3-1953/3 | 3-1953/3 |
13 FEBRUARI 2007
Nr. 2 VAN DE HEER BEKE
Art. 2
Het voorgestelde tweede lid van artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vervangen als volgt :
« Het belang van de partij die optreedt ter verdediging van een collectief belang wordt beoordeeld in functie van onder meer haar hoedanigheid, haar statutaire doelstelling en haar werkelijke bedrijvigheid ten aanzien van het ingeroepen collectief belang. »
Verantwoording
CD&V kan zich als partij van het middenveld scharen achter de doelstelling van het voorstel. Er dient echter voor worden gewaakt dat deze niet wordt gerealiseerd op een wijze die niet werkabaar is. Bovendien realiseert het voorstel in de huidige lezing het tegenovergestelde van de doelstelling.
Zoals de tekst nu is geformuleerd laat dit de Raad van State niet toe het belang van de partij te beoordelen. Deze wordt namelijk « geacht een belang te hebben » eens een drietal voorwaarden zijn voldaan.
Deze voorwaarden zijn echter louter formeel :
— Optreden ter behartiging van haar geoorloofd statutair doel : VZW's nemen uitgebreide statutaire doelomschrijvingen op, dit om te vermijden dat hun actieterrein in de toekomst enkel kan uitbreiden door de zware procedure van een wijziging aan de statuten. In de praktijk betekent dit dus slechts een zeer marginale filter.
— Blijk geven van een werkelijke bedrijvigheid in overeenstemming met haat statutair doel : er wordt niet vereist dat er een werkelijke bedrijvigheid bestaat met betrekking tot het ingeroepen collectief belang. Enkel dergelijke voorwaarde laat een relevante toetsing toe. Dat de activiteiten van een vereniging in overeenstemming dienen te zijn met hun statutair doel is een wettelijke verplichting die voor alle verenigingen geldt en is dus eigenlijk geen andere voorwaarde dan « rechtsgeldig bestaan ».
— Sedert ten minste 3 jaar bestaan is een voorwaarde die met de inhoud van het ingeroepen collectief belang geen uitstaans heeft en is dus onvoldoende pertinent. Dit is des te meer het geval omdat het precies die tijdelijke, lokale verenigingen uitsluit die zich organiseren naar aanleiding van een beslissing die een hele buurt opeens treft. Deze voorwaarde betekent dus een beperking want omdat precies voor hen een vorderingsrecht op basis van een collectief belang nuttig is, worden zij vandaag door de Raad van State reeds toegelaten.
De afwezigheid van een beoordelingsbevoegdheid door de Raad van State samen met het feit dat de voorwaarden geen echte en relevante filtering toelaten, betekent dat de werklast van de raad enorm kan worden verhoogd door een toevloed aan vorderingen door verenigingen die voor het ingeroepen collectief belang onvoldoende representatief zijn, zonder dat deze er in de ontvankelijkheidsfase uit kunnen worden gefilterd. Zo wordt het wegwerken van de achterstand uiteraard een onmogelijke opgave.
Daarom stelt CD&V voor dat de Raad van State, net zoals dit voor particulieren het geval is, een effectieve toetsing kan doorvoeren naar het belang van de partij die een collectief belang opwerpt. Er wordt een indicatie gegeven van wat relevante elementen zijn om dit te beoordelen zonder de Raad in de keuze van relevante elementen te beperken. Dit lijkt ons de beste garantie dat werkelijk representatieve verenigingen toegang krijgen, louter dilatoire vorderingen kunnen worden afgewezen en dat diegene die toegelaten worden van een vlotte rechtsgang kunnen genieten.
Nr. 3 VAN DE HEER BEKE
(Subamendement op amendement nr. 1 van de heer Delpérée)
1. Het 1º van het voorgestelde artikel doen vervallen;
2. in het 3º het woord « doel » vervangen door de woorden « het ingeroepen collectief belang ».
| Wouter BEKE. |