3-2117/2

3-2117/2

Belgische Senaat

ZITTING 2006-2007

20 MAART 2007


Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag nr. 161 betreffende de bedrijfsgezondheidsdiensten, aangenomen te Genève op 26 juni 1985 door de algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING UITGEBRACHT DOOR

DE HEER NIMMEGEERS


I. INLEIDING

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 20 maart 2007.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE VERTEGENWOORDIGER VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Dit verdrag voorziet in de instelling van arbeidsgeneeskundige diensten die zullen bijdragen tot de uitvoering van het beleid inzake veiligheid en gezondheid op het werk.

De verdragsluitende partijen verbinden zich ertoe een nationaal beleid te voeren inzake arbeidsgeneeskundige diensten en ze stapsgewijze uit te breiden tot alle werknemers.

Het verdrag definieert de arbeidsgeneeskundige diensten en hun taken.

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Roelants du Vivier vraagt waarom men 22 jaar heeft gewacht om dit verdrag te bekrachtigen.

De vertegenwoordiger van de minister van Werk antwoordt dat België vóór 1996 het verdrag niet kon bekrachtigen omdat de wet niet overeenstemde met de bepalingen van het verdrag.

De heer Roelants du Vivier antwoordt dat de nationale wetgeving normaal gezien in overeenstemming wordt gebracht met de bepalingen van een verdrag na de bekrachtiging; hier is net het omgekeerde gebeurd van wat er normaal in het internationaal recht gebruikelijk is.

De vertegenwoordiger van de minister van Werk antwoordt dat er verschillende jaren nodig waren om de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, voor te bereiden. Deze wet was in feite een omzetting van de kaderrichtlijn van de Europese Unie betreffende de veiligheid en de gezondheid van de werknemers. Dankzij deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan heeft ons land aan de doelstellingen van het verdrag nr. 161 kunnen beantwoorden. Tijdens de 93e zitting van de Internationale Arbeidsconferentie in 2004 werd een nieuw promotioneel instrument voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers ingevoerd. Om hiervan gebruik te kunnen maken, moest ons land het verdrag nr. 161 bekrachtigen. Op dit moment beantwoordt onze regelgeving aan de belangrijkste beginselen van het verdrag nr. 161.

De heer Nimmegeers wenst te weten hoe de arbeidsgeneeskundige diensten samengesteld zijn. Spreker verwijst naar artikel 15 van het verdrag en vraagt of het verband tussen ziekten en arbeidsvoorwaarden in kaart wordt gebracht en ter inzage van het publiek zou zijn.

De vertegenwoordiger van de minister van Werk antwoordt dat vóór 1996 de vroegere benamingen « bedrijfs- of interbedrijfsgeneeskundige diensten » werden gebruikt. Na 1996 werden de benamingen in overeenstemming gebracht met het verdrag nr. 161 en de diensten heten nu « interne diensten voor preventie en bescherming op het werk » (IDPBW) en « externe diensten voor preventie en bescherming op het werk » (EDPBW).

Iedere werkgever moet een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk oprichten, die voorzien is van afdelingen risicoanalyse en medische bewaking die multidisciplinair zijn samengesteld. Als de interne dienst niet over een afdeling medische bewaking beschikt, wat in kleine ondernemingen het geval is, moet de werkgever een beroep doen op een externe dienst. Indien de werkgever evenwel een onderneming met minder dan 20 werknemers heeft, moet hij altijd een beroep doen op de EDPBW. Voor deze ondernemingen is de werkgever zelf de preventieadviseur.

De bepalingen van artikel 15 van het verdrag nr. 161 zijn uitgevoerd door het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers. Artikel 5 van het koninklijk besluit bepaalt dat de werkgever de arbeidsgeneesheer in kennis stelt van elke arbeidsongeschiktheid van meer dan vier weken bij een werknemer om na te gaan of de afwezigheid wegens ziekte verband houdt met de werkomstandigheden. Bovendien mag de preventieadviseur overeenkomstig hetzelfde besluit nooit controleren of de afwezigheid wegens ziekte gegrond is.

IV. STEMMINGEN

De artikelen 1 en 2 alsook het wetsontwerp nr. 3-2117/1 in zijn geheel worden eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van dit verslag.

De rapporteur De voorzitter
Staf NIMMEGEERS François ROELANTS du VIVIER

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp (zie stuk Senaat, nr. 3-2117/1 - 2006/2007)