3-1919/3 | 3-1919/3 |
5 DECEMBER 2006
I. INLEIDING
Dit verplicht bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-2548/1).
Het werd op 16 november 2006 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, met 84 stemmen bij 18 onthoudingen en op 17 november 2006 overgezonden aan de Senaat.
De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 28 november en 5 december 2006.
II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER PATRICK DEWAEL, VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN
De wijzigingen aan de kieswetgeving zijn hoofdzakelijk technisch van aard. Ze werden overigens reeds aangekondigd in zijn beleidsnota van 17 november 2005.
De wijzigingen kunnen als volgt samengevat worden :
1. Overeenkomstig het regeerakkoord wordt de loting — die een gemeenschappelijk volgnummer toekent aan de kandidatenlijsten voor de parlementsverkiezingen — vervroegd van de 20e naar de 30e dag voor de betreffende verkiezingen.
Dit zal onmiddellijk na de ontvangst van de akten tot bescherming van het letterwoord of logo kunnen gebeuren zoals dat reeds het geval is voor andere verkiezingen, met name de gelijktijdige Europese en regionale verkiezingen. Deze wijziging zal de taken van de kiesbureaus verlichten, meer bepaald de opstelling van het stembiljet en het vervaardigen van geheugendragers voor de geautomatiseerde stemming. De politieke partijen zullen ook tien dagen langer campagne kunnen voeren door deze wijziging, met gebruik van het gemeenschappelijke volgnummer van hun lijst.
Alle termijnen van de kiesoperaties, volgend op de loting, worden met één week vervroegd. Zo worden ze in overeenstemming gebracht met de termijnen die reeds gelden voor de verkiezingen van de Gewestparlementen. Deze termijnvervroeging betreft in het bijzonder :
— het overhandigen van de voordrachtstaken;
— de voorlopige en definitieve afsluiting van de kandidatenlijst;
— de uitspraak van het hof van beroep (in geval van beroep tegen de beslissing van het kiesbureau inzake de definitieve afsluiting van de kandidatenlijst).
Het vervroegen van de loting van de nationale nummers naar de 30e voor de dag van de verkiezingen — deze zal vanaf heden plaatsvinden zoals voor de andere verkiezingen tussen de lijsten die de bescherming van hun letterwoord of logo zullen verkregen hebben — laat bovendien toe de procedure van lijstenvereniging op te heffen. Volgens de huidige kieswet kan elke burger, met een minimumleeftijd van 18 jaar, volgens deze procedure, een akte tot inschrijving van de lijsten neerleggen, met het oog op het verkrijgen van een gemeenschappelijk volgnummer voor de verkiezing in de Kamer. Het gemeenschappelijke volgnummer dat zal toegekend worden door de minister van Binnenlandse Zaken op de 30e dag voor de stemming zal vanaf dan gelden voor de verkiezing van de Kamer, alsook voor die van de Senaat.
2. Het wetsontwerp voorziet in de digitale transmissie van de processen-verbaal van de kieshoofdbureaus. Aldus wordt de procedure geofficialiseerd die nu al wordt gevolgd om de voorlopige verkiezingsresultaten de avond van de verkiezingen naar het departement Binnenlandse Zaken te zenden. Het wetsontwerp voorziet tevens in het digitaal doorsturen naar datzelfde departement van de contactgegevens van de leden van de kiesbureaus. Aldus wordt de samenstelling vergemakkelijkt van de verkiezingsgegevensbank bij de FOD Binnenlandse Zaken, wat onontbeerlijk is voor een deugdelijke organisatie van de verkiezingen. Aangezien het gaat om processen-verbaal van de kiesbureaus, is in de overzending op « papieren » drager voorzien mocht de digitale transmissie falen.
3. Het wetsontwerp geeft aan de kandidaten een volgnummer op het stembiljet om de keuze van de kiezer in het stemhokje te vergemakkelijken. Een dergelijke nummering is zowel op het traditionele stembiljet, als op de schermen voor de geautomatiseerde stemming voorzien. Zo zal het voor de kandidaten ook mogelijk zijn campagne te voeren op basis van dat nummer en dit vanaf de 24e dag voor de dag van de verkiezingen, van zodra de kandidatenlijst definitief afgesloten is. In geval van beroep tegen de beslissing van het bureau wordt de definitieve afsluiting uitgesteld tot de 20e dag voor de verkiezingsdag.
4. De voorzitters van de stembureaus ondervinden geregeld moeilijkheden om hun bureau samen te stellen. Om die moeilijkheden te ondervangen wordt de vereiste minimumleeftijd om tot bijzitter te kunnen worden aangewezen verlaagd van 30 naar 18 jaar. Het aantal potentiële bijzitters zal aldus aanzienlijk toenemen. Daar komt nog bij dat de bijzitters niet langer zullen worden aangewezen door de voorzitter van het stembureau, maar door de magistraat die het hoofdbureau van het kieskanton voorzit. Zo kunnen de stembureaus sneller worden samengesteld.
5. Het wetsontwerp versoepelt eveneens de stemming bij volmacht voor de kiezers die op de datum van de verkiezingen met vakantie zijn in het buitenland. Het getuigschrift van de burgemeester zal voortaan afgeleverd kunnen worden tot de dag voor de verkiezingen en niet meer, zoals voordien, tot uiterlijk de vijftiende dag voor de verkiezingen. Hierdoor kunnen ook de « last minute » vakantiegangers hun stemming via volmacht in orde brengen.
6. Aangezien op de nieuwe elektronische identiteitskaart het adres van de houder niet langer ongecodeerd voorkomt, — wat betekent dat het adres niet langer zomaar kan worden afgelezen, maar in de chip is opgeslagen — voorziet het wetsontwerp dat het wél op de elektronische identiteitskaart voorkomende rijksregisternummer van de kiezers, wordt aangebracht op de kieslijsten. Zo wordt de identiteitscontrole makkelijker.
7. Wat ten slotte de stemming van de Belgen in het buitenland betreft, vertrouwt het wetsontwerp de telling van deze stemmen, uitgebracht door middel van briefwisseling in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde, aan het speciaal stemopnemingsbureau toe, opgericht bij de FOD Buitenlandse Zaken, dat zich eveneens bekommert over het opnemen van stembiljetten van Belgen die hun stem uitbrengen binnen de diplomatieke of consulaire post waarin ze ingeschreven zijn. Tot zover de belangrijkste technische wijzigingen die door dit wetsontwerp worden aangebracht.
Bij het debat in de Commissie voor de Binnenlandse Zaken, de algemene Zaken en het Openbaar Ambt van de Kamer van volksvertegenwoordigers, werd een amendement aangenomen, dat ertoe strekt de politieke partijen die niet meer in het federaal parlement vertegenwoordigd zijn, een akte te laten neerleggen waarin gevraagd wordt hun letterwoord en logo te beschermen en bijgevolg deel te nemen aan de loting van de gemeenschappelijke volgnummers. Krachtens datzelfde amendement kunnen die politieke partijen tevens het verbod aanvragen op de letterwoorden of logo's die ze in het verleden hebben gebruikt en die beschermd waren bij een vorige verkiezing van een parlementaire assemblee, op federaal, Europees, gemeenschaps- of gewestelijk niveau.
III. ALGEMENE BESPREKING
De heer Buysse is van oordeel dat het tijdstip waarop de minister dit wetsontwerp in het Parlement heeft ingediend, namelijk ongeveer 6 maanden voor de parlementaire verkiezingen, niet verdedigbaar is. Terwijl het Parlement dit wetsontwerp « bespreekt », is de procedure voor, bijvoorbeeld, de Belgische kiezers die in het buitenland verblijven, reeds lopende.
Dit zal de Vlaams Belang-fractie er echter niet van weerhouden een aantal principiële amendementen in te dienen, ook al heeft de minister verklaard dat deze in de praktijk niet kunnen worden uitgevoerd.
Zo is de Vlaams Belang-fractie van oordeel dat Belgen die in het buitenland verblijven zich enkel kunnen inschrijven in de laatste woonplaats die zij in België hadden of in de laatste woonplaats van één van hun ouders.
Spreker wijst vervolgens op een aantal praktische problemen die zich bij de verkiezingen van 2003 hebben voorgedaan en die door het voorliggende wetsontwerp niet worden opgelost. Hij verwijst in dit verband naar, bijvoorbeeld, de levering van de oproepingsbrieven in het buitenland, met name in een aantal Afrikaanse landen, waar de oproepingsbrieven aangetekend moesten worden bezorgd. Veel Belgen in die landen maken echter gebruik van een postbus. Koerierbedrijven weigeren echter aangetekende zendingen in een postbus achter te laten.
De heer Buysse verwijst tevens naar het Verslag van de Kamercommisie voor de Binnenlandse Zaken, de algemene Zaken en het Openbaar Ambt (Stuk, Kamer, 2006-2007, Nr. 51 2548- 4) waaruit blijkt dat de minister heeft verklaard dat de kiezerslijsten van 2003 van de Belgen die in het buitenland verblijven, niet werden gearchiveerd. Er is met andere woorden geen zicht op welke van de vijf mogelijke wijzen deze Belgen in het buitenland hun stem hebben uitgebracht.
Een aantal van de in het voorliggende wetsontwerp voorgestelde wijzigingen, zal de Vlaams Belang-fractie goedkeuren, in het bijzonder de wijziging van de volmachtenregeling. De in het wetsontwerp voorziene regeling sluit trouwens nauw aan bij de tekst van het wetsvoorstel dat door de heer Buysse en mevrouw Jansegers op 10 juni 2005 in de Senaat werd ingediend. (Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 147bis van het Kieswetboek inzake de stemming bij volmacht, St. Senaat, 2004-2005, Nr. 3-1235/1).
In elk geval dringt de heer Buysse er op aan dat de burgers via de lokale besturen duidelijk en tijdig zouden worden geïnformeerd.
Ten slotte stelt de heer Buysse de volgende vragen aan de minister :
1. Zijn, voor wat de Belgische kiezers in het buitenland betreft, de politieke partijen op één of andere manier gemachtigd om getuigen aan te duiden, zoals dit mogelijk is bij elk stembureau, stemopnemingsbureau en hoofdbureau ? In het wetsontwerp wordt hierover niets vermeld.
2. Bij de vorige verkiezingen konden een aantal kandidaten beschikken over de kiezerslijsten van de Belgen in het buitenland, terwijl het Vlaams Belang (toen nog Vlaams Blok) daarover niet kon beschikken. Bestaat er een door de politieke partijen te volgen procedure om deze lijsten aan te vragen ?
3. Bij de recente gemeenteraadsverkiezingen is er één en ander misgelopen met de verdeling van de oproepingsbrieven. Één van de gevolgen hiervan is dat een aantal kiezers vruchteloos heeft gewacht op zijn oproepingsbrief omdat zij niet op de kiezerslijsten waren opgenomen. In dat geval kan betrokkene, overeenkomstig de wet, een bezwaar indienen. Dit bezwaar moet echter uiterlijk op de twaalfde dag voor de verkiezingen worden ingediend. Dergelijke procedure lijkt echter niet haalbaar wanneer er zich vertragingen voordoen bij het verdelen van de oproepingsbrieven, zoals in het verleden reeds gebeurde. Is er in dit geval voor een vangnet voorzien ?
4. Waarom heeft de minister de gelegenheid van het wetsontwerp niet te baat genomen om vrijwilligers op te nemen in het stembureau en het stemopnemingsbureau, bijvoorbeeld oude ambtenaren en jonge gepensioneerden ? Spreker verwijst in deze naar het wetsvoorstel nr. 3-1033-1 van de heer Wille en de heer Noreilde tot instelling van het vrijwillig bijzitterschap in de stembureaus (stuk Senaat, 2004-2005, Nr.3-1033/1). Hij betreurt dat het vrijwillig bijzitterschap niet werd opgenomen in het voorliggende wetsontwerp.
Ten slotte pleit de heer Buysse er voor dat alle formulieren voor de volgende parlementsverkiezingen tijdig zouden worden ter beschikking gesteld van de politieke partijen en de kandidaten. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006 werden de aangifteformulieren voor de verkiezingsuitgaven zeer laat ter beschikking gesteld, wat bij heel wat politieke partijen voor problemen heeft gezorgd.
Mevrouw De Schamphelaere kan begrip opbrengen voor het feit dat een aantal praktische wijzigingen aan de kieswetgeving worden aangebracht. Het is altijd een prestatie van de diensten van het FOD Binnenlandse Zaken en van de gemeentebesturen om op die ene dag alles vlot te laten verlopen. Het is dan ook begrijpelijk dat de kieswetgeving regelmatig wordt bijgestuurd. Het is wel belangrijk dat erover wordt gewaakt dat de praktische omstandigheden van de verkiezingen van de verschillende bestuursniveaus op een gelijke wijze worden georganiseerd.
De CD&V-fractie betreurt echter dat deze wijzigingen zo laat worden doorgevoerd, met name binnen het jaar voor de volgende parlementsverkiezingen. Één van de toetsstenen om nieuwe democratieën te toetsen op hun geloofwaardigheid is dat er geen wijzigingen aan de kieswetgeving mogen worden aangebracht op een jaar voor de verkiezingen opdat iedereen ruimschoots op tijd zou weten binnen welk wettelijk en grondwettelijk kader de verkiezingen worden georganiseerd.
Spreekster is bovendien van oordeel dat het wetsontwerp onvolledig is : zoals ook de CD&V-fractie in de Kamer van volksvertegenwoordigers, heeft ook de Senaatsfractie van de CD&V een aantal wetsvoorstellen ingediend in verband met de praktische organisatie van de verkiezingen.
Het valt spreekster meer en meer op dat de leeftijdsgroep die opgeroepen wordt als bijzitter of plaatsvervangend bijzitter, altijd dezelfde is, met name de groep van de jonge ouders. In een samenleving die de mond vol heeft van actieve welvaartsstaat en langer actief en gezond blijven, geniet het wellicht de voorkeur de oudere, nog actieve bevolking voor deze taak op te roepen en de jonge ouders hun ene vrije gezinsdag in de week te gunnen.
Daarom heeft de CD&V-fractie in de Kamer van volksvertegenwoordigers (St. Kamer, 2006-2007, Nr. 51 1978/1) een voorstel rond het vrijwillig bijzitterschap ingediend waarbij een strikte scheiding moet worden doorgevoerd tussen getuigen van politieke partijen en vrijwillige bijzitters en waarbij wordt voorgesteld de minimumleeftijd voor het bijzitterschap te verhogen tot de leeftijd van 40 jaar. Bij de verkiezingen stelt de spreekster immers vast dat het telkens alle dertigjarigen van de buurt zijn die worden opgeroepen. Op zijn minst zou men er bij de oproeping door de voorzitter-magistraat moeten toe komen om een gemengde samenstelling naar leeftijd en geslacht van het kiesbureau te bekomen.
Daarnaast heeft de CD&V-fractie nog steeds vragen over de vaste regeling voor de Belgen die hun stem uitbrengen in het buitenland. De toebedeling van de stemmen vanuit het buitenland aan een bepaalde kiesomschrijving moet op een wettelijke regeling gebaseerd zijn en mag niet zomaar worden bepaald door de keuze van de kiezer zelf.
De voornaamste opmerking van mevrouw De Schamphelaere is dat, indien de huidige regering de lopende legislatuur volledig afmaakt en de verkiezingen organiseert op de wettelijke voorziene datum in juni 2007, deze verkiezingen onwettig zijn. De CD&V-fractie zal bij wege van amendement voorstellen doen om hieraan te verhelpen. Het betreft de uitvoering van het arrest nr. 90/94 van 22 december 1994 van het Arbitragehof (Belgisch Staatsblad van 12 januari 1995) en, zoals bij de provinciale kiesomschrijvingen de facto verwacht werd, de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. De handigheid van de regering, om aan deze onwettelijkheid te ontsnappen, is het vervroegen van de verkiezingsdatum zodat de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde niet meer tijdens deze legislatuur moet worden geregeld. Dit is maar uitstel, men moet in het Belgische institutionele bestel het arrest van het Arbitragehof uitvoeren. Wellicht is de Senaat als ontmoetingsplaats van de gemeenschappen en de gewesten goed geplaatst om het debat over deze splitsing tot een goed einde te brengen.
De heer Noreilde verklaart dat de VLD-fractie het voorliggende wetsontwerp steunt maar wijst erop dat hij verbaasd is over de houding van bepaalde collega's in verband met het vrijwillig bijzitterschap. Toen het wetsvoorstel dat hij samen met de heer Wille heeft ingediend (zie supra), in de commissie werd besproken, was er bij de collega's veel minder bijval voor dit voorstel. De in het wetsontwerp voorziene verlaging van de minimumleeftijd tot 18 jaar voor het vervullen van de taak als bijzitter, kan ook op zijn steun rekenen aangezien de minister van Justitie heeft verklaard dat studenten omwille van examens kunnen worden vrijgesteld.
De heer Delpérée, rapporteur, sluit zich aan bij de technische argumenten die de grondslag vormen van voorliggend wetsontwerp. Hij verklaart het eens te zijn met de verlaging van de minimumleeftijd om als bijzitter te kunnen worden aangewezen. Die maatregel gold reeds in het Waalse gewest bij de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006, met uitstekend resultaat voor de samenstelling van de kiesbureaus.
Wat de situatie van de studenten betreft, bepaalt de huidige wet dat examens één van de redenen van verhindering zijn en één van de mogelijkheden om bij volmacht te stemmen. Het is logisch dat men aan dezelfde oplossing denkt voor de aanwezigheid in een kiesbureau als bijzitter.
Voor het overige meent de heer Delpérée dat het debat dat in de Kamer is aangevat en dat sommige commissieleden in de Senaat willen overdoen, over meer politieke en fundamentelere zaken, wat volgende twee punten betreft volstrekt voorbarig is :
1º in een volgende zittingsperiode moet men het probleem van het stemrecht van de Belgen in het buitenland opnieuw behandelen, aangezien de huidige regeling te wensen overlaat :
— Zij is ongrondwettig, aangezien onze Grondwet bepaalt dat er stemplicht is. De kieswet voorziet een uitzondering voor de Belgen in het buitenland die niet te verantwoorden is.
— Men moet stemmen in zijn gemeente, maar dat geldt niet voor de Belgen in het buitenland.
— De stemming moet geheim zijn maar de stem die in het buitenland wordt uitgebracht geniet die waarborg niet.
Men zal dus aan dat probleem moeten denken wanneer men de lijst opstelt van de grondwetsartikelen die voor herziening vatbaar zijn.
2º wat de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde betreft : dat onderwerp hoeft nu niet ter tafel te komen. Het Arbitragehof zegt in zijn arrest geenszins dat de verkiezingen gehouden moeten worden binnen de provinciale kieskringen of binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Mevrouw Bouarfa steunt het wetsontwerp maar meent dat de regering en het parlement eens grondig moeten nadenken over de problemen rond het elektronisch stemmen en moeten nagaan hoe de kritiek inzake de betrouwbaarheid van die stemwijze kan worden verholpen.
Wat de toegankelijkheid van de stembureaus voor gehandicapten betreft, vraagt mevrouw Bouarfa of de minister al heeft onderzocht hoe die kan worden verbeterd. Bij de laatste verkiezingen werd mevrouw Bouarfa geconfronteerd met onduldbare toestanden. Is het niet mogelijk het gebruik van mobiele centra te overwegen voor mensen die zich niet naar het stembureau kunnen begeven, bijvoorbeeld gehandicapten, gevangenen ...
Wat is de huidige toestand voor de Belgische gevangenen die niet uit hun burgerrechten ontzet zijn ? Kunnen ze hun stemrecht uitoefenen ?
De vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken, de heer Dewael, antwoordt als volgt op de gemaakte opmerkingen.
De in het wetsontwerp opgenomen maatregelen zijn in eerste instantie technisch van aard. Daarom is de minister van oordeel dat deze wijzigingen de fundamentele spelregels voor de verkiezingen niet op 6 maanden voor de verkiezingen wijzigt. Deze kritiek vindt de minister dan ook niet terecht.
Op de vraag van de heer Buysse of er ook getuigen van de politieke partijen kunnen worden aangeduid in het stemopnemingsbureau dat ter plaatse zal worden ingericht op de zetel van de FOD Buitenlandse Zaken, antwoordt de minister bevestigend. Ook de kiezerslijsten van de stemgerechtigde Belgen in het buitenland zijn beschikbaar voor iedereen.
Wat de klachtenprocedure in verband met de kiezerslijsten betreft, blijft dezelfde procedure gehandhaafd als deze die gold bij de parlementsverkiezingen in 2003. Er zijn toen geen noemenswaardige problemen geweest. De minister neemt nota van de bekommernis om alle documenten tijdig te verzenden.
De ratio legis van het door mevrouw De Schamphelaere geformuleerde voorstel om de minimumleeftijd voor de bijzitters te verhogen, is onduidelijk voor de minister. Het wetsontwerp strekt er juist toe om de groep van potentiële bijzitters te verhogen door de minimumleeftijd te verlagen tot 18 jaar. Op die manier worden ook jongere mensen betrokken bij de organisatie van de democratie, wat toch belangrijk is.
De opmerking van de heer Noreilde over de vrijstelling van studenten omwille van examens, is volgens de minister volkomen terecht en de minister heeft nota genomen van het antwoord van de minister van Justitie terzake. Ook dit argument kan een reden zijn om de verkiezingen niet te organiseren in de maand juni maar deze met een paar weken te vervroegen.
Het debat over de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde is, aldus de minister, niet op zijn plaats in een discussie over dit technische wetsontwerp. Hij stelt bovendien vast dat de meningen in de commissie hierover verdeeld zijn. Zoals in het verleden reeds werd benadrukt, is dit geen zaak van de regering en is het aan het parlement om hierover het debat te voeren. In de Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken, de Algemene Zaken en het Openbaar Ambt werden de amendementen met betrekking tot de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde onontvankelijk verklaard.
Op de opmerkingen van de heer Delpérée inzake het stemmen van Belgen in het buitenland, antwoordt minister Dewael dat er inderdaad grondwetgevend en wetgevend moet worden opgetreden. De preconstituante moet rekening houden met deze bezwaren. Toch moet worden opgemerkt dat Belgen in het buitenland eveneens aan de stemplicht zijn onderworpen zodra zij te kennen hebben gegeven deel te willen nemen aan de verkiezingen.
Op de vraag van mevrouw Bouarfa inzake het elektronisch stemmen geeft de minister toe dat er een aantal technische zaken aan de orde zijn. Een werkgroep met deskundigen van de federale regering en van de gewestregeringen gaat na hoe het systeem kan worden verbeterd.
Er wordt ook een universitair onderzoek uitgevoerd.
De minister denkt niet dat er voor gehandicapten grote problemen rijzen. Tijdens de bespreking van het wetsvoorstel hierover van mevrouw Van Gool (stuk Senaat, nr. 3-604/1), werd geconcludeerd dat alle problemen makkelijk kunnen worden opgelost via het ministerieel besluit van 10 augustus 1894, volgens hetwelk ieder gebouw waarin een of meerdere kiesbureaus gevestigd zijn, per schijf van vijf bureaus moet zijn uitgerust met ten minste één apart hokje voor gehandicapte kiezers. Dit ministerieel besluit geldt ook voor bureaus voor geautomatiseerde stemming. Krachtens de wet op de geautomatiseerde stemming kan een gehandicapte kiezer die moeilijkheden ondervindt bij het uitbrengen van zijn stem, de voorzitter of een bijzitter van het bureau vragen hem te vergezellen in het stemhokje om hem te helpen zijn stem uit te brengen.
Bij de gewone stemming kan de kiezer zich laten vergezellen door een begeleider naar keuze, bij de geautomatiseerde stemming moet dit krachtens de wet de voorzitter zijn, of een bijzitter aangewezen door de voorzitter.
Ten slotte wijst de minister erop dat kiezers die in de gevangenis verblijven, per volmacht kunnen stemmen.
IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN
Artikel 1
Artikel 1 wordt zonder bespreking aangenomen bij eenparigheid van de 12 aanwezige leden.
Artikel 2
Artikel 2 wordt zonder bespreking aangenomen met 10 stemmen, bij 2 onthoudingen.
Artikel 2bis (nieuw)
Mevrouw Jansegers c.s. dient een reeks amendementen die beogen de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde te splitsen.
In een eerste amendement van mevrouw Jansegers c.s. (St. Senaat 3-1919/2) wordt voorgesteld artikel 87 van het kieswetboek te wijzigen waarbij het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een aparte kieskring vormt. Bij het amendement hoort een tabel die de tabel, bedoeld in artikel 87 van het Kieswetboek, vervangt.
De heer Van Hauthem stelt vast dat de minister, bij de algemene bespreking van het voorliggend ontwerp, verklaard heeft dat de splitsing van deze kieskring geen aangelegenheid is voor de regering maar een zaak is voor het parlement. Dit lijkt hem vanzelfsprekend.
De heer Delpérée verklaart evenwel dat het nog te vroeg om deze discussie nu reeds aan te vatten. Uiteraard vinden sommigen het altijd te vroeg om dit debat te voeren. Dit is slechts een voorwendsel om het debat niet te voeren.
De heer Van Hauthem wenst zich niet te verliezen in een lang vertoog over de reden waarom de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde moet gesplitst worden. Het Arbitragehof heeft in 2003 geoordeeld dat de regeling, die getroffen werd door de wet van 19 december 2002 tot wijziging van het Kieswetboek voor de verkiezingen in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde, het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schond en dat er voor de volgende verkiezingen een oplossing moest gevonden worden.
Het Arbitragehof heeft een termijn bepaald die toelaat dat er nog op een geldige wijze verkiezingen kunnen worden gehouden voor zover ze plaatshebben voor de uiterst mogelijke datum. Het is echter niet omdat er geen juridisch probleem is dat er geen politiek probleem zou zijn.
De amendementen van het Vlaams Belang nemen grotendeels een wetsvoorstel over dat in 2004 werd ingediend door VLD, CD&V, SP.a, Spirit en NVA (Wetsvoorstel tot wijziging van de Kieswet met het oog op de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde van de heren Hans Bonte, Willy Cortois, Herman Van Rompuy, Walter Muls en Geert Bourgeois, St. Kamer 51-0333/1). De opmerkingen die over dit wetsvoorstel door de Raad van State werden geopperd (St. Kamer 51-0333/2) zijn in de amendementen verwerkt.
Al de Vlaamse partijen hebben deze splitsing opgenomen in de verkiezingsbeloften van 2004. De huidige minister van Binnenlandse Zaken was in een vorig leven minister-president van de Vlaamse regering. De splitsing van de kieskring was toen opgenomen in het regeerakkoord van 1999. De minister-president was toen zeer ambitieus want in het regeerakkoord was overeengekomen dat de splitsing moest gebeurd zijn voor de helft van de legislatuur verstreken was.
De heer Van Hauthem stelt vast dat de ambities van de toenmalige minister-president niet meer overeenstemmen met die van de huidige vice-premier en minister van Binnenlandse Zaken.
Spreker herinnert er de Vlaamse senatoren ook aan dat tussen 1999 en 2004 er in het Vlaams parlement verschillende resoluties bijna unaniem zijn aangenomen over de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde.
Het huidige Vlaams regeerakkoord van juni 2004 bepaalt zelfs dat de kieskring « onverwijld » en zelfs « onmiddellijk » moet gesplitst worden. Voor zover hij weet maakt ook de partij van de minister deel uit van deze Vlaamse regering.
We staan op minder dan zes maanden van de verkiezingen en de regering stelt voor om een aantal wijzigingen aan te brengen in het Kieswetboek. Hij stelt dan ook voor dat de Vlaamse partijen deze kans aangrijpen om de splitsing van de kieskring, die zij allemaal als een belangrijk strijdpunt naar voor hebben gebracht, vooralsnog te realiseren.
De volgende amendementen van het Vlaams Belang geven technisch uitwerking aan de splitsing van de kieskring.
Amendement nr. 1 wordt verworpen met 6 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
De heer Hugo Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere dienen een gelijkaardige reeks amendementen die eveneens de splitising van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde beogen.
Amendement nr. 45 is het eerste van die reeks (St. Senaat 3-1919/2) en het stelt eveneens voor om in het ontwerp een nieuw artikel 2bis in te voegen.
Mevrouw De Schamphelaere wijst er op dat deze amendementen uitvoering geven aan het Vlaams regeerakkoord, waar alle Vlaamse meerderheidspartijen achter staan. Door deze amendementen worden de Kieswetboek aangepast aan het arrest van het Arbitragehof. De CD&V voorziet een kieskring Vlaams Brabant en een kieskring Waals Brabant, wat overeenstemt met de taalgrens, de Gewestgrens en de provinciegrens.
De amendementen zijn technisch volledig op punt gesteld zodat ze zonder problemen in de huidige kieswetgeving kunnen worden ingeschoven. Mochten deze amendemeneten verworpen worden dan illustreert dit nogmaals het onvermogen van de Vlaamse partijen om de akkoorden, die ze onderling afsluiten, uit te voeren.
Amendement nr. 45 wordt verworpen met 6 tegen 3 stemmen.
Artikel 2ter (nieuw)
Amendement nr. 2 van mevrouw Jansegers cs. (St. Senaat 3-1919/2) regelt de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde in een Vlaamse, Waalse en Brusselse kieskring.
Amendement nr. 2 wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 2quater (nieuw)
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 3 (St. Senaat 3-1919/2) in tot invoeging van een artikel 2quater.
Amendement nr. 3 wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 3
Mevrouw Jansegers c.s. dient twee amendementen in op dit artikel (amendementen nrs. 42 en 43, St. Senaat 3-1919/2).
Amendement nr. 42 stelt het vrijwillig bijzitterschap in.
Amendement nr. 43 wil vermijden dat twee personen die op hetzelfde adres zijn ingeschreven samen worden aangewezen als bijzitter.
De amendementen nrs. 42 en 43 worden elk afzonderlijk verworpen met 8 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 3 wordt ongewijzigd aangenomen met 8 stemmen, bij 3 onthoudingen.
Artikel 4
Artikel 4 wordt aangenomen met 8 stemmen, bij 3 onthoudingen.
Artikel 5
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 4 (St. Senaat 3-1919/2) in tot wijziging van dit artikel. Het geeft verdere uitwerking aan amendement nr. 1.
Amendement nr. 4 wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 5 wordt ongewijzigd aangenomen met 8 stemmen, bij 3 onthoudingen.
Artikel 5bis (nieuw)
De heer Hugo Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere dienen een amendement in tot invoeging van een artikel 5bis (Amendement nr. 46, St. Senaat 3-1919/2). Het geeft verdere uitwerking aan amendement nr. 45.
Amendement nr. 46 wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1, bij 2 onthoudingen.
Artikelen 6 en 7
De artikelen 6 en 7 worden elk afzonderlijk zonder bespreking aangenomen met 10 stemmen, bij 2 onthoudingen.
Artikel 8
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 5 (St. Senaat 3-1919/2) in tot wijziging van dit artikel.
Amendement nr. 5 wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 8 wordt aangenomen met 10 stemmen, bij 2 onthoudingen.
Artikelen 9 tot 17
De artikelen 9 tot 17 worden elk afzonderlijk zonder bespreking aangenomen met 10 stemmen, bij 2 onthoudingen.
Artikel 18
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 6 (St. Senaat 3-1919/2) in tot wijziging van dit artikel.
Amendement nr. 6 wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 18 wordt aangenomen met 9 stemmen, bij 3 onthoudingen.
Artikel 19
Artikel 19 wordt zonder bespreking aangenomen met 9 stemmen, bij 3 onthoudingen.
Artikelen 19bis tot 19sexies (nieuw)
De heer Hugo Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere dienen een reeks amendementen in tot invoeging van de nieuwe artikelen 19bis tot 19 sexies (Amendementen nrs. 47 tot 51, St. Senaat 3-1919/2).
De amendementen nrs. 47 tot 51 worden elk afzonderlijk verworpen met 9 tegen 3 stemmen.
Artikel 20
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 7 (St. Senaat 3-1919/2) in tot wijziging van dit artikel.
Amendement nr. 7 wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 20 wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 1, bij 2 onthoudingen.
Artikelen 20bis tot 20sexies (nieuw)
Mevrouw Jansegers c.s. dient een reeks amendementen in tot invoeging van de nieuwe artikelen 20bis tot 20 sexies (Amendementen nrs. 8 tot 12, St. Senaat 3-1919/2).
De amendementen nrs. 8 tot 12 worden elk afzonderlijk verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 21
Artikel 21 wordt zonder bespreking aangenomen met 10 stemmen, bij 2 onthoudingen.
Artikel 21bis (nieuw)
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 13 (St. Senaat 3-1919/2) in tot invoeging van een nieuw artikel 21bis.
Amendement nr. 13 wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 21ter (nieuw)
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 38 (St. Senaat 3-1919/2) in tot invoeging van een nieuw artikel 21ter. Mevrouw Jansegers verklaart dat dit amendement beoogt de regeling voor zieke mensen uit te breiden tot zij die zorg dragen voor een zieke persoon. Iemand die zorg draagt voor een gehandicapte, een ernstig zieke persoon of een stervende kunnen zich soms onmogelijk naar het stembureau begeven. Daarom wordt voorgesteld dat een arts kan beslissen dat de aanwezigheid van deze persoon nodig is voor de verzorging van een zieke persoon.
De minister is overtuigd van de goede bedoelingen van dit amendement. De vraag die onmiddellijk rijst is waar de grenzen liggen van een dergelijke procedure. Om die reden meent hij dat het amendement niet aangewezen is.
Amendement nr. 38 wordt verworpen met 10 tegen 2 stemmen.
Artikelen 21quater en 21quinquies (nieuw)
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 39 (St. Senaat 3-1919/2) in tot invoeging van een nieuw artikel 21quater.
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 40 (St. Senaat 3-1919/2) in tot invoeging van een nieuw artikel 21quinquies.
Mevrouw Jansegers zet uiteen dat met amendement nr. 39 de volmachtregeling wordt uitgebreid tot zelfstandigen en bedrijfsleiders wanneer hun beroepsactiviteit het hen onmogelijk maakt om persoonlijk hun stem uit te brengen. Zij kunnen dit doen door een verklaring op erewoord.
Een dergelijke regeling gold tot nog toe enkel voor werknemers, die een attest van hun werkgever kunnen afgeven. Het Vlaams Belang stelt voor die regeling uit te breiden tot de werkgevers zelf en de zelfstandigen.
De minister antwoordt dat als men al deze categorieën moet opnemen op een exhaustieve lijst dit in de praktijk zeer moeilijk wordt. De burgemeester kan dit nu reeds doen en doet dat ook in een aantal gevallen. Daarom stelt hij voor dat het huidige systeem ongewijzigd gehandhaafd blijft.
De heer Van Hauthem stelt vast dat als iemand op plezierreis gaat er geen enkel probleem is om aan de stemplicht te ontsnappen. Een regeling waarbij de burgemeester sommige werkgevers of zelfstandigen van de stemplicht ontheven worden berust niet op een wettelijke basis. Waarom voorziet men de mogelijkheid van een wettelijke regeling niet waarbij de minister per omzendbrief deze regeling kan verduidelijken. Het huidige systeem kan alleen maar leiden tot willekeur.
De minister blijft er bij dat een omzendbrief in een dergelijke regeling een voldoende oplossing biedt voor dit probleem.
Amendement nr. 40, aldus mevrouw Jansegers, breidt de mogelijkheid om te stemmen door volmacht uit. Tot nog toe moet een boekingsdocument worden voorgelegd. Er zijn echter heel wat mensen die op een goedkope manier naar het buitenland reizen waardoor zij een dergelijk boekingsdocument niet kunnen voorleggen. Wie, bijvoorbeeld, met de wagen op reis gaat of al liftend kan geen boekingsdocument voorleggen. Het voorgelegde amendement biedt hiervoor een eenvoudige oplossing.
Bij de voorbije verkiezingen konden een aantal reizende Belgen niet laten stemmen bij volmacht omdat zij geen boekingsdocument konden voorleggen. De administratie heeft aan een aantal gemeenten, die hierover vragen stelden, laten weten dat personen in deze situatie toch bij volmacht mochten stemmen maar dat dit werd overgelaten aan de appreciatie van de burgemeester. Een dergelijke situatie verhoogt de kans op willekeur. Daarom lijkt het aangewezen om de wettelijke mogelijkheden uit te breiden.
De minister is geen voorstander van een dergelijke oplossing. Hij vindt het beter dat de burgemeester een beslissing neemt op basis van de stukken die hem worden voorgelegd.
De amendementen nrs. 39 en 40 worden verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 21sexies (nieuw)
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 41 (St. Senaat 3-1919/2) in tot invoeging van een nieuw artikel 21sexies.
Mevrouw Jansegers wijst er op dat dit amendement wenst het hoofd te bieden aan de situatie waarbij mensen op reis vertrekken zonder dat er verkiezingen zijn aangekondigd. Daardoor kunnen zij hun volmacht niet regelen voordat zij op reis vertrekken — de formuleringen zijn nog niet ter beschikking in de gemeente of op Internet. Daarom wordt voorgesteld dat er in de gemeente altijd een standaardformulier ter beschikking zou worden gelegd zodat wie op reis vertrekt reeds op voorhand een volmacht kan klaar maken.
De minister wijst er dat een volmachtformulier in de praktijk altijd beschikbaar is.
Amendement nr. 41 wordt verworpen met 10 tegen 2 stemmen.
Artikel 22
Artikel 22 wordt zonder bespreking aangenomen met 10 stemmen, bij 2 onthoudingen.
Artikelen 22bis tot 22quater (nieuw)
De heer Hugo Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere dienen een reeks amendementen in tot invoeging van de nieuwe artikelen 22bis tot 22quater (Amendementen nrs. 52, 54, 55 en 56, St. Senaat 3-1919/2).
De amendementen nrs. 52, 54, 55 en 56 worden elk afzonderlijk verworpen met 9 tegen 3 stemmen.
Artikel 23
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 14 (St. Senaat 3-1919/2) in tot wijziging van dit artikel.
Amendement nr. 14 wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 23 wordt aangenomen met 10 stemmen, bij 2 onthoudingen.
Artikel 23bis (nieuw)
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 15 (St. Senaat 3-1919/2) in tot invoeging van een nieuw artikel 23bis.
Amendement nr. 15 wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
De heer Hugo Vandenberghe en mevrouw de Schamphelaere dienen amendement nr. 53 in (St. Senaat 3-1919/2), dat eveneens beoogt een artikel 23bis in te voegen.
Amendement nr. 53 wordt verworpen met 9 tegen 3 stemmen.
Artikelen 23ter tot 23sexies (nieuw)
Mevrouw Jansegers c.s. dient vier amendementen in tot invoeging van de nieuwe artikelen 23ter tot 23 sexies (Amendementen nrs. 16 tot 19, St. Senaat 3-1919/2).
De amendementen nrs. 16 tot 19 worden elk afzonderlijk verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 24
Artikel 24 wordt zonder bespreking aangenomen met 10 stemmen, bij 2 onthoudingen.
Artikel 25
Mevrouw Jansegers c.s. dient twee amendementen in tot wijziging van dit artikel (Amendementen nrs. 35 en 44, St. Senaat 3-1919/2).
Over amendement 44 zet de heer Buysse uiteen dat het de bedoeling is om een objectievere basis te geven voor de keuze van de inschrijving van de Belgen in het buitenland. Het amendement beoogt de keuze te beperken als er een duidelijke band is met de laatste woonplaats. Zo zijn er in het verleden oproepen geweest om de keuze te maken voor een bepaalde woonplaats teneinde de verkiezingsuitslag te manipuleren. Daarom wordt voorgesteld dat de Belg in het buitenland zich kan inschrijven in zijn laatste woonplaats in België.
De minister antwoordt dat de keuze van de Belgische wetgever in 2002 is geweest om de betrokkenen zelf te laten kiezen. Het amendement stelt een ander systeem voor dat vrij complex is. Hij stelt voor om in elk geval voorlopig de keuze van de wetgever van 2002 te handhaven.
De amendementen nrs. 35 en 44 worden elk afzonderlijk verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 25 wordt aangenomen met 10 tegen 2 stemmen.
Artikel 25bis (nieuw)
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 36 (St. Senaat 3-1919/2) in tot invoeging van een nieuw artikel 25bis.
De heer Buysse antwoordt dat hij tevreden is met het antwoord van de minister dat er wel degelijk getuigen mogen aangeduid worden in de speciale stemopnemingsbureaus die zijn belast met de opneming van de stemmen van de stembiljetten van de in het buitenland verblijvende Belgen. Amendement nr. 36 wordt derhalve ingetrokken.
Artikel 26
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 37 (St. Senaat 3-1919/2) in tot invoeging van een nieuw artikel 23bis.
Amendement nr. 37 wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 26 wordt aangenomen met 10 tegen 2 stemmen.
Artikelen 26bis tot 26undecies (nieuw)
De heer Hugo Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere dienen een reeks amendementen in tot invoeging van de nieuwe artikelen 26bis tot 26undecies (Amendementen nrs. 57 tot 66, St. Senaat 3-1919/2).
Deze amendementen geven uitvoering aan amendement nr. 45.
De amendementen nrs. 57 tot 66 worden elk afzonderlijk verworpen met 9 tegen 3 stemmen.
Artikel 27
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 20 (St. Senaat 3-1919/2) in tot wijziging van dit artikel.
Amendement nr. 20 wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 27 wordt aangenomen met 10 tegen 2 stemmen.
Artikelen 28 tot 33
De artikelen 28 tot 33 worden elk afzonderlijk zonder bespreking aangenomen met 10 tegen 2 stemmen.
Artikel 34
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 21 (St. Senaat 3-1919/2) in tot wijziging van dit artikel.
Amendement nr. 21 wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 34 wordt aangenomen met 10 stemmen, bij 2 onthoudingen.
Artikel 34bis (nieuw)
Mevrouw Jansegers c.s. dient amendement nr. 22 (St. Senaat 3-1919/2) in tot invoeging van een nieuw artikel 34bis.
Amendement nr. 22 wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Artikel 35
Artikel 35 wordt zonder bespreking aangenomen met 10 stemmen, bij 2 onthoudingen.
Artikelen 36 tot 38
De artikelen 36 tot 38 worden elk afzonderlijk zonder bespreking aangenomen met 10 stemmen, bij 2 onthoudingen.
Artikelen 39 tot 50 (nieuw)
Mevrouw Jansegers c.s. dient de amendementen 23 tot 34 in tot invoeging van de nieuwe artikelen 39 tot 50 (St. Senaat 3-1919/2).
De amendementen nrs. 23 tot 34 worden elk afzonderlijk verworpen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
V. STEMMING OVER HET GEHEEL
Het wetsontwerp wordt in zijn geheel ongewijzigd aangenomen met 9 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Dit verslag wordt eenparig goedgekeurd door de 10 aanwezige leden.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Francis DELPÉRÉE. | Ludwig VANDENHOVE. |
De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp (stuk Kamer, nr. 51-2548/007)