— Artikel 160;
— Artikel 161;
— Artikel 162;
— Artikel 170;
— Artikel 180;
— Artikel 184;
Decreet nr. 5 van 24 november 1830 betreffende de eeuwige uitsluiting van de familie Oranje-Nassau van enige macht in België, teneinde het op te heffen.
15 maart 2007.
| Luc VAN DEN BRANDE Wouter BEKE Sabine de BETHUNE Mia DE SCHAMPHELAERE Etienne SCHOUPPE Jan STEVERLYNCK Elke TINDEMANS Hugo VANDENBERGHE Marc VAN PEEL. |