Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-71

ZITTING 2005-2006

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 3-5352 van de heer Ceder d.d. 2 juni 2006 (N.) :
Nucleaire veiligheid. — Bewaking van nucleaire sites.

België zal geen gevolg geven aan het verzoek van de Verenigde Staten om gewapende wachten te plaatsen bij de Belgische nucleaire sites. Dat berichtje uit « La Libre Belgique » is intussen door meerdere kranten overgenomen. Voormalig Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell stuurde in 2004 naar onze regering de aanbeveling gewapende bewaking te voorzien bij nucleaire sites. In dit tijdperk van terrorisme lijkt dat een vanzelfsprekende maatregel. Zeker als men weet dat verschillende terreurgroepen proberen radioactief materiaal te verzamelen — via diefstal of op de zwarte markt — om een zogenaamde « vuile atoombom » te produceren. Volgens de kranten heeft de regering na overleg met alle betrokkenen besloten geen gevolg te geven aan dat verzoek.

Het klinkt zo onwaarschijnlijk en zo onverantwoordelijk dat ik moeite heb om dat te geloven.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen :

1. Om welke nucleaire sites gaat het hier ?

2. Is er dan geen gewapende bewaking voor de kerncentrales in Doel en Tihange, alsook voor de sites van het NIRAS waar radioactief afval wordt bewerkt of opgeslagen ?

3. Is er gewapende bewaking van de transporten met radioactief afval, bijvoorbeeld naar de opwerkingsfabriek in La Hague ?

4. Indien dat niet het geval is, welke is dan de motivatie van de regering om af te zien van deze bewakingsmaatregelen ?

Antwoord : De beveiliging van de nucleaire installaties maakt het voorwerp uit van de ministeriële omzendbrief OOP nr. 36. Alvorens in te gaan op de specifieke vragen van het geachte lid, wens ik de antwoorden in herinnering te brengen die ik heb verstrekt op de schriftelijke parlementaire vragen nrs. 440 en 657 gesteld door het geachte lid Muriel Gerkens en die zijn opgenomen in het Bulletin van Vragen en Antwoorden van de Kamer van volksvertegenwoordigers (zie bulletin nr. 66 blz. 10669-10671 en nr. 117 blz. 22644-22645). Men kan er onder meer lezen dat het Amerikaanse team, dat in januari 2006 ons land heeft bezocht en waarmee de kwestie van gewapende wachten rond de nucleaire sites opnieuw werd besproken, « positief onder de indruk » was over hetgeen ze te horen en te zien hadden gekregen.

1. De nucleaire sites die gevat zijn door de ministeriële omzendbrief OOP nr. 36 betreffende de veiligheid van de nucleaire installaties van klasse 1, zijn de inrichtingen die als dusdanig zijn ingedeeld door het algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, de werknemers en het leefmilieu tegen ioniserende straling, zoals vastgesteld bij het koninklijk besluit van 20 juli 2001. Het gaat hier om de kerncentrales van Doel en Tihange, de installaties van Belgonucléaire, FBFC, Belgoprocess en het SCK- CEN te Mol-Dessel, IRMM te Geel, de Thetis-reactor van de Universiteit Gent en het IRE te Fleurus. De bezorgdheid van de Amerikaanse overheid beperkt zich tot de meest gevoelige onder deze installaties.

2. Overeenkomstig de aanpak die in ons land wordt gevolgd, zijn er op dit ogenblik inderdaad geen gewapende agenten aanwezig in deze installaties. Deze situatie zou kunnen veranderen al naargelang de evaluatie van de dreiging.

3. De zogenaamde transporten van « categorie I », hetzij de meest gevoelige volgens het internationaal verdrag op de fysieke beveiliging van kernmateriaal, worden geëscorteerd door politieagenten, zoals voorgeschreven door dit verdrag. Deze maatregel kan desgevallend worden uitgebreid tot andere transporten indien andere elementen dit zouden verantwoorden, al naargelang de evaluatie van de dreiging.

4. Zoals uiteengezet in de reeds eerder gegeven antwoorden, houdt de Belgische aanpak in deze rekening met de specifieke geëigendheden van ons land, waaronder de evaluatie van de dreiging en de beperkte afstand tussen de betrokken kerninstallaties en de lokale politiediensten.