(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
In het 159º Boek van het Rekenhof, werd er reeds op gewezen dat het begrip economische werkloosheid niet wettelijk gedefinieerd is. Dit leidt tot verschillende interpretaties ervan door de RVA enerzijds en de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie RJV anderzijds. De RVA gebruikte een brede interpretatie, de RJV een restrictieve. Dit leidde tot verschillen bij de berekening van het vakantiegeld. Er werd tussen RVA en RJV een procedure ingesteld om betwiste dossiers uit te wisselen, maar niet alle verschillen konden weggewerkt worden. Het recht van de RJV en de bijzondere vakantiefondsen om zelfstandig te oordelen over situaties van economische werkloosheid werd officieel bekrachtigd bij koninklijk besluit van 10 november 2004. Daarin worden ook een aantal situaties bepaald waarin de duur van de arbeidsongeschiktheid niet kan worden gelijkgesteld met dagen normale werkelijke arbeid en derhalve niet in aanmerking komt voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld. Het betreft onder andere gevallen waarin de schorsing van de arbeidsovereenkomst « ... voortvloeit uit het seizoensgebonden karakter van de onderneming, hetzij het gevolg is van een gebrekkige organisatie of van slecht beheer ... ». In de brief van het Rekenhof aan de minister van Werk van 2 maart 2005 werd echter reeds opgemerkt dat deze omschrijving onvoldoende nauwkeurig is en aanleiding zal geven tot nieuwe interpretatieverschillen.
Welke maatregelen heeft de minister intussen reeds genomen om het begrip « economische werkloosheid » nauwkeurig en ondubbelzinnig te definiëren, en de interpretatieverschillen tussen de RVA en RJV weg te werken ?