3-1686/8 | 3-1686/8 |
1 FEBRUARI 2007
De minister meldt dat de dienst Wetsevaluatie van de Senaat aanvullende opmerkingen heeft gemaakt waardoor de regering drie bijkomende amendementen in plenaire zitting heeft ingediend, en de tekst teruggezonden werd naar de commissie.
Art. 2
Het eerste amendement van de regering (stuk Senaat, nr. 3-1686/7, amendement nr. 21) betreft artikel 2 van de door de commissie aangenomen tekst. Het betreft een eenvoudige aanpassing van een verwijzing naar § 2, die § 3 is geworden krachtens het 2º van dit artikel.
Het amendement en het aldus geamendeerde artikel worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Art. 2bis (nieuw)
Het tweede amendement (stuk Senaat, nr. 3-1686/7, amendement nr. 22) voegt een artikel 2bis (nieuw) in. Ook hier betreft het een eenvoudige aanpassing van een verwijzing naar § 2 van artikel 508/19, die § 3 wordt krachtens artikel 2, 2º, van het wetsvoorstel.
Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Art. 13
Het derde amendement (stuk Senaat, nr. 3-1686/7, amendement nr. 23) wil artikel 13 laten aanvangen als volgt : « Met uitzondering van dit artikel bepaalt de Koning (...) ».
Men moet immers verduidelijken dat het artikel dat de Koning machtigt om de datum van inwerkingtreding te bepalen, zelf in werking treedt volgens de algemene regel, met name tien dagen na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad.
De heer Hugo Vandenberghe stipt aan dat de Koning kan bepalen dat artikel 13 onmiddellijk van toepassing is. Spreker geeft toe dat het wel beter is de woorden « met uitzondering van artikel 13 » in de wet zelf in te lassen.
Volgens spreker gaat het erom te bepalen of het een materiële dan wel een procedurele wet betreft.
Spreker haalt de hypothese aan waarbij de wet van kracht zou worden op 1 januari 2008. Wat dan met de in 2007 lopende geschillen, waarbij in 2008 hoger beroep wordt aangetekend ? Als men de voorgestelde regel beschouwt als zijnde van materieel recht, zal deze slechts van toepassing zijn voor de procedurekosten van het beroep. Als men de regel beschouwt als zijnde van procedureel recht, is deze onmiddellijk van toepassing. De rechter in beroep wordt alsdan verzocht de verliezende partij te veroordelen in de kosten en kan daarbij de procedure in eerste aanleg betrekken.
Is de ontwerpwet van toepassing op alle procedures die niet definitief geregeld zijn, met inbegrip van de procedures vóór de inwerkingtreding van de wet ? Anders moet men de algemene beginselen toepassen, die een onderscheid maken tussen procedurele en materiële wetten.
De heer Mahoux besluit hieruit dat, in het laatste geval, indien een procedure nog vijf of zes jaar duurt, de nieuwe wet niet toegepast kan worden.
De heer Willems meent dat men ook zou kunnen stellen dat een lopend geschil in 2007, waarvoor beroep wordt aangetekend in 2008, een nieuwe procedure vormt.
De heer Hugo Vandenberghe oppert dat men bij het begin van een procedure nu de kostprijs voor het verlies van de procedure precies kan inschatten. De kostprijs is namelijk de rechtsplegingsvergoeding.
Alle kosten die betrekking hebben op de procedure begonnen voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet, vallen aldus onder het oude systeem, als men aanneemt dat de regel van verhaalbaarheid een materieelrechtelijke regel is.
Als men daarentegen vertrekt van het idee dat het een procedureregeling betreft, is deze onmiddellijk van toepassing op alle lopende procedures, wat ook de stand van het geding is. Als de rechter dan een uitspraak doet na de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet, betreft deze ook de kosten van de procedure in eerste aanleg.
De heer Willems gaat hiermee niet helemaal akkoord. Zelfs al neemt men aan dat de verhaalbaarheid een procedureregel is, zullen de kosten van eerste aanleg niet worden vergoed, aangezien zij niet in de eis zijn opgenomen van het hoger beroep.
De heer Hugo Vandenberghe wijst erop dat de rechtsplegingsvergoeding wordt aangepast en de uitspraak dus wel de kosten van de procedure in eerste aanleg betreft. Als het om een procedureregel gaat, is de aanpassing van de rechtsplegingsvergoeding van toepassing op alle vonnissen en arresten geveld na de datum van inwerkingtreding van de wet. Alle geschillen die niet definitief zijn afgehandeld vallen dan onder het nieuwe systeem.
Voor de heer Hugo Vandenberghe komt het probleem voort uit het feit dat de aard van de tekst gemengd is. Indien de wetgever deze kwestie niet uitklaart, zal men hierover nog jarenlang twisten.
De heer Willems meent dat men ook het aspect van de rechtszekerheid niet uit het oog mag verliezen. Als men een procedure begint, moet men weten wat de kosten zijn als men de procedure verliest.
De heer Hugo Vandenberghe antwoordt dat de rechtsplegingsvergoeding steeds kan worden aangepast en dat men dat niet noodzakelijk dient te weten bij het opstarten van een procedure. Spreker blijft erbij dat het principe van de procedureregeling de voorkeur geniet. Anders blijft men gedurende jaren voortsukkelen met 2 verschillende systemen naast elkaar.
De heer Mahoux verklaart dat een andere oplossing erin zou bestaan dat voor zaken die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet begonnen zijn, de regel blijft wat hij al was voor de rechtbank bij welke de zaak aanhangig is. Vanaf het ogenblik echter dat er beroep wordt ingesteld, liggen de zaken anders, omdat dit geschiedt op een moment dat de inhoud van de nieuwe wet gekend is.
De heer Hugo Vandenberghe antwoordt dat dit criterium eigenlijk niet bepalend is, omdat het Hof van Cassatie zijn rechtspraak toepast op alle procedures die vandaag bestaan, of zij nu voor of na september 2004 begonnen zijn.
Het amendement en het aldus geamendeerde artikel worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Het geamendeerde wetsvoorstel wordt eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden. Met dezelfde eenparigheid werd vertrouwen geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van een mondeling verslag in plenaire vergadering.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Luc WILLEMS. | Hugo VANDENBERGHE. |