3-1947/1 | 3-1947/1 |
24 NOVEMBER 2006
Dit wetsontwerp concretiseert het Verdrag dat op 22 maart 2005 te Brussel werd ondertekend tussen de regeringen van het Koninkrijk België en de Republiek Albanië, met betrekking tot de politiesamenwerking tussen beide landen.
1. INLEIDING
De Europese top van Feira, die gehouden werd op 19 en 20 juni 2000, heeft bevestigd dat : « de grootst mogelijke integratie van de Balkanlanden in de heersende politieke en economische stroming, doorheen de processen van stabilisering en associatie, de politieke dialoog, de vrijmaking van de uitwisseling en de samenwerking op het vlak van justitie en binnenlandse zaken, blijft de doelstelling. Alle betrokken landen zijn potentiële kandidaat-lidstaten van de EU ».
In het zicht van de EU-top met de Westelijke Balkanlanden, die zou doorgaan in Thessaloniki in juni 2003, heeft de Raad de « Agenda van Thessaloniki voor de Westelijke Balkan; vooruitgang op het spoor van de Europese integratie » aangenomen. De agenda van Thessaloniki heeft het stabilisatie- en associatieproces verstevigd door nieuwe instrumenten voor te stellen, bestemd om de economische hervorming en de inspanningen inzake Europese integratie, namelijk de Europese partnerschappen van deze landen te steunen. Deze agenda werd door de Europese Raad en de Westelijke Balkanlanden in juni 2003 goedgekeurd.
In juni 2005 heeft de Europese Raad herhaald dat :
« ... de vooruitgang van elk land op weg naar de Europese integratie, rekening houdende met de evolutie van het acquis, hangt af van de inspanningen van deze landen om de criteria van Kopenhagen te respecteren en de voorwaardelijkheid van het proces van stabilisatie en associatie. In dit proces vormen de regionale samenwerking en het goede nabuurschap immers essentiële elementen van de politiek van de EU ».
In juni 2004 heeft de Raad van de Europese Unie een Europees Partnerschap met Albanië aangenomen dat in januari 2006 werd aangepast. De voorwaarden, de prioriteiten en de doelstellingen van dit partnerschap zijn het voorwerp van het Raadsbesluit van 30 januari 2006 (1) .
Onder de prioriteiten op korte termijn werden onder meer als essentieel bevonden : « Verbeterde concrete resultaten bereiken in de bestrijding van de georganiseerde misdaad, met name door ten volle gebruik te maken van de bepalingen van de nieuwe wetten tegen de georganiseerde misdaad en door de uitvoering van de op actie gerichte maatregelen tegen de georganiseerde misdaad te versnellen ».
Meer specifiek, zou Albanië nauwkeuriger de respectieve verantwoordelijkheden van de verschillende staatsorganen moeten vaststellen die betrokken zijn bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en het terrorisme en maatregelen nemen om de samenwerking te verbeteren, met name tussen de justitiële autoriteiten en de politie. Verdere maatregelen nemen om coherente en gecoördineerde verzameling- en verwerkingssystemen van inlichtingen op te zetten. Het gebruik van speciale onderzoeksmiddelen, het onderscheppen van telecommunicatieberichten en het gebruik van inlichtingengegevens verruimen.
Op het vlak van migratie voorziet het Partnerschap dat meer geld en personeel wordt uitgetrokken voor de aanpak van de mensenhandel en de illegale migratie.
Op het vlak van het witwassen van geld : urgente maatregelen nemen om de anti-witwas wetgeving beter te handhaven wat betreft veroordelingen, verbeurdverklaringen, inbeslagnemingen en bevriezing van activa. De uitbreiding van de capaciteit van de financiële inlichtingendienst, het bureau van de openbare aanklager en de afdeling economische delicten van de politie door ervoor te zorgen dat de nodige financiële en IT-middelen worden uitgetrokken en door verbetering van de samenwerking op uitvoeringsniveau.
Op het vlak van de drugsbestrijding de uitvoering van de nationale anti-drugsstrategie en het daarmee verband houdende actieplan alsmede de verbetering van de opleiding, de uitrusting en de continuïteit van het management van politieagenten die bij de drugsbestrijding betrokken zijn.
De vorderingen van Albanië en de algemene toestand van de vooruitgang in de uitvoering van het stabilisatie- en associatieproces worden door de Europese Commissie regelmatig onderzocht en in een opvolgingsrapport bekend gemaakt (2) .
De uitvoering van dit verdrag zal niet alleen bijdragen tot een betere samenwerking tussen beide landen maar ook tot de verdere vooruitgang van Albanië in de uitvoering van het partnerschap.
Daar de finaliteit van de politiesamenwerking — naast preventie — ligt in de bestrijding en de bestraffing van criminaliteit, is het essentieel dat er een zeker parallellisme bestaat tussen de ontwikkeling van de internationale politiesamenwerking enerzijds en de ontwikkeling van de gerechtelijke samenwerking in strafzaken anderzijds. Het was dus noodzakelijk voorafgaandelijk na te gaan welke de stand van zaken van de gerechtelijke samenwerking in strafzaken was.
Albanië is partij bij een reeks verdragen inzake gerechtelijke samenwerking, onder meer :
— het Europees Verdrag aangaande de uitlevering van 13 december 1957 en de twee aanvullende protocollen;
— de Europese overeenkomst aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 20 april 1959 en de twee aanvullende protocollen;
— het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 27 januari 1977 en het aanvullend protocol;
— het Europees Verdrag inzake witwaspraktijken, opsporing, beslag en verbeurdverklaring van de opbrengsten van criminaliteit van 8 november 1990
— het Verdrag van de Verenigde Naties tegen transnationale georganiseerde misdaad van 12 december 2000.
België heeft tot nu toe geen bilaterale verdragen met Albanië op het vlak van politionele en justitiële samenwerking.
Het voorliggend Verdrag heeft tot doel de samenwerking met de politieoverheden in Albanië te institutionaliseren, rekening houdende met twee belangrijke overwegingen.
In de eerste plaats heeft een dergelijk verdrag tot doel de bilaterale samenwerking te centraliseren, door in elk land een overheid of een dienst aan te duiden, belast met het ontvangen van de verzoeken tot samenwerking en het doorsturen van de antwoorden. In de tweede plaats kunnen, door aan de samenwerking een wettelijke basis te geven, de betrokken regeringen de risico's die verbonden zijn aan de rechtstreekse contacten tussen de verschillende partners, aanzienlijk verkleinen.
Het Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Republiek Albanië inzake politiesamenwerking, ondertekend te Brussel op 22 maart 2005, telt 19 artikelen.
Dit verdrag vertolkt de uitdrukkelijke wens van beide partners, de politiesamenwerking tussen de beide landen te bevorderen en het optreden tegen de georganiseerde misdaad te coördineren. Het verdrag preciseert de verschillende gebieden waarop kan worden samengewerkt, de middelen van samenwerking alsook de praktische formaliteiten die bij het behandelen van een vraag tot samenwerking moeten gerespecteerd worden. Het mag onderlijnd worden dat, over het algemeen, de meeste bepalingen van het verdrag geïnspireerd zijn door de Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen (3) .
Om te besluiten kan gesteld worden dat, door dit Verdrag te ratificeren, en andere verdragen die met Balkan landen zullen worden geratificeerd, België ongetwijfeld over een noodzakelijk instrument in de strijd tegen de georganiseerde misdaad in de landen van Zuid-Europa zal kunnen beschikken.
2. BESPREKING VAN DE INHOUD
2.1. Definities (artikel 1)
Artikel 1 definieert in de eerste plaats een aantal begrippen uit de criminele sfeer die in de politiesamenwerking een belangrijke rol zullen spelen. Het gaat hierbij om : « internationale mensenhandel », « seksueel misbruik van kinderen », « criminaliteit in verband met nucleair en radioactief materiaal », « witwassen van geld », « verdovende middelen », « psychotrope stoffen » en « sluikhandel in verdovende middelen of psychotrope stoffen « en « georganiseerde misdaad « .
In de tweede plaats worden meer de meer technische begrippen; « verwerking van persoonsgegevens », « technische ondersteuning » en « dringend verzoek » gedefinieerd.
De invulling van deze begrippen is vaak gesteund op bestaande definities die worden teruggevonden in andere internationale verdragen.
2.2. De gebieden waarop wordt samengewerkt (artikelen 2, 3 en 4)
Artikel 2
Artikel 2 van het Verdrag bevat een princiepovereenkomst om aan elkaar de meest ruime samenwerking te bieden op het vlak van politiesamenwerking, met betrekking tot de voorkoming, de bestrijding en de vervolging van zware misdrijven. Het is de uitdrukkelijke wens van de regering om het toepassingsgebied van dit Verdrag te beperken tot de meest ernstige misdrijven als gevolg van bepaalde vormen van georganiseerde criminaliteit.
Het Verdrag heeft immers tot doel de georganiseerde criminaliteit te bestrijden en niet zozeer de zogenoemde « kleine delinquentie » of de delinquentie die niet tot het toepassingsgebied van de georganiseerde misdaad behoort. Voor deze categorieën van misdrijven bestaan geëigende kanalen (bijvoorbeeld Interpol) die nog altijd de meest efficiënte weg zijn om te bewandelen.
Het tweede punt van artikel 2 voorziet een niet beperkende lijst van misdrijven waarop het Verdrag in het bijzonder van toepassing zal zijn en die bijgevolg als prioriteiten kunnen aanzien worden. Het gaat meer bepaald over de zware misdrijven tegen het leven, de gezondheid en de fysieke integriteit van personen; illegale immigratie en mensensmokkel; drugshandel; mensenhandel en seksueel misbruik van kinderen; misdrijven in verband met financiële criminaliteit en allerlei vormen van illegale handel in kunstvoorwerpen, voertuigen, wapens en andere gevaarlijke stoffen.
Wat betreft andere vormen van georganiseerde criminaliteit die niet tot de vermelde opsomming behoren, deze moeten door de bevoegde overheden beoordeeld worden volgens het nationale recht.
Artikel 3
Onverminderd de strijd en de vervolging van een aantal zware misdrijven uit de sfeer van de georganiseerde criminaliteit, beoogt deze samenwerking ook de opsporing van verdwenen personen, de identificatie van niet-geïdentificeerde lijken en de opsporing van gestolen, verdwenen, verduisterde of verloren voorwerpen op het grondgebied van de andere Partij.
Artikel 4
De in dit Verdrag beoogde samenwerking zal worden geconcretiseerd op de volgende wijze : door het uitwisselen van gegevens (operationele samenwerking) met betrekking tot de bevoegdheidssfeer van de politie -en immigratieoverheden. Deze samenwerkingsvorm, verder ontwikkeld in de artikelen 5 tot 12 van voorliggend Verdrag, mag als het meest belangrijke deel van het Verdrag beschouwd worden.
De andere vormen van samenwerking (uitwisseling van materieel, technische en wetenschappelijke ondersteuning, expertises en gespecialiseerd technisch materiaal, uitwisseling van ervaringen, uitwisseling op het vlak van de beroepsopleiding en de hulp bij de voorbereiding ter uitvoering van verzoeken tot rechtshulp in strafzaken) zullen eerder dossier per dossier behandeld worden. De praktische uitvoeringsmodaliteiten zullen tussen de bevoegde ministers overeengekomen worden, zoals voorzien in artikel 15 van het Verdrag. In de praktijk kan deze bevoegdheid in België ook worden uitgeoefend door de Commissaris-generaal van de federale politie.
2.3. Informatie-uitwisseling (artikelen 5 tot 10)
Artikel 5
Het voorliggend Verdrag voorziet de uitwisseling van pertinente en belangrijke gegevens in de vorm van een nauwe en permanente samenwerking die kan georganiseerd worden door permanente contacten via verbindingsofficieren.
Door de nadruk te leggen op de begrippen « pertinent en belangrijk » onderstrepen de Partijen de wens om de uitwisseling van gegevens zo efficiënt en effectief mogelijk te organiseren. De bevoegde diensten moeten vermijden elkaar met nutteloze en onbelangrijke informatie te belasten en de uitwisseling te beperken tot die informatie die daadwerkelijk kan bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag.
De samenwerking via verbindingsofficieren wordt verduidelijkt in de toelichting bij artikel 10.
Artikel 6
In de eerste paragraaf van artikel 6 verbinden de Partijen er zich toe om hun politieoverheden wederzijdse bijstand te laten verlenen ter voorkoming en opsporing van de misdrijven, bedoeld in artikel 2 van het Verdrag, voor zover de uitvoering ervan niet onderworpen is aan de bevoegdheid van de gerechtelijke overheden. Deze bepaling is geïnspireerd door het artikel 39 van de Overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen (4) en heeft tot doel de rechtstreekse (en autonome) bijstand tussen de politiediensten zonder tussenkomst van de gerechtelijke overheden, af te bakenen.
In de tweede paragraaf van artikel 6 wordt de mogelijkheid voorzien om, zonder een daartoe strekkend verzoek, in bepaalde gevallen en ter voorkoming of bestrijding van de misdrijven bedoeld in artikel 2 van het Verdrag of ter afwending van een gevaar voor de openbare orde en veiligheid en met in acht name van het nationale recht, een uitwisseling van gegevens autonoom te laten gebeuren. Dit wil zeggen, voor zover de uitwisseling niet onderworpen is aan de bevoegdheid van de gerechtelijke overheden. Bij twijfel of de informatie al dan niet tot de bevoegdheid van de gerechtelijke overheid behoort zal het advies van de overheid in kwestie ingewonnen worden.
In België wordt deze materie geregeld door de omzendbrief COL 2/2000 van 14 februari 2000 van het College van procureurs-generaal. Enkel de gegevens opgenomen in de bijlage A van deze omzendbrief kunnen autonoom en rechtsreeks worden uitgewisseld.
Andere gegevens mogen enkel uitgewisseld worden met toelating van de gerechtelijke overheden of in het kader van een verzoek tot rechtshulp. In elk geval mag voor de rechtstreekse en autonome uitwisseling van gegevens nooit enig dwangmiddel gebruikt worden.
Artikel 7
Deze bepaling werd eveneens geïnspireerd door het artikel 39 van de Overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen (5) . De uitwisseling van gegevens op basis van de bepalingen van het voorgaande artikel betekent niet automatisch dat deze gegevens kunnen gebruikt worden als bewijs. Wanneer de verzoekende Partij de informatie die zij heeft verkregen wenst te gebruiken als bewijsmiddel in een, krachtens het nationale recht voorziene procedure, dan kan dat alleen maar indien de informatie werd verkregen in het kader van een verzoek om rechtshulp.
Dit betekent dat informatie die voorafgaandelijk is verzameld — in de pro-actieve fase — niet meer strafrechtelijk kan gebruikt worden vanuit het oogpunt van de strafprocedure, ondanks een latere vraag tot informatie. De gegevens verkregen in de pro-actieve fase moeten herbevestigd worden in de loop van het gerechtelijk onderzoek (6) .
Dit artikel beklemtoont het belang van de gerechtelijke samenwerking en de noodzaak om op het vlak van de ratificatie van de Europese verdragen een zeker evenwicht te bereiken. Albanië heeft hiervoor de belangrijkste verdragen — het Uitleveringsverdrag en aanvullende protocollen en het Verdrag inzake rechtshulp in strafzaken en aanvullende protocollen, geratificeerd.
Artikel 8
Vanuit de bezorgdheid de uitwisseling van gegevens te centraliseren, moeten de vragen en antwoorden van beide Partijen passeren langs de centrale organen in België en Albanië, die daarvoor door de respectievelijke Staten, zijn aangeduid. Op deze wijze is het duidelijk van wie en naar wie de verzoeken om bijstand en de antwoorden daarop worden verzonden en is het mogelijk eventuele alternatieve kanalen snel op te sporen.
Er zullen echter wel situaties ontstaan waarin aan de voorwaarde van de te volgen kanalen niet kan worden voldaan. In dit geval, ten uitzonderlijken titel en dan nog alleen in geval van hoog dringendheid, kan informatie rechtstreeks tussen de ene bevoegde overheid en de andere worden uitgewisseld. De verzoekende partij moet evenwel, het centrale orgaan belast met de internationale samenwerking van de aangezochte Partij, zo snel mogelijk in kennis stellen van het rechtstreeks verzoek en de motivering om van de gebruikelijke procedure af te wijken.
Het begrip « hoogdringendheid » moet gezien worden als een situatie waarin, door gebruik te maken van de voorgeschreven procedure bij de centrale organen, de preventieve — of de opsporingsactie dreigt gehinderd of geschaad te worden.
De aanduiding van de centrale organen en de modaliteiten van de wederzijdse bijstand is een zaak voor de bevoegde ministers van beide Partijen. Wat België betreft valt alles wat strategie en beleid inzake internationale politiesamenwerking betreft onder de bevoegdheid van de Commissaris-generaal van de federale politie, directie van het beleid inzake internationale politiesamenwerking. De operationele aspecten daarentegen, en dus het centraal orgaan bedoeld in artikel 8 van dit Verdrag, valt onder de bevoegdheid van de algemene directie voor de operationele ondersteuning.
Het centrale orgaan betreft dus :
« Federale politie — Algemene directie voor de Operationele Ondersteuning — Directie voor de Operationele Politiesamenwerking ».
Het centraliseren van de aanspreekpunten en de uitwisseling van gegevens zou de efficiëntie moeten verhogen en een versnippering van vooral horizontale contacten vermijden. Meer in het bijzonder de gegevensbescherming heeft nood aan een overkoepelende structuur om de risico's tot een minimum te herleiden. Het is echter niet de bedoeling dat de directie voor Operationele politiesamenwerking al de gegevens ook daadwerkelijk gaat behandelen; de dienst zal hoofdzakelijk fungeren als doorgeefluik in beide richtingen en de behandeling zal, behoudens uitzonderingen, door de betrokken diensten zelf gebeuren.
Voor het geval de uitwisseling van informatie zou geregeld worden via de verbindingsofficieren (artikel 5 en 10) zullen de gegevens eerst via hen passeren alvorens naar het betrokken centraal orgaan te worden doorgestuurd.
De bepalingen van artikel 8 zijn gebaseerd op de principes van artikel 39 van de Overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen (7) .
Artikel 9
Het artikel 9 bepaalt de graad van vertrouwelijkheid van de informatie die de Partijen elkaar moeten waarborgen. De daarbij gebruikte veiligheidsgraden, dit wil zeggen de mate waarin de informatie beveiligd wordt, moeten deze zijn die gebruikt worden door Interpol.
Artikel 10
Het artikel 10 van het Verdrag voorziet in de mogelijkheid, voor elk van de verdragsluitende Partijen, verbindingsofficieren te detacheren naar de andere Partij en dit voor een bepaalde of onbepaalde duur.
Het concept van de Belgische verbindingsofficieren in het buitenland is uitgewerkt op grond van een beslissing van de Ministerraad van 19 juni 1992. Het statuut en de werkingsregels die van toepassing zijn op deze verbindingsofficieren werden opgenomen in de ministeriële omzendbrief van 12 maart 2003 (8) . Bovendien versterkt een Besluit van de Raad van de Europese Unie (9) , betreffende het gezamenlijk gebruik van verbindingsofficieren die door de lidstaten gedetacheerd zijn in derde landen, de tendens tot samenwerking en overleg tussen deze verbindingsofficieren, hen taken van gemeenschappelijk belang te doen uitvoeren en om toe te laten dat een verbindingsofficier in een derde land taken uitvoert ten voordele van een Lidstaat die geen verbindingsofficier ter beschikking heeft in dat land of voor dat land geaccrediteerd is. Het zou goed zijn zich door deze bepalingen te laten inspireren en de mogelijkheid voor een dergelijke samenwerking te voorzien, met verbindingsofficieren die door niet Lidstaten van de Europese Unie zijn gedetacheerd in de lidstaten of niet Lidstaten van de Europese Unie.
Het gemeenschappelijk gebruik van verbindingsofficieren door de Contracterende Partijen is voorzien door het artikel 10.4º; deze bepaling spreekt van een verbindingsofficier die moet begrepen worden als zijnde de vertegenwoordiger van de Belgische politie in het buitenland. De verbindingsofficier kan, naar luid van artikel 1.1 van de Omzendbrief van 12 maart 2003 ook een politieattaché zijn (10) .
De verbindingsofficieren hebben als belangrijkste doelstelling de politiële en gerechtelijke samenwerking te bevorderen en te versnellen en dit door medewerking te verlenen aan de activiteiten die in het artikel 10 worden opgesomd. Zij zijn niet bevoegd om zelf acties te ondernemen, zij beschikken niet over uitvoeringsbevoegdheden. Zij beperken er zich toe hun raadgevende, informatie -en bijstandsopdracht te vervullen bij de bevoegde centrale organen zoals die in het Verdrag zijn opgenomen. Het functioneel statuut van de verbindingsofficier is afhankelijk van het land van affectatie; dit is hetzij een diplomatiek statuut, hetzij een statuut dat dezelfde rechten en plichten, voorrechten en immuniteiten verleent als de leden van het diplomatiek korps.
Wat België betreft is er sedert 31 maart 2006 een verbindingsofficier in Tirana geïnstalleerd.
2.4. De bescherming van persoonsgegevens (artikel 11 en 12)
Artikel 11
De bepalingen van artikel 11 met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens zijn in grote lijnen geïnspireerd door de artikelen 126 tot 129 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen (11) .
De Partijen waarborgen, ieder voor wat hen betreft, dat de gegevens die door de andere Partij worden verstrekt, beschermd worden, voor zover die gegevens in het licht van de eigen wetgeving, bescherming behoeven.
Wat België betreft gelden in de eerste plaats de bepalingen inzake het beroepsgeheim (12) en het geheim van het onderzoek (13) . Daarnaast zijn er de bepalingen van het Dataprotectieverdrag (14) en de Aanbeveling van het Comité van ministers van de Raad van Europa met betrekking tot het gebruik van persoonsgegevens in de politiesector (15) .
Sedert kort dient de uitwisseling van persoonsgegevens eveneens in overeenstemming te zijn met artikel 22 van de Grondwet. Bovendien mogen persoonsgegevens die aan een verwerking worden onderworpen na doorgifte ervan naar een land buiten de Europese Gemeenschap, slechts worden doorgegeven indien dat land een passend beschermingsniveau waarborgt en de andere bepalingen van de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden nageleefd (16) .
Ten slotte kent België zijn eigen wet op de bescherming van persoonsgegevens (17) en zijn de politiediensten reeds enige tijd vertrouwd met de Schengenregeling en het gebruik van de veiligheidsgraden die van toepassing zijn voor Interpol.
Albanië heeft het Dataprotectieverdrag ondertekend op 9 juni 2004, geratificeerd op 14 februari 2005 en is in werking getreden op 1 juni 2005. De wet op de bescherming van persoonsgegevens, « Law Nº 8517 on the Protection of Personal Data » is gebaseerd op artikel 35 van de Grondwet en trad in voege op 22 juli 1999. De onafhankelijke controle-instantie, de « People's Advocate », die over de toepassing van de wet op de bescherming van persoonsgegevens moet waken, is gerealiseerd.
Het artikel 11 is vrij gedetailleerd uitgewerkt om maximale waarborgen van bescherming en rechtszekerheid te bieden.
Artikel 11.3.a herneemt het principe van de finaliteit terwijl 11.3.b verwijst naar de artikelen 2 en 3 van dit Verdrag. De uitwisseling van persoonsgegevens heeft aldus tot doel bij te dragen aan het voorkomen en bestrijden van een aantal nader genoemde misdrijven en ter voorkoming van andere bedreigingen van de openbare orde en openbare veiligheid.
Alhoewel de begrippen « openbare orde en veiligheid » in dit Verdrag, noch elders worden gedefinieerd, wordt het legaliteitsprincipe toch gewaarborgd door de referentie naar het nationale recht en het aanwijzen van een controleautoriteit die op onafhankelijke wijze de verwerking en behandeling van persoonsgegevens zal nagaan (18) . Ook de Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen voorziet het uitwisselen van informatie ter afwending van gevaar voor de openbare orde en veiligheid (19) .
Het gelijkvormigheidbeginsel wordt gerespecteerd door de bepalingen van artikel 11.3.a en g, die voorzien dat de gegevens enkel mogen gebruikt worden voor de doeleinden door het Verdrag bepaald en voor de specifieke doeleinden door de Partijen bepaald onder de voorwaarden opgelegd.
Het evenredigheidsprincipe wordt gerespecteerd, zowel door de bepalingen van artikel 5 als door de bepalingen van artikel 11.3.c. De tekst onderstreept de verantwoordelijkheid van beide partijen in het geval van onjuiste, — niet relevante of niet noodzakelijke informatie — die toch zou uitgewisseld zijn. De verstrekkende Partij wordt verantwoordelijk om de ontvangende Partij op de hoogte te brengen van het probleem, terwijl deze laatste, eens op de hoogte gebracht, verantwoordelijk wordt aan het probleem te verhelpen door hetzij de informatie te corrigeren, hetzij de informatie te vernietigen (20) .
Artikel 11.3.d gaat verder in op het probleem van de onjuiste informatie. Het gebruik van onjuiste informatie ontslaat de verdragsluitende Partij niet van haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de betrokken personen; met andere woorden het ontvangen van onjuiste informatie is geen reden om zich tegenover de betrokken personen van zijn verantwoordelijkheid te ontdoen.
Artikel 11.3.e verwijst naar de klassieke principes inzake de registratie van gegevensverwerking (ontvangst, uitwisseling, bewerking, uitwissing, vernietiging). Ook hier melden de Partijen elkaar welke overheden en diensten gemachtigd zijn om de registratie te raadplegen (21) .
Artikel 11.3.f behandelt het recht op individuele toegang tot de gegevens en voorziet voor de individuele betrokkene het recht zich te richten tot de Partij van zijn keuze. Het recht op toegang wordt evenwel gekoppeld aan de instemming van de andere Partij (22) . Deze bepaling is ingegeven door de praktische situatie waarin een Partij de rechtstreekse toegang in het nationale recht zou hebben voorzien. Het is niet denkbeeldig dat bepaalde individuen van dit recht zouden misbruik maken om kennis te krijgen van gegevens over hun al dan niet illegale praktijken en op die manier de bestrijding van georganiseerde criminaliteit zouden schaden. Wat België betreft is de rechtstreekse toegang tot dit soort gegevens niet mogelijk. De bepaling betekent echter ook niet dat Albanië de toegang tot bepaalde gegevens, die via de Commissie tot bescherming van de privacy zouden kunnen worden geconsulteerd, zou kunnen beletten. De verwerking van persoonsgegevens is immers onderworpen aan het nationale recht en het Verdrag kan niet geïnterpreteerd worden op een wijze die het nationale recht niet toelaat. Het recht op individuele toegang wordt trouwens ook afgeleid uit de bepalingen van artikel 11.3.c en d.
De beperkte verspreiding van de gegevens wordt voorzien in de artikelen 8 en in artikel 11.4.a, dat moet gelezen worden in samenhang met de bepalingen van artikel 11.3.b. De mededeling van gegevens aan andere diensten is slechts mogelijk voor zover deze diensten opdrachten vervullen die beantwoorden aan de doelstellingen van dit Verdrag. Het Verdrag voorziet de overbrenging van gegevens aan politie -en immigratieoverheden.
De Raad van State heeft reeds doen opmerken (23) dat, krachtens de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, artikel 44/1, de door de politiediensten verzamelde en verwerkte gegevens enkel kunnen worden meegedeeld aan de overheden bedoeld in artikel 5 van dezelfde wet, de politiediensten, de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie, evenals aan de inlichting -en veiligheidsdiensten die ze nodig hebben voor de uitoefening van hun opdrachten. De Raad van State stelt verder dat, als het de bedoeling is dat andere Belgische diensten dan de politiediensten, zoals de Dienst Vreemdelingenzaken, gegevens kunnen verwerken die verzameld worden door de politiediensten in het kader van de wederzijdse bijstand van de Belgische en buitenlandse politie — en immigratiediensten, dit bij wet zou moeten worden geregeld of het koninklijk besluit moet worden vastgesteld waarin het vierde lid van artikel 44/1 voorziet.
In overleg met de federale overheidsdienst Justitie zal de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken, in toepassing van artikel 44/1, vierde lid van de Wet op het politieambt, een koninklijk besluit voorbereiden waarin de publieke overheden worden aangeduid aan wie de informatie mag meegedeeld worden, na advies van de Commissie voor de bescherming van de private levenssfeer. In afwachting zal het centraal orgaan, bedoeld in artikel 8 van dit verdrag, er over waken dat de informatie komende van de andere Partij enkel aan de rechtmatige ontvanger wordt meegedeeld.
Artikel 11.5 voorziet de aanwijzing van een controleautoriteit, die overeenkomstig het nationale recht, op het grondgebied van de eigen Staat controle uitoefent op de verwerking van persoonsgegevens, de rechten van de betrokken personen te vrijwaren en de problemen inzake de toepassing en de uitlegging van het Verdrag te onderzoeken wat de verwerking van persoonsgegevens betreft. Onverminderd de bevoegdheden van de wettelijke toezichtorganen (24) op het functioneren van de politiediensten op nationaal vlak, zal in België deze controle uitgeoefend worden door de Commissie tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, ingesteld door de Wet van 8 december 1992.
Voor Albanië is de controleautoriteit voorzien in de wetgeving op de bescherming van de privacy.
Artikel 12
Artikel 12 wil vermijden dat er misverstanden zouden ontstaan tussen de uitwisseling van gegevens door de genoemde overheden en diensten enerzijds en de uitwisseling van persoonsgegevens via een verbindingsofficier. In dit laatste geval gelden ook, zowel voor de verstrekkende als voor de ontvangende Partij, alle in dit Verdrag voorziene voorschriften. De rol van de verbindingsofficier in de uitwisseling van gegevens kan op generlei wijze de verantwoordelijkheid van de Partijen aantasten.
2.5. De uitzonderingen (artikel 13)
Het artikel 13 voorziet twee uitzonderingen op de in artikel 2 en 3 opgenomen principes van bijstand.
De eerste uitzondering heeft een dwingend karakter en betreft de politieke of militaire misdrijven of indien zou blijken dat de bijstand strijdig is met, de op het grondgebied van de aangezochte staat, vigerende wettelijke bepalingen. De bepaling is zeker niet nieuw en komt vrijwel in alle uitleveringsverdragen en verdragen met betrekking tot rechtshulp voor.
De tweede uitzondering is facultatief en betreft de met politieke of militaire misdrijven samenhangende misdrijven, of wanneer de bijstand de soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde of andere essentiële belangen in gevaar kan brengen. Een situatie waarin een eventuele weigering geval per geval zal moeten bekeken worden.
2.6. Andere domeinen van samenwerking (artikel 14)
Het artikel 14 voorziet een zekere uitbreiding van de samenwerking door het leveren van wederzijdse bijstand op het vlak van de beroepsopleiding en technische bijstand. Deze bijstand is niet strikt gebonden aan hetgeen in de artikelen 2 en 3 is bepaald maar beperkt zich wel tot de diensten die belast zijn met de toepassing van het Verdrag. De technische bijstand waarvan sprake moet hoofdzakelijk begrepen worden als logistieke steun aan de politiediensten belast met de uitvoering van het Verdrag.
De Partijen engageren zich hun praktische ervaringen uit te wisselen met betrekking tot de in het Verdrag opgenomen materie. De Partijen kunnen elkaar inlichten over strafrechtelijke procedures, de organisatie van de politie en het gerechtelijk systeem, de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en seminaries.
In punt 3 van artikel 14 verbinden de Partijen er zich toe de modaliteiten van de wederzijdse bijstand te regelen via overeenkomsten die door de respectievelijke regeringen worden afgesloten.
2.7. Overleg (artikel 15)
Met het oog op het goed verloop, de bevordering en de eventuele verbetering van de samenwerking kunnen de ministers van de Verdragsluitende Partijen voorzien in de oprichting van permanente of tijdelijke werkgroepen. Wat betreft de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van dit Verdrag, voorziet artikel 14 dat elk van de Partijen zijn kosten draagt, behoudens er door de bevoegde organen anders wordt over beslist. Een evaluatiegroep wordt opgericht die om de drie jaar een rapport zal voorleggen aan de bevoegde ministers.
2.8. Regeling van geschillen (artikel 16)
Wanneer er een geschil tussen de Staten zou ontstaan, met betrekking tot de interpretatie van het Verdrag of bepalingen van het Verdrag, of over de toepassing van het Verdrag, moet dit geschil worden voorgelegd aan een gemengde adviescommissie. Met geschillen wordt hier bedoeld, meningsverschillen over de algemene uitlegging van het Verdrag en zijn artikelen, en niet over de concrete inhoud van individuele dossiers.
De standpunten van de gemengde commissie kunnen geen afbreuk doen aan de bepalingen van het internationale en nationale recht, noch aan de beslissingen van bevoegde gerechtelijke overheden die zich over een of ander feit hebben uitgesproken.
Slotbepalingen (artikel 17, 18 en 19)
Artikel 17
Artikel 17 bevestigt het principe dat de bepalingen, de toepassing en het toezicht op de uitvoering van het Verdrag ondergeschikt zijn aan rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het nationaal recht.
Artikel 18
Het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Republiek Albanië zal in werking treden na het vervullen van de juridische formaliteiten vereist voor de inwerkingtreding. In de praktijk betekent dat de instemming van het Parlement. Het voorliggend verdrag voorziet in een internationale politiesamenwerking die gebaseerd is op de bestaande nationale en internationale wetgeving en bevat geen bepalingen die daarvan afwijken. Toch is een overeenkomst die verband houdt met politierecht en met strafprocedure, het best zo formeel mogelijk geregeld, inclusief de instemming van het Parlement. Het is immers niet uitgesloten dat bepaalde onderzoeksdaden die in het kader van dit Verdrag worden gesteld, later worden aangevochten voor een vonnisgerecht, waarbij de vraag naar de juridische basis van de overeenkomst centraal zal staan.
De Partijen zijn gehouden elkaar schriftelijk en langs diplomatieke weg in te lichten over het vervullen van deze formaliteiten. Het Verdrag treedt dan in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum waarop de laatste kennisgeving wordt ontvangen.
Ten slotte voorziet artikel 18 nog in een aantal bepalingen inzake de duur van het Verdrag — in principe onbepaald, de opzegging via een bepaalde termijn van zes maanden en de voorwaarden tot wijziging van het Verdrag in onderling overleg.
Artikel 19
Wijzigingen aan het Verdrag kunnen door elk van de Partijen worden voorgesteld en worden in onderling overleg geregeld. Zoals de goedkeuring van het Verdrag, zal ook de opzegging en de wijziging aan het Parlement moeten worden voorgelegd.
De minister van Buitenlandse Zaken,
Karel DE GUCHT.
De minister van Justitie,
Laurette ONKELINX.
De minister van Binnenlandse Zaken,
Patrick DEWAEL.
Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
Onze Groet.
Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken, van Onze minister van Justitie en van Onze minister van Binnenlandse Zaken,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Onze minister van Buitenlandse Zaken, Onze minister van Justitie en Onze minister van Binnenlandse Zaken zijn ermee belast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
Het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Albanië inzake politiesamenwerking, ondertekend te Brussel op 22 maart 2005, zal volkomen gevolg hebben.
Gegeven te Brussel, 22 november 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De minister van Buitenlandse Zaken,
Karel DE GUCHT.
De minister van Justitie,
Laurette ONKELINX.
De minister van Binnenlandse Zaken,
Patrick DEWAEL.
tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Republiek Albanië inzake politiesamenwerking.
DE REGERING VAN HET KONINKRIJK BELGIË
EN
DE REGERING VAN DE REPUBLIEK ALBANIË
hierna genoemd de « Verdragsluitende Partijen »,
ZICH BASEREND op de bezorgdheid om de vriendschappelijke betrekkingen en de samenwerking tussen de 2 Staten te bevorderen, en in het bijzonder, op de gemeenschappelijke wens om een nauwere politiesamenwerking tot stand te brengen;
ZICH BASEREND op de wens om deze samenwerking te versterken in het kader van de internationale overeenkomsten die onderschreven zijn door de twee Staten inzake het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden, inzonderheid het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, alsook het Verdrag nr. 108 van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens;
OVERWEGENDE dat de internationale georganiseerde criminaliteit een ernstige bedreiging vormt voor de sociaal-economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Staten, en dat de recente ontwikkelingen van de internationale georganiseerde criminaliteit hun institutionele werking in gevaar brengen;
OVERWEGENDE dat de strijd tegen mensenhandel en de bestrijding van het illegaal verkeer van en naar het grondgebied van de Staten en van de illegale immigratie, alsook de uitbanning van de georganiseerde netwerken die bij dergelijke illegale handelingen betrokken zijn, deel uitmaken van de bezorgdheden van de respectieve regeringen en Parlementen van de Verdragsluitende Staten;
OVERWEGENDE dat de illegale productie van en de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen een bedreiging vormen voor de gezondheid en de veiligheid van de burgers;
OVERWEGENDE dat het louter harmoniseren van de relevante wetgeving niet volstaat om het fenomeen van de illegale immigratie voldoende efficiënt te bestrijden;
OVERWEGENDE dat het noodzakelijk is om een efficiënte, internationale politiesamenwerking uit te bouwen op het vlak van de georganiseerde criminaliteit en de illegale immigratie, onder meer door middel van uitwisseling en verwerking van gegevens met het oog op de bestrijding van die criminele activiteiten;
OVERWEGENDE dat om dit te verwezenlijken een reeks adequate maatregelen en een nauwe samenwerking tussen de Verdragsluitende Staten is vereist;
HEBBEN BESLOTEN dit Verdrag te sluiten.
Artikel 1
Definities
In dit Verdrag wordt verstaan onder :
Internationale mensenhandel, elk opzettelijk gedrag zoals hierna beschreven :
a) het betreden van het grondgebied van een Verdragsluitende Partij vereenvoudigen, de doorreis, het verblijf op of het verlaten van het grondgebied indien er gebruik wordt gemaakt van dwang, meer bepaald geweld of bedreiging, of wanneer er gebruik wordt gemaakt van bedrog, misbruik van gezag of andere vormen van onder druk zetten van een persoon, in die mate dat de persoon geen andere reële of aanvaardbare keuze heeft dan zich te onderwerpen aan die druk;
b) het uitbuiten op eender welke wijze van een persoon, wetende dat hij het grondgebied van een Verdragsluitende Partij is binnengekomen, er doorreist of er verblijft in omstandigheden die vermeld werden onder punt a).
Seksueel misbruik van kinderen : De inbreuken die opgenomen zijn in artikel 34 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989 met inbegrip van de productie, de verkoop, het verdelen of andere vormen van handel in pornografisch materiaal waarbij kinderen betrokken zijn, en het persoonlijk bezit van dit materiaal.
Technische ondersteuning : De bijstand die wordt verleend aan de politie- en immigratiediensten onder de vorm van logistieke steun.
Criminaliteit in verband met nucleair en radioactief materiaal : De inbreuken opgesomd in artikel 7, § 1, van het Verdrag inzake de fysieke bescherming van nucleair materiaal, ondertekend in Wenen en in New York op 3 maart 1980.
Witwassen van geld : De inbreuken zoals opgesomd in artikel 6, paragrafen 1 tot 3, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagname en de verbeurdverklaring van de opbrengsten van misdrijven, ondertekend te Straatsburg op 8 november 1990.
Georganiseerde misdaad : Elke inbreuk zoals opgenomen in artikel 2 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen transnationale georganiseerde misdaad van 12 december 2000.
Verwerking van persoonsgegevens : Onder « persoonsgegevens » wordt verstaan : elke informatie betreffende een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd (betrokken persoon); wordt geacht een persoon te zijn die kan worden geïdentificeerd, de persoon die direct of indirect te identificeren is, meer bepaald door verwijzing naar een identificatienummer of naar één of meerdere specifieke kenmerken die eigen zijn aan zijn fysische, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit.
Onder « verwerking van persoonsgegevens » wordt verstaan : elke bewerking of geheel van bewerkingen, die al dan niet met behulp van geautomatiseerde procédés uitgevoerd en toegepast worden op persoonsgegevens, zoals het verzamelen, de registratie, het organiseren, de bewaring, de aanpassing of wijziging, het maken van een uittreksel, de raadpleging, het gebruik, het meedelen door overbrenging, de verspreiding of andere vormen van het ter beschikking stellen, het bijeenbrengen, het verbinden, alsook het beveiligen, het wissen of het vernietigen.
Verdovende middelen : Alle stoffen, zowel van natuurlijke als synthetische oorsprong, die voorkomen in Tabel I of Tabel II van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen dat op 30 maart 1961 in New York werd ondertekend.
Psychotrope stoffen : Elke stof van natuurlijke of synthetische aard, of elk natuurlijk product vermeld in Tabel I, II, III of IV van het Verdrag van 21 februari 1971 inzake psychotrope stoffen.
Sluikhandel in verdovende middelen of psychotrope stoffen : De teelt, de vervaardiging of handel in verdovende middelen of psychotrope stoffen die strijdig zijn met de doelstellingen van het Verdrag van 30 maart 1961 inzake verdovende middelen, het Verdrag van 21 februari 1971 inzake psychotrope stoffen of het Verdrag van de Verenigde Naties van 20 december 1988 tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Dringend Verzoek : Een verzoek is dringend indien de naleving van de formele administratieve procedure, via de centrale organen, de preventieve actie of opsporingsactie kan hinderen of schaden.
Artikel 2
Gebieden van samenwerking
1. Iedere Verdragsluitende Partij verbindt er zich toe om aan de andere Partij de meest ruime samenwerking te bieden op het terrein van de politiesamenwerking, overeenkomstig de regels en voorwaarden vastgelegd in dit Verdrag.
2. De Verdragsluitende Partijen zullen samenwerken op het vlak van de voorkoming, de bestrijding en de vervolging van zware misdrijven met betrekking tot de georganiseerde criminaliteit, en in het bijzonder :
— inbreuken tegen het leven, de gezondheid en de fysieke integriteit van personen;
— inbreuken in verband met de illegale productie en de sluikhandel van verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren;
— illegale immigratie en mensensmokkel;
— proxenetisme, mensenhandel en seksueel misbruik van kinderen;
— afpersing van geld;
— diefstal, sluikhandel en illegale handel in wapens, munitie, explosieven, radioactieve, nucleaire en andere gevaarlijke stoffen;
— vervalsingen (vervaardiging, namaak, verandering en verdeling) van identiteitsdocumenten, betaalmiddelen, cheques en waardepapieren;
— economische en financiële criminaliteit;
— inbreuken tegen goederen, onder meer diefstal, illegale handel in kunstwerken en historische voorwerpen (diefstal met geweld, diefstal met braak);
— diefstal met of zonder geweld, illegale handel en sluikhandel in motorvoertuigen en vervalsing en gebruik van vervalste documenten voor voertuigen;
— witwassen van geld.
3. De zware misdrijven met betrekking tot de georganiseerde criminaliteit en die niet worden opgesomd in artikel 1, worden beoordeeld door de bevoegde overheden van de Verdagsluitende Partijen volgens het nationale recht van de Staten waartoe zij behoren.
Artikel 3
De samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen zal eveneens betrekking hebben op :
— de opsporing van verdwenen personen en hulp bij identificatie van niet-geïdentificeerde lijken;
— de opsporing op het grondgebied van de Staat van een Verdragsluitende Partij van gestolen, verdwenen, verduisterde of verloren voorwerpen op het grondgebied van de andere Staat.
Artikel 4
De Verdragsluitende Partijen zullen samenwerken op de onder de artikelen 2 en 3 vermelde gebieden via :
— uitwisseling van informatie met betrekking tot materies die tot de bevoegdheid van de politie- en immigratieoverheden behoren;
— uitwisseling van materiaal;
— technische en wetenschappelijke ondersteuning, expertises en de levering van gespecialiseerd technisch materiaal;
— uitwisseling van ervaringen;
— samenwerking op het vlak van de beroepsopleiding;
— hulp bij de voorbereiding ter uitvoering van verzoeken tot rechtshulp;
met inachtneming van de hieronder vermelde bepalingen.
Artikel 5
Informatie-uitwisseling
De Verdragsluitende Partijen zullen elkaar bijstaan en instaan voor een nauwe en permanente samenwerking. Zij zullen onder meer alle relevante en belangrijke gegevens uitwisselen.
Deze samenwerking kan de vorm aannemen van een permanent contact via aan te stellen verbindingsofficieren.
Artikel 6
1. De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe dat hun politieoverheden, overeenkomstig het nationale recht en binnen de perken van hun bevoegdheden, elkaar bijstand verlenen met het oog op de voorkoming en de opsporing van strafbare feiten, op voorwaarde dat het nationale recht van de aangezochte Verdragsluitende Partij het verzoek of de uitvoering ervan niet voorbehoudt aan de gerechtelijke overheden.
2. Elke Verdragsluitende Partij kan, overeenkomstig het nationale recht in bijzondere gevallen, en zonder een daartoe strekkend verzoek, aan de betrokken Verdragsluitende Partij gegevens meedelen die voor laatstgenoemde belangrijk kunnen zijn met het oog op het verlenen van bijstand inzake de voorkoming en de bestrijding van misdrijven bedoeld in artikel 2 van dit Verdrag of ter voorkoming van bedreigingen voor de openbare orde en veiligheid.
Artikel 7
Elke informatie die door de aangezochte Verdragsluitende Partij wordt verstrekt, kan door de verzoekende Verdragsluitende Partij slechts als bewijsmiddel voor ten laste gelegde feiten worden aangewend, na een verzoek om rechtshulp krachtens de toepasselijke internationale regels.
Artikel 8
1. Verzoeken om bijstand en de antwoorden daarop moeten worden uitgewisseld tussen de centrale organen die door iedere Verdragsluitende Partij worden belast met de internationale politiesamenwerking en immigratie.
Indien het onmogelijk is om het verzoek via de voornoemde weg tijdig te stellen, kan bij wijze van uitzondering en slechts in dringende gevallen de bevoegde overheid van de verzoekende Partij de vraag rechtstreeks aan de bevoegde overheid van de aangezochte Partij stellen. Deze laatste kan dan onmiddellijk antwoorden. In deze uitzonderlijke gevallen dient de verzoekende overheid zo vlug mogelijk het centrale orgaan belast met de internationale samenwerking van de aangezochte Verdragsluitende Partij op de hoogte te brengen van het rechtstreekse verzoek waarbij het dringende karakter wordt gemotiveerd.
2. De aanstelling van de centrale organen die met de internationale samenwerking zijn belast en de modaliteiten van de wederzijdse bijstand worden geregeld door overeenkomsten gesloten tussen de bevoegde ministers van de Verdragsluitende Partijen.
Artikel 9
De verzoekende bevoegde overheid moet de graad van vertrouwelijkheid waarborgen die de aangezochte bevoegde overheid van de andere Verdragsluitende Partij aan de informatie heeft toegekend. De veiligheidsgraden zijn dezelfde als deze gebruikt door INTERPOL.
Artikel 10
1. De Verdragsluitende Partijen kunnen verbindingsofficieren van de ene Verdragsluitende Partij voor bepaalde of onbepaalde tijd bij de andere Verdragsluitende Partij detacheren.
2. Het detacheren van verbindingsofficieren voor bepaalde of onbepaalde tijd heeft als doel de samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen te bevorderen en te versnellen, onder meer door toe te stemmen in de ondersteuning :
a) in de vorm van informatie-uitwisseling, zowel ter voorkoming als ter bestrijding van de criminaliteit;
b) bij de uitvoering van verzoeken om rechtshulp in strafzaken;
c) voor de noden van de uitvoering van de opdrachten van de overheden die belast zijn met het toezicht op de buitengrenzen en de immigratie;
d) voor de noden van de uitvoering van de opdrachten van de overheden die belast zijn met de voorkoming van de bedreigingen voor de openbare orde.
3. De verbindingsofficieren hebben een adviserende en ondersteunende taak. Zij zijn niet bevoegd om autonoom politiemaatregelen uit te voeren. Ze verstrekken informatie en voeren hun taken uit binnen het geheel van instructies die hun werden gegeven door de Verdragsluitende Partij waarvan ze afkomstig zijn en door de Verdragsluitende Partij waarbij ze gedetacheerd zijn. Ze brengen regelmatig verslag uit bij het centrale orgaan dat belast is met de politiesamenwerking van de Verdragsluitende Partij waarbij ze gedetacheerd zijn.
4. De bevoegde ministers van de Verdragsluitende Partijen kunnen overeenkomen dat de verbindingsofficieren van een Verdragsluitende Partij, gedetacheerd bij derde landen, eveneens de belangen van de andere Verdragsluitende Partij vertegenwoordigen.
5. De verbindingsofficier kan met een derde diplomatieke zending van een Staat van de Europese Unie verbonden zijn en erbij worden geaccrediteerd.
Artikel 11
Bescherming van persoonsgegevens
1. In toepassing van dit Verdrag is de verwerking van persoonsgegevens onderworpen aan het respectieve nationale recht van elke Verdragsluitende Partij.
2. Wat de verwerking van persoonsgegevens in toepassing van dit Verdrag betreft, verbinden de Verdragsluitende Partijen er zich toe de persoonsgegevens te beschermen volgens de beginselen van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en van de Aanbeveling A (87) 15 van 17 september 1987 van het Comité van ministers van de Raad van Europa dat het gebruik van persoonsgegevens voor politiedoeleinden regelt.
3. Wat de verwerking van de overgebrachte persoonsgegevens in toepassing van dit Verdrag betreft, zijn de volgende bepalingen van toepassing :
a) de ontvangende Verdragsluitende Partij mag de gegevens enkel gebruiken voor de doeleinden waarvoor dit Verdrag in de overbrenging van dergelijke gegevens voorziet. Het gebruik van de gegevens voor andere doeleinden is alleen mogelijk na voorafgaande toestemming vanwege de Verdragsluitende Partij die de gegevens overbrengt en met inachtneming van de wetgeving van de ontvangende Verdragsluitende Partij;
b) de gegevens mogen alleen worden gebruikt door de gerechtelijke overheden, de diensten en organen die een taak of functie uitvoeren binnen het geheel van de doeleinden bepaald in dit Verdrag, meer bepaald in de artikelen 2 en 3. De Partijen dienen de lijst van de gebruikers mee te delen;
c) de Verdragsluitende Partij die de gegevens overbrengt, dient erop toe te zien dat ze juist en volledig zijn. Zij moet er eveneens op toezien dat deze gegevens niet langer dan nodig worden bewaard. Indien zij op eigen initiatief of als gevolg van een vraag van de betrokken persoon vaststelt dat de verstrekte gegevens onjuist zijn of niet overgebracht dienden te worden, moet(en) de ontvangende Verdragsluitende Partij(en) daarvan onmiddellijk op de hoogte worden gebracht. Deze Verdragsluitende Partij(en) dient (dienen) de gegevens te corrigeren of te vernietigen, of erbij te vermelden dat ze onjuist zijn of niet dienden te worden overgebracht;
d) een Verdragsluitende Partij mag zich niet beroepen op het feit dat de andere Verdragsluitende Partij onjuiste gegevens zou hebben overgebracht om zich jegens een benadeeld persoon te ontlasten van haar aansprakelijkheid naar nationaal recht;
e) de overbrenging en ontvangst van persoonsgegevens dienen te worden geregistreerd. De Verdragsluitende Partijen dienen de lijst uit te wisselen van de overheden of diensten die de toestemming hebben om de registraties te raadplegen;
f) de toegang tot de gegevens wordt geregeld door het nationale recht van de Verdragsluitende Partij waaraan de betrokken persoon zijn vraag richt. De gegevens worden slechts verstrekt nadat daartoe toestemming werd gegeven door de Verdragsluitende Partij waarvan de gegevens afkomstig zijn;
g) de ontvangende Verdragsluitende Partij mag de gegevens enkel gebruiken voor de doeleinden bepaald door de Verdragsluitende Partij die de gegevens verstrekt en overeenkomstig de voorwaarden die deze Verdragsluitende Partij oplegt.
4. Bovendien zijn wat de overbrenging betreft, de hiernavolgende bepalingen van toepassing :
a) de gegevens mogen enkel worden overgebracht aan politie- en immigratiediensten en -overheden. De mededeling ervan aan andere organen, die dezelfde doeleinden beogen als deze diensten en overheden en die handelen binnen hetzelfde kader, kan enkel geschieden na voorafgaande toestemming van de Verdragsluitende Partij die de persoonsgegevens verstrekt;
b) de ontvangende Verdragsluitende Partij deelt, indien gevraagd, aan de verstrekkende Verdragsluitende Partij mee waarvoor de gegevens werden gebruikt en welke resultaten de overgebrachte gegevens opleverden.
5. Elke Verdragsluitende Partij duidt een controleoverheid aan die, overeenkomstig het nationale recht, belast is met de uitoefening, op haar grondgebied, van een onafhankelijke controle op de verwerking van persoonsgegevens uitgevoerd op basis van dit Verdrag en die moet bevestigen of de bovengenoemde verwerking de rechten van de betrokken persoon niet schendt. De controleoverheden zijn eveneens bevoegd om de problemen omtrent de toepassing en interpretatie van dit Verdrag in verband met de verwerking van persoonsgegevens te onderzoeken. Deze controleoverheden kunnen overeenkomen samen te werken in het kader van de opdrachten die hen door dit Verdrag worden toegekend.
Artikel 12
Wanneer de persoonsgegevens worden overgebracht via een verbindingsofficier, zoals bedoeld in artikel 10, worden de bepalingen van dit Verdrag enkel toegepast wanneer deze verbindingsambtenaar die gegevens overbrengt aan de Verdragsluitende Partij waarbij hij werd gedetacheerd.
Artikel 13
Uitzondering
Elk van de Verdragsluitende Partijen weigert bijstand wanneer het gaat om politieke of militaire misdrijven of wanneer die bijstand strijdig blijkt te zijn met de wettelijke bepalingen die van kracht zijn op haar grondgebied.
Elk van de Verdragsluitende Partijen kan bijstand weigeren of deze aan voorwaarden onderwerpen wanneer het gaat om met politieke of militaire misdrijven samenhangende misdrijven of wanneer de bijstandsverlening de soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde of andere essentiële belangen van de Staat in gevaar zou kunnen brengen.
Artikel 14
Andere vormen van samenwerking
1. De Verdragsluitende Partijen komen overeen om elkaar wederzijds bijstand te verlenen op het vlak van beroepsopleiding en technische bijstand voor problemen met betrekking tot het functioneren van de politiediensten.
2. De Verdragsluitende Partijen komen overeen om hun praktische ervaringen uit te wisselen omtrent alle voornoemde gebieden van dit Verdrag.
3. De wijze waarop de wederzijdse bijstand zal worden verleend, wordt geregeld door overeenkomsten tussen de bevoegde ministers van de Verdragsluitende Partijen.
Artikel 15
Overleg
1. De bevoegde ministers van de Verdragsluitende Partijen kunnen permanente of tijdelijke werkgroepen oprichten die belast zijn met het onderzoek van de gemeenschappelijke problemen met betrekking tot de voorkoming en de bestrijding van de criminaliteit zoals bepaald in artikel 2, en de gebieden van samenwerking zoals bepaald in artikel 3 en, in voorkomend geval, met de uitwerking van voorstellen om, indien nodig, de praktische en technische aspecten van de samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen te verbeteren.
2. De onkosten die worden gemaakt in het kader van de samenwerking, zullen respectievelijk door elke Verdragsluitende Partij worden gedragen, behalve wanneer de vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Partijen, daartoe behoorlijk gemachtigd, daar anders over beslissen.
3. De bevoegde ministers van de Verdragsluitende Partijen richten een evaluatiegroep op die om de drie jaar een rapport zal voorleggen aan de ministers.
Artikel 16
Geschillenregeling
Alle geschillen betreffende de interpretatie of de toepassing van dit Verdrag zullen worden beslecht door een gemengde adviescommissie.
Er wordt een gemengde adviescommissie opgericht, samengesteld uit vertegenwoordigers van de ministeries van Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken en Justitie. Zij zal samenkomen op verzoek van de ene of andere Staat of elke keer indien nodig, om de regeling van problemen inzake de interpretatie of de toepassing van dit Verdrag te vergemakkelijken.
Artikel 17
Slotbepalingen
De bepalingen van dit Verdrag zijn enkel van toepassing indien zij verenigbaar zijn met het nationale recht.
Het toezicht op de uitvoering van dit Verdrag wordt uitgeoefend overeenkomstig het nationale recht van elke Verdragsluitende Partij.
Artikel 18
De Verdragsluitende Partijen zullen elkaar schriftelijk en langs diplomatieke weg kennis geven van de vervulling van de wettelijke vormvoorschriften, vereist voor de inwerkingtreding van dit Verdrag.
Het Verdrag zal in werking treden op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum waarop de laatste kennisgeving wordt ontvangen.
Dit Verdrag wordt gesloten voor onbeperkte tijd. Elke Verdragsluitende Partij kan het Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving die langs diplomatieke weg aan de andere Verdragsluitende Partij wordt gericht. De opzegging heeft uitwerking 6 maanden na datum van ontvangst.
Artikel 19
Elke Verdragsluitende Partij kan aan de andere Verdragsluitende Partij voorstellen doen toekomen die een wijziging van dit Verdrag beogen. De wijzigingen van dit Verdrag worden door de Verdragsluitende Partijen in onderlinge overeenstemming besloten.
TEN BLIJKE WAARVAN, de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
GEDAAN te Brussel, op 22 maart 2005, in twee oorspronkelijke exemplaren, elk in de Albanese, de Franse en de Nederlandse taal, de drie teksten zijnde gelijkelijk authentiek.
Voorontwerp van wet houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Albanië inzake politiesamenwerking, ondertekend te Brussel op 22 maart 2005.
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
Het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Albanië inzake politiesamenwerking, ondertekend te Brussel op 22 maart 2005, zal volkomen gevolg hebben.
41.497/2
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 17 oktober 2006 door de minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een voorontwerp van wet « houdende instemming met het Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Republiek Albanië inzake politiesamenwerking, ondertekend te Brussel op 22 maart 2005 », heeft op 13 november 2006 het volgende advies gegeven :
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1º, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten, haar onderzoek tot de rechtsgrond van het voorontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Op die drie punten behoeft over het voorontwerp geen enkele opmerking te worden gemaakt.
De kamer was samengesteld uit
De heer Y. KREINS, kamervoorzitter,
De heer Ph. QUERTAINMONT en mevrouw M. BAGUET, staatsraden,
Mevrouw A.-C. VAN GEERSDAELE, griffier.
Het verslag werd opgesteld door de heer R. WIMMER, auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J. JAUMOTTE, staatsraad.
| De griffier, | De voorzitter, |
| A.-C. VAN GEERSDAELE. | Y. KREINS. |
(1) Décision du Conseil du 30 janvier 2006 relative aux principes, aux priorités et aux conditions figurant dans le partenariat européen avec l'Albanie et abrogeant la décision 2004/519/CE, JO/ L 35/1.
(2) Commission européenne, Albanie — Rapport de suivi 2005 — COM (2005) 561 du 9 novembre 2005.
(3) De Overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen, Titel III — Politie en Veiligheid, Hoofdstuk 1 — Politiële samenwerking, artikelen 39, 46 en 47; Titel VI — Bescherming van persoonsgegevens, artikelen 126-130.
(4) Overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen, Titel III — Politie en Veiligheid, Hoofdstuk 1 — Politiële samenwerking, artikel 39.
(5) Overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen, Titel III — Politie en Veiligheid, Hoofdstuk 1 — Politiële samenwerking, artikel 39.
(6) Gedr. St. Senaat, 1996-1997, nr. 1-686/1, 19.
(7) Overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen, o.c.
(8) ministeriële omzendbrief van 12 maart 2003 betreffende de Belgische politievertegenwoordigers van de geïntegreerde politie in het buitenland (niet gepubliceerd).
(9) Raad van de Europese Unie, Besluit 2003/170/JBZ van 27 februari 2003 betreffende het gezamenlijk gebruik van verbindingsofficieren die gedetacheerd zijn door de rechtshandhavende autoriteiten van de lidstaten.
(10) Ministeriële omzendbrief van 12 maart 2003, o.c.
(11) Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen, o.c., Titel VI — Bescherming van persoonsgegevens.
(12) Strafwetboek, artikel 458.
(13) Wetboek van strafvordering, artikel 28quinquies.
(14) Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van het individu in verband met de geautomatiseerde registratie van persoonsgegevens.
(15) Aanbeveling R (87) 15 van het Comité van ministers van de Raad van Europa tot regeling van het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied.
(16) Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, artikel 21.1.
(17) Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (Gecoördineerde versie 1998).
(18) Commissie tot bescherming van de private levenssfeer, Advies nr. 21/97, blz. 5.
(19) Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen, o.c., artikel 46.
(20) Advies nr. 21/97, o.c., blz. 5.
(21) Deze lijst is tot op heden niet opgesteld.
(22) Advies nr. 21/97, o.c., blz. 6.
(23) Raad van State, Advies 33.556/2 van 13 januari 2003, Voorontwerp van wet houdende de instemming van het Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Republiek Slovenië inzake politiesamenwerking.
(24) Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, de algemene Inspectie van de Federale en de Lokale politie en het toezichtorgaan voorzien door artikel 44/7 van de Wet op het politieambt.