3-2014/4

3-2014/4

Belgische Senaat

ZITTING 2006-2007

1 FEBRUARI 2007


Wetsontwerp tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN ingediend na de goedkeuring van het verslag


Nr. 13 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 2

Het tweede lid van dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Artikel 2 stelt dat deze wet het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht bepaalt, maar maakt een uitzondering voor de leden van de koninklijke familie. De wet zou behoudens andersluidende bepalingen niet van toepassing zijn voor de leden van de koninklijke familie. Volgens de Grondwet zijn alle Belgen gelijk voor de wet.

De vraag rijst eveneens of de leden van de koninklijke familie tot het actief kader behoren ? Zo ja, dan mag er geen uitzondering zijn. En zo neen, dan horen ze daar niet thuis.

Nr. 14 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 3

Het 52º vervangen als volgt :

« 52º « de interne overgang » : de overplaatsing van een militair naar het statuut van militair niet operationeel of naar het statuut van Rijksambtenaar binnen Defensie; ».

Verantwoording

Het is duidelijk dat een militair in operationeel kader minder effectief beschikbaar is voor administratieve, logistieke of beheerstaken dan een militair die « niet operationeel » is. Denken we maar aan fysieke trainingen, bijscholingen, wachten, weekdiensten, protocollaire ceremonies, .... Nochtans zijn er heel wat functies denkbaar die beter door een burger kunnen gedaan worden, maar ook door deze categorie N.O. Voordeel is dat deze nieuwe categorie van militairen, indien nodig, op een vrij korte termijn beschikbaar zijn indien er zich een tekort zou voordoen bij militairen O.

Het is duidelijk dat een militair NO aan bepaalde voorwaarden moet blijven voldoen, anders komt er een ambtshalve overstap naar het statuut Rijksambtenaar binnen Defensie.

Nr. 15 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 9

In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :

A. In het eerste lid, 2º, de woorden « of onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese economische ruimte of van de Zwitserse Bondstaat » doen vervallen;

B. Het tweede lid doen vervallen.

Nr. 16 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 12

Het 4º doen vervallen.

Nr. 17 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 22

In het eerste lid, het 1º doen vervallen.

Verantwoording

Deze artikels zijn strijdig met de Grondwet.

De afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft hieromtrent volgende bemerking gemaakt (Kamerstuk 51-2759/001, p. 280).

« In de commentaar bij die bepaling staat : « De aanvaarding van burgers van de lidstaten van de Europese Unie in militaire betrekkingen kadert in een verruimde evoluerende interpretatie van het principe van het vrij verkeer van werknemers in de Europese Unie zoals bedoeld in artikel 39 van het Verdrag van Rome en is volledig in overeenstemming met het Europese burgerschap zoals bepaald in artikel 17 van hetzelfde Verdrag. Dit betekent zonder enige twijfel een stap voorwaarts in het Europese integratieproces »

De vraag rijst of die bepaling van het voorontwerp verenigbaar is met artikel 10, tweede lid, van de Grondwet, alsook met artikel 39 van het Verdrag van Rome, dat het beginsel van het vrije verkeer van werknemers vastlegt.

Artikel 10, tweede lid, van de Grondwet bepaalt dat alleen Belgen tot de burgerlijke en militaire bedieningen benoembaar zijn, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere gevallen door een wet kunnen worden gesteld. Die grondwetsbepaling beperkt de toegang tot de krijgsmacht dus tot personen met de Belgische nationaliteit, hoewel bij de wet van dat principe kan worden afgeweken, maar alleen voor bijzondere gevallen.

Het onderzochte voorontwerp heeft evenwel een ruimere strekking en heeft betrekking op alle soorten betrekkingen die bij de krijgsmacht worden uitgeoefend.

Als het de bedoeling is van de steller van het voorontwerp om, in het algemeen, niet-Belgen toegang te verlenen tot militaire betrekkingen, moet eerst artikel 10, tweede lid, tweede zin, van de Grondwet worden gewijzigd.

Wat artikel 39 van het Verdrag van Rome betreft : dat artikel bekrachtigt weliswaar het beginsel van het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie, maar lid 4 van dat artikel voorziet in een afwijking van dat beginsel wanneer het gaat om de toegang tot betrekkingen in overheidsdienst.

In verschillende arresten heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een restrictieve interpretatie aan die afwijking gegeven. Het Hof heeft zijn principiële standpunt vastgelegd in zijn arrest van 17 december 1980, in de volgende bewoordingen : « Door deze bepaling worden een aantal betrekkingen die, al dan niet rechtstreeks, deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhouden en die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat of van andere openbare lichamen, aan de werkingssfeer van de eerste drie leden van artikel 48 onttrokken ».

Uit die rechtspraak blijkt dat de lidstaten het beginsel van het vrije verkeer van werknemers niet mogen belemmeren, ook niet voor betrekkingen in overheidsdienst, behalve wanneer wordt aangetoond dat bepaalde van die betrekkingen verband houden met specifieke werkzaamheden van een overheidsdienst, namelijk wanneer die bevoegd is om openbaar gezag uit te oefenen of verantwoordelijk is voor de bescherming van de algemene belangen van de staat. Voor alle andere betrekkingen in overheidsdienst geldt het beginsel van het vrije verkeer van werknemers.

In een mededeling van 18 maart 1988 heeft de Europese Commissie het volgende trachten te doen : « (...) systématiser la jurisprudence de la Cour et (...) déterminer les secteurs de l'administration publique qui doivent faire l'objet d'une ouverture. (...) la Commission propose de distinguer entre les fonctions qui entrent dans l'exception du paragraphe 4 et celles qui apparaissent manifestement comme étant en général suffisamment éloignées des activités spécifiques de l'administration publique, telles que définies par la Cour de justice, pour qu'elles ne puissent que très exceptionnellement relever de l'exception prévue à l'article 48, § 4, du traité (devenu l'article 39, § 4) ».

Volgens de Commissie slaat de afwijking van het voornoemde artikel 39, lid 4, aldus inzonderheid op betrekkingen bij de krijgsmacht, bij de politie of andere ordetroepen, bij de magistratuur, bij de belastingadministratie en in de diplomatie. Die betrekkingen vallen niet onder het beginsel van het vrije verkeer van werknemers dat gehuldigd wordt in artikel 39, lid 1, van het Verdrag van Rome.

De bepalingen van het voorontwerp waarbij militaire betrekkingen algemeen worden opengesteld voor niet-Belgen, in het bijzonder voor burgers van de Europese Unie, moeten vervallen. »

Deze opmerking geldt eveneens voor artikel 9, eerste lid, 2º, van het voorontwerp (...) »

Nr. 18 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 75

Paragraaf 2, eerste lid, vervangen als volgt :

« Een luitenant-generaal kan aangesteld worden in de graad van generaal voor de uitoefening van het ambt van chef defensie. »

Verantwoording

De aanstelling van de chef defensie in de graad van generaal kan verklaard worden door het feit dat hij zijn gezag ten aanzien van zijn collega's luitenant-generaals dient te oefenen.

Dit is echter niet het geval van het hoofd van het Militair Huis van de Koning, die geen bevelvoeringfunctie betrekt.

Nr. 19 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 76

Het derde lid vervangen als volgt :

« De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het mandaat omwille van operationele redenen verlengen met één jaar. ».

Verantwoording

De aanstelling van de CHOD is een politieke aanstelling. Door het mandaat van een bepaalde generaal te verlengen in functie van een bepaalde regering wordt deze functie te sterk politiek gekleurd. De eenmalige verlenging van een jaar moet dan wel wegens operationele redenen gebeuren.

Nr. 20 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 124

In § 2 van dit artikel een nieuw vierde lid invoegen, luidende :

« Indien de desiderata van de militair geen betrekking hebben op de professionele heroriëntering bedoeld in artikel 144, eerste lid, 1º, of op de beroepsomschakeling bedoeld in artikel 144, eerste lid, 3º, kan het oriëntatievoorstel bedoeld in het tweede lid enkel bestaan uit :

1º de voortgezette militaire loopbaan;

2º de interne overgang;

3º de overplaatsing naar een openbare werkgever, bedoeld in artikel 144, eerste lid, 2º. ».

Verantwoording

Volgens het wetsontwerp zullen de nieuwe generaties van militairen, na een initiële militaire loopbaan van hoogstens 12 jaar, aan een oriëntatieproces worden onderworpen. De mechanismen van dat proces worden in de artikelen 120, 121, 122, 123 en 124 beschreven.

In het voorliggend wetsontwerp krijgen de militairen, aan wie geen voortgezette militaire loopbaan noch een interne overgang wordt aangeboden, echter als enige garantie die van een werkgelegenheidssteun door middel van een beroepsomschakelingsprogramma.

Het wetsontwerp garandeert aldus niet dat de militair een voorstel krijgt na het oriëntatieproces :

— hetzij tot oriëntatie naar een voortgezette militaire loopbaan;

— hetzij tot oriëntatie naar de interne overgang en Rijksambtenaar bij het departement Defensie wordt;

— hetzij tot oriëntatie naar de externe overgang in het kader van de overplaatsing en Rijksambtenaar wordt buiten het departement Defensie.

Met het beroepsomschakelingsprogramma houdt het wetsontwerp slechts een middelenverbintenis in, terwijl een resultaatverbintenis zou moeten worden beoogd.

Door de invoeging van het voorgestelde lid moet een oriëntatievoorstel aan de militair worden aangeboden, waarbij hij of militair blijft, of intern kan overgaan als ambtenaar binnen het departement Defensie of bij een andere openbare werkgever.

Slechts indien hijzelf de keuze maakt om over te gaan naar de privésector of een beroepsomschakelingsprogramma wenst, kan dat opgenomen worden in het oriëntatievoorstel.

Pas na de derde weigering van de oriëntatievoorstellen kan het aanbod uit een beroepsomschakelingsprogramma bestaan. Hiervoor wordt naar artikel 124, § 4, laatste lid, verwezen. Dit geeft aan de betrokken militair de garantie dat een tewerkstelling binnen Defensie of een andere openbare werkgever hem in het kader van de oriëntatievoorstellen altijd wordt aangeboden.

Nr. 21 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 141

Paragraaf 3 vervangen als volgt :

« § 3. De interne overgang wordt afgesloten met de overplaatsing van de militair naar het statuut militair niet operationeel of van Rijksambtenaar bij Defensie. ».

Verantwoording

Zelfde verantwoording als bij amendement nr. 14.

Nr. 22 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 144

In limine van dit artikel de volgende zin invoegen :

« De externe overgang gebeurt op vrijwillige basis. De militair die het voorstel van de externe overgang aanvaardt, krijgt de garantie dat hij in een periode van 5 jaar geen loonverlies zal lijden. ».

Verantwoording

De militair die een externe overgang aanvaardt lost een probleem op van Defensie maar kan daardoor zelf in de problemen geraken. Er bestaat geen enkele garantie dat zijn nieuwe werkgever hem een langdurig contract kan aanbieden.

Teneinde het beroep van militair enigszins aantrekkelijk te houden is het evident dat er een begeleiding blijft voor ten minste 5 jaar. Het loonverlies kan vermeden worden door een andere functie te zoeken voor de militair binnen of buiten Defensie, binnen deze 5 jaar. Bij ontstentenis van een tewerkstelling zal er een financiële bijpassing worden gegeven.

Nr. 23 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 172

Paragraaf 2 vervangen als volgt :

« § 2. Onder voorbehoud van de toepassing van de in bijzondere wetten bepaalde onverenigbaarheden, kunnen de militairen van het actief kader die voldoen aan de in artikel 173, eerste lid, bepaalde voorwaarden, zich evenwel kandidaat stellen voor de districtraadsverkiezingen, de gemeenteraadsverkiezingen, de provincieraadsverkiezingen, de wetgevende verkiezingen, de verkiezingen voor het Europees parlement en de verkiezingen voor de gemeenschaps- en gewestparlementen.

Zij mogen alle uitvoerende en niet-uitvoerende politieke mandaten uitoefenen. ».

Nr. 24 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 174

In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :

A. paragraaf 1 vervangen als volgt :

« § 1. De militair, welke functie hij ook uitoefent, wordt met politiek verlof gezonden voor de uitoefening van één van de volgende mandaten : lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers, senator, lid van het Europees parlement, lid van een gemeenschaps- of gewestparlement, burgemeester of schepen of voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een stad of een gemeente van meer dan 50 000 inwoners, lid van de bestendige deputatie van een provincie, lid van de federale regering of lid van een gemeenschaps- of gewestregering. »;

B. paragraaf 2 doen vervallen;

C. in § 3, vierde lid, de woorden « die volgt op die » schrappen;

D. in § 4, de woorden « 8º tot 11º » schrappen.

Verantwoording

Dit amendement strekt ertoe om militairen de mogelijkheid te verlenen zich kandidaat te stellen bij de verkiezingen en effectief te zetelen. Het beoogt een actieve rol van militairen in de politiek. Hiertoe is een wijziging nodig van de artikelen 172 en 174 van voorliggend wetsontwerp.

Deze verruiming gaat niet in tegen de beweegredenen die de wetgever ertoe brachten om deze beroepscategorie restricties aan het uitoefenen van politieke activiteiten en mandaten op te leggen. Deze beweegredenen zijn terug te vinden in de memorie van toelichting bij artikel 15, § 1, van het wetsontwerp houdende het tuchtreglement van de Krijgsmacht (Parl. St. Kamer 1971-72, nr. 373/1, blz. 5). Aldaar staat vermeld : « Teneinde de samenhang van het leger, en dientengevolge zijn doeltreffendheid niet in het gevaar te brengen, heeft de regering geoordeeld dat, in de schoot van het leger, geen enkele politieke activiteit mag worden uitgeoefend. Anderzijds, en steeds om dezelfde redenen — namelijk het vrijwaren van de samenhang en de onafhankelijkheid van het leger — is het ondenkbaar dat een militair die voor alles verplicht is de regering te dienen en zich voor te bereiden op zijn hoofdopdracht, namelijk de verdediging van de natie, zich in het openbaar met politieke activiteiten inlaat. ».

Diverse argumenten pleiten immers voor de afschaffing van deze verbodsbepalingen. Het volledig uitsluiten van de militairen van de democratische besluitvorming houdt een beperking van hun politieke rechten in. Het getuigt van wantrouwen tegenover de militaire gemeenschap. Geen enkel objectief criterium staaft de huidige reglementering.

Er kan worden gesteld dat de artikelen 172 tot 174 een schending inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten opzichte van de rechten van de ambtenaren houdt dit een flagrante schending in van het gelijkheidsbeginsel.

In het arrest nr. 74/92 van 18 november 1992 stelde het Arbitragehof in dit verband :

« B.3.5 De verkiesbaarheid is een fundamenteel recht in een democratische samenleving. Zij kan slechts het voorwerp zijn van bijzondere beperkingen, die, zelfs al zijn ze indirect, verantwoord moeten zijn inzonderheid door specifieke vereisten die onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van een bepaalde functie.

B.3.6. De naleving van het grondwettelijk gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel vergt dat de beperkingen die aan een categorie van personen worden opgelegd niet verder reiken dan noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken. De evenredigheidstoetsing moet bijzonder stringent zijn wanneer een grondrecht wordt aangetast. ».

Met de aanneming van de wet van 14 juni 2006 « tot wijziging van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht met het oog op de toelating tot bepaalde politieke mandaten en houdende diverse bepalingen » werd een eerste stap gezet in het toekennen van politieke rechten aan de militairen. Door die wet is het hen voortaan toegestaan zich kandidaat te stellen voor een provinciaal of een gemeentelijk mandaat en dat mandaat dan ook effectief uit te oefenen.

De toegang tot gewestelijke of federale mandaten blijft hen echter nog steeds verboden. Duitsland ziet evenwel de integratie van soldaten in Staat en maatschappij door de uitoefening van het actief en passieve stemrecht geschieden, alsook het ontplooien van geoorloofde (en zelfs aangemoedigde) politieke activiteiten. De toenmalige Duitse voorzitter van de Bundestag Dr. Philipp Jenninger verwees reeds in 1985 ter gelegenheid van 30 jaar Bundeswehr naar de politieke activiteiten van militairen : « Zes militairen oefenden een parlementair mandaat uit in de Bundestag, 11 militairen zetelden in de deelstaatparlementen en 1 377 militairen maakten deel uit van de gemeenteraden. » (de volledige getalsterkte van de toenmalige West-Duitse Strijdkrachten bedroeg 495 000 soldaten in 1985).

De uitoefening van een provinciaal of gemeentelijk mandaat blijft echter nog steeds onderworpen aan ongeoorloofde voorwaarden en discriminaties die het huidige amendement beoogt te verwijderen.

De voorgestelde wijziging van artikel 172, § 2, maakt het de militairen mogelijk zich kandidaten te stellen voor eender welk politiek mandaat en dat mandaat effectief uit te oefenen.

De voorgestelde wijziging van artikel 174, § 1, voorziet erin dat de uitoefening van een politiek mandaat op gemeentelijk of provinciaal vlak tot gevolg heeft dat de militair in kwestie met politiek verlof gezonden wordt. Daar dat verlof onbezoldigd is, zal deze bepaling er onvermijdelijk toe leiden dat de militairen uit kleine, meestal landelijke gemeenten, het verlies van hun militaire wedde niet zullen kunnen compenseren met de wedde gekoppeld aan hun politieke mandaat.

Het voorgestelde amendement corrigeert deze toestand en voorziet in een verplicht politiek verlof voor de uitoefening van een mandaat in een gemeente van meer dan 50 000 inwoners. Onder deze drempel kan de militair in kwestie een politiek verlof op vrije wil nog steeds aanvragen, of kan hij zijn politiek mandaat in cumul met zijn functie binnen de Krijgsmacht uitoefenen.

De voorgestelde schrapping van artikel 174, § 2, voorziet dat de militair, die één van de opgesomde functies binnen de Krijgsmacht uitoefent en een politiek mandaat beoogt, eveneens met politiek verlof gezonden wordt. Deze lijst van functies is echter (te) breed opgevat en behelst, volgens de ingewonnen informatie, meer dan een derde van het totaal aantal functies binnen de Krijgsmacht.

Ze is eveneens discriminerend voor het inscheepbare personeel van de Marine.

De voorgestelde wijziging van artikel 174, § 3, vierde lid, vermijdt dat de militair, wiens politieke mandaat ten einde komt en die in werkelijke dienst heropgenomen wordt, één maand zonder inkomen zou moeten blijven.

De voorgestelde wijziging van artikel 174, § 4, herstelt de coherentie met de voorgestelde wijzigingen.

Nr. 25 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 195

Dit artikel als volgt vervangen :

« Art. 195. — Een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad legt de bedragen en perioden vast voor welke de hiernavolgende toelagen in aanmerking worden genomen voor de berekening van het rust- en overlevingspensioen :

1º het weddencomplement voor paramedici toegekend met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 6 december 2001 betreffende het verlenen van geldelijke voordelen aan sommige militairen die een paramedische functie uitoefenen;

2º de toelage voor de militairen aangesteld in een hogere graad, toegekend met toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit van 18 maart 2003 houdende bezoldigingsregeling van de militairen van alle rangen en betreffende het stelsel van de dienstprestaties van de militairen van het actief kader beneden de rang van officier;

3º de toelage voor geselecteerde, toegekend met toepassing van artikel 30 van voormeld koninklijk besluit van 18 maart 2003;

4º de staffunctietoelage, toegekend met toepassing van artikel 31, § 2, van voormeld koninklijk besluit van 18 maart 2003;

5º de commandotoelage, toegekend met toepassing van artikel 31, § 3, van voormeld koninklijk besluit van 18 maart 2003 :

6º de vormingstoelage, toegekend met toepassing van artikel 32 van voormeld koninklijk besluit van 18 maart 2003;

7º de functietoelage, toegekend met toepassing van artikel 33 van voormeld koninklijk besluit van 18 maart 2003;

8º de meesterschapstoelage, toegekend met toepassing van artikel 34 van voormeld koninklijk besluit van 18 maart 2003. ».

Verantwoording

Artikel 195 omvat slechts drie toelagen waarvan één, de vormingstoelage (voor de onderofficieren), een tijdelijk en beperkt karakter heeft. Ze wordt inderdaad enkel toegekend aan die onderofficieren die al tot de rang van adjudant, adjudant-chef of adjudant-majoor op 1 juli 2003 waren benoemd. Deze groep zal uitdoven naarmate meer personeelsleden op pensioen worden gesteld.

Door zich niet te willen verbinden tot een eerstvolgende herziening van de weddenschalen, waarbij deze toelagen in de weddenschalen opgenomen zullen worden, en door expliciet deze drie toelagen in artikel 195 te behouden, creëert de overheid de facto twee grote groepen onder de gepensioneerde militairen per personeelscategorie :

1. die waarvan één van deze drie toelagen niet in aanmerking kwam voor de berekening van het rustpensioen, hetzij omdat ze er nooit recht op hadden tijdens hun actieve loopbaan, hetzij omdat ze op pensioen werden gesteld vóór de datum van inwerkingtreding van deze bepaling;

2. die waarvan één van deze drie toelagen wel in aanmerking kwam voor de berekening van het rustpensioen.

Met het voorgestelde amendement komen een reeks toelagen, die in het koninklijk besluit van 18 maart 2003 werden ingesteld, eveneens in aanmerking voor de berekening van het rust- en overlevingspensioen.

Er dient echter te worden gestreefd naar de opname van een aantal van deze toelagen in de toekomstige weddenschalen.

Nr. 26 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 242bis (nieuw)

In titel IX « Wijzigings- en opheffingsbepalingen » een hoofdstuk XXV invoegen, houdende een artikel 242bis, luidende :

« HOOFDSTUK XXV. Wijziging van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie.

Art. 242bis. — In artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie worden de woorden « getrouwheid aan de Koning » geschrapt. ».

Verantwoording

Zoals van elke burger mag van een militair van de Belgische Krijgsmacht worden verwacht dat hij « aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgisch volk » gehoorzaamt.

Door zijn bijkomende eed van getrouwheid aan de Koning kan voor deze militair een gewetensprobleem ontstaan, indien bepaalde daden van de Koning niet gedekt zijn door de regering, zoals tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Nr. 27 VAN DE HEREN CEDER EN VAN OVERMEIRE

Art. 242ter (nieuw)

In titel IX, « Wijzigings- en opheffingsbepalingen », een hoofdstuk XXVI invoegen, houdende een artikel 242ter, luidende :

« HOOFDSTUK XXVI. Wijziging van de wet van 11 juli 1978 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van het militair personeel

Art. 242ter. — In artikel 12, eerste lid, 1º, van de wet van 11 juli 1978 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van het militair personeel, worden de woorden « gepensioneerde militairen » vervangen door de woorden « gewezen militairen ».

Verantwoording

Artikel 8, 1º, van de wet van 1 mei 2006 tot wijziging van de wet van 11 juli 1978 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van het militair personeel heeft als ongewenste gevolg dat gewezen, doch nog niet-gepensioneerde militairen (ontslag, korte termijnen, ...) geen lid meer kunnen zijn van een niet-politieke vakorganisatie.

Nochtans zijn deze militaire vakorganisaties ook bevoegd voor materies die het gewezen militair personeel « niet gepensioneerd » aangaan, zoals de vergoedingspensioenen.

Het voorliggend wetsontwerp lijkt de gepaste gelegenheid te zijn om tot de situatie ante 1 mei 2006 terug te keren en in een volgende fase de twee bestaande vakbondsstatuten binnen het departement Defensie voor enerzijds het militair en anderzijds het burgerpersoneel te vervangen door één gemengd vakbondsstatuut.

Op die manier kan het beleid van het departement van Defensie opnieuw samenhangend worden.

Jurgen CEDER
Karim VAN OVERMEIRE.