Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-71

ZITTING 2005-2006

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 5353 van de heer Ceder van 2 juni 2006 (N) :
Misdrijven — Ophelderingsgraad.

In mijn vraag om uitleg nr. 3-1569 (Handelingen nr. 3-160 van 27 april 2006, blz. 31-32) verzocht ik de vice-eersteminister en minister van Justitie om meer duiding omtrent de ophelderingsgraad van misdrijven. Zo werd in het regeerakkoord van 1999 duidelijk de klemtoon gelegd op een wezenlijke verhoging van de ophelderingsgraad van misdrijven. In het daaropvolgende regeerakkoord van 2003 was hierover niets meer terug te vinden en stierf de vooropgestelde doelstelling een stille dood.

Nochtans is het, zowel voor slachtoffer als voor het ganse justitieel apparaat, niet onbelangrijk te weten hoeveel dossiers na verloop van tijd worden opgehelderd en hoeveel niet. De Tijd van 16 juli zegt dat hierover nergens cijfers beschikbaar zijn, veiligheidsadviseur Brice De Ruyver beweert daarentegen in De Standaard van 9 juni 2005 dat de ophelderingsgraad 53 % bedraagt en volgens een internetdossier van de Gazet Van Antwerpen zou de ophelderingsgraad van misdrijven in Antwerpen, zowat de enige stad die de ophelderingsgraad kenbaar maakt, 20 % bedragen. Onduidelijkheid troef.

In haar antwoord laat de vice-eersteminister en minister van Justitie weten dat « cijfers omtrent de ophelderingsgraad eigenlijk geen zin hebben » en ze verwijst hiermee naar de diverse interpretaties die aan de term « opheldering » kunnen worden gegeven. Anderzijds laat ze uitschijnen dat er binnen de werkgroep statistiek van de federale politie toch nagedacht wordt over de mogelijkheid om een statistisch model hierover te ontwikkelen. Bovendien blijkt uit een schrijven van de (Politie-)Directie van de relaties met de lokale politie van 2005 dat op termijn moet worden gestreefd naar een verplichte opname van de oplossingsgraad in het jaarverslag van de zonale politie.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen :

1. Waarom werd de « verhoging van de ophelderingsgraad » opgenomen in het regeerakkoord van 1999 ? Wat moest daaronder worden verstaan en welk gevolg werd aan deze toenmalige beleidsdoelstelling gegeven ?

2. Waarom werd deze doelstelling niet overgenomen in het daaropvolgende regeerakkoord van 2003 ?

3. Deelt de geachte vice-eersteminister de mening van zijn collega dat cijfers omtrent de ophelderingsgraad totaal zinloos zijn ?

4. Waarom denkt men binnen de werkgroep statistiek van de federale politie blijkbaar dan toch na om hierover een statistisch model te ontwikkelen ? En hoever staan deze denkoefeningen en welke is de finaliteit ervan ?