3-2117/1

3-2117/1

Belgische Senaat

ZITTING 2006-2007

14 MAART 2007


Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag nr. 161 betreffende de bedrijfsgezondheidsdiensten, aangenomen te Genève op 26 juni 1985 door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie


INHOUD

  • Memorie van toelichting
  • Wetsontwerp
  • Verdrag nr. 161 betreffende de bedrijfsgezondheidsdiensten
  • Voorontwerp van wet
  • Advies van de Raad van State

  • MEMORIE VAN TOELICHTING


    Het verdrag dat de regering u ter goedkeuring voorlegt, betreft de bedrijfsgezondheidsdiensten en werd evenals aanbeveling nr. 171 op 26 juni 1985 aangenomen.

    Verdrag nr. 161 en aanbeveling nr. 171 vervangen aanbeveling nr. 112 uit 1959 betreffende bedrijfsgeneeskundige diensten in ondernemingen.

    Verdrag nr. 161 voorziet in de instelling van arbeidsgeneeskundige diensten die zullen bijdragen tot de uitvoering van het beleid inzake veiligheid en gezondheid op het werk en die hun taken op ondernemingsniveau zullen vervullen.

    De doelstelling van dit verdrag bestaat in de geleidelijke uitbreiding van de arbeidsgeneeskundige diensten ten behoeve van alle werknemers in alle sectoren. Daartoe moet het gezondheidstoezicht worden uitgebreid tot alle werknemers.

    Analyse van het verdrag :

    Toepassingsgebied en algemene beginselen

    Artikel 1

    Dit artikel definieert de « arbeidsgeneeskundige diensten » en de vertegenwoordigers van de werknemers in de onderneming ». De arbeidsgeneeskundige diensten zijn belast met hoofdzakelijk preventieve taken en verantwoordelijk voor het adviseren van de werkgever, de werknemers en hun vertegenwoordigers wat betreft de vereisten voor het scheppen en in stand houden van een veilige en gezonde werkomgeving en de aanpassing van het werk aan de lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de werknemers.

    Tot 1985 beantwoordden de arbeidsgeneeskundige diensten in België niet volledig aan die definitie.

    Sedertdien is bij hoofdstuk VI van de wet van 6 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, dat algemene regels voor de instelling van die diensten omvat, het nieuwe concept « interne en externe dienst voor preventie en bescherming op het werk« ingevoerd. De specifieke bepalingen in verband met voornoemde diensten zijn opgenomen in de koninklijke besluiten van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk en betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. Door de wijziging van de benaming van die diensten en van de taken die hen zijn toegewezen beantwoorden zij voortaan aan de definitie van het verdrag.

    Artikel 2

    Ieder lid moet een samenhangend nationaal beleid met betrekking tot die diensten vaststellen, uitvoeren en met geregelde tussenpozen herbekijken.

    Vanuit reglementaire invalshoek wordt het beleid met betrekking tot die diensten vastgesteld door de hierboven vernoemde bepalingen, en wordt het geregeld opnieuw onderzocht door de minister van Werkgelegenheid, bij voorkomend geval op initiatief van de algemene directie Humanisering van de arbeid van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg of op voorstel van de leden van de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk, een orgaan dat paritair is samengesteld uit leden van de werknemers- en werkgeversvertegenwoordigers. Het beleid wordt ten uitvoer gelegd door de algemene directie Toezicht op het welzijn op het werk van dezelfde FOD.

    Artikel 3

    Dit artikel bepaalt het toepassingsgebied van de arbeidsgeneeskundige diensten : de diensten moeten geleidelijk worden ingesteld voor alle werknemers, in alle takken van economische bedrijvigheid en alle ondernemingen, met inbegrip van de openbare sector. De functies van deze diensten moeten aangepast zijn aan de risico's van de onderneming.

    De periodieke verslagen van het IAB geven een overzicht van de plannen die in verband met die instelling worden uitgevoerd.

    Artikel 33 van voornoemde wet van 6 augustus 1996 bepaalt dat elke werkgever een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk (IDPBW) moet oprichten en dat de werkgever in sommige bij de uitvoeringsbesluiten bepaalde gevallen (k.b. van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming) een beroep moet doen op een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk (EDPBW). Artikel 36 van dezelfde wet maakt de instelling verplicht van een interne dienst in de overheidsdiensten en de oprichting van een gemeenschappelijke dienst voor preventie en bescherming op het werk voor de overheidsdiensten is geregeld bij het koninklijk besluit van 11 maart 2005 (Belgisch Staatsblad 18 maart 2005).

    Voor de toepassing van de bepalingen betreffende de IDPBW in de verschillende categorieën van ondernemingen en de eventuele opsplitsing van de taken tussen de IDPBW en de EDPBW, worden de werkgevers in 4 groepen opgedeeld (A, B, C, D) in functie van de specifieke bedrijfsrisico's.

    Artikel 4

    Met het oog op de maatregelen die krachtens dit Verdrag moeten worden getroffen, is overleg met de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers verplicht.

    De Belgische regelgevende bepalingen betreffende het welzijn op het werk worden door de minister van Werkgelegenheid met het oog voorafgaandelijk advies steeds voorgelegd aan de sociale partners die zijn vertegenwoordigd in de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk, een paritair orgaan dat is opgericht bij het koninklijk besluit van 3 mei 1999 (Belgisch Staatsblad 10 juli 1999).

    Taken

    Artikel 5

    Rekening houdende met de verantwoordelijkheid van de werkgevers en de zeggenschap van de werknemers op gebied van gezondheid en veiligheid op het werk, somt dit artikel de taken op waarvoor de arbeidsgeneeskundige diensten moeten instaan en die afgestemd moeten zijn op de risico's in de onderneming. Die taken bestaan hoofdzakelijk in de vaststelling en de evaluatie van de gevaren voor de gezondheid op het werk, toezicht op de factoren van de werkomgeving en de arbeidsmethodes, advies in verband met de organisatie van het werk, ergonomie en de collectieve en individuele werkuitrusting, bevordering van de aanpassing van het werk aan de werknemers en bijdragen tot de beroepsomscholing, organisatie van de eerste hulp en behandeling in noodgevallen, deelname aan het analyseren van arbeidsongevallen en beroepsziekten.

    De aspecten die hier door het Verdrag worden bedoeld en die aansluiten bij een benadering inzake primaire, secundaire en tertiaire preventie, kwamen niet aan bod in de wetgeving vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij hun werk en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten van 27 maart 1998 betreffende de IDPBW en de EDPBW.

    De taken die in het Verdrag zijn opgenomen en die zijn toegespitst op de relatie met de werkomgeving, beantwoorden volledig aan de taken opgesomd in de artikelen 5, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de IDPBW.

    Artikel 6

    De oprichting van arbeidsgeneeskundige diensten moet worden geregeld, hetzij door middel van wetten of collectieve arbeidsovereenkomsten, hetzij op elke andere wijze die is goedgekeurd door de vertegenwoordigers van de werkgevers en de werknemers.

    In België is de oprichting van de diensten voor preventie en bescherming op het werk geregeld bij de artikelen 33 en 40 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en gedetailleerd behandeld in de uitvoeringsbesluiten van 27 maart 1998.

    Artikel 7

    Arbeidsgeneeskundige diensten kunnen worden georganiseerd per onderneming of als gemeenschappelijke dienst voor een aantal ondernemingen. De diensten mogen georganiseerd worden door een inrichtende macht naar keuze.

    De keuze inzake inrichtende macht was niet voorzien in de wet van 4 augustus 1996. Onze reglementering inzake de IDPBW en EDPBW voorziet in één IDPBW per onderneming. Wanneer de IDPBW niet in staat is om alle taken uit te voeren bedoeld in de artikelen 5 tot 7 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, moet hij beroep doen op een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk die altijd instaat voor meerdere ondernemingen.

    Een werkgever organiseert een IDPBW maar op basis van artikel 38 van de welzijnswet van 4 augustus 1996 kan ook een groep werknemers een IDPBW oprichten.

    De overheid heeft bij het koninklijk besluit van 11 maart 2005 (Belgisch Staatsblad 18 maart 2005) een gemeenschappelijke dienst voor preventie en bescherming op het werk voor een aantal federale overheidsdiensten opgericht. Artikel 13 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk bepaalt dat de Staat, de krijgsmacht en de nationale maatschappij van de Belgische spoorwegen binnen hun IDPBW een eigen departement voor medisch toezicht mogen oprichten.

    Artikel 8

    Dit artikel bepaalt dat de werkgever, de werknemers en hun vertegenwoordigers op basis van billijkheid moeten samenwerken en deelnemen aan de tenuitvoerlegging van de organisatie van de diensten.

    In België verstrekt het comité voor preventie en bescherming op het werk (samengesteld uit vertegenwoordigers van de werknemers en opgericht bij het koninklijk besluit van 3 mei 1999) voorafgaandelijk advies met betrekking tot de organisatie van de IDPBW, inzonderheid op gebied van samenstelling en werking (artikelen 14, 15 en 17 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk).

    Binnen elke EDPBW wordt een adviescomité opgericht dat paritair is samengesteld uit vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers. Dit comité geeft voorafgaand advies over de samenstelling en de werking van de EDPBW (artikelen 14, 15, 16 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk) en geeft een voorafgaand akkoord over de criteria van intern beleid op een aantal domeinen (artikel 15 van hetzelfde besluit).

    Werkingsvoorwaarden

    Artikel 9

    De arbeidsgeneeskundige diensten moeten multidisciplinair zijn samengesteld. De arbeidsgeneeskundige diensten moeten samenwerken met de andere diensten van de onderneming en tevens onderling samenwerken.

    Dit artikel stond de bekrachtiging in de weg maar dat is niet langer het geval.

    Onze reglementering voorziet thans immers in de multidisciplinaire samenstelling van de arbeidsgeneeskundige diensten. Artikel 19 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk bepaalt dat de EDPBW is samengesteld uit twee afdelingen, namelijk een afdeling belast met risicobeheersing die multidisciplinair is samengesteld, en een afdeling belast met het medisch toezicht.

    Voor de IDPBW wordt het element multidisciplinaire samenstelling ingevoerd bij artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.

    Het beginsel inzake samenwerking van de IDPBW met de andere diensten van de onderneming wordt geregeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk als één van de opgesomde taken.

    De medewerking en de samenwerking tussen de diensten onderling komen aan bod in artikel 41 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk : samenwerking tussen de afdelingen van de IDPBW's en de EDPBW's, tussen de IDPBW's en de EDPBW's en tussen de EDPBW's onderling. Die samenwerking wordt ook belicht in de koninklijke besluiten van 27 maart 1998 betreffende de interne diensten voor preventie en bescherming op het werk en de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.

    Artikel 10

    Het medisch personeel van de arbeidsgeneeskundige diensten moeten bij de uitoefening van hun taken volledig onafhankelijk zijn ten opzichte van de werkgever, de werknemers en hun vertegenwoordigers.

    Dit beginsel wordt ingevuld in artikel 43 van de welzijnswet van 4 augustus 1996 ten opzichte van de preventieadviseurs, en bevestigd in artikel 25 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk en gepreciseerd voor de preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren in artikel 24 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.

    Artikel 11

    De beroepskwalificaties van de personeelsleden van de diensten moeten worden bepaald in functie van de uit te voeren taken.

    De vereisten om de functie van preventieadviseur te vervullen zijn gepreciseerd in de artikelen 22 van de koninklijke besluiten van 27 maart 1998 betreffende de IDPBW en de EDPBW's, naar gelang van hun bevoegdheidsterreinen.

    Artikel 12

    Het medisch toezicht op de werknemers moeten kosteloos zijn en tijdens de arbeidstijd plaatsvinden.

    Artikel 16 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk stelt dat de maatregelen inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk in geen geval financiële lasten voor de werknemers met zich mogen brengen. Artikel 12 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers preciseert dat alle preventieve handelingen die door de preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren worden verricht, voor de werknemers geen enkele uitgave mogen meebrengen en dat medische onderzoeken en andere medische handelingen behoudens uitzonderingen tijdens de werkuren moeten plaatsvinden.

    Artikel 13

    Alle werknemers moeten in kennis worden gesteld van de gezondheidsrisico's die inherent zijn aan hun werk.

    Artikel 5, § 1 van de welzijnswet van 4 augustus 1996 vermeldt het algemeen beginsel in verband met het informeren van de werknemers over de risico's die aan het werk verbonden zijn. Ook artikel 17 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk voorziet in het informeren van de werknemers, met name over alle risico's en preventiemaatregelen die zijn getroffen in verband met hun gezondheid en veiligheid op het werk.

    Artikel 14

    De arbeidsgeneeskundige diensten moeten door de werkgever en de werknemers op de hoogte worden gebracht van alle factoren in de werkomgeving die gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de werknemers.

    Artikel 6 van de welzijnswet van 4 augustus 1996 verplicht de werknemers ertoe om de werkgever en de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk op de hoogte brengen van iedere vermoedelijk gevaarlijke werksituatie en om samen te werken met de IDPBW en de werkgever opdat die kan zorgen voor een veilige werkomgeving.

    In de context van het dynamisch risico-beheersingssyteem, geregeld bij het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, is de werkgever verplicht om overleg te plegen met de diensten voor preventie en bescherming op het werk met het oog op de bevordering van het welzijn op het werk en de preventiediensten worden altijd betrokken bij de diverse preventieplannen die de werkgever moet uitwerken en geregeld evalueren.

    Artikel 15

    De arbeidsgeneeskundige diensten moeten bij afwezigheid van werknemers omwille van ziekte op de hoogte worden gebracht opdat zij het verband in kaart kunnen brengen tussen de oorzaken van de ziekte en de risico's voor de gezondheid op de arbeidsplaats. De personeelsleden van voornoemde diensten mogen de gegrondheid van de oorzaak van afwezigheid op verzoek van de werkgever niet nagaan.

    Artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers bepaalt dat de werkgever de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer op de hoogte brengt van elke arbeidsongeschiktheid van meer dan 4 weken van een werknemer die onderworpen is aan het gezondheidstoezicht.

    Artikel 23 van hetzelfde besluit voegt hieraan toe dat de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer de gegrondheid van de afwezigheid omwille van ziekte van werknemers niet mag nagaan maar zij mogen bij de behandelend geneesheer informatie inwinnen om de eventuele risico's verbonden aan het werk en aan de gezondheidstoestand van de werknemer te identificeren en bij voorkomend geval beroepsziekten op te sporen.

    Algemene bepalingen

    Artikel 16

    Een aangewezen autoriteit moet toezien op de werking van de arbeidsgeneeskundige diensten en hen na de instelling ervan adviseren.

    De algemene directie Toezicht op het welzijn op het werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, samengesteld uit sociaal inspecteurs en geneesheren inspecteurs, beschikt over de bevoegdheid om toe te zien op de werking van de IDPBW's en de EDPBW's, krachtens de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. Op onze FOD is een opvolgingscommissie opgericht die onder andere tot taak heeft advies te verstrekken bij alle aanvragen tot erkenning of hernieuwing van de erkenning van een EDPBW.

    De laatste bepalingen van het verdrag hebben een formeel karakter ten aanzien van de bekrachtiging door de lidstaten.

    De huidige wettelijke en reglementaire voorschriften in België beantwoorden volledig aan de doelstellingen van verdrag nr. 161.

    Aangezien niets de bekrachtiging van dit verdrag in de weg staat, heeft de regering de eer u een ontwerp van wet tot goedkeuring ervan voor te leggen.

    Op intern Belgisch vlak heeft het verdrag een gemengd karakter (Federaal/Gewesten/Gemeenschappen/GGC).

    De minister van Buitenlandse Zaken,

    Karel DE GUCHT.

    De minister van Werk,

    Peter VANVELTHOVEN.


    WETSONTWERP


    ALBERT II,

    Koning der Belgen,

    Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,

    Onze Groet.

    Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken en van Onze minister van Werk,

    Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

    Onze minister van Buitenlandse Zaken en Onze minister van Werk zijn ermee belast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :

    Artikel 1

    Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

    Art. 2

    Het Verdrag nr. 161 betreffende de bedrijfsgezondheidsdiensten, aangenomen te Genève op 26 juni 1985 door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, zal volkomen gevolg hebben.

    Gegeven te Brussel, 6 maart 2007.

    ALBERT

    Van Koningswege :

    De minister van Buitenlandse Zaken,

    Karel DE GUCHT.

    De minister van Werk,

    Peter VANVELTHOVEN.


    VERTALING Verdrag nr. 161


    betreffende de bedrijfsgezondheidsdiensten

    De algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,

    Door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen op 7 juni 1985 in haar eenenzeven-tigste Zitting.

    Gelet op het feit, dat de bescherming van de werknemer tegen ziekten van algemene aard, beroepsziekten en arbeidsongevallen, één van de taken is, die, volgens haar Statuut aan de Internationale Arbeidsorganisatie is toegewezen.

    Gelet op de relevante internationale Arbeidsverdragen en Aanbevelingen en in het bijzonder de Aanbeveling betreffende de gezondheid der arbeiders; 1953, de Aanbeveling betreffende de bedrijfsgeneeskundige diensten, 1959, het Verdrag betreffende de vertegenwoordigers van de werknemers, 1971, en het Verdrag en de Aanbeveling betreffende arbeidsveiligheid en gezondheid, 1991, die be-ginselea voor nationaal beleid en maatregelen op nationaal. niveau vastleggen.

    Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot bedrijfsgezondheidsdiensten, welke onderwerp als vierde punt op de agenda van de Zitting voorkomt.

    Vastgesteld hebbende, dat deze voorstellen de vorm van een internatio-ne.al verdrag dienen te krijgen, neemt heden, de zesentwintigste juni van het jaar negentienhonderdvijfentachtig het volgende verdrag aan, dat kan worden aangehaald als Verdrag betreffende bedrijfsgezondheidsdiensten, 1985 :

    Deel I

    Beginselen van een nationaal beleid

    Artikel 1

    Voor de toepassing van dit Verdrag —

    (a) wordt onder « bedrijfsgezondheidsdiensten » verstaan : diensten, die zijn belast met hoofdzakelijk preventieve taken en die verantwoordelijk zijn voor het adviseren van de werkgever, de werknemers en hun vertegenwoor-digers in de onderneming ten aanzien van —

    (i) de vereisten voor het scheppen en in stand houden van een veilige en gezonde werkomgeving, die bevorderlijk is voor een optimale lichamelijke en geestelijke gezondheid met betrekking tot het werk;

    (ii) de aanpassing van het werk aan de mogelijkheden van werknemers, bezien in het licht van hun lichamelijke en geestelijke gezondheidstoestand;

    (b) wordt verstaan onder « vertegenwoordigers van werknemers in de onderneming » s personen die krachtens de nationale wet of praktijken als zodanig worden erkend.

    Artikel 2

    Ieder lid dient, rekening houdend met de nationale omstandigheden en praktijken en in overleg met de meest representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, voor zover deze bestaan, een samenhangend nationaal beleid inzake bedrijfsgezondheidsdiensten te formuleren, uit te voeren en met geregelde tussenpozen opnieuw te bezien.

    Artikel 3

    1. Ieder lid verbindt zich ertoe, geleidelijk bedrijfsgezondheidsdiensten in te stellen voor alle werknemers, met inbegrip van werknemers in de openbare sector en de leden van produktiecoöperaties, in alle takken van economische bedrijvigheid en alle ondernemingen. De hiertoe getroffen maatregelen dienen toereikend te zijn en afgestemd op de specifieke gevaren van de ondernemingen.

    2. Ingeval er niet ommiddelijk bedrijfsgezondheidsdiensten kunnen worden ingesteld voor alle ondernemingen, dient elk van de betrokken Leden,, in overleg roet de meest representatieve organisaties van werkgevers en werknemers — voor zover deze bestaan — plannen uit te werken voor het instellen van zulke diensten.

    3. Elk van de betrokken Leden dient in het eerste rapport inzake de toepassing van het Verdrag, dat krachtens artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie moet worden ingediend, aan te geven welke plannen het ingevolge het tweede lid van dit artikel heeft uitgewerkt en in de volgende rapporten dient het te vermelden welke vorderingen het heeft geboekt bij de uitvoering van deze plannen.

    Artikel 4

    De bevoegde autoriteit dient met de meest representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, voor zover deze bestaan, te overleggen welke maatregelen moeten worden genomen om het bepaalde in dit Verdrag ten uitvoer te leggen.

    Deel II

    Taken

    Artikel 5

    Onverminderd de verantwoordelijkheid van iedere werkgever voor de gezond heid en dé veiligheid van de werknemers die hij in dienst heeft, en naar behoren rekening houdend met het feit dat de werknemers zeggenschap moeten hebben in zaken die verband houden met gezondheid en veiligheid in de beroepsuitoefening, dienen bedrijfsgezondheidsdiensten die taken uit de hierna volgende opsomming te vervullen, die toereikend zijn voor en afgestemd op de beroepsrisico's van de onderneming —

    (a) vaststelling en evaluatie van de gevaren voor de gezondheid op de arbeidsplaats;

    (b) toezicht op de factoren in de werkomgeving en de werkwijzen, die de gezondheid van de werknemers kunnen schaden, waaronder begrepen sanitaire voorzieningen, kantines en huisvesting, voor zover deze faciliteiten door de werkgever worden geboden;

    (c) advies inzake planning en organisatie van het werk, waaronder begrepen het ontwerp van de werkruimten, inzake keuze en onderhoud van machines en andere uitrusting, alsmede de staat waarin deze verkeert en inzake bij het werk gebruikte stoffen;

    (d) deelname aan het uitwerken van programma's ter verbetering van werkwijzen, alsmede het beproeven en evalueren van nieuwe uitrusting op gezondheidsaspecten;

    (e) advies inzake de gezondheid en de veiligheid in de beroepsuitoefening en de arbeidshygiëne, alsook ten aanzien van ergonomische vraagstukken, en individuele en collectieve beschermende uitrusting;

    (f) toezicht op de gezondheid van de werknemers met betrekking tot het werk;

    (g) het bevorderen van de aanpassing van werk aan de werknemer;

    (h) het bijdragen aan herscholingsmaatregelen;

    (i) het medewerken aan de verzorging van informatie, opleiding en scholing op het gebied van gezondheid in de beroepsuitoefening, van arbeidshygiëne en ergonomische vraagstukken;

    (j) het organiseren van eerste hulp en behandeling in noodgevallen;

    (k) deelname aan het analyseren van arbeidsongevallen en beroepsziekten.

    Deel III

    Organisatie

    Artikel 6

    De oprichting van bedrijfsgezondheidsdiensten dient te worden geregeld —

    (a) in wetten of voorschriften; of

    (b) in collectieve overeenkomsten of op een andere, door de betrokken werkgevers en werknemers overeen te komen wijze; of

    (c) op een andere wijze, die door de bevoegde autoriteit, na overleg met de representatieve organisaties van de betrokken werkgevers en werknemers wordt goedgekeurd.

    Artikel 7

    1. Bedrijfsgezondheidsdiensten kunnen worden georganiseerd per onderneming of als gemeenschappelijke dienst van een aantal ondernemingen, al naar het geval.

    2. Overeenkomstig de nationale omstandigheden en praktijken kunnen bedrijfsgezondheidsdiensten worden georganiseerd door —

    (a) de betrokken ondernemingen of groepen van ondernemingen;

    (b) overheidsinstanties of officiële diensten;

    (c) sociale zekerheidsinstellingen;

    (d) alle andere door de bevoegde autoriteit hiertoe gemachtigde organen ?

    (e) ongeacht welke combinatie van de hierboven vermelde instanties.

    Artikel 8

    De werkgever, de werknemers en hun vertegenwoordigers, voor zover deze bestaan, dienen op basis van billijkheid samen te werken bij en deel te nemen in de tenuitvoerlegging van de organisatorische en andere maatregelen betreffende bedrijfsgezondheidsdiensten.

    Deel IV

    Voorwaarden voor het functioneren

    Artikel 9

    1. Overeenkomstig de nationale wet en praktijken dienen bedrijfsgezondheidsdiensten multidisciplinair te zijn. De samenstelling van het personeel dient te worden bepaald door de aard van de te vervullen taken.

    2. Bedrijfsgezondheidsdiensten dienen hun taken te vervullen in samenwerking met andere diensten binnen de onderneming,,

    3. Overeenkomstig de nationale wet en praktijken dienen maatregelen te worden genomen om toereikende samenwerking en coördinatie tussen bedrijfsgezondheidsdiensten en, waar dienstig, andere organen die zijn betrokken bij de gezondheidszorg, te waarborgen.

    Artikel 10

    Het personeel van een bedrijfsgezondheidsdienst dient ten aanzien van de in artikel 5 vermelde taken in zijn beroepsuitoefening volledig onafhankelijk te zijn van de werkgevers, werknemers en hun vertegenwoordigers, voor zover deze bestaan.

    Artikel 11

    De bevoegde autoriteit dient vast te stellen welke opleiding is vereist voor het personeel van bedrijfsgezondheidsdiensten, zulks afhankelijk van de aard van de te vervullen taken en overeenkomstig de nationale wet en de praktijken.

    Artikel 12

    Het toezicht op de gezondheidstoestand van de werknemers met betrekking tot het werk dient voor de werknemers geen verlies van inkomsten met zich mee te brengen, dient kosteloos te zijn en, voor zover mogelijk, in werktijd plaats te vinden.

    Artikel 13

    Alle werknemers dienen op de hoogte te worden gesteld van de gevaren die hun werk met zich brengt voor de gezondheid.

    Artikel 14

    Bedrijfsgezondheidsdiensten dienen door de werkgever en de werknemers op de hoogte te worden gesteld van alle bekende en vermoede factoren in de werkomgeving die de gezondheid van de werknemers kunnen schaden.

    Artikel 15

    Bedrijfsgezondheidsdiensten dienen op de hoogte te worden gesteld, indien werknemers een slechte gezondheid hebben en om gezondheidsredenen niet op het werk verschijnen, opdat zij kunnen vaststellen of er enig verband bestaat tussen de redenen van de slechte gezondheid of de afwezigheid en even-tuele gevaren voor de gezondheid die zich op de arbeidsplaats zouden kunnen voordoen. De werkgever mag van personeel van bedrijfsgezondheidsdiensten niet verwachten dat die nagaan waarom een werknemer afwezig is.

    Deel V

    Algemene bepalingen

    Artikel 16

    In de nationale wetten of voorschriften dienen de autoriteit of autoriteiten te worden aangewezen die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op het functioneren van en het geven van adviezen aan bedrijfsgezondheidsdiensten, wanneer deze eenmaal zijn ingesteld.

    Artikel 17

    De officiële bekrachtigingen van dit Verdrag worden aan de Directeur-Ge-neraal van het Internationale Arbeidsbureau medegedeeld en door hem geregistreerd.

    Artikel 18

    1. Dit Verdrag is slechts verbindend voor de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie die hun bekrachtiging door de Directeur-Generaal hebben doen registreren.

    2. Het treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop de bekrachtigingen van twee Leden door de Directeur-Generaal zijn geregistreerd.

    3. Vervolgens treedt dit Verdrag voor ieder Lid in werking twaalf maanden na de datum waarop zijn bekrachtiging is geregistreerd.

    Artikel 19

    1. Ieder lid dat dit verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen na af-loop van een termijn van tien jaar na de datum waarop het Verdrag in werking is getreden, door middel van een aan de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau gerichte en door deze geregistreerde verklaring. De opzegging wordt eerst van kracht een jaar na de datum waarop zij is geregistreerd.

    2. Ieder Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd en niet binnen een jaar na afloop van de termijn van tien jaar als bedoeld in bet vorige lid, gebruik maakt van de bevoegdheid tot opzegging, voorzien in dit artikel, is voor een nieuwe termijn van tien jaar gebonden en kan daarna dit Verdrag opzeggen na afloop van elke termijn van tien jaar onder de voorwaarden, voorzien in dit artikel.

    Artikel 20

    1. De Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau stelt alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie in kennis van de registratie van alle bekrachtigingen en opzeggingen, die hem door de Leden van de Organisatie zijn medegedeeld.

    2. Bij kennisgeving aan de leden van de Organisatie van de registratie van de tweede hem medegedeelde bekrachtiging, vestigt de directeur-generaal de aandacht van de leden van de Organisatie op de datum waarop dit Verdrag in werking treedt.

    Artikel 21

    De directeur-generaal van het Internationale Arbeidsbureau doet aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties mededeling, ter registratie in overeenstemming met het bepaalde in artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties, van de volledige bijzonderheden omtrent alle bekrachtigingen en opzeggingen die hij overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande artikelen heeft geregistreerd.

    Artikel 22

    De Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau brengt, telkens wanneer deze dit noodzakelijk acht, aan de algemene Conferentie verslag uit over de toepassing van dit Verdrag en onderzoekt of het wenselijk is de gehele of gedeeltelijke herziening ervan op de agenda van de Conferentie te plaatsen.

    Artikel 23

    1. Indien de Conferentie een nieuw verdrag aanneemt, houdende gehele of gedeeltelijke herziening van dit Verdrag, zal, tenzij het nieuwe verdrag anders bepaalt :

    (a) bekrachtiging door een Lid van het nieuwe verdrag, houdende herziening, ipso jure onmiddellijke opzegging van dit Verdrag ten gevolge hebben, niettegenstaande het bepaalde in artikel 19 hierboven, onder voorbehoud evenwel dat het nieuwe verdrag, houdende herziening, in werking is getreden;

    (b) met ingang van de datum waarop het nieuwe verdrag, houdende herziening, in werking is getreden, kan dit Verdrag niet langer door de Leden worden bekrachtigd.

    2. Dit Verdrag blijft in elk geval naar vorm en inhoud van kracht voor de Leden die het hebben bekrachtigd en die het nieuwe verdrag houdende herziening, niet hebben bekrachtigd.

    Artikel 24

    De Engelse en de Franse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.

    De voorgaande tekst is de authentieke tekst van het Verdrag naar behoren aangenomen door de algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsconfe-rentie tijdens haar eenenzeventigste zitting, welke werd gehouden te Genève en voor gesloten werd verklaard op de zevenentwintigste juni 1985.

    Ten blijke waarvan wij onze handtekening hebben geplaatst op de zevenentwintigste juni 1985.

    De voorzitter van de Conferentie,

    M. Ennaceur

    De directeur-generaal van het Internationaal Arbeidsbureau,

    Francis Blanchard


    VOORONTWERP VAN WET VOOR ADVIES VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE


    Voorontwerp van wet houdende instemming met het Verdrag nr. 161 betreffende de bedrijfsgezondheidsdiensten, aangenomen te Genève op 26 juni 1985 door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie.

    Artikel 1

    Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

    Art. 2

    Het Verdrag nr. 161 betreffende de bedrijfsgezondheidsdiensten, aangenomen te Genève op 26 juni 1985 door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, zal volkomen gevolg hebben.


    ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE

    42.249/1


    De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 5 februari 2007 door de minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een voorontwerp van wet « houdende instemming met het Verdrag nr. 161 betreffende de bedrijfsgezondheidsdiensten, aangenomen te Genève op 26 juni 1985 door de algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie », heeft op 15 februari 2007 het volgende advies gegeven :

    Bij dit ontwerp zijn geen opmerkingen te maken.

    De kamer was samengesteld uit

    De heer M. VAN DAMME, kamervoorzitter,

    De heren J. BAERT en W. VAN VAERENBERGH, staatsraden,

    De heer A. SPRUYT, assessor van de afdeling wetgeving,

    Mevrouw G. VERBERCKMOES, griffier,

    Het verslag werd uitgebracht door de heer B. STEEN, auditeur.

    De griffier, De voorzitter,
    G. VERBERCKMOES. M. VAN DAMME.