3-203

3-203

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 8 FEBRUARI 2007 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Staf Nimmegeers aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de homofobe uitspraken van president Poetin van Rusland en over het toenemend homofoob gedrag in ons eigen land» (nr. 3-1403)

De heer Staf Nimmegeers (SP.A-SPIRIT). - Op zijn recente jaarlijkse grote persconferentie heeft president Poetin van Rusland zich kwetsend uitgelaten over de holebi's in zijn land. Zijn uitspraak sluit naadloos aan bij de rellen rond een gay parade in de Russische hoofdstad. Burgemeester Loezjkov van Moskou bestempelde die gay parade als het werk van Satan; het homohuwelijk betitelde hij als gif.

In verschillende Oost-Europese staten die nog sterk onder de invloedssfeer van de vroegere USSR of van fundamentalistische strekkingen leven, zoals Polen en de Baltische Staten, lidstaten van de Europese Unie dus, is homofobie wijdverbreid. Ook de inwoners uit deze EU-landen in ons eigen land vertonen in toenemende mate homofoob gedrag. Dit probleem is een paar weken geleden ook door Sven Gatz in het Brusselse Parlement aan de kaak gesteld.

Personen van Oost-Europese komaf vinden hier in hun homovijandigheid aansluiting bij religieuze fundamentalisten en stellen op korte termijn een probleem voor de openbare orde en het respecteren van de mensenrechten.

Wat vindt de minister van Buitenlandse Zaken van de uitspraken van de Russische president Poetin en van de houding van enkele EU-lidstaten, zoals Polen en bepaalde Baltische Staten, tegenover holebi's?

Heeft hij hierop reeds gereageerd en, zo neen, is hij van plan om op een of andere manier een signaal te geven, vanuit België of in overleg met onze Europese partners?

Deelt de minister van Binnenlandse Zaken de vaststelling dat het homofobe gedrag in ons land toeneemt?

Is hij van mening dat hierop consequent moet worden toegezien en gereageerd?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - De uitspraken van de Moskouse burgemeester en president Poetin over het satanische karakter van de Gay Pride en de beledigende afkeuring van het homohuwelijk hebben me verbaasd. De beschuldigingen van deze gezagdragers zijn niet alleen ongelukkig, maar ook ongegrond. Sinds dertien jaar stelt de Russische strafwetgeving homoseksualiteit niet meer strafbaar. Toch doen invloedrijke politici er nog steeds homofobe uitspraken. Zoals blijkt uit de vele incidenten, worden de rechten van de holebi's in Rusland vandaag de dag nog wel degelijk geschonden.

Ik stel vast dat in bepaalde West- en Oost-Europese landen homofobie weer de kop opsteekt. Toch deel ik de mening niet dat het om een algemene tendens gaat. Zo werd in ons land opmerkelijke vooruitgang geboekt ten gunste van homoseksuelen; hetzelfde geldt trouwens ook voor een groeiend aantal EU-lidstaten.

Incidenten in Rusland die afbreuk doen aan de mensenrechten, worden aangekaart tijdens de discussies van de Europese Unie met Rusland. In opvolging van de mensenrechtenconsultaties tussen de Europese Unie en Rusland worden demarches uitgevoerd bij het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit was het geval voor de incidenten in het kader van de laatste Gay Pride van 2006.

Inzake de seksuele voorkeur van personen heeft België steeds gepleit voor tolerantie en non-discriminatie. Over het algemeen steunt België de benadering van de Raad van Europa voor de bestrijding van alle vormen van discriminatie en onverdraagzaamheid. Deze waarden zijn verankerd in al haar activiteiten, met name in het jeugdbeleid.

De internationale gemeenschap reageert alsmaar gevoeliger op overtredingen van bepaalde mensenrechten en op het feit dat sommige landen hun verplichtingen niet nakomen. Homofobie kan het best bestreden worden door een consequente, kritische houding ten aanzien van aanhoudende discriminaties en discriminerende uitspraken.

De minister van Binnenlandse Zaken heeft mij volgend antwoord bezorgd.

De algemene nationale gegevensbank, ANG, van de geïntegreerde politie kan geen cijfers aanleveren over het aantal gevallen van homofoob gedrag in ons land. Dat is vooral een kwestie van discriminatie, zodat ze niet worden geregistreerd in het kader van de toepassing van de wet op de bestraffing van racisme en xenofobie.

Ik ben uiteraard van mening dat consequent moet worden gereageerd op homofoob gedrag. De minister van Justitie heeft daarom al initiatieven genomen.

Inzake de vraag over mogelijke extra richtlijnen of adviezen aan politie en andere diensten kan ik melden dat in een recente circulaire van het College van procureurs-generaal is voorgeschreven dat de politiediensten voortaan in hun processen-verbaal het aspect `homofoob gedrag' in het bijzonder moeten vermelden, zodat de gerechtelijke overheden zicht krijgen op het fenomeen.

Inzake de algemene nationale gegevensbank is geen aanpassing gepland voor het registreren van dergelijke feiten. Alleen de parketten beschikken over bruikbaar cijfermateriaal, dat bij de minister van Justitie kan worden opgevraagd.

De heer Staf Nimmegeers (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de beide ministers voor hun principiële houding. Hun antwoord stelt me in grote mate gerust.

Desalniettemin wijs ik nogmaals op de band tussen Oost-Europese migranten en plaatselijke homofobe organisaties van zowel islamitische als rechts-katholieke signatuur. Ook de heer Gatz, een partijgenoot van beide ministers, is hierover gealarmeerd.