3-1683/1 | 3-1683/1 |
24 OKTOBER 2006
Inleiding
Naar aanleiding van de Top van Riga in november 2006, heeft de commissie beslist een reeks hoorzittingen te wijden aan de toekomst van de NAVO. Die hoorzittingen vonden plaats op :
— 10 mei 2006, met de heer Struye de Swielande, permanent vertegenwoordiger van België bij de NAVO;
— 6 juni 2006, met de heer De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken, en de heer Flahaut, minister van Landsverdediging;
— 20 juni 2006, met de heer Demoulin, attaché bij de Militaire School, de heer Erdmann, Assistant Secretary General for Political Affairs and Security-Policy, en de heer Pfeiffer, Deputy Assistant Secretary General for Policy and Planning in the Division for Defence Policy and Planning;
— 27 juni 2006 met de heer Bozo, hoogleraar, Université de la Sorbonne Nouvelle (Paris III), de heer Remacle en mevrouw Delcourt, hoogleraars, ULB, en de de heer Duqué, permanent vertegenwoordiger van Frankrijk bij de NAVO;
— 3 juli 2006, met de heer de Hoop Scheffer, secretaris-generaal van de NAVO;
— 11 oktober 2006 met de heer Lammerant, Forum voor Vredesactie en met de heer Ghys, CNAPD (Coordination nationale d'Action pour la Paix et la Démocratie).
Na deze hoorzittingen dienden de rapporteurs een voorstel van resolutie in dat door de commissie werd besproken tijdens haar vergadering van 24 oktober 2006.
1. Inleiding door de heer Roelants du Vivier, voorzitter van de Commissie
In het vooruitzicht van de geplande NAVO-top van 28 november 2006 in Riga, zullen de 26 lidstaten een stappenplan opstellen, dat de centrale rol van de Alliantie bij het beantwoorden van de huidige uitdagingen moet bevestigen en staven.
Dat stappenplan moet uit verscheidene delen bestaan en een standpunt innemen over de volgende problemen, de uitgangspunten van de hoorzittingen :
— wat betekent « de NAVO een meer politieke dimensie geven » voor de interne overleg- en beslissingsstructuren ?
— hoe kan de transatlantische dialoog worden verbeterd en kunnen de meningsverschillen worden uitgevlakt ?
— hoe kan men het toekomstig lidmaatschap van de Alliantie definiëren en partnerschappen tot stand brengen ?
— hoe kan men de relaties versterken met andere organisaties, vooral met de EU en de VN, op basis van volwaardig partnerschap en degelijke samenwerking, en niet van concurrentie en elkaar overlappende activiteiten ?
Dat stappenplan zal ook de draagwijdte en de omvang moeten bestuderen van de NAVO-operaties, alsook de omstandigheden waarin de NAVO-capaciteit kan worden aangewend, bijvoorbeeld bij operaties waaraan ook andere organisaties deelnemen, zoals de UNO en de Afrikaanse Unie.
En last but not least moeten de lessen worden toegepast die men uit de actuele operaties heeft getrokken en moet ervoor worden gezorgd dat de militaire middelen volstaan om de politieke aspiraties waar te maken. Indien al die punten succesvol worden geregeld, heeft men de waarborg dat de NAVO voldoende middelen heeft om een centrale rol te blijven spelen in de handhaving van onze collectieve veiligheid.
De vraag is vooral waarin die verandering bestaat, die als doel heeft erop toe te zien dat de NAVO zijn slagkracht behoudt in de veiligheidsomgeving en zijn mogelijkheden om de rollen die hij op zich wenst te nemen efficiënt te vervullen.
De veranderingen die in 1990 door de Verklaring van Londen werden ingezet, werden veroorzaakt door het einde van de Koude Oorlog. Men kan ze samenvatten als de overgang van een defensieve en reactieve veiligheidsaanpak naar een proactievere aanpak die op de verspreiding en de stabiliteit van de veiligheid gericht is. Terwijl « Londen » een antwoord was op het einde van de Koude Oorlog, was « Praag » een antwoord op de terroristische aanvallen van 11 september 2001 tegen de Verenigde Staten.
Terwijl de bedreigingen die in het verleden bestonden de Geallieerden verenigden, kunnen de huidige dreigingen hen verdelen, zoals gebleken is bij de Irak-crisis in 2003. Het is bijgevolg van essentieel belang dat de rol en de capaciteit van de NAVO door een gemeenschappelijke visie, een gemeenschappelijk begrip en een gemeenschappelijke opvatting van de opdracht gedragen worden.
Daarom heeft de secretaris-generaal onlangs campagne gevoerd om de politieke dialoog binnen de Alliantie te bevorderen en hebben de Geallieerden verklaard dat ze de politieke component van de NAVO willen versterken.
2. Hoorzittingen
2.1. Hoorzitting met de heer Struye de Swielande, permanent vertegenwoordiger van België bij de NAVO
2.1.1. Uiteenzetting van de heer Struye de Swielande
De voorbereiding van de top van Riga van 28 november 2006 bevindt zich op dit ogenblik in een aanloopfase. Het debat kan samengevat worden in drie kernwoorden, te weten transformatie, globaal en oorlog tegen terrorisme. De precieze inhoud van deze termen is evenwel niet gekend. De vraag is dan ook terecht of de woordkeuze wel pertinent is. Spreker pleit dan ook voor voorzichtigheid inzake het woordgebruik.
Het woord « transformatie » kwam enkele maanden geleden ter tafel toen de Amerikaanse NAVO Permanent Vertegenwoordiger, na een bezoek aan Washington, verklaarde dat president Bush tijdens zijn tweede mandaat een NAVO-top in 2006 over transformatie en een top in 2008 over de eventuele uitbreiding van de NAVO wenste.
De basis voor de « transformatie » is de idee dat de NAVO zich militair moet hervormen. Het militair instrumentarium moet zich aanpassen aan het expeditionary warfare. Sommigen verkiezen evenwel eerder het woord « evolutie » of « aanpassing » boven het woord « transformatie ». Het woord « transformatie » werd wel nog niet formeel goedgekeurd binnen de NAVO en is tot op heden ook niet de officiële titel van de top van 2006.
Daarnaast wordt gesteld dat de NAVO « globaal » moet zijn.
De oorsprong van dit woord gaat terug tot de BZ-Ministerraad van Reykjavik in 2002. De NAVO is een organisatie van territoriale collectieve zelfverdediging, maar is nu in het tijdperk van het out of area getreden. Op de Ministertop van Reykjavik is beslist dat de NAVO overal en op elk ogenblik moet kunnen optreden, maar het woord « globaal » is niet als zodanig goedgekeurd.
Het derde woord is de « oorlog » tegen terrorisme.
De heer Struye maakt de vergelijking met de eerste periode van de NAVO waar het woord « koude oorlog » werd gebruikt, zonder dat de NAVO ooit een oorlog heeft gevoerd. Het woord « oorlog » tegen terrorisme verwijst naar de beslissing van de Verenigde Staten dat woord te gebruiken sinds de gebeurtenissen van 11 september 2001. Het woord werd nadien overgenomen, alhoewel de meeste landen liever het woord « strijd » tegen terrorisme gebruiken. Binnen de NAVO geeft dit woord aanleiding tot meningsverschillen. Het is duidelijk dat alleen de Verenigde Staten in een staat van oorlog zijn terwijl België dat vandaag niet is. Het woord « oorlog » weerspiegelt wel een zekere dynamiek om de ernst van de zaak te onderstrepen.
Historiek
De ambassadeur schetst vervolgens een kort historisch overzicht van de evolutie van de NAVO.
In de evolutie van de NAVO zijn drie grote perioden te onderscheiden : de periode van de koude oorlog tot aan de val van de Muur van Berlijn in 1989, de periode van de humanitaire tussenkomsten in de Balkan en de derde periode na 11 september 2001.
Voor deze derde periode wijst de heer Struye op de continuïteit in de ontwikkeling van de NAVO sinds 11 september 2001.
Tijdens de ministeriële van Reykjavik werd de sleutelzin « NATO must be able to field forces that can move quickly to wherever they are needed, sustain operations over distance and time and achieve their objective » gelanceerd, met de idee van acties naar de buitenwereld.
Het tweede belangrijk moment is de top van Praag, onder de titel « New countries, new partners, new capabilities ».
Vervolgens, tijdens de top van Istanboel in 2004, werd de beslissing met betrekking tot de missie in Irak genomen. Daarnaast werd ook beslist tot een nieuw partnerschap, het Istanbul Cooperation Initiative met de landen van de Perzische Golf.
De top van Riga van november 2006 moet in hetzelfde perspectief gezien worden.
Aangezien één macht binnen de NAVO de toon zet, verwijst de heer Struye naar een uitspraak van Kurt Volker, Principal Deputy Assistant Secretary for European and Eurasian Affairs : « In 1994, NATO was an Alliance of 16 countries, without partners, having never conducted a military operation. By 2005, NATO has become an Alliance of 26, engaged in 8 simultaneous operations on 4 continents, with the help of 20 partners in Eurasia, 7 in the Mediterranean, 4 in the Persian gulf and a handful of capable contributors on our periphery ».
Verdere evolutie van de NAVO naar de top van Riga
De evolutie van de NAVO moet getoetst worden aan de volgende doelstellingen : de NAVO moet het prioritaire forum blijven van alle discussies over veiligheid, de NAVO moet succesvol zijn in haar operaties en de NAVO moet haar capaciteiten ontwikkelen, het partnerschap moet groeien en de uitbreiding van de NAVO moet worden voortgezet.
Eerste doelstelling : de herbevestiging van de NAVO als centrale plaats voor alle besprekingen over veiligheid
Het communiqué uitgegeven na de NAVO-top in Brussel (februari 2005) stelde dat « NATO is the essential forum for security consultations between Europe and north America ». Ook al is de Veiligheidsraad de eerste instantie waar besprekingen over veiligheid plaatsvinden, toch worden, volgens een aantal landen, de meest concrete problemen beter prioritair binnen de NAVO besproken. Alles wat veiligheid betreft, staat op de agenda van de NAVO, inclusief de problematiek van de energiebevoorrading en de energieveiligheid.
In het kader van NAVO vergaderingen, vinden thans dikwijls ook transatlantische ontmoetingen plaats, waar zowel de ministers van Buitenlandse Zaken van de NAVO als deze van de EU (inclusief van de vijf « neutrale » landen die niet bij de NAVO horen), deelnemen. Dergelijke ontmoetingen winnen steeds meer aan belang. Er wordt nu reeds voorgesteld om ook naar aanleiding van de top van Riga een gelijkaardige transatlantische ontmoeting te voorzien.
Tweede doelstelling : de voortzetting van de uitbreiding van de NAVO
Ook al wordt duidelijk gesteld dat tijdens de top van Riga geen beslissingen zullen genomen worden over de uitbreiding, toch zullen de nodige signalen gegeven worden voor de latere uitbreiding.
Elke uitbreiding van de NAVO is gestoeld op artikel 10 van het Verdrag : alleen Europese staten kunnen tot het Verdrag toetreden. De NAVO telt nu 26 leden. Dit cijfer kan tot 40 oplopen binnen enkele jaren. Naast de drie Memberschip Action Plan (MAP) landen, te weten Albanië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, en Kroatië, zijn er nog andere kandidaat-leden, zoals Servië — Montenegro, Kosovo, Oekraïne, Moldavië, Georgië, Armenië en Azerbeidzjan. Ook sommige neutrale landen in Europa, zoals bijvoorbeeld Finland, hebben hun interesse laten blijken.
Twee invalshoeken domineren de discussie over de uitbreiding van de NAVO : de klassieke invalshoek die stelt dat elke uitbreiding stoelt op artikel 5 van het Verdrag (iedere lidstaat zal een andere lidstaat die wordt aangevallen, bijstaan) en de andere invalshoek die uitgaat van de premisse dat de uitbreiding moet gezien worden als een ondersteuning van de aan de gang zijnde democratiseringsprocessen in een kandidaat-lidstaat. België steunt eerder de klassieke invalshoek, terwijl de Verenigde Staten het artikel 5 wel nog een centrale plaats toekennen, maar ook de tweede invalshoek naar voren schuiven. De Verenigde Staten wensen dan ook de uitbreiding vlugger te doen plaatsvinden omdat zij menen dat éénmaal een land toegetreden is tot het Verdrag, het democratiseringsproces beter kan ondersteund worden.
De heer Struye onderstreept dat de uitbreiding van de NAVO in ieder geval onderworpen is aan de goedkeuring van alle nationale parlementen. De vraag is dus of alle landen bereid zullen zijn om de uitbreiding van de NAVO steeds verder te zetten, hetgeen niet vanzelfsprekend is. Sommige landen wensen immers ook toe te treden tot de NAVO omdat zij het NAVO-lidmaatschap zien als de ideale toegangspoort tot de EU. Vandaar dat andere lidstaten bedenkingen hebben bij de toetreding van sommige kandidaten.
De drie MAP-landen hadden gehoopt op een uitnodiging naar aanleiding van de top van Riga, maar de meerderheid vond dat voorbarig. Alles wijst erop dat er wel een uitnodiging zal volgen voor de top van 2008, zodat de formele toetreding zal gebeuren tijdens de top van 2009, hetgeen ook de 60e verjaardagstop van de NAVO is. Deze top zal tevens het begin van een ander tijdperk inluiden omdat er dan ook een nieuwe president in de Verenigde Staten zal aangetreden zijn.
Voor de weigerachtige houding van de meerderheid met betrekking tot de MAP-landen werden een aantal verklaringen gegeven. Zo zouden de verkiezingen in die landen nog altijd niet volledig eerlijk verlopen; er zou nog te veel corruptie zijn of onvoldoende steun bij de publieke opinie. Zijn dat voldoende redenen ? De heer Struye pleit wel voor bedachtzaamheid gezien de globale instabiliteit binnen de Balkan regio.
Sommige landen hopen door de vertraging van de toetreding uiteindelijk een meer globale toetreding te bereiken als de rust in de regio wederkeert, terwijl andere landen vinden dat Kroatië nu al zou moeten kunnen toetreden. De stelling is dat de uitbreidingspolitiek performance based is (de criteria waaraan een kandidaat moet voldoen worden individueel beoordeeld) maar uiteindelijk wordt ervoor gezorgd dat een toetreding globaal verloopt omdat het niet aangewezen is om één land uit een regio voor het andere te laten toetreden.
De grootste gevoeligheden op het vlak van de uitbreiding stellen zich thans evenwel voor Oekraïne en Georgië.
Voor Oekraïne zijn de Verenigde Staten, Oekraïne zelf en de nabuurlanden voorstander van een vlugge toetreding. Dit stelt evenwel problemen omdat slechts 50 % van de bevolking van Oekraïne voorstander is (en de resterende 50 % echt tegenstander) en omdat de toetreding van Oekraïne uiteraard niet plaats vindt in een politiek vacuüm : Oekraïne in de NAVO heeft gevolgen voor de betrekkingen met Rusland.
Georgië wenst de klassieke procedure van het individueel partnerschap te verlaten om in de procedure van intensieve dialoog te treden, zijnde de eerste stap in het MAP. De Verenigde Staten verwijzen hierbij naar de fragiliteit van de gebeurtenissen in Georgië en menen dat de toetreding tot de NAVO de beste manier is om de democratie in Georgië te bestendigen en de markteconomie te bevorderen. Een basisvoorwaarde voor toetreding is steeds geweest dat een land pas kan toetreden indien alle grensconflicten zijn opgelost. Als deze theorie wordt aangehouden, zal Rusland nooit bereid zijn om de problemen in Abchazië en Zuid-Ossetië te helpen oplossen. Sommige landen menen daarom dat een toetreding tot de NAVO een goede zaak zal zijn, en zal bijdragen tot de oplossing van de interne grensgeschillen.
Alle 26 leden van de NAVO moeten de toetreding van Georgië goedkeuren. De druk om Georgië daadwerkelijk de eerste stap in de uitbreidingsprocedure te laten zetten, is groot. Evenwel, eens de eerste stap gezet, zijn verdere stappen moeilijk tegen te houden. Het hele geostrategisch evenwicht in Europa en in de wereld wordt door deze toetreding beïnvloed.
Derde doelstelling : de partnerschappen
In 1994, onder impuls van secretaris-generaal Willy Claes, heeft de NAVO het beleid inzake partnerschap ontwikkeld : eerst het Euro-Atlantisch partnerschap, samen met het partnerschap voor de vrede, vervolgens de Mediterrane dialoog, de NAVO — Rusland Raad, het partnerschap met Oekraïne, het Istanboel — initiatief, en dan ook de contacten met Argentinië, Mongolië, Australië en Japan.
Dit beleid heeft als doelstelling om de stabiliteitzone rond de landen van de NAVO uit te breiden omdat partnerschappen een element van goed nabuurschap zijn. Daarnaast speelt de politieke wil om bij te dragen tot de transformatie en democratisering van het leger in die landen en om de interoperabiliteit ervan te vergroten en een vertrouwensklimaat te scheppen, zodat hun bijdrage in vredesoperaties betrouwbaar is.
Het beleid inzake partnerschap wordt nu herzien en sommige landen zijn hierbij actiever dan andere.
Zo hebben de Verenigde Staten, en het Verenigd Koninkrijk recent een voorstel voor een « global partnership » ingediend dat een meer fundamentele hervorming van het beleid inzake partnerschap beoogt. In het voorstel wordt een onderscheid gemaakt tussen het partnerschap van de veiligheidsconsumenten en het partnerschap van diegenen die bijdragen tot de veiligheid. In plaats van een vijftal partnerschapinstellingen voor de consumenten, wordt geopteerd om de partnerschapinstrumenten toegankelijk te maken voor alle landen die het wensen, niet alleen de partnerschaplanden, maar ook Afghanistan, Irak en andere jonge democratieën die wensen deel te nemen.
Verder werd nog een voorstel ingediend om een NATO Security Provider Forum op te richten. Ingevolge dit voorstel zouden landen die substantieel bijdragen tot de wereldveiligheid, kunnen toetreden tot dit Forum. Landen die regelmatig bijdragen aan operaties van de NAVO, die een democratie zijn en waar de markteconomie geldt, zouden opgenomen worden in discussiefora. Aangezien sommige landen zich hebben uitgesproken tegen nieuwe instellingen, is de vraag hoe deze fora zullen plaatsvinden. Het gaat om occasionele vergaderingen onder verschillende vormen, van een aantal landen die dezelfde waarden delen.
Dit voorstel is geen initiatief dat alleen door de NAVO is genomen. Op 3 mei 2006 heeft de Japanse minister van Buitenlandse Zaken reeds een officieel bezoek aan de NAVO gebracht en daarbij openlijk belangstelling getoond om — op de een of andere manier — geassocieerd te worden met de werkzaamheden van de NAVO. Binnen afzienbare tijd zal ook zijn Egyptische collega de NAVO officieel toespreken.
De aantrekkingskracht van de NAVO wordt steeds groter. Er dringen zich een aantal definities met betrekking tot het nieuwe beleid inzake partnerschappen op, maar dat zal geen gemakkelijke discussie zijn. Nu wordt de term flexibel partnerschap gebruikt, zonder dat iemand een precieze definitie ervan geeft. De heer Struye verwijst hierbij naar de uitspraak in verband met de partnerschappen van de NAVO : « We do not want a global alliance, but an alliance of global partnerships ».
Vierde doelstelling : de operaties van de NAVO moeten succesvol zijn
Vanuit deze invalshoek bekeken, is de missie in Afghanistan een test van de geloofwaardigheid voor de NAVO. Afghanistan is symbolisch de eerste echte operatie out of area. Afghanistan is één van de meest onderontwikkelde landen en heeft een gemeenschappelijke grens met China en Pakistan en ligt dicht in de buurt van Rusland; met andere woorden, in het midden van één van de meest gevaarlijke veiligheidsplekken in de wereld. De missie van de NAVO in Afghanistan is stabilisatie.
De aanwezigheid in Afghanistan is wel geëvolueerd : oorspronkelijk was het een stabilisatie-opdracht zonder veel gevaar, terwijl het nu een counter insurgency warfare is geworden. Met de uitbreiding naar het zuiden van het land, zullen de troepen in gevechtzones opereren waar de mogelijkheid van slachtoffers groter wordt.
Voor Afghanistan zal dus de beslissing worden genomen dat het International Security Assistance Force (ISAF) onder NAVO-bevelhebberschap het hele grondgebied van Afghanistan bestrijkt. Eerst was er alleen de aanwezigheid in Kaboel, daarna heeft de NAVO de noordelijke zone overgenomen, vervolgens de westelijke zone, nu de zuidelijke zone om uiteindelijk ook de oostelijke zone op een later tijdstip (die nu volledig in handen van de VS is) over te nemen.
Als de NAVO de verantwoordelijkheid overneemt van het hele grondgebied in Afghanistan, mag er geen verwarring zijn tussen de twee operaties op het Afghaanse grondgebied : de VN-ISAF operatie en de Operation Enduring Freedom (OEF). Beide operaties blijven gescheiden, met een verschillend mandaat en verschillende rules of engagement. Het bevelscommando zal duidelijk gescheiden blijven : enerzijds het NAVO bevelhebberschap en anderzijds Centcom, het Amerikaans hoofdkwartier dat vanuit Qatar opereert.
Ook de KFOR operatie in Kosovo is geëvolueerd. Wat zal de rol van de NAVO zijn éénmaal de onderhandelingen beëindigd ?
De operatie Active Endeavour in de Middellandse Zee is zeer nuttig om bepaalde elementen van mogelijk vervoer van massavernietigingswapens te controleren, maar is geëvolueerd naar een meer en meer algemene controle van het maritiem vervoer.
De missie in Irak is een zeer kleine trainingsmissie, die kleinschalig blijft bij gebrek aan enthousiasme van heel veel landen. Er zijn slechts 184 mensen op het terrein aanwezig omdat veel landen weliswaar instemmen met het principe van de trainingsmissie, maar zelf er niet willen aan deelnemen. Er is geen enkele Belgische aanwezigheid op Irakees grondgebied.
Voor de operatie in Darfur is reeds logistieke steun gegeven, maar, volgens de heer Struye, zal deze operatie binnenkort in een stroomversnelling raken. In de VN-resoluties wordt het woord NAVO nooit vermeld (omwille van het verzet van Frankrijk), maar de NAVO voelt de druk om ook hier een grotere bijdrage te leveren. Het is wel zo dat de Afrikaanse Unie hier duidelijk zijn stempel wil drukken.
Vijfde doelstelling : de aanpassing van de militaire capaciteit
Dit punt betreft allerhande technische thema's over de opstelling van het leger en behoort voornamelijk tot de bevoegdheid van de minister van Landsverdediging.
Enkele voorbeelden van thema's zijn : Beschikken de NAVO-landen over voldoende strategische transportmiddelen of moeten er aangekocht worden ? Moet een dergelijke aankoop collectief dan wel individueel gebeuren ? Moeten de communicatiemiddelen gemoderniseerd worden ? Moeten we een fast track systeem aanschaffen ? Hoe kunnen we de superioriteit van de informatie behouden ? Moet het leger ook een element van wederopbouw van het land zijn ? Over dit laatste punt worden intense debatten gevoerd. De oud-koloniale mogendheden staan zeer weigerachtig tegenover dit laatste voorstel, terwijl de andere mogendheden het systeem van de Provinciale Reconstructieteams (PRT's) hebben bedacht. PRT's moeten de militaire instrumenten van beveiliging worden, al dan niet met de wederopbouwhulp van de NGO's en officiële hulporganisaties.
Ons leger werd geconcipieerd om ons eigen grondgebied te verdedigen met wapens die op Moskou gericht waren, terwijl het leger zich nu in heel andere omstandigheden moet opstellen, met andere logistiek en andere transportmiddelen, wat veel problemen doet rijzen qua aanpassing van de militaire capaciteit.
Conclusie
Op de achtergrond voelt men duidelijk dat een aantal fundamentele debatten binnen de NAVO moeilijk op te lossen zijn. Daarbij rijzen drie kernvragen.
De eerste kernvraag betreft de graad van veiligheidsbewustzijn die verschilt van land tot land. De tweede vraag gaat over hoeveel we bereid zijn voor onze veiligheid uit te geven. Sommigen stellen hier de vraag naar middelen voor ontwikkelingssamenwerking en preventieve diplomatie. De derde vraag is de vraag naar het meest gepaste instrument om bij te dragen tot de vrede hetzij het multilaterale, hetzij het bilaterale. Welke internationale instellingen kunnen best bijdragen tot de vrede of moet er meer nationaal gewerkt worden ? De meeste multilaterale instellingen bevinden zich in een fase van hervorming of crisis. Is het dan niet beter nationaal te blijven opereren ?
Deze thema's worden op het hoogste niveau op regeringsvlak besproken. Iedere topvergadering van de NAVO wordt voorbereid door een nota aan de Ministerraad waarbij de Ministerraad zich uitdrukkelijk uitspreekt over de te nemen opties. De ambassadeur voert de instructies van zijn regering enkel uit.
2.1.2. Gedachtewisseling
De heer Roelants du Vivier is van oordeel dat de doelstellingen van de top van Riga een uitgestrekt terrein voor politieke beslissingen bieden. Aangezien het daarbij om fundamentele keuzes gaat, is het goed dat het parlement de discussie aangaat.
Op vrijdag 5 mei 2006 heeft de kabinetschef van de minister van Landsverdediging tijdens een vergadering van het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen verklaard dat de minister een publiek debat over de rol van de NAVO in de toekomst, nodig vindt. De heer Régibeau heeft zich daarbij afgevraagd waarom de NAVO op sommige plaatsen opereert en op andere niet. Moet de NAVO actief zijn in Afghanistan, Irak en Darfur ? Is dit niet veeleer de rol van de VN ? Volgens de heer Régibeau zijn de slachtoffers van de Congolese burgeroorlog minstens even belangrijk. Waarom zouden we de NAVO bevoorrechten ten nadele van de EU die niet alleen militaire doeleinden heeft ?
De heer Galand onderstreept vooreerst dat België, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, niet opteert voor de term « oorlog » maar wel voor de term « strijd » tegen terrorisme, een strijd die met alle mogelijke politieke middelen moet gevoerd worden.
Spreker spreekt zijn ongerustheid uit over de visie dat de NAVO ook een beschavingsopdracht zou hebben. Dat concept behoort tot een ander geschiedkundig tijdperk en werd sedert het einde van de koloniale tijd afgezworen.
Volgens de heer Galand mag de NAVO niet gezien worden als de politieagent van de wereld. De NAVO heeft een specifieke functie en alle voorstellen voor uitbreiding moeten met voorzichtigheid worden benaderd. Uitbreiding veroorzaakt immers problemen. Binnen de NAVO bestaat de Europese identiteit. Veiligheid is niet alleen een militair concept of een beleid dat op één macht is gebaseerd, maar ook een concept, gebaseerd op samenwerkingsmechanismen en tussenkomst van verschillende modellen. De vraag is hoe de Europese identiteit kan worden versterkt en hoe aan de Amerikaanse hegemonie kan worden weerstaan. Bestaat er een Europese coherentie terzake ?
Elke uitbreiding van de NAVO doet problemen rijzen. Immers, uitbreiding betekent dat elke lidstaat een andere lidstaat zal bijstaan ingeval van een gewapende aanval (artikel 5 van het Verdrag). Er zullen dus bijkomende kosten zijn voor acties ter verdediging van mensen in, bijvoorbeeld, de Kaukasus. Werden deze bijkomende kosten reeds geëvalueerd ? Er worden steeds meer financiële inspanningen van de lidstaten gevraagd, zodat ook een debat over de financiering zich opdringt.
Wat de non proliferatie van nucleaire, chemische en bacteriologische wapens betreft, wenst de heer Galand te weten of het beleid terzake er alleen op gericht is om te verhinderen dat anderen tot de club toetreden dan wel om een ernstig antwoord te bieden op de vraag naar de afbouw ervan zodat de planeet een stukje veiliger wordt voor iedereen.
De heer Dubié wenst vooreerst te weten of de transformatie van de NAVO moet worden gezien binnen de bestaande 14 artikelen van het Verdrag dan wel of het Verdrag zelf wordt herzien.
Wat de strijd tegen terrorisme betreft, is de heer Dubié verheugd dat het duidelijk niet om een « oorlog » gaat voor België, maar wel om een « strijd » en dat ook de oorzaken van terrorisme aangepakt moeten worden.
Toch is spreker enigszins ongerust omdat de agenda ook voorziet in de aanpassing van de militaire capaciteit, wat over het algemeen een gevoelige stijging van de militaire uitgaven tot gevolg heeft. Hij wijst dan ook op de incoherentie van de aanpak : de globale militaire uitgaven in de wereld bedragen nu reeds 1 000 miljard dollar waarvan de helft voor rekening van de Verenigde Staten, terwijl de uitgaven van de overheden voor ontwikkelsamenwerking slechts 60 à 80 miljard bedragen. Terwijl we allemaal weten dat de voornaamste oorzaak die terrorisme voedt, de enorme ongelijkheid in de wereld is (de tweede oorzaak zijn de onopgeloste conflicten die de rechtvaardiging vormen voor sommige terroristen).
Wat stelt de NAVO voor om het hoofd te bieden aan de nucleaire dreiging ? Tot op heden was het beleid inzake nucleaire wapens gestoeld op het principe van het evenwicht van de afschrikking. Dit strategisch concept is geëvolueerd en de mini nukes worden door de Verenigde Staten als quasi conventionele wapens gezien. Spreker meent dat de veiligheid van zijn land en de toekomst van de mensheid in gevaar is, indien de Verenigde Staten dergelijke mini nukes gebruiken in Afghanistan.
Wat doet de NAVO terzake ? Overeenkomstig artikel 4 van het Verdrag zijn alle lidstaten evenwaardige partners, maar geven we er ons uiteindelijk rekenschap van dat dat niet het geval is ? Momenteel wordt het concept van de militaire veiligheid van de NAVO, gedomineerd door de Verenigde Staten, uitgebreid tot heel de wereld. Hoe zullen landen als China en Rusland hierop reageren ?
Ten slotte verwijst de heer Dubié naar Soechoemi, de hoofdstad van Abchazië, en de duizenden Georgische vluchtelingen. Deze stad is volledig vernield. Kan de NAVO verder uitgebreid worden tot daar met het potentieel gevaar van de aanwezigheid van die verdreven Georgiërs uit Abchazië die nu willen terugkeren ? Willen we sterven voor Soechoemi ?
Dergelijke vragen verdienen een antwoord alvorens de regering enig standpunt inneemt op de top van Riga.
Mevrouw Annane peilt naar de inhoud en de draagwijdte van het woord « globaal ». Dit woord wordt te pas en te onpas gebruikt; het wil alles en niets zeggen.
Tijdens een mondelinge vraag (nr. 3-1112) heeft mevrouw Annane aan de minster van Buitenlandse zaken gevraagd om de nuance te verduidelijken tussen een globale alliantie en een alliantie met globale partners. De minister heeft in zijn antwoord vooral aangehaald dat de NAVO na de gebeurtenissen van 11 september, naar een meer globale benadering van de veiligheid streeft, onder impuls van de Verenigde Staten. Uit de uiteenzetting van de heer Struye leidt mevrouw Annane af dat het om meer dan dat gaat. Het woord wordt ook gebruikt voor de uitbreiding van de partnerschappen. Komt men op die manier niet tot een flauw afkooksel van de alliantie ?
Mevrouw Annane is overtuigd van het nut van de partnerschappen. De hervorming van de legers in die landen heeft effectief geleid tot democratisering in het leger. De heer Struye heeft ook melding gemaakt van een nieuw concept van uitgebreide NAVO. Kent de NAVO in feite niet dezelfde evolutie als de EU ? Als er problemen rijzen waarvoor geen oplossing voorhanden is, dan worden nieuwe concepten gecreëerd. Zo werd reeds het partnerschap met de landen van de Middellandse Zee gecreëerd, daarna kwam het beleid inzake nabuurschap waarbij eerst de landen uit het Oosten werden betrokken, daarna de landen van de Middellandse Zee. Uiteindelijk vindt niemand zich nog erin terug.
Mevrouw Annane wenst ook nog te weten of er nu al is voorzien in mechanismen van consultatie en verdediging indien Iran een lid van de NAVO zou aanvallen. Welke samenwerking tussen de geallieerden is er ? Is dit reeds bedsproken ? In feite wordt hier de vraag naar het nut en de efficiëntie van het defensiesysteem gesteld.
Mevrouw de Bethune vraagt of er zich clusters van landen hebben gevormd voor het beantwoorden van de drie kernvragen. Is er enige vorm van cohesie binnen de landen van de EU ? Wat is de Europese lijn voor de top van Riga ?
Een tweede vraag betreft de verhouding tussen de NAVO en de VN. De VN geeft een wettelijk kader aan elke missie van de NAVO. Indien echter de partnerschappen worden uitgebreid, wordt de NAVO dan niet eerder een middel om landen die in de VN over een veto beschikken, te omzeilen ?
Wat de uitbreiding van de NAVO betreft, vraagt mevrouw de Bethune zich af of er zich bepaalde doctrines aftekenen, net zoals er zich doctrines beginnen af te tekenen over de uitbreiding van de EU.
Mevrouw de Bethune wenst ook meer uitleg over de verhouding van de NAVO met China.
Een laatste vraag van het commissielid betreft de financiering van de NAVO. De regel is dat het land dat de operaties voert, ook de grootste kost ervan draagt. Bestaat de vraag naar een ander financieringssysteem van de operaties ?
De heer Roelants du Vivier verwijst naar de relatie tussen de NAVO en de Verenigde Staten.
De NAVO wil haar politieke coördinatie ontwikkelen en de politieke dialoog binnen de NAVO verdiepen. Wat is de positie van de EU terzake ? Spreker onderstreept het belang van een consensus alvorens de missies van de NAVO uit te breiden. Hoe zal de dialoog worden gestructureerd om een betere cohesie tussen Europa en de Verenigde Staten te verzekeren ? Welke densiteit van politieke dialoog is nodig om een nieuwe breuk tussen Europa en de Verenigde Staten te voorkomen.
Elke buitenlandse politiek van een land is gebaseerd op de belangen van dat land. Wat zijn de voordelen voor België van de hervorming van de NAVO, zowel op politiek als op militair vlak ?
Antwoorden van de heer Struye de Swielande
De analyse van mevrouw Annane over het actuele spel van de internationale instellingen is zeer pertinent. Er heerst inderdaad meer verwarring dan klaarheid. Het woord « globaal », net zoals het woord « globalisatie », bieden slechts een verpakking zonder de gekende inhoud.
Het woord « globaal » verwijst naar de noodzakelijke globale visie over veiligheid. Op zich is veiligheid ook een vaag concept. Veiligheid betreft zowel de demografische evolutie als de honger in de wereld, maar ook de evolutie van de petroleumreserves en dergelijke. Aangezien de NAVO zich niet richt op de binnenlandse politiek van een land, maar wel op mondiale geostrategische problemen, moet het woord « globaal » dus gezien worden als een meer globale visie van de wereld.
Alle internationale instellingen vertonen de tendens tot uitbreiding, niet alleen inzake lidmaatschap, maar ook inzake bevoegdheden. Er heerst een soort beauty contest tussen al de instellingen. De indruk overheerst dat telkens wanneer de EU iets onderneemt, de NAVO (en dus ook de Verenigde Staten) meent te moeten volgen. Het is evenwel uiterst moeilijk om al die internationale instellingen te kanaliseren, beter te dirigeren en te concentreren op hun specifieke domeinen.
Volgens de heer Struye is de NAVO een politiek-militaire instelling die zich ook militair-politiek moet concentreren.
Denemarken stelt dat alles samengevoegd moet worden; Canada meent dat de 3 D's (Defence, Diplomacy, Development) beter moeten samenwerken. De vraag wie wat precies doet, is niet steeds gedefinieerd.
De PRT's worden geacht tezelfdertijd een beveiliging, een stabilisator en een pool van ontwikkeling te zijn. Moeten de officiële ontwikkelingsinstellingen bruggen en wegen bouwen of kan dit ook aan militairen worden gevraagd ? Kan het leger een hospitaal inrichten wanneer militairen ter plaatse zijn ? Er is een gebrek aan klaarheid waaronder iedereen lijdt.
Ook het partnerschap is een concept dat momenteel opgang maakt. In feite stellen we een herhaling en opeenvolging van concepten overal ter wereld vast, met heel wat discussies tot gevolg omdat niemand nog weet wat wordt gedaan.
Een voorbeeld : België verzet zich sterk tegen het luik wetenschappelijke samenwerking van de NAVO terwijl andere landen het project « Silk Road » genegen zijn omwille van de te behalen voordelen. België wil dan veeleer dat de NAVO zich concentreert op de verbetering van de legers in de zin van de democratisering ervan en de burgerlijke controle erop, met een vermindering van de budgetten voor defensie en een vermindering van de omvang van het leger om te komen tot een leger dat aangepast is aan de noden van het land.
Het woord « transformatie » wordt inderdaad gebruikt met betrekking tot de top van Riga, maar is niet officieel goedgekeurd. Er is ook geen sprake van om het Verdrag van Washington te wijzigen. Trouwens, elke wijziging ervan zou gigantische parlementaire debatten tot gevolg hebben.
Aangezien het Verdrag onveranderd blijft, is een uitbreiding van de NAVO buiten de grenzen van Europa ondenkbaar. De drie landen van de Kaukasus vallen wel binnen de grenzen van Europa.
Het laatste strategisch concept werd opgesteld in 1999; om de 4 à 5 jaar zullen nu ook « comprehensive political guidance » worden opgesteld. Daarnaast zijn er de tweejaarlijkse ministeriële richtlijnen. Er zijn dus verschillende niveaus van systemen, maar niemand raakt aan het Verdrag. De heer Struye voegt er hier aan toe dat tijdens vergaderingen van de NAVO soms blijkt dat heel wat aanwezigen de bepalingen van het Verdrag niet kennen, zelfs nooit gelezen hebben.
Spreker verwijst hierbij naar artikel 8 dat bepaalt dat de NAVO verplicht is elke gewapende aanval en alle dientengevolge genomen maatregelen terstond ter kennis te brengen van de Veiligheidsraad. Het artikel bepaalt ook dat deze maatregelen worden opgeheven zodra de Veiligheidsraad de nodige maatregelen heeft genomen om de internationale vrede en veiligheid te herstellen en te handhaven.
Volgens de heer Struye is het Verdrag helder, zeer leesbaar en toch op sommige essentiële punten onvoldoende gekend.
Wat de financiering van de NAVO betreft, onderstreept de heer Struye vooreerst de basisregel van de NAVO. Deze regel bepaalt dat « costs lie where they fall « behalve voor de gemeenschappelijke kosten van de hoofdkwartieren. Voor de financiering van de gemeenschappelijke kosten geldt een bijdragesleutel die meer en meer in functie van het BNP van het land wordt berekend. België heeft recent een vermindering van de bijdragesleutel verkregen : de bijdragesleutel bedroeg 3 % en zal over een periode van 10 jaar tot 2 % verminderd worden. Met andere woorden, om de 2 jaar wordt 0,2 % afgetrokken.
De heer Struye wijst op de tendens om bepaalde kosten gemeenschappelijk te maken om aldus de efficiëntie van de missies te vergroten. Immers, meer landen die deelnemen aan een missie (zoals in Afghanistan) vereisen een geïntegreerd commando, met het noodzakelijk instrumentarium, vooral inzake communicatie, wat een bepaalde kostprijs tot gevolg heeft. Een andere gewenste gemeenschappelijke kost zijn de hospitalen. Een hospitaal kost ongeveer 18 miljoen euro.
Het probleem van de financiering van de NAVO zal zich in de komende maanden wel scherper stellen. In België wordt dit des te scherper aangevoeld, omdat iedere verhoging zich afspeelt binnen de vaste federale begroting van Landsverdediging. Heel veel landen volgen een ander systeem en plaatsen hun operaties buiten de begroting van Landsverdediging. Zo krijgen zij quasi automatisch bijkomende kredieten voor hun operaties.
Militaire experten van de NAVO geven de volgende verdeling voor een gezonde begroting van Landsverdediging : 50 % voor personeelskosten, 25 % voor investeringen en 25 % voor operaties. In België wordt ongeveer 70 % van de begroting aan personeel besteed.
Wat de NAVO-uitgaven betreft, stelt de heer Struye vast dat in de voorbije jaren de uitgaven binnen de budgettaire grenzen gehandhaafd blijven. Het investment programme is de laatste vier jaar niet gestegen. Trouwens, de uitbreiding van de NAVO is een politieke daad, maar kost niets omdat elke lidstaat verplicht is om zijn bijdrage te doen. Het zijn vooral de missies van de NAVO die veel geld kosten.
In Afghanistan verzwakt de aanwezigheid van de VN en gaat men ervan uit dat de NAVO het zal overnemen. Deze missie werd dus door de VN beslist en zal door de NAVO worden uitgevoerd. De operatie in Afghanistan is kostelijk, zowel voor wat de 300 soldaten ter plaatse betreft als het algemeen hoofdkwartier en de uitbreiding en verbetering van de communicatie- en transportmiddelen tussen de vier grote zones. Een soldaat in Afghanistan kost ongeveer twee keer zoveel als een soldaat in Kosovo.
De term budgettaire overschrijding wordt door sommigen gebruikt, terwijl in feite België steeds zijn akkoord heeft gegeven voor elke uitgave van de NAVO. Trouwens, de laatste jaren werd het budget van de NAVO niet verhoogd, wat in de toekomst wel het geval zal zijn, gezien de lopende operaties.
Het probleem van de nucleaire dreiging wordt zelden besproken binnen de NAVO. De basistheorie van de NAVO blijft in ieder geval ongewijzigd : het nucleaire is vooreerst een politiek instrument. Het gebruik ervan is in ieder geval afhankelijk van een aanval door derden.
Het probleem waarnaar de heer Dubié heeft verwezen, bestaat bij één van de partners, maar dit verandert niets aan de basistheorie van de NAVO, die ook niet ter bespreking voorligt. De evolutie in de nucleaire mentaliteit van de Verenigde Staten wordt niet getransponeerd naar de NAVO.
Volgens de heer Dubié getuigt het van hypocrisie dat het orgaan dat alle partners verenigt, geen discussie wijdt aan het probleem dat door zijn gedragingen, de voornaamste partner naar een doctrine evolueert die volledig in tegenstelling is met de officiële doctrine.
De heer Struye onderstreept dat de NAVO een instelling is, gebaseerd op regels die niet verhinderen dat een lidstaat ook individueel optreedt.
Wanneer België beslist om een missie in Congo te voeren, dan wordt de Alliantie niet noodzakelijk hierover verwittigd. Wanneer België zou beslissen om een land (zuiver theoretische hypothese) aan te vallen, dan is dit wel in strijd met het internationaal recht, maar de NAVO kan dat niet formeel beletten. Zo behouden ook de Verenigde Staten hun onafhankelijkheid. De doctrine van de NAVO bindt het land niet in al zijn handelingen. Evenwel, wanneer de Verenigde Staten handelen binnen het kader van de NAVO, dan moeten zij zich houden aan de regels van de NAVO. Niets belet hen evenwel om buiten het kader van de internationale organisaties te opereren. Het is niet omdat een land toegetreden is tot de NAVO dat het geen individuele acties meer kan ondernemen. Trouwens, de Verenigde Staten hebben nog andere verdragen afgesloten buiten de NAVO, zoals met Japan.
Wat de vraag over de clusters binnen de NAVO betreft, stelt de heer Struye dat de EU as such niet bestaat binnen de NAVO. Er is nooit een vergadering van de EU-landen binnen de NAVO. Er zijn wel andere clusters, zoals deze van de recent toegetreden landen die veel gemakkelijker de Amerikaanse lijn volgen dan de traditionele landen die eerder hun onafhankelijkheid tonen.
Soms tekenen zich andere groepen af, zoals de noordelijke landen, de Beneluxlanden, de landen van het Eurocorps, omdat die landen dezelfde mentaliteit hebben. De meeste consultaties voor België verlopen met Duitsland, Frankrijk en Spanje. Italië (na de laatste verkiezingen) zal zich eerlang bij die groep voegen. Iedereen is altijd verplicht te onderhandelen met het Verenigd Koninkrijk omdat zij de best geïnformeerde zijn en over de beste diplomatie beschikken.
Persoonlijk steunt de heer Struye de idee van een politieke Europese identiteit binnen de NAVO, zodat de EU-landen zich zouden uitspreken op basis van hun gemeenschappelijke buitenlandse politiek. Dit is niet altijd gemakkelijk omdat een aantal grote mogendheden van tweede rang toch hun autonomie binnen de NAVO willen behouden.
Een militaire Europese identiteit binnen de NAVO vereist wel de nodige middelen van de EU. Momenteel is de begroting van de Verenigde Staten voor defensie groter dan 17 volgende militaire budgetten samen in de wereld. Of we meer moeten investeren in een Europese defensie is een goede vraag. Dit is ook een politiek belangrijk debat waar de heer Struye geen stelling in kiest.
Wat de relatie tussen de NAVO en de VN betreft en de potentiële mogelijkheid om de VN te omzeilen, wijst de heer Struye op het feit dat de Verenigde Staten momenteel geen groot vertrouwen hebben in de VN en de NAVO weer ontdekt hebben. De politiek van de Verenigde Staten is evenwel zeer cyclisch en de huidige regering is niet representatief voor heel de lijn van de Verenigde Staten.
Persoonlijk heeft de heer Struye de indruk dat de Verenigde Staten de NAVO, net zoals het IMF, de Wereldbank en de OESO, wensen om te vormen tot een para-VN instelling waar hun invloed, wegens bepaalde mechanismen, prevaleert. Die gedachtegang wordt niet gedeeld door de andere landen. De twee uiterste polen binnen de NAVO zijn altijd Frankrijk en de Verenigde Staten. België opteert meestal eerder in nabijheid van de Franse visie.
De grenzen van de uitbreiding liggen vervat in artikel 10 : er is geen uitbreiding tot buiten de grenzen van Europa mogelijk, maar dat sluit niet uit dat er toch pogingen zullen worden ondernomen. Om artikel 10 te wijzigen is wel altijd de toestemming van alle parlementen nodig.
Europa wordt gedefinieerd als het geografisch Europa : Rusland zou lid van de NAVO kunnen worden, Turkije is al lid, maar de uitbreiding kan niet verder dan de Kaukasus gaan en dus ook niet de landen van de Middellandse Zee, zoals Marokko, omvatten. Kazakstan blijft een land van de partnerschappen.
Wat Soechoemi, de hoofdstad van Abchazië, betreft, moeten de politieke verantwoordlijken dus de keuze maken of de inwoners van Soechoemi het waard zijn om in een democratische alliantie te stappen, zodat, ingeval van agressie tegen hen, de alliantie hen zal bijstaan. De heer Struye onderstreept dat hij alleen het probleem heeft voorgelegd en geen stelling heeft ingenomen.
Binnen de NAVO wordt momenteel niet gesproken over Iran omdat het ogenblik ook niet opportuun is. Voor de kwestie Iran geldt nu de diplomatieke fase en het plaatsen op de dagorde van de NAVO zou als een militair signaal worden gezien.
De heer Roelants du Vivier leidt hieruit af dat de kwestie Iran wellicht niet besproken wordt op het niveau van de ambassadeurs bij de NAVO, maar de militairen binnen de NAVO moeten toch wel allerhande hypothesen hebben bestudeerd, zoals een mogelijke bedreiging of aanval van Iran op een land van de Alliantie, en het antwoord op die hypothesen.
De heer Struye antwoordt dat binnen de NAVO alle mogelijk denkbare hypothesen worden bestudeerd, met voorbereide plannen als antwoord erop, zelfs voor ondenkbare aanvallen van onbekende landen. Dit is boven al geruststellend.
China heeft pas contacten met de NAVO gelegd na het Amerikaans bombardement in Belgrado dat bij toeval de Chinese ambassade heeft geraakt. China heeft de secretaris-generaal van de NAVO reeds uitgenodigd en het land volgt de activiteiten van de NAVO op de voet, ook al omdat Japan toenadering zoekt. China zoekt wel geen actief contact met de NAVO en wordt ook niet als een bedreiging van de internationale vrede beschouwd.
De heer Struye kent de stelling van België over de beschavingsmissie van de NAVO zeer goed, maar heeft alleen de theorie van sommige lidstaten willen ontvouwen die menen dat de NAVO de democratie moet exporteren. Volgens de internationale regels geldt wel het principe van de niet-inmenging in binnenlandse aangelegenheden. De Verenigde Staten hebben de duidelijke intentie om bepaalde bewegingen in sommige landen actief te steunen met alle mogelijke middelen.
De NAVO is waarschijnlijk onvoldoende uitgerust voor een biologische en/of chemische oorlog.
Wat het belang van de evolutie betreft, moet de NAVO blijven wat ze is, te weten een instelling gebaseerd op artikel 5. Gezien de militaire middelen van de NAVO ontwikkelt zich wel een tendens om een meer actieve actor te zijn voor een bijdrage tot de vrede en in de mondiale veiligheidpolitiek. Het Verdrag sluit deze benadering niet uit en de NAVO kan deze rol op zich nemen binnen het kader van de VN.
De vraag is of het leger alleen op Belgische of Europese bodem moet opereren. Kan het leger ingezet worden voor veiligheidsoperaties buiten het grondgebied wanneer de VN dit toestaat of uitdrukkelijk vraagt ? Er bestaan nu reeds VN-resoluties die de internationale instellingen uitdrukkelijk verzoeken zich in een aantal operaties te betrekken. België is steeds de grote pleitbezorger van de VN geweest. Kunnen we dan afwezig blijven bij dergelijke oproep van de VN ?
De NAVO heeft ook als bestaanreden om bij te dragen tot de veiligheid. Bijdragen tot de vrede in Afghanistan is indirect een wijze om bij te dragen tot onze eigen veiligheid omdat aldus het gevaar van terrorisme kan verminderen. Veiligheid is geen zaak van eigen grenzen, maar ook van het creëren van veiligheid in het buitenland om ontwikkeling van terrorisme te vermijden. Over de limieten en de modaliteiten zijn uiteraard nog veel debatten te voeren.
2.2. Hoorzitting met de heer De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken en met de heer Flahaut, minister van Landsverdediging (samen met de commissies voor de Landsverdediging en voor de Buitenlandse Betrekkingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers)
Zie : integraal verslag, stuk Kamer, CRIV 51 COM 986.
2.3. Hoorzitting met de heer Demoulin, attaché bij de Militaire School
2.3.1. Uiteenzetting door de heer Demoulin
De belangen rond de euro-atlantische organisatie moeten worden uitgeklaard in het licht van de vele politieke en militaire gebeurtenissen van de jongste jaren.
Regelmatig hoort men de vragen naar de toekomst van de NAVO, naarmate er nieuwe actoren opduiken, er plotse crisissen of politieke meningsverschillen tussen Lidstaten ontstaan. Die vele vragen, die de diplomaten, de strategen en de internationalisten werk bezorgen, worden echter nooit volledig opgehelderd.
De geschiedenis van de euro-atlantische organisatie, die haar legitimiteit heeft geput uit de verdediging van het territorium en uit de verdediging van democratie en individuele vrijheden, was er ook een van talrijke psychodrama's, interne verscheurdheid, met op de achtergrond internationale crisissen en spanningen. De Alliantie wordt regelmatig op de korrel genomen, maar blijft tegen wil en dank ook vandaag nog het symbool van een « westerse » identiteit en van een « euro-transatlantische » ruimte, die het pure concept van de collectieve verdediging overstijgen. De NAVO plooit, maar breekt niet. Men kan hem steunen of hem contesteren, maar geen enkele hoofdstad wil hem kwijt.
Vandaag staat het machtigste militaire bondgenootschap dat de aarde ooit heeft gekend nog steeds vooraan op het toneel, waarbij het « vrijwillig » toeschouwer is bij nieuwe vragen over zijn profiel, zijn nieuwe opdrachten, zijn diverse aggiornamento's.
De voorbereiding van de top van Riga in november 2006 kondigt reeds min of meer gedempte meningsverschillen aan over wat er bij de organisatie op het spel staat. Is er alweer een nieuwe hervorming van de Alliantie noodzakelijk ? Onder welke voorwaarden, tegen welke politieke en economische prijs is ze wenselijk voor de Bondgenoten die er deel van uitmaken ?
De NAVO heeft ongetwijfeld andere hervormingen beleefd en is het telkens eens kunnen worden over nieuwe aanpassingen, onder druk van zowel de omstandigheden — einde van de koude oorlog, gevolgen van de oorlogen op de Balkan, de aanslagen van 11 september — maar ook van de politiek-strategische omwentelingen veroorzaakt door het « machtiger worden » van de EU, de « parallelle » uitbreidingen en de Amerikaanse wereldstrategie.
De twee grote hervormingen van de NAVO — die na het einde van de koude oorlog en die als gevolg van de mega-aanslagen van 11 september — hebben de lidstaten, waaronder België, ertoe gebracht volgende aanpassingen goed te keuren :
— de deelname van de NAVO aan operaties van vredeshandhaving, onder het gezag van de VN-Veiligheidsraad, dus buiten haar actiegebied, wat tien jaar later op de top van Praag bevestigd werd;
— de aanpassing van de politiek-militaire structuren, zodat rekening werd gehouden met de overgang van de veiligheidsdoctrine naar de mobiele strategie;
— het tot stand brengen van Combined Joint Task Forces (CJFT) in het samenwerkingsverband NAVO-EU met het zogenaamde Berlijn Plus akkoord; de NAVO staat hierbij toe dat middelen en eenheden van de Alliantie worden ingezet bij missies van de EU indien de Atlantische organisatie niet geïnteresseerd is. Permanente regelingen die in zekere zin vooruitlopen op een vorm van afhankelijkheid in eenheden die de weerspiegeling is van het verschil in strategische middelen tussen de geïntegreerde organen en middelen van de NAVO en het EVDB (EU);
— de uitbreiding van de geografische zone van de NAVO via het integreren van landen in Centraal- en Oost-Europa, gebruik makend van de wachtkamers van de Alliantie zoals de NASR (omgevormd tot de EAPR) en het Partnerschap voor de vrede; fora die overigens helpen bij het verwerven van de NAVO-doctrine, de culturele « habitus », de militaire en technische bijstand, waaronder de verkoop van overwegend Amerikaans materieel aan die toekomstige bondgenoten;
— het aannemen van het nieuw Strategisch Concept van de Alliantie op 24 april 1999, waarin de nieuwe veiligheidsuitdagingen, te weten de regionale onstabiliteit als gevolg van etnische en religieuze spanningen, de schendingen van de mensenrechten, de territoriale conflicten of de ontbinding van Staten, zijn opgenomen;
— de oprichting van de « Nato Response Force » (NRF), een uiterst reactief middel tegen de nieuwe dreigingen en het symbool voor de Europese bewustwording dat de nationale militaire middelen geherstructureerd dienen te worden uitgaande van een strategische reflectie door Washington over de middelen die moeten worden aangepast aan de nieuwe transatlantische veiligheidsuitdagingen.
Al die politiek-operationele en doctrinaire veranderingen kwamen niet zonder slag of stoot tot stand. Er ontstonden bepaalde politieke en ideologische rivaliteiten rond de toekomst van het « NAVO-object », in een tweeslachtig reflectie- en gezichtsveld.
Enerzijds is er sprake van marginalisering wanneer de Alliantie wordt gezien als een dwangmiddel en een bureaucratische hinderpaal van de Verenigde Staten, zoals dat bijvoorbeeld het geval was bij de splitsing van de strijdkrachten naar gelang van de missies in Afghanistan of in de jaren 90 met de strategie van de bombardementen in Kosovo en in Servië. Het gezamenlijk en geleidelijk handelen dat de meest Europees gezinde landen wensten, alsook de politieke, ethische en militaire kritiek over de keuze van bepaalde doelwitten door de Contactgroep, botsten toen met de Amerikaanse Jomini-strategie van de brutale vernietiging. Het belangrijkste verschil tussen Europeanen en Amerikanen gaat ook vandaag nog over de wetten en regels van de beheersing van militair geweld.
Anderzijds kan het debat over een vorm van « te grote zichtbaarheid » gaan, als gevolg van de opvatting van de organisatie hetzij als een gereedschapskist, een verstrekker van samenwerking en een strijdkrachtenmultiplicator, hetzij als een emblematische organisatie voor asymmetrische opdrachten in alle mogelijke richtingen.
Al naargelang de omstandigheden en de lezing, kon de NAVO met andere woorden worden gezien als een organisatie met een grote diplomatieke en operationele soepelheid, of integendeel, als een organisatie die ondermijnd werd door de Amerikaanse wil er geen gebruik van te maken wanneer de geopolitieke lezing in het Witte Huis andere diplomatiek-strategische houdingen oplegt.
Om het allemaal nog complexer te maken, kon het er voor de NAVO-bureaucratie en de lidstaten ook om gaan, uit geloofwaardigheidsoverwegingen, aan te dringen op :
— steun à la carte, zoals bleek uit de logistieke steun aan de Poolse strijdkrachten in Irak vanaf de zomer van 2003;
— getrouwheid aan de verbintenissen, zoals blijkt uit het dossier Irak in zijn naoorlogse fase;
— een soepele constructie van een ad hoccoalitie van vrijwilligers, zoals gebleken is uit de eerste verbintenissen in Afghanistan;
— een goed geolied pressieproces op de onwillige Bondgenoten, met als voorbeeld het standje voor de kleine landen of de klassieke « afzondering » van Frankrijk bij beslissing genomen in het raam van het Defence Planning Committee (DPC) met 18 leden zonder Frankrijk, toen er moest worden beslist over militaire steun voor Turkije voor de operatie « Iraqi Freedom ». Parijs heeft toegegeven dat het zelf de vergadering van de achttien lang voor de crisis heeft voorgesteld, om niet te worden betrokken bij het militaire proces van de Atlantische Alliantie;
— het zichtbaar maken van capaciteit, die gedeeltelijk wordt getemperd door enige verminderde interoperabiliteit, omdat de Amerikaanse bevelstructuren op het slagveld zelf niet automatisch naar de NAVO-standaarden en -normen werken, terwijl 92 % van de Amerikaanse strijdkrachten geen organische banden met de NAVO hebben;
— een teller van de reële middelen en van het beginsel van de realiteit, waardoor het heel vaak dezelfde eenheden zijn en zullen zijn die zullen worden ingezet onder « verschillende emblemen » (EU of NAVO), naar gelang van de omstandigheden. En hoewel het spel van de « onderhuidse concurrentie » en van de « concurrentiële complementariteit » bij momenten op subtiele wijze blijft bestaan tussen de bureaucratieën van beide organisaties, zoals dat overigens het geval was in de periode van de overvleugeling van de WEU door de NAVO in het begin van de jaren 90, zal het realiteitsbeginsel ervoor zorgen dat de « rustige » complementariteit de bovenhand haalt.
Op naar een derde hervorming ?
De derde hervorming die rond Riga en de laatste top van het tijdperk van Bush junior, die in de lente van 2007 is gepland, is aangekondigd, moet aanvankelijk over de vragen rond het al dan niet institutionaliseren van de nieuwe wereldwijde partnerschappen gaan : de twee andere dossiers — modernisering rond de NRF en de toekomstige uitbreidingen (Kroatië, Macedonië, Albanië) — zijn veeleer recurrente dossiers.
Verscheidene lidstaten, parlementairen, politieke partijen, onderzoeksinstituten en NGO's hebben zich het thema echter eigen gemaakt, waarbij ze een reeks fundamenteel geachte vragen over de toekomst van de Atlantische organisatie voeden :
— over de uitbreiding van de NAVO-opdrachten op humanitair gebied, ten koste van de VN-prerogatieven en de bevoegdheden van de Unie, in zoverre dat men zich voorstelt dat de Alliantie op termijn een « Veiligheids-VN » wordt of een verwaterde organisatie;
— over de verwarring in de toespraken tussen « l'OTAN n'a ni l'intention ni la capacité de jouer la police du monde » en « l'Alliance doit avoir vocation à exporter la sécurité tous azimuts, là où cela sera nécessaire » of nog « l'OTAN n'est pas le gendarme du monde » volgens Jaap de Hoop Scheffer en « l'Alliance est devenue plus que jamais une organisation globale au XXIe siècle », of, « l'OTAN doit contrôler l'extension des menaces (1) partout dans le monde » volgens generaal James Jones SACEUR en ten slotte « il n'est pas question de mondialiser l'OTAN, mais de tisser des liens avec des partenaires mondiaux » volgens Victoria Nuland, ambassadeur van de Verenigde Staten bij de Alliantie.
— over het subtiele onderscheid tussen « wereldwijde alliantie » en « alliantie met wereldwijde partners » in de wereld, een soort Alliantie van Vancouver tot Vladivostok, van Hobart tot Seoel; nieuwe ruimten die bepaalde Europese bondgenoten (2) zorgen baren of voor het idee orde op zaken te stellen door de mazen van het net te verkleinen, zoals de eerste minister Guy Verhofstadt dat wenst, die wil dat « de imbroglio van samenwerkingen, partners en contactlanden » gestroomlijnd wordt tot « een echt Wereldveiligheidsnet » (3) ;
— betreffende meer bepaald de oprichting van nieuwe categorieën partnerlanden, en de voorstellen van Japan, Australië, Finland, Zweden, Nieuw-Zeeland, Zuid-Korea;
— betreffende het onderscheid dat sommige politieke partijen maken tussen twee pijlers, een Europese en een Amerikaanse NAVO, omdat de waarden te tegengesteld zouden zijn en zij daarom verschillende besluitvormingsmechanismen wensen;
— betreffende het beperken van het NAVO-optreden tot het louter militaire aspect, omdat « de militaire operaties bepalend zijn voor de geloofwaardigheid van het Bondgenootschap », zoals de Fransman Philippe Douste-Blazy argumenteerde (4) ;
— betreffende nieuwe interventiezones, in Afrika bijvoorbeeld, waar men stuit op de prioriteiten die Europa heeft vastgesteld voor het Afrikaanse continent, en op de Afrikaansgezinde verworvenheden en tradities van sommige EU-lidstaten;
— betreffende het overmatig gebruik van de procedure van het stilzwijgen in sommige omstandigheden (Irak, 2003);
— betreffende de proefballon van de generaal James Jones SACEUR, namelijk dat « indien een of ander land zich onthoudt, dit de meerderheid er niet van moet beletten om te doen wat zij wil (...) in het Atlantisch kader », met ander woorden, dat men van de consensusregel overstapt naar de « contructieve onthouding » (5) ;
— betreffende het financieren door de NAVO van privé-bedrijven voor de bewaking van sommige militaire opleidingscentra zoals in Irak;
— betreffende de juridische, semantische en ethische betekenis die men dient te geven aan de strijd tegen het terrorisme;
— betreffende de militaire definitie van politionele of humanitaire opdrachten;
— betreffende de mogelijke verwarring omtrent de rol van de NAVO-strijdkrachten van de ISAF en Enduring Freedom; alsook omtrent de blijvende historische ambiguïteit van het dubbele mandaat van de SACEUR;
— betreffende de wanverhoudingt tussen de tijd die nodig is om de verbintenissen om op te treden te laten bekrachtigen door de nationale parlementen en de duur van het proces dreiging-beslissing-neutralisatie van het politiek en militair apparaat van de regeringen;
— betreffende de overbelichting van de militaire doctrine ten opzichte van de politieke doctrine, met de salamitactiek zoals in het geval van de dubbelzinnige betrokkenheid van de NAVO in de Iraakse crisis;
— betreffende de stijging van de kosten ten gevolge van de uitbreiding van de NAVO-opdrachten in het beheer van crisissituaties en de bureaucratische wil om de kostenverdeling te herzien zonder in een financiële spiraal (6) terecht te komen of te moeten bijdragen in operaties die zij politiek niet goedkeuren, of nog, volgens sommige waarnemers, betreffende de vaststelling dat de NAVO soms opdrachten aanneemt die hij niet kan betalen, terwijl alle ministers van Defensie op 8 juni jongstleden besloten hebben dat de NAVO terzelfder tijd twee grootschalige operaties moest aankunnen waarvoor telkens 60 000 manschappen vereist zijn, plus zes andere middelgrote operaties (telkens 30 000 man);
— betreffende de tegenstrijdigheden tussen de Bondgenoten onderling over de raming van de bijdrage tot de operaties. Moet men met andere woorden de bijdrage van elk land « beoordelen » volgens zijn deelname aan NAVO-opdrachten, of moet men het hele plaatje bekijken en de bijdragen aan de VN, de NAVO en andere opdrachten van het EVDB optellen ? Moet men in het concrete geval van België zijn bijdrage tot de internationale stabiliteit beoordelen op grond van de Afghaanse opdracht alleen (250 manschappen) of er de EU-opdrachten aan toevoegen in de DRC, de Balkan, de opleidingen in de DRC en in Benin, enz. ? Kortom, redeneert men in termen van algemene wereldveiligheid of van « taartstukken » ?
— betreffende de betwisting van het commerciële verband tussen de technologische programma's verbonden aan de omvorming van de NAVO, dikwijls volgens interoperabiliteitscriteria op grond van Amerikaanse industriële producten, en bijgevolg de omzetting van vernieuwende Amerikaanse concepten in het euro-atlantisch kader;
— betreffende de keuze tussen het bevoorrechten van de betrekkingen tussen de EU en de Verenigde Staten in een politieke dialoog over internationale en veiligheidskwesties in plaats van binnen de NAVO zelf;
— betreffende de opportuniteit om al dan niet tegen 2001 raketafweersystemen in Centraal-Europa (Polen of Tsjechië) op te stellen om een aanval van Iraanse NBC-raketten af te slaan; een worst case scenario dat verwijst naar de verschillen in de perceptie van de risico's en dreigingen, ondanks het feit dat Iraanse raketten in de komende jaren het West-Europese grondgebied zullen kunnen bereiken;
— betreffende ten slotte de steeds weerkerende vragen over de taakverdeling, de zones, de opdrachten en vooral de risico's tussen de lidstaten, tussen de NAVO en de Verenigde Staten, tussen de NAVO en de EU.
Aanmaningen, pragmatisme en realiteitsbeginsel
Ondanks al deze vragen, waarvan sommige vóór de topontmoeting opgehelderd zullen zijn, terwijl de rest gehuld blijft in diplomatische wazigheid en de herbevestiging van het belang van de nationale autoriteit, kunnen een aantal feiten in herinnering gebracht worden, die beperkt blijven tot het voorzorgsbeginsel.
Enerzijds kan de kwestie van het Noord-Atlantisch Bondgenootschap niet los gezien worden van die van de Europese Unie. Laten we ophouden te doen alsof de NAVO-kwestie en het Europese veiligheidsbeleid afzonderlijk benaderd kunnen worden. De twee dossiers zijn met elkaar verbonden, zij beïnvloeden elkaar, soms door met elkaar in concurrentie te treden inzake min of meer subtiele bureaucratische en institutionele kwesties, maar ook door elkaar op harmonieuze wijze aan te vullen naar gelang van de situaties, de thema's, het tijdstip, de perceptie en de positie van de partijen en regeringen.
Anderzijds moeten wij ons bewust zijn van het soms schizofrene karakter van de betrekkingen tussen de veiligheidsorganisaties, hun bureaucratieën, de lidstaten en zelfs tussen ministers van eenzelfde regering. Er bestaan binnen de NAVO en de EU geen grote politiek-militaire dossiers die snel opgelost worden, wegens de verschillende opvattingen inzake veiligheid en de eigen belangen van de lidstaten, en die toestand zal niet gauw veranderen.
Ook is het duidelijk dat het de Europese landen erg goed uitkomt dat zij naar gelang van de omstandigheden kunnen kiezen om onder NAVO-vlag of onder EU-vlag kunnen opereren, en bovendien volledig vrij zijn om te bepalen of zij er al dan niet manschappen en materieel voor leveren; de vrijheid om iets te ondernemen met het daaraan verbonden risico voor de manschappen blijft een nationale verantwoordelijkheid. Ook de operationele flexibiliteit is een voordeel en geen gebrek, terwijl 90 % van de troepen in de Balkan en 80 % van de ISAF-strijdkrachten Europees zijn.
Zo toont de Franse en Belgische beslissing om « erbij te zijn » in Afghanistan maar niet in Irak aan hoe ideologisch en diplomatisch of ethisch gekleurd deze flexibiliteit is. Met betrekking tot Afghanistan is het niet overbodig eraan te herinneren dat juist Duitsland, Canada en Nederland, landen die een aanzienlijke bijdrage in dat land leveren, de NAVO hebben overgehaald om in Afghanistan op te treden. En het is de secretaris-generaal van de VN en de Afghaanse overgangsregering die in 2003 gevraagd hebben dat de ISAF het hele land zou bestrijken. Het zijn NAVO-lidstaten, waaronder België, die het beginsel hebben onderschreven om van de NAVO niet alleen een gezamenlijk defensieorgaan te maken, maar ook een orgaan dat bijdraagt tot de veiligheid en de stabiliteit in vele regio's van de wereld (7) . Het is nu zaak om niet over het beginsel, maar over de inhoud van deze definitie overeen te komen.
Bij het lezen van artikel I-40 van het grondwettelijk verdrag van de EU dat nu zieltogend is, lijkt men ook te willen bevestigen dat de NAVO de instantie blijft die instaat voor de gezamenlijke defensie. Geen enkele Staat heeft geweigerd het document te ondertekenen, hoewel sommigen zich ongerust maakten over de afhankelijkheid van de EU tegenover het Bondgenootschap inzake territoriale solidariteit, daarbij trouwens vergetend dat het gewijzigde artikel V van het Verdrag van Brussel nog steeds van kracht is voor tien Europese Staten. Artikel IV van dat Verdrag bevestigt ook de nauwe band met de NAVO wat betreft de uitvoering van het Verdrag van 1954 en de gezamenlijke defensie (8) .
In het algemeen heeft totnogtoe geen enkele NAVO-lidstaat officieel het einde bepleit van het Noord-Atlantisch Verdrag, dat beschouwd wordt als een veiligheidsnet, een laatste bescherming in geval van grootschalige agressie. Het is ook een kwestie van essentiële solidariteit en van bewustwording van gemeenschappelijke asymmetrische dreigingen. De uitspraak dat « De Europese Unie en het Bondgenootschap niet alleen gemeenschappelijke waarden en belangen delen, maar ook geconfronteerd worden met gemeenschappelijke dreigingen » is dan ook niet afkomstig van de NAVO-bureaucratie, maar van de laatste verklaring van de Frans-Duitse Raad voor defensie en veiligheid van 14 maart 2006.
De NAVO kan dus, naar gelang van de omstandigheden, een klankbord, een kanaal of een middel tot neutralisatie van Amerikaanse aspiraties zijn — dat heeft de geschiedenis meermaals aangetoond — maar is ook een organisatie waarin 19 van de 26 Staten lid zijn van de EU, die, indien zij er de politieke wil voor hebben, gezamenlijk kunnen optreden of het beleid in een bepaalde richting sturen. In ieder geval blijven de Staten soeverein zoals in iedere intergouvernementele organisatie, en blijft het « binnendringen » van de hoofdsteden in het NAVO-hoofdkwartier het beste middel om de operaties politiek te controleren, toezicht te houden op de veiligheid van de eigen troepen en uiteindelijk de internationale carrières van officieren te bevorderen, wat leidt tot meer interactie tussen de verschillende legers, de nationaliteiten en de opvattingen. Dit is broodnodig om de opdrachten efficiënt uit te voeren en om de solidariteit in moeilijke situaties te bevorderen.
Betreffende het feit dat meer ingewikkelde operaties collectieve middelen vereisen, zal de NAVO tot nader orde structureel geïntegreerd blijven in de operaties van de Unie als zij niet over de capaciteit of de politieke wil beschikt om op eigen houtje militair op te treden. Weliswaar verankert Berlijn plus de EU in de NAVO wat de capaciteit betreft — en voorkomt het een dubbel gebruik van die capaciteit — maar de EU wint in operationele geloofwaardigheid dank zij de middelen en de capaciteit van het Bondgenootschap. Voor de Europese regeringsleiders blijft de NAVO in ieder geval onmisbaar indien Europeanen en Amerikanen samen willen opereren.
De omvang van de economische en commerciële banden en onderlinge afhankelijkheid tussen de twee oevers van de Atlantische Oceaan, net als de banden tussen de multinationals, zijn veel groter dan de politieke en diplomatieke verschillen : volgens de Europese Commissie zijn er 1 400 miljard euro aan investeringen en 14 miljoen banen bij betrokken.
Bovendien mag men de virtuele en de reële pijlers niet met elkaar vermengen. Er is geen Europese pijler in de letterlijke zin binnen de NAVO, aangezien dit proces in de jaren negentig op de klippen is gelopen vanwege de ESDI (European Security and Defense Identity) en WEU als Europese pijlers binnen het bondgenootschap. Het is trouwens omdat dit proces geen succes is geworden, dat de Europeanen — ook om nog andere specifieke redenen- besloten hebben om binnen de EU zelf het EVDB (Europees veiligheids- en defensiebeleid) uit te werken. Zonder een zogenaamde « caucus » onder de Europese staten binnen de NAVO, gaat het niet meer om een voorbeeld van architectuur maar om een complexe samenvoeging van de nationale cultuur van de « oude » en de « moderne » Europese landen (die men trouwens niet karikaturaal hoort voor te stellen), die naar gelang van de dossiers, binnen de organen van de NAVO die de politieke en administratieve beslissingen nemen, soms botsen met de strategische Amerikaanse cultuur.
We moeten ten slotte voorkomen dat we in de val trappen waarbij de NAVO met een zeer scherpe, anti-Amerikaanse, bijna Pavlovachtige reflex wordt veroordeeld ten gevolge van het optreden van de regering-Bush in Irak. Men mag zich niet van doelwit vergissen en de NAVO-baby samen met het badwater weggooien, al is het wel zo dat men het bondgenootschap moet herzien en aan een beter Europa moet werken, om de Alliantie ook evenwichtiger te maken.
De dilemma's betreffende de toekomst van het bondgenootschap
Volgens de secretaris-generaal van de NAVO, Jaap de Hoop Scheffer, moet het bondgenootschap als roeping hebben de veiligheid overal te verspreiden, terwijl het zich tevens uitbreidt. Daarnaast blijft natuurlijk de neiging naar multifunctionaliteit, waardoor de NAVO, aangezien ze ook interactie met niet-leden nastreeft, een nieuw concept en een nieuw tijdperk zou kunnen binnenstappen.
Gezien deze ontwikkelingen lijkt het noodzakelijk om de vraag van de pertinentie van artikel 5 met betrekking tot de collectieve defensie van de NAVO, na de diplomatieke « buitenspel » beweging die werd ondernomen na de grote aanslagen, niet te ontwijken. De collectieve defensie is toch in gang gezet, ondanks het feit dat de staten vrij blijven om deze zogenaamde solidariteit te aanvaarden of te weigeren en het feit dat deze solidariteit meer of minder groot kan zijn, afhankelijk van de inzet van iedere lidstaat.
We weten hoezeer de Europese geallieerde agenda en zelfs de Europese publieke opinie doordrenkt zijn van het idee dat het solidariteitsbeginsel, de transatlantische band, de NAVO noodzakelijk zijn, dat we een grote broer nodig hebben om ons op het oude continent te komen redden als er een zware bedreiging ontstaat. De eurobarometers bewijzen dit en tonen aan dat men bereid is om een Europese defensie te organiseren, maar niet ten koste van een confrontatie met de Verenigde Staten, die door de ondervraagden eenvoudigweg gelijk staan met het Atlantisch Bondgenootschap.
Door deze niet onterechte ongerustheid van Europa met betrekking tot artikel 5, is de volgende vraag ter sprake gekomen : is de NAVO dan gewoon een militair reservoir geworden ? Bestaat de NAVO gewoon uit hulptroepen voor de Amerikanen, die overal worden gestuurd waar de Amerikanen zelf zich willen terugtrekken omdat ze ergens anders heen willen ?
Heeft de militair-technologische kloof tussen de Europeanen en de Amerikanen de rol van de NAVO reeds aangetast, is dit een reden voor de wisselende coalities die worden gevormd op basis van de deskundigheid en de mogelijkheden van het ene of andere land ?
Moet de Alliantie overgaan tot een « taakverdeling » en de Europese Unie en haar GBVB/EVDB zich met de onmiddellijke omgeving laten bezighouden, met het risico dat Washington voor de verdergelegen en gevoeliger operaties soms alleen optreedt, waardoor de NAVO zich naar zijn doeleinden moet plooien ?
Tenzij men kiest voor de testballon die werd opgelaten door de Franse minister van Defensie, mevrouw Alliot-Marie, die tijdens de Wehrkunde van februari jongstleden de acties van de NAVO en van het EVDB duidelijk van elkaar wilde onderscheiden : de NAVO zou de zware en lange acties op zich nemen waarbij de Verenigde Staten betrokken zijn en het EVDB zou zich bezighouden met de ad-hocacties en de kleinere missies die echter politiek complexer zijn en meer flexibiliteit vereisen, alsook de burgerlijk-militaire acties.
Hoe moet de NAVO gesitueerd worden, ten opzichte van de uiteenlopende standpunten en wereldvisies van een aantal landen die zich aan tegenovergestelde kanten van de Atlantische Oceaan bevinden, visies die blijken uit de Europese Veiligheidsstrategie die in 2003 is aangenomen, tegenover de verklaring van Daniel Fried, Amerikaanse adjunct-secretaris voor Europese en Euraziatische Aangelegenheden, die op 19 januari jongstleden verklaard heeft dat de NAVO de plaats is waar de transatlantische kracht — kracht in zijn breedste betekenis, met inbegrip van alle machten, politiek, economisch en moreel — in actie wordt vertaald ?
Hoe kunnen de Europeanen zich binnen de NAVO en ten opzichte van het EVDB terugvinden indien het bewerkingsproces en de vormgeving van de Nato Response Force geen weerstand kunnen bieden aan de nationale diplomatie en de zwakke Amerikaanse aanwezigheid in de NRF ?
Als de NAVO uitbreidt en de EU-missies probeert in te palmen, wat is dan nog het nut van een ondergewaardeerd EVDB ?
Zijn de Europese hoofdsteden klaar voor een mogelijke relatiecrisis tussen de EU en de NAVO, die binnen dezelfde machtsruimte strijden om de noodzaak om op verschillende plaatsen tegelijkertijd op te treden met dezelfde strijdkrachten en dezelfde bevoegdheden, omdat elk van de twee structuren vindt dat haar strijdtoneel prioritair is ?
Laten we verder kijken dan deze dilemma's en de bezorgdheid om een Amerikaans bestuur dat nog steeds sterk, voortdurend en structureel is beïnvloed door de gebeurtenissen van 11 september, een paar pistes voorstellen.
Ten eerste is de complementariteit van de NAVO en de EU het resultaat van de concrete militaire begroting en de sociaal-economische prioriteiten van de regeringen.
Dit zal niet veranderen, ondanks de transatlantische dubbelzinnigheid, zelfs na het vertrek van de regering-Bush. Wij leiden dit nu al af uit de meest recente beslissingen van de Europese landen met betrekking tot NAVO-missies :
— in Afghanistan, met het Eurokorps (NRF-7 paraatheid tijdens het tweede semester van 2006) en in de Balkan;
— tijdens het gemengd overleg met betrekking tot de NRF en de Battle Troops;
— of nog door het Belgisch experiment dat erin bestond ontmoetingen te organiseren tussen de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU en verantwoordelijken van de NAVO, naar het Europees « Gymnich »-model, wat betekent dat er geen adviseurs, diplomaten of hoge functionarissen bij zijn, maar alleen ministers.
Ten tweede moet men weigeren om het nu nog virtuele principe van het « recht op een eerste weigering » formeel en juridisch te coderen. Dit principe houdt in dat de NAVO als eerste beslist om al dan niet op te treden en dat de EU pas daarna komt. De operationele flexibiliteit, de vrijheid van keuze en het politiek pragmatisme moeten nog steeds de grondslag vormen van de denkwijze van de Europese diplomaten en militairen.
Ten derde moet de taakverdeling, als die al nodig is, gebeuren op basis van de situatie, en niet door vooraf interessezones vast te leggen of de verdeling te baseren op de risicograad. De EU is niet « Mars of Venus » maar bevindt zich op filosofisch-politiek en normatief vlak in een tussenzone waar men slechts in laatste instantie naar geweld grijpt. De « Todoroviaanse » kalmte is slechts schijn aangezien het niet Europa is dat de spelregels vastlegt van de confrontatie die door « potentiële tegenstanders » wordt aangegaan. We bevinden ons hier in een « posture réaliste pondérée », een bezadigde realistische houding, voor wie tussen de lijnen kan lezen van de Europese Veiligheidsstrategie van 2003 (9) .
Ten vierde lijkt het ons absoluut noodzakelijk om het strategisch concept van de NAVO, dat van 1999 dateert, te herzien om de transatlantische relatie een nieuwe basis te geven, die in Riga of nog waarschijnlijker na de Amerikaanse verkiezingen zal moeten worden uitgewerkt.
Ten vijfde zal de toekomst van de NAVO vooral afhangen van de interne Europese agenda en van wat de Europeanen zelf met hun veiligheidsbeleid gaan doen binnen de EU, onder andere wat het vastgelegde principe betreft van de complementaire NAVO-EU missies, maar waarbij de territoriale defensie apart gebeurt, in een nieuwe ruimte van Europese maturiteit die nog niet rond is.
In dit laatste geval zou de Europese Unie zelf moeten instaan voor haar territoriale defensie, binnen de logica van het geïntegreerd beleid. De twee organisaties zouden dan de missies van crisisbeheersing die niet onder artikel 5 vallen, op een flexibele manier verdelen. Deze hypothetische constructie hoeft niet tot twee NAVO's te leiden — dit is niet de bedoeling — maar naar een nieuwe relatiebeleving tussen de NAVO en de EU. Het is op dit vlak dat de transatlantische brug verstevigd kan worden.
Ten zesde moet de strategische en veiligheids-politieke ontwikkeling van de Europese Unie niet op het puin van de NAVO worden gebouwd, noch op de utopie van twee NAVO's, maar wel op een andere basis :
— hetzij die welke op termijn een proces van europeanisering van de Atlantische Alliantie impliceert, door te pogen op termijn de voorwaarden te scheppen voor een caucus Europa-Noord-Amerika. Dat is het beginsel van de twee pijlers binnen de Alliantie zelf. Als er een taboe is, dan is het dat wel;
— hetzij die welke poogt een egalitaire relatie tot stand te brengen tussen de EU en de NAVO, die evenwel voor haar bestaan en relatie afhankelijk is van de politieke opleving van het Europa na de problemen met de grondwet. Als er een complex thema is, dan is het dat wel;
Momenteel blijven NAVO en EU de twee zijden van eenzelfde veiligheidsmedaille, ook al verschilt hun semantiek, tussen de regelmatige valse noten en de trans-Atlantische vergelijkingen met verscheidene onbekenden, tussen de beleden waarden en de asymmetrische koppeling tussen wettigheid/verantwoording van de verbintenissen en interventies.
Afhankelijk van de verschillende perceptie die we van het thema hebben, zullen de politieke argumenten vanzelfsprekend sterk verschillen.
Immers,
— ofwel is de huidige trans-Atlantische crisis slechts conjunctureel,
— ofwel is de trans-Atlantische crisis structureel en mutageen,
— ofwel is de trans-Atlantische crisis de uitdrukking van een verschil in mogelijkheden, niet tussen Amerikanen en Europeanen, maar door alle eenheden, risicio's, middelen — tussen producenten en consumenten, tussen « Europees en Atlantisch gezinden », tussen politieke generaties, tussen opvattingen over het gebruik van geweld,
— ofwel is er eigenlijk geen trans-Atlantische crisis, maar een terugkerend anti-Amerikaans accent, dat kan afzwakken met een nieuwe Amerikaanse regering,
— ofwel is de NAVO onbewust de uitlaatklep van de politieke en strategische zwakten van een Europese Unie in crisis.
Voor het overige beloven de NAVO-toppen van november 2006 en van de lente 2007 heel wat debatten over de pertinentie van de slogans rond het concept van de Alliantie als wereldwijde veiligheidsorganisatie, van het eerste forum voor veiligheidsdialoog tussen Europa en Noord-Amerika of nog als plaats voor het ontwikkelen van een expeditiecultuur en -macht, om de kwinkslagen van Donald Rumfsfeld te herhalen.
Het zijn oeverloze problemen, Gordiaanse knopen tussen de « drift der continenten » en de trans-Atlantische « loopbruggen », terwijl het standpunt « alles voor de NAVO » achterhaald is, omdat de Europese politieke gehoorzaamheid geen reden van bestaan meer heeft.
2.3.2. Gedachtewisseling
Mevrouw Annane wenst de juiste draagwijdte te kennen van wat met « wereldwijd » wordt bedoeld wanneer men het heeft over wereldwijde Alliantie en wereldwijde partners.
Ze verwijst naar een communiqué van 8 juni 2006, dat verwijst naar het strategisch partnerschap tussen de Alliantie en de EU.
Past dat idee in de nieuwe opvatting van het nieuwe idee om strategische partnerschappen tot stand te brengen ? Welke plaats geeft men aan de nieuwe strategische partners zoals Japan en Australië ? Getuigt het zoeken naar nieuwe partners niet van de mislukking van de modernisering van de NAVO-strijdkrachten ?
Zijn de bondgenoten bereid het concept van de euro-atlantische veiligheid te vervangen door een meer mondiale cultuur ? Hoe definieert de NAVO veiligheid precies ?
De heer Dumoulin antwoordt dat de Verenigde Staten nog steeds zwaar onder de indruk zijn van de gebeurtenissen van 11 september 2001.
Het wereldwijde concept is voor hen precies de oorlog tegen terrorisme. Achter dat concept gaat een vorm van inculturatie schuil. De benaderde landen moeten bereid zijn binnen de logica van de doctrine en van het veiligheidsbeleid te werken. Na 11 september hebben de Europeanen, die achteraf de naschokken van Madrid en Londen hebben gekend, het aspect terroristische dreiging in hun beleid opgenomen.
Spreker werkt in teamverband rond het begrip wereldwijde veiligheid, uitgaande van de veiligheidsverzuchtingen van de burger. De veiligheidsstrategieën van de EU en de NAVO worden op intergouvernementeel niveau bepaald. Men moet dus proberen de perceptie van de burger en het nationale en interorganisationele veiligheids- en defensiebeleid dichter bij elkaar te brengen.
Het strategische partnerschap van de Alliantie en van de EU is nauw verbonden met het probleem van het terrorisme. De internationale organisaties zoeken eveneens het aspect van de wettigheid en houden nauwgezet rekening met het VN-aspect. Bij de bestrijding van het terrorisme maken de Verenigde Staten gebruik van de logica van het netwerk. De partnerschappen interageren met elkaar.
De toetreding tot de NAVO van Oekraïne, Georgië, en van andere Staten zijn nationale proefballonnetjes en wensen. Er kan geen sprake van zijn dat men op de komende top van Riga een datum vooropstelt voor de toetreding van die landen.
Geleidelijk aan bouwt de EU stabiliserende beleidsvormen uit op economisch gebied, beleidsvormen ter ondersteuning van de instellingen, die ontwikkelingshulp verstrekken, met als ultiem middel, mogelijke dwang.
De uitbreiding zal in Riga geen fundamenteel onderwerp zijn. Tevens zijn de toenaderingen nu reeds aanwezig, omdat ze voortvloeien uit een technische, doctrinaire, politieke en culturele gewenning.
De EU ontwikkelt zich in haar beleid van goed nabuurschap en de NAVO van zijn uitwisselingsbeleid in de vorm van een bescherming van de openbare veiligheid en een politieke stabilisering waarbij van nieuwe perspectieven wordt geprofiteerd.
Men moet de Amerikaanse veiligheidsperceptie na 9/11 overnemen, zonder daarom dezelfde opvatting over openbare veiligheid over te nemen, hoewel westerse landen het doelwit van aanslagen kunnen worden. De NAVO is niet de exclusieve eigendom van de Verenigde Staten.
De EU is geen afspiegeling van de NAVO wat de leden betreft. Cyprus, Oostenrijk, Finland, Zweden, Ierland en Malta horen niet bij de NAVO.
De heer Dubié stipt aan dat artikel 5 van het NAVO-verdrag de basis van het verdrag zelf vormt, aangezien het gaat over onderlinge defensie in geval een land wordt aangevallen. Bij de aanvallen van 11 september 2001, heeft de EU zich solidair getoond in het kader van artikel 5, dat het volgende bepaalt : De partijen komen overeen dat een gewapende aanval tegen een of meer van hen in Europa of Noord-Amerika als een aanval tegen hen allen zal worden beschouwd; zij komen bijgevolg overeen dat, indien zulk een gewapende aanval plaatsvindt, ieder van hen de aldus aangevallen partij of partijen zal bijstaan, in de uitoefening van het recht tot individuele of collectieve zelfverdediging erkend in artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties, door terstond, individueel en in samenwerking met de andere partijen, op te treden op de wijze die zij nodig oordeelt met inbegrip van het gebruik van gewapend geweld om de veiligheid van het Noord-Atlantische gebied te herstellen en te handhaven.
Krachtens artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties moet een aanval ter kennis worden gebracht van de Veiligheidsraad. De heer Dubié heeft destijds de minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel geïnterpelleerd, die heeft uitgelegd dat wanneer de Veiligheidsraad zich met de zaak bezighoudt, men niet meer gebonden is door de oorspronkelijke solidariteit die in artikel 5 wordt beschreven.
Spreker herinnert eraan dat de aanhef van het NAVO-verdrag bepaalt dat « De partijen bij dit Verdrag (...) opnieuw hun vertrouwen [bevestigen] in de doeleinden en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties ». Één van de basisbeginselen van de Verenigde Naties is de Universele Verklaring van de rechten van de mens. In de artikelen 8 en 9 van die verklaring staat het volgende : « Een ieder heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp van bevoegde nationale rechterlijke instanties tegen handelingen, welke in strijd zijn met de grondrechten hem toegekend bij Grondwet of wet. » en « Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige arrestatie, detentie of verbanning. »
De heer Dubié verwijst naar de Amerikaanse gevangenis in Guantanamo. Stopt de solidariteit die in artikel 5 van het NAVO-verdrag wordt vooropgesteld niet bij de deuren van deze gevangenis ?
80 % van de strijdkrachten in Afghanistan komt uit Europa. Spreker zegt zich zorgen te maken over de evolutie in dit land. De Amerikaanse troepen en daarna de NAVO-troepen werden in het begin onthaald als bevrijders, maar worden nu meer en meer beschouwd als bezetters, vanwege de misstappen die voornamelijk door Amerikanen zijn begaan. In 1842 zijn de Engelse troepen helemaal verslagen door de Afghanen. Zij die de geschiedenis niet kennen, moeten die nu opnieuw beleven. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat de NAVO-troepen geconfronteerd worden met het Afghaanse nationalisme van de Taliban en hun aanhangers. Men moet zich zo snel mogelijk uit deze valstrik redden. volgens de minister van Landsverdediging is de regering van plan is om nog een compagnie aan de daar reeds aanwezige troepen toe te voegen.
De heer Dumoulin antwoordt dat men de kwestie van de toekomst van de NAVO niet kan oplossen zonder na te denken over de Europese veiligheid. De vier « grote » zogenaamde niet gebonden landen van de EU hebben een samenwerking met de Verenigde Staten opgebouwd door bilaterale uitwisselingen en defensiebelangen. Maar een aantal van die landen verlenen bijstand aan NAVO-operaties. Er is dus interactie.
Artikel 5 van het NAVO-verdrag wordt op een soepele manier geïnterpreteerd. Een aangevallen staat kan in het begin kiezen voor een symbolische solidariteit. Opdat ons land zijn geloofwaardigheid binnen de NAVO kan behouden, moet het meewerken aan de solidaire acties die risico inhouden, zonder daarom onze troepen bewust in gevaar te brengen.
Indien de NAVO Afghanistan verlaat, riskeren we een catastrofe. Voor de landen die deelnemen aan de ISAF (International Security Assistance Force) is dit veel belangrijker dan de vraag van legitimiteit.
In Kosovo is de NAVO opgetreden zonder expliciet VN-mandaat, om een einde te maken aan de schendingen van de mensenrechten.
2.4. Hoorzitting met de heer Erdmann, Assistant Secretary General for Political Affairs and Security Policy
2.4.1. Uiteenzetting van de heer Erdmann
Mr. Erdmann explains that the political side of NATO's transformation will be addressed. This subject is however prone to misgivings. It is widely felt that NATO is moving away from its traditional core tasks of defence, by taking on missions in far away places such as Afghanistan, Darfur in Africa, and the Pakistan earthquake disaster relief, seemingly unimportant to the security of the allies. The image that NATO is simply random driven and goes out to the world without any concept behind is wrong. There is a structure behind the activities of NATO.
NATO has evolved in three phases, the largest phase took place during the time of the Cold War from 1949 until 1989. The second one was NATO's post-Cold War phase, basically the 90's and the third phase started with 9/11 — the famous attacks on the United States — and the implications of Article 5 as it was then.
Each of these periods gave rise to distinct security challenges and each required a different set of responses. accordingly, each of these phases have produced a different NATO. When speaking about NATO we are not referring to one blueprint but to different NATOs so to speak and three of them have already been mentioned.
De eerste fase, die van de Koude Oorlog, heeft 40 jaar geduurd. In die periode speelde de NAVO een statische rol zonder interventies of militaire activiteiten, met uitzondering van de manoeuvres.
De NAVO had tot taak elke mogelijke aanval op het grondgebied van de lidstaten te ontmoedigen. Ze is daar al die tijd in geslaagd en heeft, in tegenstelling tot vandaag, geen enkele militaire operatie moeten uitvoeren. Dat is misschien één van de redenen waarom zoveel mensen niet begrijpen waarom de NAVO zich nu engageert in verschillende operaties.
In de periode na de Koude Oorlog was de dreiging van een invasie in de lidstaten van de NAVO zo goed als verdwenen, maar er kwamen wel nieuwe uitdagingen op het vlak van de veiligheid. Men moest voorkomen dat in het Europa van na de Koude Oorlog instabiliteit zou ontstaan die de veiligheid van de NAVO-lidstaten opnieuw zou bedreigen.
De NAVO werd bijgevolg een factor in de politieke ontwikkeling in Europa. De uitdagingen, verbonden aan de mondiale transformatie van na de Koude Oorlog, werden duidelijk. De NAVO, die na de Tweede Wereldoorlog een militaire afschrikkings-organisatie was, is in de jaren '90 een politieke organisatie geworden.
De instrumenten voor de transformatie waren :
— de ontwikkeling van zeer actieve politieke en militaire partnerschappen met talrijke landen in Europa, de Kaukasus, Centraal-Azië en de landen ten zuiden van de Middellandse Zee;
— de openstelling van de NAVO voor nieuwe leden, tot op vandaag tien;
— de omschakeling van de NAVO tot een organisatie voor vredeshandhaving. In de zoektocht naar een oplossing in de oorlogen die het gevolg waren van het uiteenvallen van Joegoslavië is ze meer en meer betrokken geraakt bij initiatieven voor conflictmanagement buiten haar grondgebied, bijvoorbeeld in de Balkan.
De slachting van Srebrenica in 1995 was het startpunt voor het engagement van de NAVO in de handhaving van de vrede. De omschakeling van de NAVO van een militaire en defensieorganisatie naar een meer politieke organisatie was een groot succes. Het partnerschap is in Europa en erbuiten, de hoeksteen geworden van de samenwerking op het gebied van veiligheid. De Europese Unie heeft dat concept van partnerschap toegepast op onder meer de landen ten zuiden van de Middellandse Zee en van Centraal- en Oost-Europa.
Het uitbreidingsproces heeft aan tien landen, die onze waarden delen en onze gemeenschappelijke veiligheid helpen verdedigen, de mogelijkheid geboden om tot de NAVO toe te treden. In de Balkan heerst nu een duurzame vrede. De Europees-Atlantische integratie is aan de gang.
Since 9/11, major challenges for the transatlantic security no longer emanate from Europe but from regions beyond. Terrorism, failed states and the proliferation of weapons of mass destruction are global in nature and cannot be met with a purely regional Eurocentric approach.
Two recent examples of these challenges are Afghanistan and Somalia in the 90's. Somalia was a failed state and still is today in which the Western Community was engaged. Consequently, NATO needed to address problems where they emerged. NATO was limited to the Euro-Atlantic geopolitical area, but a very important transformation took place which allowed NATO to go far beyond the Euro-Atlantic area.
Problems need to be addressed where they emerge or these problems will end up on our doorsteps 9/11 in New York and Washington, being examples of this. As a direct consequence of what happened in the United States, allies invoked the collective self-defence obligation of Article 5 of the Washington Treaty for the first time in history on the 12th of September 2001. They also agreed that NATO can act « whenever and wherever » threat emanates. This was a hugely significant point regarding NATO's transformation. A communiqué of leaders of NATO and Heads of States, said in 2002 in Prague, that NATO had to act « wherever and whenever » needed. This was one of the important turning points of the alliance.
9/11 accelerated the transformation from a geographical, territorial defence model to a functional model that seeks to tackle problems at their source, which was already visible in the Post-Cold War phase. The difficult debate on out-of-areas which took place within NATO in the 90's stopped suddenly after 9/11 as leaders decided NATO had to go « whenever or wherever needed ».
There were no more debates on out-of-areas, and no more discussions on the limitations of NATO from a geographical, territorial perspective. Discussions were now focused on the transformation of the geographical, territorial defence model to a functional, security model.
This political decision to « go wherever and whenever needed » had a very material implementation. NATO is handling the NATO training mission in Iraq, NATO is in Afghanistan since 2003 (one year after the adoption of the « wherever and whenever needed » principle), NATO went to the support of the African Union, to Darfur in Sudan and is still there and will probably be part of the UN-led mission in Sudan after the AU has exhausted its mandate. NATO went to Pakistan in order to help in the Pakistan-earthquake relief operations. NATO has some 17,000 troops in Kosovo who will remain there for quite some time. NATO protects high-visibility events like the FIFA World Cup 2006 in Germany by using its AWACS Early Airborne Warning and Control System.
The third phase is characterised by new limitations in geopolitical terms but is driven by a functional approach to security. This third phase of NATO's evolution is the most demanding, because allies had never before been requested to put so many troops on the ground or to keep so many operations running. The alliance has to cope with an ever-broader spectrum of possible missions ranging from combat operations to humanitarian relief operations. This represents both a military and political transformation.
It is interesting to note that the security consensus has eroded over time. During the Cold War period there was a static security consensus, namely collective defence, against other organisations and States that had aggressive intentions. That static threat perception, and static security consensus have eroded. The question that is put to parliament is « Do the events in Afghanistan really affect our security ? ». Some countries say yes, the United States for example said yes, because it was attacked by Al-Qaida in New York and Washington. Others may say perhaps the bigger nations but we might not be affected, so the security consensus was eroded once again.
The requirements needed to fulfil the « whenever, wherever » clause are rapid reaction capabilities, like the NATO response force which is in place, a greater ability to contribute to stabilisation and peacekeeping missions, more strategic lifts, more nuclear, biological and chemical defences, better force planning mechanisms and better funding procedures.
On the political transformation side, new forms of co-operation with other institutions, notably the United Nations and the European Union are vital. Ties with Middle-Eastern countries and Gulf region countries need to be deepened. If NATO does not co-operate with these countries the threats and dangers will come from there. NATO has embarked on quite an ambitious programme with these countries. NATO also needs to respond to the aspirations and requests of other like-minded countries that are ready to participate in common stabilisation efforts such as Australia, New Zealand, South Korea and Japan.
When talking about these countries and NATO's co-operation with them it may appear that there is an expansionist movement of NATO towards the Pacific. The contrary is true and this needs to be underlined. This political process of binding ties with countries far beyond the Euro-Atlantic area such as Australia, Japan, New Zealand and South Korea, is a demand driven process initiated by the countries themselves.
These countries are not part of a political union like the European Union or a collective security organisation. They are alone, like-minded with NATO and sharing the same values as NATO but without any security framework in which they can act. But they are faced with the same threats.
Japan is faced with the North-Korean attempts to test missiles. Japan is very concerned by this but is not part of any other institutions and so it has asked NATO if there are any means and possibilities of co-operating with NATO. It is a demand driven process. NATO does not want to go to the Pacific, it knows that the security situation in the Pacific is fragile and the least this security situation needs is the engagement of NATO. These countries do not ask NATO to come to the Pacific but they ask if they can join NATO in Afghanistan. Australia will start its engagement with a provincial reconstruction team this summer, in Afghanistan.
The same applies to New Zealand. The Japanese Foreign minister offered its co-operation with NATO when it met with the North Atlantic Council. The South Korean Foreign minister has also been at NATO headquarters with the North-Atlantic Council to inform NATO that they want to engage with them.
The next country knocking on NATO's door is the Peoples Republic of China. China is interested in exchanging views with NATO because it is concerned about the current situation in Afghanistan. Afghanistan and China have 80 km of joined border.
China fully supports the stabilisation efforts of NATO in Afghanistan. Staff talks, have taken place between China and NATO and it has been agreed that they will continue between China and NATO at capital level. There is a lot of movement taking place of which perhaps not all NATO nations are aware.
What will NATO look like in a couple of years ? It is certain that Article 5 of NATO will remain the backbone of this alliance, not only because the majority of members so wish, especially the new members, but also because it is the backbone of solidarity which goes beyond collective defence. Even though Afghanistan and ISAF have nothing to do with Article 5 it is the solidarity aspect that forges us together. NATO will continue to be a peacekeeper around the globe on the basis of mandates by the United Nations Security Council or Regional organisations like the African Union.
There is only one exception in the whole history of NATO peacekeeping where NATO acted without a UN mandate and this was Kosovo 1999. NATO's societies had to go to Kosovo to carry out the air campaign in order to avoid a humanitarian catastrophe. The Belgian parliament as well as the other 18 parliaments of NATO nations in 1999 agreed to go ahead with the air campaign. In the future, peacekeeping will be to large extent based on UN mandates and regional organisation mandates.
Another future responsibility of NATO will be as a defence reform provider. NATO is currently heavily involved in this respect, with its partner countries in Central and Eastern Europe. NATO is doing plenty in this respect in the countries of Mediterranean dialogue and it is very likely that NATO will play a role beyond these two areas.
The NATO of the future will be a NATO handling a network of partnerships, all in all a NATO that is able and politically ready to project and to promote stability. NATO will consist of :
— Article 5 NATO which will continue to exist
— the peacekeeping NATO present today
— the defence reform provider NATO and finally
— the NATO handling huge networks of partnerships
De Top van Riga zal een belangrijke stap zijn in het mondiale transformatieproces. Er zullen verscheidene beslissingen worden genomen voor de voortzetting van de aanpassing van de NAVO, zodat de organisatie een beter antwoord zal kunnen bieden op het groeiend aantal vragen.
De organisatie die in de Koude Oorlog het westelijke deel van Europa verdedigde is een instrument van conflictmanagement geworden en heeft een kader verschaft voor het regelen van de overgang binnen Europa na de Koude Oorlog.
We bevinden ons nu in de derde fase van de evolutie van de NAVO, waarin de organisatie zich ten dienste stelt van de hele internationale gemeenschap en mondiale veiligheidsuitdagingen aangaat in het kader van ruimere internationale coalities.
Dat betekent zeker niet dat de NAVO de politieman van de wereld wordt. Al haar acties steunen op mandaten van wereldorganisaties zoals de Verenigde Naties, van regionale organisaties zoals de Afrikaanse Unie of op uitdrukkelijke verzoeken van een land. Dat was recentelijk het geval met Pakistan, waar de slachtoffers van de aardbeving werden bijgestaan.
De ontwikkeling van de NAVO was logisch en verantwoord in de loop van de tijd. De verantwoordelijken van de NAVO hebben dat veranderingsproces niet opgelegd. Het is het resultaat van de gewijzigde veiligheidsomstandigheden. De politieke en militaire transformatie van de NAVO is noodzakelijk om de gevolgen van de mondialisering van de veiligheid op te vangen. De parlementsleden spelen een cruciale rol in het sensibiliseren van de bevolking. Zij bevinden zich in de beste positie om uit te leggen waarom engagementen onontbeerlijk zijn voor het handhaven van onze veiligheid op lange termijn.
2.4.2. Gedachtewisseling
Mevrouw Annane wenst terug ter komen op de reflectie over de NAVO als drager van de politieke verandering sinds de jaren '90. Deze nieuwe politieke organisatie zou blijken uit de partnerschappen met vele landen. Wijst de uitbreiding van de partnerschappen op een mislukking van de modernisering van de strijdmachten van de 26 NAVO-leden waarmee in Praag begonnen werd ? Wijst deze zoektocht naar partnerschappen er ook niet op dat de NAVO de limiet van zijn militaire en financiële mogelijkheden heeft bereikt ?
Wat de uitbreiding betreft, zou artikel 5 de basis blijven van de Alliantie. Het zou echter veeleer om solidariteit gaan dan om gemeenschappelijke defensie. Nochtans handelt artikel 5 over gemeenschappelijke defensie. Hoever strekt de politieke geloofwaardigheid van de geografische uitbreiding ?
Er werd kort verwezen naar de betrekkingen met China. Wat verwacht de NAVO van deze gesprekken ? Streeft de NAVO veeleer een soort evenwicht na, rekening houdend met de betrekkingen met Japan ?
Mr. Erdmann replies that we should ask first whether « NATO is at the end of its military capabilities and if it is because of this that NATO needs to look for partners to make up part of its military machinery ? ».
Contributions to operations that are of global interest, like in Afghanistan, a failed state offering safe havens for terrorists is an endeavour which must be approached jointly. To put this endeavour on NATO nations » shoulders only would exceed NATO's capabilities. In order to cope with the situation in Afghanistan NATO has to look and see if there are like-minded nations with same concerns. The London Conference in January 2006 concerning Afghanistan tried to globalise the responsibilities of a failed state like Afghanistan because to shoulder this endeavour by a limited number of nations is simply too much of a burden, also for societies. It should not be forgotten that behind NATO's engagement and the engagements of other institutions there are nations, there are taxpayers, there are parents of soldiers who come back in coffins. The most recent Canadian engagement in Afghanistan resulted in 17 causalities within a few weeks. In other words, this burden needs to be shared and if there are nations who are willing, like Australia and New Zealand, to embark in this common endeavour then they should be accepted.
Where are the limits of the NATO enlargement ? There is one provision in Article 10 of the NATO treaty that clearly defines the geopolitical limits. Article 10 of the NATO Treaty states that « European Nations that are able to fill the prerequisites of membership are welcome to join the alliance » so it is European. If Algeria wanted to join NATO, the NATO treaty would have to be changed because under the current provisions Algeria could not be a member because it is on the African continent. The same goes for a country like Israel, which from the perspective of certain politicians are keen to join NATO. Israel is clearly, in geopolitical terms, not a European country and therefore cannot join NATO. It is a like-minded country.
There are limits defined by the treaty but they are also limits to another extent. NATO enlargement has been looked at from a geopolitical viewpoint over the past few years. NATO has said that it should export stability to countries that are not as yet members of the Euro-Atlantic family. With respect to the Ukraine and Georgia another strand of discussion among nations can be seen. This strand says that functional well-being must also be examined and that it is necessary to ensure that this alliance stays intact. We are talking about collective security in NATO. Can NATO's functionality with its current 26 members and soon 29 (the three Balkan States want to join NATO) be preserved ? The answer to this is yes.
What does NATO expect from its talks with China and what do China expect from NATO ? The impression from NATO's talks with China is that China is very interested in learning how collective security works. From China's point of view collective security is a very intriguing way of not thinking in zero-sum games or equations.
NATO is interested in engaging China because China is becoming a global player, in economic terms it already is and it is also becoming a more global player in politically. An organisation like NATO, with its transatlantic dimension, should engage China. If feasible NATO should add stability through discussions and exchanges of views, for example on weapons of mass destruction and to engage countries in these regions who are not familiar with collective defence and consensus-based political approaches.
De heer Galand verwijst naar de peace keeping, de hervorming van de defensie en zo meer. Aan elke hervorming hangt echter een prijskaartje. De parlementsleden die begaan zijn met het begrotingsevenwicht in hun land, hebben daar vragen bij. De NAVO lijkt atijd al gulzig te zijn geweest, met haar steeds terugkerende vragen om bijkomende middelen voor talrijke operaties. Wij zullen vaker moeten optreden op verzoek van de UNO of van andere partners, zoals de Afrikaanse Unie. De behoeften en de verzoeken om interventie nemen toe, wat extra middelen vergt.
Men heeft het vandaag over de strategische complexiteit van de acties bij de bestrijding van het terrorisme. Het is niet zeker dat een militaire alliantie het beste antwoord biedt op het probleem van het terrorisme. Wie zal de strijd tegen het terrorisme coördineren, wetend dat dit fenomeen niet alleen deel uitmaakt van de oorlog, maar ook voortvloeit uit toestanden zoals armoede en onderontwikkeling, die de heer Sachs goed heeft beschreven in zijn rapport voor de Verenigde Naties ? Waar zal het risico en de reactie worden bepaald ? De NAVO kan alleen een antwoord bieden op het vlak van veiligheid en militaire actie.
De heer Erdmann is het eens met de analyse wat het terrorisme betreft.
With respect to the budgetary aspect NATO has to cope with prejudice and this prejudice says that NATO wants more and more money. In reality, NATO has followed, due to reservations of nations, the principle of real-zero growth for many, many years in a row. Only the inflation rate is compensated by additional funds from nations because nations do not want to give more money to the institution called NATO. The European Union too is developing its security and defence related activities and also requires money so there is real zero-growth for NATO.
Operations and missions are funded by nations directly because NATO has not got its own soldiers. All soldiers on the ground come from nations and nations pay for them. When Belgium is engaged in ISAF it funds for the ISAF operations and not NATO.
Here, a difference must be made between the NATO budget which is real-zero growth and the increasing demands on nations for operations. No Belgian or other parliament would ever ratify the dispatch of soldiers unless it is considered to be absolutely necessary.
In this respect there is a need-driven budgetary process for the international institutions. It is wrong to think that NATO is now more expensive than in the past.
It is true that NATO is not the place to cope with terrorism. Terrorism, in 95 % of its materialisation, is something which must be dealt with through civilian institutions and not military or defence related institutions. Could NATO have prevented the terrorist attacks on London or Madrid ? No, it could not have, NATO has no military tools to prevent terrorist attacks. This is all carried out by civilian institutions, with very few exceptions. The Active Operation Endeavour in the Mediterranean, which is a Maritime surveillance operation, is doing a lot for NATO's security. It has a high number of deterrents and this is one of the few areas where NATO is active in the fight against terrorism. From a political viewpoint it can be said that the operation of ISAF in Afghanistan is a fight against terrorism but this can also be seen as a stabilisation effort rather than a fight against terrorism.
The AWACS planes above Germany for the World Cup and for other World Cup countries before is also a deterrent with a view to possible terrorist activities but this is very limited. The bulk of work undertaken to fight terrorism is carried out through civilian institutions.
Mevrouw Zrihen wenst te weten welk partnerschap mogelijk wordt geacht tussen de NAVO en Rusland, en met andere landen zoals Oekraïne en de landen uit de Kaukasus die op internationaal vlak niet te verwaarlozen gesprekspartners blijven, wetend dat Rusland tijdens de Koude Oorlog het voortouw nam in een ander bondgenootschap.
Is een privatisering van sommige NAVO-diensten mogelijk ? Kunnen sommige aspecten worden gedelegeerd aan militaire privé-organisaties, zoals vaak wordt gesuggereerd ? Iedereen weet dat er steeds minder zogenaamde nationale legers zijn. Hoe ziet u een « NAVO-leger » ? Kunnen er geen ander procedures worden overwogen naast de stilteprocedure ?
De heer Erdmann verwijst naar het samenwerkingskader, de NATO-Russia Council, dat volgend jaar zijn tienjarig bestaan zal vieren. De samenwerking kreeg gestalte in 1997 door een plechtige inhuldiging in aanwezigheid van de staatshoofden en regeringsleiders, waaronder de toenmalige president Jeltsin. De eerste jaren verliepen wat moeilijk omdat de Raad nog moest worden uitgebouwd. Na 11 september 2001 kwam er een nieuwe start dank zij de oprichting van een nieuwe NAVO-Rusland Raad. De samenwerking tussen de NAVO en Rusland was van toen af aan uitstekend, ten minste tot op het ogenblik dat de politisering begon en de samenwerking in Brussel plaats maakte voor interventies die de betrekkingen met Rusland in het licht van de Koude Oorlog bekeken. Bovendien werd de relatie spijtig genoeg nog bemoeilijkt door de groeiende zelfzekerheid van Rusland bijvoorbeeld de energieproblemen begin januari met Oekraïne en Georgië. Elementen van binnenlandse politiek, zoals de perswet en de kwestie van de niet-gouvernementele organisaties, veroorzaken spanningen die door de tien nieuwe leden van de NAVO aandachtig worden gevolgd.
Deze landen, die tot voor kort een gemeenschappelijke geschiedenis met Rusland hadden, zijn bang voor een nieuw imperialistisch Rusland.
Rusland maakt echter ook deel uit van de G8 die zijn volgende Top in Sint-Petersburg houdt. Rusland heeft dus nauwe banden met ons. De samenwerking met Rusland verloopt echter in het algemeen beter dan men zou denken.
Oekraïne wenst lid te worden van de NAVO. Iedereen kent echter de binnenlandse toestand van het land. We weten op dit ogenblik niet welke coalitie zal worden gevormd. Ook al is een oranje-blauwe coalitie waarschijnlijk, toch kennen we het toekomstige scenario niet, noch de plaats die de toetreding tot de NAVO zal krijgen in het toekomstig regeringsprogramma.
De landen van de Kaukasus en Georgië kloppen nadrukkelijk aan bij de NAVO. Sommige lidstaten maken voorbehoud wegens de niet opgeloste conflicten binnen Georgië.
De Top van Riga zou voor Oekraïne het Membership Action Plan op gang kunnen brengen indien dat land een regering krijgt die een toetreding tot de NAVO gunstig gezind is en tevens de dialoog met Georgië wil opvoeren.
There is a certain level of privatisation within NATO. This is very limited but there is one, notably in the NATO training mission in Iraq. The NATO training mission in Iraq was protected; in its first year; by a private company. The soldiers were paid using the common budget of NATO. This was considered inappropriate because a military organisation should not hire private companies to protect the military organisation. Therefore, for political reasons, this was a limited experience. NATO nations are fully aware that this should not be repeated. From a political standpoint it is not considered suitable but there are circumstances, like in Iraq, where this was obviously necessary.
The « Silent Procedure » has many merits because decisions can simply be taken without having to debate them over and over again. The « Silent Procedure » works very well.
De lidstaten lijken niet geneigd het consensusprincipe te willen wijzigen. De NAVO is een intergouvernementele organisatie die zich bezighoudt met veiligheidsproblemen. Geen enkele regering, geen enkel parlement van de 26 leden zal zijn bevoegdheid inzake NAVO-beslissingen willen opgeven. Het principe van de meerderheidsstemming kan niet overwogen worden. Elk probleem dat de NAVO behandelt, gaat uiteindelijk over leven of dood, oorlog of vrede, zelfs voor kwesties die op het eerste gezicht erg technisch lijken. Deze intergouvernementele organisatie van collectieve veiligheid kan het consensusprincipe niet afschaffen. De parlementsleden zijn niet bereid hun bevoegdheden ter zake op te geven.
De stilteprocedure is een instrument dat een en ander voor de 26 naties binnen de NAVO vereenvoudigt en de werking van het consensusprincipe kan vergemakkelijken.
Mevrouw Hermans vermeldt dat eerder gesteld werd dat de NAVO niet echt vragende partij is voor uitbreiding. Defensie is immers een materie die 100 % vertrouwen vereist. We stellen evenwel vast dat er heel wat partnerschappen zijn opgericht met landen waarmee een goede verstandhouding gewenst is. Geven al die partnerschappen geen aanleiding tot verwarring ? Er zijn acht partnerschappen en vermoedelijk worden er nog een aantal voorbereid. Zou het niet goed zijn als de NAVO een coherent kader uitwerkte met betrekking tot die partnerschappen ? Bestaat er in dat opzicht een hiërarchie ? Of wordt ervoor gekozen het oude systeem te behouden en niet verder uit te breiden ?
Mr. Martin Erdmann replies that the partnership issue ought to be discussed at the NATO summit meeting at Riga. This question will be the catalyst of transformation in political terms for NATO. NATO is currently considering how it can rearrange all of its partnership frameworks.
The first partnership framework that took off in 1991 was based on a blueprint by Pierre Harmel, who drafted and presented the famous Harmel report in 1967. This report said that once the countries of Central Europe and the Soviet Union become independent and free then they should be welcomed into the Euro-Atlantic institution. The Harmel report was the blueprint for NATO's transformation in 1991. The EAPC, Euro-Atlantic Partnership Council framework, was started then. This is still in place today but it does not work anymore. Something new has to be developed.
Examples of the frameworks failures are the Andijan events in Uzbekistan in May 2005. Ever since the country pursues a policy of the empty-chair. They simply walked away from NATO.
In Byelorussia the opposite took place after the elections in May 2006. NATO nations said that a country falsifying the election results is a country NATO does not want to co-operate with. NATO told Byelorussia not to show up on an administerial level any more.
Mediterranean dialogue is a bit different; NATO has a very limited relationship with the 7 countries of Northern Africa. Since the Istanbul Summit in 2004 this relationship was enhanced and in April 2006 the North-Atlantic Council went to Rabat in Morocco to meet with the 7 countries of the Mediterranean Dialogue. This process is evolving quite rapidly. Again, NATO has to think about which tools to apply to the Mediterranean dialogue and if they should be put in one basket with the PFB countries. This idea is not very popular with NATO because it seeks to keep the processes distant and separate.
Then, there is the ICI, the Istanbul Cooperation Initiative, which is an initiative or co-operation with the four countries of the Gulf, Bahrain, United Arab Emirates, Kuwait and Qatar. Their relations are at an embryonic stage.
NATO has to make its partnership instruments more consistent. This question is currently on the agenda. An agreement may be reached at Riga on how to adapt them. This will take quite some time because NATO and it's partners beg to differ. On balance, the partnerships have proved to be very useful, both for the export of stability and as a tool for the defence reform and democratisation of defence forces of these countries. In this respect, this two-way street in the security policy arena of NATO is useful as well as the « neighbourhood policy » of the European Union. These tools and trends are mutually valuable and there is no alternative but to engage these countries.
2.5. Hoorzitting met de heer Pfeiffer, Deputy Assistant Secretary General for Policy and Planning in the Division for Defence Policy and Planning
2.5.1. Uiteenzetting van de heer Pfeiffer
The military transformation of NATO has developed in many different ways. In a word, it has essentially developed in both a conceptual and practical way. Conceptually, NATO has gone through two or three phases and it seems NATO is just about to enter into a new one.
The first of these phases started with the end of the Cold-war in the early 90's and with the development of a new strategic concept for the alliance.
The second phase started in 1999 when a second strategic concept was agreed upon at the Washington Summit. It may be argued that the second phase is still continuing but events such as 9/11, the Prague Summit, the war in Iraq in 2003 and NATO taking up a role in Afghanistan, have started a new phase in the conceptual thinking about the role of NATO.
With the Riga summit approaching, NATO is probably at the point where yet another phase will develop. The first of these phases, which started in 1991, with a new strategic concept was a huge change from a basically threat-based organisation (which was also determining its military requirements exclusively as a function of the threat) to an alliance that was taking on a much broader security function. This led to an expansion to other areas of crisis management and to the general adoption of a so-called broad approach to security which was trying to bring together military and non-military measures and in this sense trying to promote peace, stability and security.
The next phase, the strategic concept of 1999, moved further in this direction. Both the strategic concepts of '91 and '99 were marked by the requirement to replace the old focus on the threat by self-set targets and levels of ambitions. It was no longer possible to simply define requirements by looking at the soviet capabilities and the plans in place to counter these.
It was necessary to adapt NATO's forces to this new task. After 9/11, this process was accelerated by placing more focus on the asymmetric threats. NATO had already acknowledged, both in '91 and '99, that dangers to security could not only come from open military aggression but from many other sources including terrorism and dangers to vital supplies such as raw materials. The events of 9/11 put a different emphasis on the need to deal with asymmetric threats and also accelerated a process that had started in the 90's which was the debate on the geographical limitations of NATO's area. It was quite a theological debate in the 90's with those who argued for so-called out-of-area deployment and those who argued that this should be avoided at all costs.
As a consequence of the decisions taken after 9/11, the alliance developed political guidelines which included the statement that armed forces should be used wherever they might be needed. This put an end to the out-of-area debate. An organisation such as NATO is driven by events such as summit meetings and reaching an agreement on new major documents. In this sense it is a bureaucratic organisation.
The next major milestone in the development, which was first shaped by the two strategic concepts, is coming to an agreement on a new document called « Comprehensive Political Guidance ». This has already been agreed upon at the level of NATO's ambassadors and has recently been approved by defence ministers. It is to be formally endorsed at the Riga summit by Heads of State in Governments.
In this « Comprehensive Political Guideline » NATO continues to come to grips with the nature of the new kind of activities to be undertaken by its armed forces, which are no longer focused on high intensity warfare alone, but also on the need to become more involved with military forces carrying out both military and civilian activities. Keywords in this context are the need to participate in reconstruction, stabilisation, security sector reforms and so on.
The conceptual transformation that occurred has been accompanied, in a mutual reinforcing way, by the practical transformation of the operations that NATO was undertaking. As NATO was thinking about the new tasks in an environment that was no longer dominated by in-stress confrontation it was increasingly drawn into the operations : firstly in a supporting role in the Balkans helping the United Nations with embargo and over-flights to then getting on the ground and engaging in the Balkans itself followed by the more complicated issue with Kosovo and then eventually going to Afghanistan. The transformation took place both conceptually and practically.
NATO has played a catalyst role, on both a conceptual and practical level, in the transformation of the European armies, by collectively thinking through the consequences of this change situation, and by providing test grounds to determine if this conceptual thinking actually made sense.
Three major aspects of the reform of all European armies are reduction, greater deployability and sustainability and professionalisation. All of these aspects have significantly reduced in scale, in readiness, and in the resources that are being devoted to them. The reduction trend started in the early 90's and has continued. NATO has a certain orientation mark, those who are below it should try to move towards it and those who are above it should try not to fall below it. This figure is about 2 % of GDP devoted to defence, a figure that had been going around for a long time in debates but has now been agreed upon as a benchmark. Countries that are spending less on defence are asked to try not to reduce their spending further and to move a bit closer to this benchmark. Much, much smaller forces is a change that has been seen everywhere.
At the same time the ability of deploying and sustaining these forces away from their home territory is now being focused on. This has required greater changes than first thought. This is the trend of greater deployability and sustainability.
The third trend is greater professionalisation as a consequence of the kind of tasks that need to be carried out. This applies to all countries, some already have entirely professional forces like Belgium, and the Netherlands. The forces, in those countries that maintain the principle of conscription, have become more and more professional in the tasks they need to perform and are reserved for volunteers who are both able and prepared to be sent abroad.
The original idea that forces optimised for the much more demanding task of high intensity warfare would easily handle the less demanding task of peacekeeping turned out to be wrong. As NATO moved from armies that were optimised for high intensity warfare towards such things as peacekeeping in the Balkans, it was seen that these forces were not necessarily suitable for carrying out the less demanding task of peacekeeping. The latter requires different skills, different training, different approaches and also different equipment.
Quite a lot of changes were necessary to optimise forces for new tasks. One of the big challenges, both conceptually and practically for NATO's armed forces now, is to move in the direction of optimising its forces for the kinds of things they are currently doing without completely losing their ability to also carry out serious war fighting when required. The world is still full of heavily armed forces so NATO must continue to carry out high intensity warfare, if necessary. To combine the two is quite challenging and this is part of the present phase of transformation.
The other lesson learned from NATO's new missions, taking the example of moving beyond the Balkans and going as far away as Afghanistan, is that the demand for deployable forces is much more than loading armies into an aircraft and flying them off when they are deployed. There is a weakness, in most of the European armies. In the old territorial defence forces, the support functions largely relied on available national infrastructure and were therefore very often in the hands of reserve forces that could be activated in case of need. These reserve forces did not have the same readiness and actual training as some of the others. The changed relationship between combat forces and support forces that can actually be deployed somewhere has been one of the big shortcomings of the alliance and it still is.
Support formations have normally been organised on different levels, they are partly organic combat units and partly separate units to be available at different command levels. One of the biggest problems at the moment is that very few nations are prepared to make the support forces that are needed available at the theatre-command level, or what used to be the core-command level. Countries no longer have a core.
Most countries still ensure that they have the right kind of organic support for their combat units. If there is a brigade, it will have transport companies and supply arrangements and so on. But if this unit is to be part of a bigger unit, it is very difficult to find the support arrangement that should be there. This is another one of the major changes and challenges now.
The third lesson learned is that there is an increasing involvement of the military forces in tasks that are on the borderline between military and non-military, such as riot control. In the Balkans reference was already being made to special units. A number of countries have or had these special units. These special units are basically military forces who have more of a police role than a military role.
Many other countries do not have these special units. There is a requirement of forces in theatres of operation where the security situation is such that the normal civilian providers of services cannot do their job, beginning with basic things such as the provision of electricity and also of medical support.
In the absence of this, in failed states and in situations such as in Afghanistan for example, the requirement to ensure that life can continue in a country where order has completely collapsed is vital.
In the CPG, difficult debates have been held on the degree to which NATO should acknowledge, as defence planners and force planners, the requirement of its forces to be able to carry out these operations. One school of thought is that this should be left to civilian organisations, or non-government operations, or simply to whoever is there. Unfortunately, very often there is no-one in these countries who can restore order adequately.
The next school of thought is to use the « means and capabilities » formula. This is usually tailored to the demands of the forces and the spare capacity to look after others is limited. The question arises whether there should be additional capacity for this. Some are rather reluctant concerning this. This difficult discussion is currently ongoing.
The next difficult discussion concerns the requirement to work together with other organisations. The military operation is no longer an island. It has to be closely seen in relation to all other activities. None of this is radically new, it has been agreed before. Even in the 90's, in the context of the so-called broad approach to security, there was a lot of talk about such things as interlocking institutions.
NATO needs to co-ordinate its actions more closely with other organisations, such as the EU and UN. This creates certain problems for those who would like NATO to be solely a military organisation. France has the strictest view on this, it feels that NATO should be a military organisation that should focus on running military operations and should leave the other things to the responsibility of other organisations. Of course, this is not very satisfactory for military commanders in Afghanistan or anywhere else who are trying to run an operation, bring stability to a country, and to help this country with the development of certain skills which require military expertise. Most countries wish to have a slightly more forward leaning position. Right now NATO is in the phase of starting a new relationship with the United Nations. NATO is more reluctant to co-operate with non-government organisations although it has had contact with the Red Cross for a long time.
The three important areas which need to be focused on are : the new skills that our military need, the ability to be deployed and to be sustained when they are deployed and the need to deal with the borderline of military and civilian activities and to become engaged in the provision of vital services for people, even if this is not normally a military task.
NATO's cooperation with the European Union is built on NATO's co-operation with the Western European Union as it emerged in the mid 90's. At that time a certain set of areas of co-operation were agreed upon at the Foreign ministers Agreement in Berlin in 1996. In 1999, the Saint-Malo agreements between France and Britain were established. These were then taken up by the EU, and led to the EU taking over from the Western Union a bit faster than was originally foreseen. NATO laid down its vision of the co-operation between NATO and the EU at the Washington Summit, which was a continuation and strengthening of its cooperation with the Western European Union. NATO made a certain set of offers called the Berlin Plus.
This Berlin Plus contained essentially four offers :
— the offer to make available its operation planning capabilities
— the offer to make available, as necessary, its assets and capabilities for EU-led operations
— the offer to make available its command structure including its security deputy as a possible supreme commander for European-led operations and
— the offer to adapt its defence planning system to meet the requirements of the European Union.
This was the Berlin Plus package offered in Washington. At the same time, and in the same declaration, there were other aspects of co-operation that were proposed on the basis of the already developed framework NATO/WEU Consultations and Emerging Crises. One of these proposals was to be able to support each other as crises evolved and to decide who might be best to deal with them.
Looking at what has happened since then, of the Berlin Plus offers almost all of those concerning actual co-operations on the ground and operations have worked reasonably well. The EU took over from NATO's operations in both Macedonia and Bosnia and in both cases used the NATO command structure to run the operation. In the case of Macedonia and Bosnia some assets and capabilities were needed. Essentially, this has worked very well.
Of the four Berlin Plus areas the one which has not developed very well is the adaptation of NATO's defence planning system. Although both sides agreed that it should be done in a formal way, and a document on mutual reinforcing and coherent development of capabilities was agreed upon in 2003, the EU still went ahead and developed its own capability development mechanism.
The fact is that the EU is now preparing its own defence planning. It is collecting data through questionnaires setting targets. The essence of defence planning, as it is done in NATO, is that it commonly agrees on certain targets that should be achieved and it then finds out what the nations have and what they plan to do, discussions are held and targets and plans are adjusted depending on the situation. This is what the EU is now doing.
NATO is trying to establish a minimum of coherence to ensure that countries that are in both organisations, i.e. NATO and the EU, do not need to duplicate planning work and can use the same software to provide necessary information. This has not worked very well.
What has, in particular, not worked very well is the consultation on broader political issues and the co-operation which is not covered by the Berlin Plus such as the co-operation in the field of the fight against terrorism. In the general, conceptual, strategic discussions on how to deal with the threats of the new world, including in particular the issue of a military-civilian interface — where the EU would have a lot to offer with its wide range of possibilities — there is very little co-operation and co-ordination. This is partly due to the so-called participation problems which NATO have with Cyprus. The problem with Cyprus was foreseen, agreements were reached on how to deal with it but this strategic operation that NATO had envisaged would be conducted between NATO and the EU. The EU also agreed to this in 2002 in Copenhagen although in a slightly more limited formulation referring only to the Berlin Plus co-operation. In practice this has not worked. Apart from occasional meetings on Bosnia, very little is happening on a political level.
On a practical level, one element of the force area of the Berlin Plus defence planning which is still working is a group called the NATO-EU capability group who work together, in a limited fashion, on the development of critical capabilities such as strategic lifts. NATO and the EU are currently trying to find common ground for countries to avoid unnecessary duplications of efforts.
2.5.2. Gedachtewisseling
Mevrouw Zrihen is van mening dat de wijzigingen op het eerste gezicht niet structureel lijken te zijn. De vraag rijst echter of men binnen het kader van het handvest zal kunnen blijven.
Bovendien lijkt de stilteprocedure problemen te scheppen voor de kleine lidstaten. Er zijn allianties nodig binnen de NAVO. Hoe verloopt deze procedure voor de kleine lidstaten ?
Kan men zich een partnerschap voorstellen met een land in oorlog ? Is Israël een land in oorlog ? Is een partnerschap met dit land mogelijk en zo ja, hetwelk ?
Mr. Pfeiffer replies that NATO remains within the framework of the Charter, i.e. the Washington Treaty upon which NATO was founded. The Washington Treaty is a remarkable piece of work. It is clear, simple and straightforward. There are 12 to 13 articles. If you read the opening four articles in particular, this is all still perfectly valid. It suggests that the countries who have signed the treaty want to work together in the interest of peace and stability and to defend their interests and if necessary defend each other.
In no way is there movement away from the charter which provides a fairly flexible framework. From the beginning, NATO has spent some time on formulating how its treaty relates to the UN charter.
The « silent procedure », in the area of defence, planning and policy, is no more than a technical device to abbreviate the process of reaching agreement. NATO would only offer something for approval under the « silent procedure », which means that NATO assumes all members agree unless it is told to the contrary by a certain date, if it believes that this is exactly what everybody wants to do. If anybody has a problem all they have to do is disagree and request a debate. This goes for the small countries as well as the large countries.
The most frequent use of the « silent procedure » at the level of the council is after a debate has taken place, after a proposal has been made to be debated and agreed in the council and an agreement is not reached. The Secretary General will then offer a formulation that takes into account different nations' points of view. This formulation will be offered to see if agreement can be reached. If no-one objects by the deadline then it is assumed that everyone agrees. If one of the countries, in reading it, objects then the debate starts again. This is how the « silent procedure » works. There are of course spectacular cases where some countries press to have a very urgent, quick decision and so the « silent procedure » lasts for a shorter period of time. But again, while pressure is occasionally applied to get a quick agreement if a country has a problem they simply object and a debate is held. This happens all of the time. The « silent procedure » does not create a difficulty.
What about partnerships with countries in war ? One of the aspects of the new security environment is that the borderline between peace and war is not as clear as it used to be. After the 9/11 attacks, Article 5 was declared applicable. Up until this point, in the minds of most people, Article 5's collective defence, meant war.
The current operation which NATO is still carrying out, Operation Active Endeavour in the Mediterranean to control sea lanes, is an operation that was launched under Article 5 and a number of countries, including Belgium and Germany, who had initially agreed to participate under Article 5, insist that it is still an Article 5 operation but it is not a war.
The security environment is difficult, the borderlines between regular opponents and asymmetric warfare are fluid.
Another matter is to what extent are the partnerships developed and do they imply involvement in certain things. It is interesting that our concept of partnership for peace has offered an individual framework for every country. Every country can determine the practical limits of it's co-operation. This was a very important consideration for countries like ex-neutrals such as Sweden, Finland and Switzerland who were only prepared to enter into a partnership with NATO if it was possible to clearly separate their involvement with NATO from any Article 5 responsibility that NATO would have. One can be a partner of a country without necessarily being obliged to become involved in everything that that country does.
Mevrouw Hermans merkt op dat duidelijk gesteld werd dat de NAVO voor nieuwe uitdagingen staat. Traditionele oorlogen zijn vandaag geen echte bedreiging meer. Elf september heeft ervoor gezorgd dat terrorisme bovenaan de agenda staat. Hoe definieert de NAVO terrorisme ? Er werd verwezen naar de samenwerking met andere actoren op het vlak van defensie en veiligheid. Hoe zal de NAVO op die nieuwe uitdaging reageren ?
Mr. Pfeiffer replies that NATO has never tried to define terrorism. NATO only responds to terrorist acts if it encounters them. The case of 9/11 was very clear. Until then there had been an almost theological debate in NATO whether terrorist acts should at all be NATO's concern. NATO had already addressed the threat of terrorism in the strategic concepts of 1991 and 1999 but always in as far as these factors affect NATO's security without specifying what it would do about it.
After 9/11, NATO developed a military concept for the fight against terrorism which defined the kind of tasks which military forces might have to carry out and which were broadly grouped into three categories : anti-terrorism which involved defensive measures, counter-terrorism which involved offensive measures and consequence management which is where the military help to deal with the effects of a terrorist task. NATO has defined what kind of military tasks it has to do and in order to do so it has also defined a political chapeau.
NATO has clearly stated the need for its actions against terrorism always have to be based on valid International Law. NATO has agreed to make available its assets and capabilities to other organisations especially if an ally is part of the other organisation and is affected. NATO has agreed, in principle, that it is prepared to deal with terrorists in a sense of defence and counteraction, if necessary attacking safe-havens and so on. NATO is not trying to establish a full-blown theoretical basis on which terrorism can be defined but instead is acting pragmatically.
2.6. Hoorzitting met de heer Bozo, professor, Université de la Sorbonne Nouvelle (Paris III)
2.6.1. Uiteenzetting van de heer Bozo
De heer Bozo situeert zijn uiteenzetting in de historische evolutie van de strategie van het Atlantische Bondgenootschap, in het licht van de Top van Riga doch ook nadien.
De huidige fase wordt gekenmerkt door een zekere vermindering van de Atlantische spanningen, die drie jaar geleden, tijdens de crisis in Irak, een hoogtepunt bereikten. Die rust neemt even de aandacht weg van het feit dat de transatlantische relatie en het Atlantische Bondgenootschap in een vrij cruciale transformatiefase gekomen zijn maar men kan de huidige situatie en vooral de toekomstperspectieven — zoals ze in Riga en nadien zullen worden ingevoerd — maar behandelen tegen de achtergrond van de grondige transformatie van de transatlantische relatie.
De uiteenzetting wordt toegespitst op drie punten : de basiselementen van de grondige transformatie van het Bondgenootschap, de huidige toenaderingsfase en de afname van de spanning en, ten slotte, de evoluties die in Riga en nadien zichtbaar zullen worden.
Het eerste deel van de uiteenzetting betreft de huidige transformatie van het Atlantische Bondgenootschap.
Om de betekenis van die transformatie te begrijpen, moet men teruggaan tot de elementen die van bij de oprichting van het Bondgenootschap in 1949 van fundamenteel belang waren.
Het eerste element is een klare en duidelijke bestaansreden, namelijk de collectieve verdediging van de leden van het Bondgenootschap, krachtens artikel 5 van het Verdrag van Washington, tegen een externe bedreiging. Daarmee wordt uiteraard de Sovjetdreiging bedoeld, ook al staat dat niet zo expliciet in het verdrag. Dat is altijd het belangrijkste bindmiddel van het Bondgenootschap geweest, ook al verklaren andere elementen zijn oprichting en voortbestaan, onder meer de verwijzing naar de idee van collectieve veiligheid, het feit dat het ging om een bondgenootschap van democratische staten. Het essentiële element was echter altijd de collectieve defensie.
Tweede fundamenteel en wezenlijk kenmerk van het Atlantische Bondgenootschap : een asymmetrische relatie Verenigde Staten/Europa in termen van macht en samenhang. We mogen niet vergeten dat de NAVO werd opgericht omdat Europa niet in staat was om zich te verdedigen. Het Bondgenootschap heeft Europa dus verzekerd van een Amerikaanse defensiewaarborg, ook al is dit in theorie een bondgenootschap tussen soevereine en gelijkwaardige staten.
De werkelijke reden voor het Bondgenootschap was van bij het begin een ongelijkheid tussen de Verenigde Staten en Europa. Omgekeerd hebben de werking en het voortbestaan van het Bondgenootschap die asymmetrie bevestigd, want de Amerikanen waren slechts bereid de veiligheid van Europa tijdens de Koude Oorlog te waarborgen als ze de baas konden spelen. Dat was de prijs die de Europeanen moesten betalen.
Het bondgenootschap heeft die asymmetrie Verenigde staten/Europa dus bevestigd, hoewel er in de Koude Oorlog enkele pogingen geweest zijn om de relatie opnieuw in evenwicht te brengen, onder meer via de Europese constructie.
Het derde fundamentele kenmerk van het Atlantische bondgenootschap in zijn historische periode, was het beperkte geografische kader van zowel de lidstaten als van de taken. Het Atlantische Bondgenootschap was een Euro-Amerikaans Bondgenootschap voor Europese kwesties en geen wereldwijd bondgenootschap.
Die drie fundamentele elementen, namelijk een duidelijke bestaamsreden, de Euro-Amerikaanse asymmetrie en een beperkt geografisch kader, hadden op het einde van de Koude Oorlog, ongeveer vijftien jaar geleden, natuurlijk ter discussie kunnen worden gesteld, maar dat is niet gebeurd. Het Atlantische Bondgenootschap heeft nog ten minste tien jaar, van 1989 tot 1999, zijn voornaamste kernmerken behouden.
Het antwoord op de vraag naar de reden is eenvoudig.
In de eerste plaats is de bestaansreden van het Bondgenootschap, namelijk de collectieve defensie tegen de Sovjetdreiging, erg vaag geworden omdat de Sovjetdreiging samen met de USSR verdwenen is. Die reden werd nadien vervangen door een andere bestaansreden, namelijk de veiligheid : de Europese veiligheid moest worden gewaarborgd omdat nationalistische neigingen en het uiteenspatten van multinationale staten als Joegoslavië, die veiligheid opnieuw in het gedrang zouden kunnen brengen.
In de eerste tien jaren van de periode na de Koude Oorlog, tot het einde van de jaren '90, namen de Europese veiligheid en stabiliteit dus de plaats in van de collectieve defensie.
Het einde van de Koude Oorlog had een einde kunnen maken aan de Euro-Amerikaanse asymmetrie. Er was immers een historische hinderpaal uit de weg geruimd voor een autonoom Europa, namelijk de behoefte aan Amerikaanse bescherming. Vanaf het moment dat er geen externe bedreiging meer was, bijvoorbeeld de Sovjetdreiging, hadden de Europeanen zich kunnen laten gelden als een volwaardige strategische macht zonder dat dit problemen zou hebben veroorzaakt voor de transatlantische relaties.
Dat is niet gebeurd omdat de Amerikanen er in 1990 definitief voor gekozen hebben in Europa te blijven, met het gevolg dat er een zekere asymmetrie van de macht en een politieke asymmetrie zou blijven tussen Amerika, dat de leader zou blijven en Europa dat zijn strategische ambities slechts kon realiseren in een Atlantische context.
Derde element : het strategische kader van het Bondgenootschap bleef in die periode erg « eurocentrisch » omdat er vooral veiligheidsproblemen waren in de periferie van de Europese Unie, namelijk in de Balkan.
Tot het einde van de jaren '90 kwam er dus geen enkele wijziging in die drie essentiële elementen van het Bondgenootschap. De jongste vijf jaar is precies daarin verandering gekomen.
Door de gebeurtenissen van 11 september 2001 kwamen de kwesties, die in de jaren '90 eigenlijk al op de agenda hadden moeten staan, plots ter sprake. Men voelde immers al langer dat Amerika zich minder voor Europa interesseerde, dat de Europeanen nood hadden aan een sterkere strategische bevestiging en dat de Amerikanen er al lang van overtuigd waren dat ze het Bondgenootschap nog voor andere zaken dan voor de Europese veiligheid konden gebruiken.
Op 11 september 2001 veranderde alles. De aanslagen hebben het Bondgenootschap in een nieuw tijdperk gebracht en de fundamentele elementen van het Bondgenootschap ter discussie gesteld, maar die kwestie is nog altijd niet geregeld.
Wat het geografische kader van het Bondgenootschap betreft, hebben de aanslagen van 11 september de Verenigde Staten in het tijdperk van de mondiale dreiging gebracht. De aanslagen werden gepleegd tegen Washington en New York, maar werden buiten de Verenigde Staten voorbereid, in Europa en in de Arabische en moslimwereld. De dreiging kreeg dus een mondiale dimensie en het Bondgenootschap moest zich aan die nieuwe situatie aanpassen.
Voor de Europeanen waren de zaken van in het begin al minder duidelijk. Europa toonde zich vanaf 12 september 2001 natuurlijk erg solidair met Amerika. Die solidariteit werd bevestigd bij het militaire optreden van Amerika in Afghanistan in november 2001. Dat neemt echter niet weg dat de Europeanen sinds ongeveer vijf jaar meer en meer problemen hebben met het idee van een mondiaal bondgenootschap.
Ze zijn van oordeel dat de Europese veiligheid nog niet helemaal verzekerd is en dat er dus nog altijd Europese of Euro-Atlantische taken zijn. Anderzijds kunnen sommige Europeanen moeilijk aanvaarden dat het Atlantisch Bondgenootschap een mondiaal bondgenootschap wordt dat in zekere zin het Westen zou vertegenwoordigen tegenover de rest van de wereld.
De kwestie van de geografische dimensie van het Bondgenootschap kwam dus weer aan bod na de gebeurtenissen van 11 september en de vraag blijft onbeantwoord. Ze bestaat trouwens uit verschillende « subkwesties » : het al dan niet mondiale karakter van de dreigingen en van de missies en de houding van de huidige lidstaten ten aanzien van de vraag of het Bondgenootschap een mondiale organisatie moet worden.
Het tweede element dat na 11 september fundamenteel gewijzigd, misschien nog meer dan het geografisch kader, is de bestaansreden van het Bondgenootschap en dat om ten minste drie redenen. De eerste vraag die de dag na 11 september rees, was of de mondiale oorlog tegen het terrorisme, zoals de Amerikanen de actie sindsdien kwalificeren, het centrale organisatorische beginsel van het Atlantische Bondgenootschap moet zijn.
Anders gezegd, moet de oorlog tegen het terrorisme de plaats innemen van de strijd tegen de Sovjetdreiging in de Koude Oorlog ? Het Amerikaanse beleid verkondigt en promoot die idee al vijf jaar. De Europeanen stellen zich terughoudender op, ook al is er verdeeldheid op dat gebied.
De vraag of de oorlog tegen het terrorisme een centrale plaats moet innemen in het Bondgenootschap, wordt echter overheerst door een andere, meer fundamentele vraag. Wie is de scheidsrechter op het vlak van de internationale veiligheid ? Blijft dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zoals veel Europeanen denken of kan een bondgenootschap van westerse democratieën door de nieuwe situatie voldoende legitimiteit verwerven om eventueel te beslissen geweld te gebruiken ? We voelen wel dat die verleiding groot is voor de Amerikanen en dat vele Europeanen al even terughoudend zijn.
Volgende vraag is hoe het bondgenootschap moet functioneren ? Wordt het de plaats voor the coalitions of the willing, zij die bereid zijn geweld te gebruiken ? Is de opdracht bepalend voor de coalitie, zoals staatssecretaris voor Defensie, Donald Rumsfeld, verklaarde, of moet het Bondgenootschap absoluut multilateraal blijven, zoals talrijke Europeanen denken ? Al die kwesties blijven onbeslist.
De derde kwestie kwam aan de orde na de gebeurtenissen van 11 september 2001 — hoewel ze vroeger al bestond — : deze van de asymmetrie in de relatie tussen de Verenigde Staten en Europa, die het gevolg is van de duur en de diepte van de relatie, ook al wordt dat niet door iedereen erkend. Het gaat om het relativeren van de NAVO als internationaal en veiligheidsinstrument door de Verenigde Staten en anderzijds het toenemende wantrouwen van de Europeanen om dat als een obligaat kader voor hun operaties te zien.
We stellen vast dat de Amerikanen zich sinds 11 september meer en meer uit de Navo terugtrekken — althans vergeleken met hun houding in de Koude Oorlog — ongeacht de huidige fase die toch wijst op een nieuwe inzet. De NAVO is nu voor de Amerikanen veel minder belangrijk dan in de Koude Oorlog.
Tegelijkertijd aarzelen de Europeanen, misschien meer nog dan in het verleden, om hun militaire operaties of politiek-militair overleg te situeren binnen de NAVO omdat het Amerikaanse engagement fel is afgenomen en ze zich meer en meer afvragen waarom zij zouden moeten investeren in een organisatie die zal worden gedomineerd door de Verenigde Staten, die steeds minder aanwezig zijn.
Dat is de oorzaak van de nieuwe dynamiek van de Europese bevestiging in politiek-strategische aangelegenheden die we vaststellen zelfs vóór de gebeurtenissen van 11 september.
Maar, als de NAVO niet langer de eerste keuze is voor de Europeanen en de Amerikanen, is er een probleem want dan zal de werking van de NAVO niet meer afgestemd zijn op de realiteit van de transatlantische relatie. Ik kom daar in mijn conclusies nog op terug.
Die drie problemen van het Atlantisch Bondgenootschap wachten al enkele jaren op een oplossing.
Ondanks die achtergrond is er sinds 2003-2004 een ontspanningsfase ingetreden. Die ontspanning werd concreet zichtbaar in de lente van 2004, onder meer door het bezoek van president Bush aan verschillende Europese landen, vooral aan Frankrijk, en het bezoek van de Amerikaanse president en de staatssecretaris aan Brussel in februari 2005.
Er rijzen dus een aantal vragen bij die ontspanningsfase waarin de Top van Riga moet worden gesitueerd.
Welke motieven liggen aan de basis van die toenadering ? Hoe komt ze tot uiting en welke draagwijdte heeft ze ?
Er zijn drie belangrijke factoren om de transatlantische spanningen weg te nemen.
In de eerste plaats interpreteren de twee betrokken partijen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan de crisis van 2003 op dezelfde manier : die crisis was even gevaarlijk als de crisissen die ze in de Koude Oorlog doorstaan hadden, onder meer de Suezcrisis, die in feite de transatlantische verstandhouding zwaar op de proef stelde.
Alle actoren — de Verenigde Staten, Frankrijk en de protagonisten van het drama van 2003 — zijn tot de conclusie gekomen dat het Atlantisch bondgenootschap dreigt te verdwijnen als men dergelijke conflicten laat voortduren of als ze elkaar zouden opvolgen. Ze beseften ook dat iedereen er belang bij heeft de rangen opnieuw te sluiten. De transatlantische relatie blijft immers een centraal gegeven voor de internationale veiligheid omdat het gaat om een relatie tussen de twee belangrijkste democratische en economische actoren die voor vrede en veiligheid in de wereld moeten zorgen. In een wereld vol tegenstellingen is die relatie van essentieel belang en het handhaven ervan is de reden bij uitstek voor de huidige verzoeningsfase.
Tweede factor : Europa heeft de balans opgemaakt van de nutteloze verdeeldheid tussen Europeanen. In het conflict van 2003 streefden de twee partijen — het oude en het nieuwe Europa, om het met de woorden van de heer Rumsfeld te zeggen — dezelfde doelstelling na, namelijk invloed uitoefenen op de Verenigde Staten en het Amerikaanse beleid matigen, eventueel met het risico van een frontale oppositie, zoals het geval was met Frankrijk, Duitsland en sommige andere landen. Groot-Brittannië paste een andere strategie toe en probeerde het Amerikaanse beleid intern te beïnvloeden, niet door zich tegen Amerika te keren, maar door raad te geven.
We kunnen gerust stellen dat beide strategieën mislukt zijn. Europa heeft de prijs voor zijn verdeeldheid betaald. Mocht het voor bepaalde zaken eensgezind zijn opgetreden, dan had het misschien een invloed kunnen uitoefenen op de Verenigde Staten. De Europese verdeeldheid heeft de Europese belangen in Amerika in elk geval niet gediend. Daaruit werd de les getrokken dat men best kan zoeken naar een basis voor een eensgezind Europa in de transatlantische relatie. Dat is een verklaring voor de wil tot toenadering van Europa.
Derde factor : er zijn meerdere belangrijke redenen waarom de VS zich opnieuw in de NAVO willen engageren. Na de Amerikaanse zege in Irak is de toestand er zeer snel verslechterd. De Verenigde Staten zijn dan ook op zoek gegaan naar een politieke legitimiteit die een unilaterale benadering hun niet kon verschaffen. Zij hadden er bijgevolg belang bij om de Atlantische consensus voor zover mogelijk te herstellen en op het terrein op wat goede wil te kunnen rekenen, ook al weigeren de landen die het meest gekant waren tegen het Amerikaanse optreden in Irak, nog steeds mee te werken aan de stabilisering en de wederopbouw van Irak.
Dat verklaart waarom de Amerikanen op de Top van Istanbul in 2004 gepoogd hebben de NAVO — zelfs op beperkte wijze — te betrekken bij de stabilisering en wederopbouw van Irak.
Samengevat, na een fase van kritisch unilateralisme, hebben de Amerikanen de NAVO herontdekt als het instrument bij uitstek van het Amerikaanse leiderschap.
Bijgevolg heeft de trans-Atlantische toenadering drie hoofdkenmerken aangenomen.
Eerst is er de toenemende convergentie over de grote veiligheidsdossiers, met uitzondering van Irak. Irak geeft steeds minder aanleiding tot verdeeldheid, maar is er nog geen sprake van consensus.
Niettemin bestaat er overeenstemming over de andere grote veiligheidsthema's waarmee Amerika en Europa sinds drie jaar worden geconfronteerd. Deze convergentie verklaart fundamenteel de institutionele en politieke verbetering van de transatlantische relaties.
Iedereen weet over welke dossiers het gaat. De toenadering van Amerikanen en Europeanen sedert 2004 in verband met Iran is op dit ogenblik het meest in het oog springende voorbeeld.
Dat geldt ook voor de betrekkingen met China. De kwestie van de opheffing van het wapenembargo tegen China gaf ook aanleiding tot toenadering.
De Euro-Amerikaanse toenadering kwam ook tot uiting naar aanleiding van het democratiseringsproces in de republieken aan de grenzen van de Sovjet-Unie, namelijk Oekraïne en Georgië; in het Midden-Oosten evolueert men wat de grond van enkele grote dossiers betreft in de Israëlisch-Palestijnse en de Libanese kwesties bijvoorbeeld, naar een Frans-Amerikaanse convergentie.
Een tweede interessant en belangrijk element van de aan de gang zijnde toenadering is dat de ontluikende relatie tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie een structurerend element van de transatlantische relaties is geworden. Dat is nieuw, ook al spreekt men erover sinds 1962 toen president Kennedy in zijn beroemde toespraak in Philadelphia een transatlantisch partnerschap voorstelde met de Europese Unie, toen nog een prille politieke grootmacht.
We hebben veertig jaar moet wachten en in 2003 een van de ergste transatlantische crisissen moeten doorworstelen, om in de lente van 2005 een echt partnerschap tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie te zien ontstaan met een rechtstreekse strategische relatie tussen de nieuwe Europese Unie en de Verenigde Staten.
Het bezoek van president Bush en zijn staatssecretaris aan Brussel in februari 2005 heeft duidelijk een einde gemaakt aan de veronderstellingen die de voorbije drie jaar de ronde hadden gedaan en volgens dewelke Amerika wilde afstappen van een van de belangrijkste aspecten van zijn beleid tegenover Europa sedert 1945, namelijk de ondersteuning van de Europese eenmaking.
Toen Rumsfeld in 2003 het nieuwe tegen het oude Europa uitspeelde, rees de vraag of het Amerikaanse beleid zich niet afwijzend zou opstellen tegenover de Europese eenmaking. Wat in februari 2005 in Brussel gebeurde, maakte een einde aan deze veronderstellingen.
Meteen erkennen de Amerikanen dat de politieke eenmaking van Europa vordert en dat een begin wordt gemaakt met een Europees veiligheids- en defensiebeleid, ondanks de misschien voorlopige mislukking van de ratificatie van het Europees grondwettelijk verdrag in Frankrijk en Nederland.
Amerikanen en Europeanen erkennen dan ook dat een partnerschap tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie noodzakelijk is : de integratie van de EU vordert en naast het veiligheidsaspect speelt de Unie ook op economisch vlak een rol. De middelen waarover de Unie beschikt en de ambities die ze koestert, hebben voor gevolg dat de Verenigde Staten nu de eigenheid van de Europese Unie erkennen.
Het laatste element in de transatlantische toenadering betreft de « oude » NAVO. De heer Bozo legt uit dat we sinds enkele maanden inderdaad een vernieuwde Amerikaanse interesse voor de NAVO merken. Dat is de term die door de hoogste Amerikaanse verantwoordelijken wordt gebruikt. Amerika koopt zijn aandelen in de NAVO in zekere zin terug. Een en ander blijkt uit de hernieuwde Amerikaanse belangstelling voor de militaire NAVO-operaties, de Amerikaanse belofte te zullen bijdragen tot de internationale veiligheidsmacht in Afghanistan (ISAF) en de Amerikaanse verbintenis manschappen ter beschikking te stellen aan de NATO Response Force, waarin ze tot nog toe afwezig waren.
Op politiek vlak stellen we vast dat Amerika de NAVO-agenda opnieuw in handen wil nemen om hem aan te passen, meer bepaald waar het gaat om de uitbreiding en de ontwikkeling van globale partnerschappen. Dat alles toont aan dat Amerika de NAVO opnieuw ernstig neemt en er opnieuw verbintenissen wil opnemen.
Deze fase van toenadering roept uiteraard vragen op. Is zij duurzaam ? Dat zal in de eerste plaats afhangen van de internationale context. Een crisis is altijd mogelijk. Zo vierde de Top van Praag in november 2002 een hervonden Atlantische consensus en was de Alliantie enkele weken later opnieuw verdeeld over de Iraakse crisis. De duurzaamheid van de huidige fase zal afhangen van de internationale contacten en van mogelijke crisissen.
Andere vraag : wat zijn de diepere beweegredenen van de Verenigde Staten ? Gaat het om een tactische omslag van het unilateralisme dat sinds 2000-2001 opgang maakte of beleven we een echt multilateraal engagement van de Verenigde Staten met de NAVO als belangrijkste begunstigde ? Het is nog te vroeg om daarop te antwoorden. Het is evenwel niet denkbaar dat de VS naar de NATO terugkeert met dezelfde houding als vóór 11 september 2001. Sedertdien is er teveel veranderd zoals eenieder heeft gemerkt.
Laatste vraag : in hoeverre ten slotte kan de huidige Europese institutionele crisis een transatlantische verzoening bemoeilijken ? Uiteindelijk zoekt Amerika een eengemaakte Europese partner die zelf nog naar eenmaking op zoek is. Bestaat er bijgevolg een risico dat Europa het laat afweten ten opzichte van de VS, die opnieuw naar een partnerschap op zoek gaan ?
De verbetering van de transatlantische relaties vormt hoe dan ook de achtergrond van Riga op korte termijn. Riga wordt ongetwijfeld een consensuele Top. Vermoedelijk zullen niet alle fundamentele kwesties worden behandeld. Deze vragen blijven open en kunnen na de volgende Top voor verdeeldheid zorgen.
De kwestie van de geografische grenzen van de Alliantie is wellicht gemakkelijker te regelen. Uiteindelijk is de NAVO nu al een globale organisatie : zij treedt op in Afghanistan, in Afrika, in Darfour. De heer Bozi verwacht dus hier geen fundamenteel debat over wat al algemeen is aanvaard. Zelfs de Fransen, die vaak weigerachtig stonden tegenover een uitbreiding van het actieterrein van de NAVO, erkennen dat. Ze nemen zelfs deel aan operaties in Afghanistan.
« Buiten de zone » bestaat niet meer.
De kwestie van de geografische uitbreiding is subtieler, moeilijker. In Riga zullen geen belangrijke beslissingen zullen worden getroffen. Misschien worden signalen uitgestuurd ? Duidelijk is dat de uitbreiding nog niet ten einde is. De NAVO zet haar deuren open en er is geen enkele reden waarom zij dat beleid zou stopzetten.
Bijgevolg zal de kwestie van de uitbreiding veeleer aan bod komen op de volgende top in 2008 ook al zullen er in Riga zeker signalen zijn.
Daarbij zou rekening moeten worden gehouden met concrete criteria : Hoever staat het met de binnenlandse ontwikkeling van de kandidaat-landen ? Zijn ze klaar om de Alliantie te vervoegen ? Willen zij dat ? Dat is niet vanzelfsprekend. Zo is Oekraïne, bijvoorbeeld, nog altijd verdeeld over de kwestie. Hoe is de obstructie van Rusland aan te pakken ? Naast die concrete criteria valt er niet veel te bespeuren van een « grote strategie » inzake de uitbreiding, zoals die in de jaren negentig wel bestond.
Wellicht zullen daarom de gesprekken over de uitbreiding niet zo moeilijk verlopen als in de jaren '90, maar zal telkens over de aanvaarding van een bepaald lid worden gedebatteerd.
Op een ander vlak is idee van de mondiale partnerschappen die de Amerikanen trachten te ontwikkelen, waarschijnlijk onweerstaanbaar. De Amerikanen hebben de internationale legitimiteit zo zeer nodig dat de Europeanen die tegen deze partnerschappen gekant zijn, zich nog moeilijk zullen kunnen verzetten. Er bestaan nu al nauwe betrekkingen tussen Amerika en landen zoals Australië en Nieuw-Zeeland. Of ze partners worden in een nieuw NAVO-kader maakt niet veel verschil met de huidige situatie, maar verschaft Amerika wel de nodige legitimiteit binnen de NAVO. Bovendien blijken deze partnerschappen een bron van efficiëntie te zijn, bijvoorbeeld bij de operaties in Irak waaraan niet alleen de bondgenoten van de Verenigde Staten binnen de NAVO deelnemen, maar ook meer afgelegen bondgenoten. De kwestie van de mondiale partnerschappen zal dus nog aan belang winnen en een belangrijke inzet vormen, misschien ook een oorzaak van verdeeldheid met de Europeanen die zo'n evolutie met lede ogen aanzien.
De vraag naar haar bestaansreden en de missies van de Alliantie zal wellicht meer moeilijkheden opleveren. Er komt waarschijnlijk geen fundamenteel debat komt over artikel 5 van het verdrag als hoeksteen van de Alliantie. Dat wordt immers nog altijd door beide partijen aanvaard : door de Europeanen die uit zijn op Amerikaanse bescherming en door de Amerikanen die deze bescherming willen waarborgen om gebruik te kunnen blijven maken van de Atlantische Alliantie, ook al komt de exclusieve rol van de NAVO in dat opzicht in het gedrang, bijvoorbeeld door het Europees grondwettelijk verdrag en zijn antiterroristische solidariteitsclausule. Er zal echter een fundamentele consensus over artikel 5 blijven bestaan.
Het grootste probleem dreigt te rijzen door de politisering van de Alliantie die door de secretaris-generaal van de NAVO sinds enkele jaren wordt voorgestaan. Als men het Bondgenootschap de politieke middelen wil geven om zijn militaire rol te vervullen, haar met andere woorden de middelen wil geven voor crisisbeheersing die bijvoorbeeld in Afghanistan van nut zouden kunnen zijn, zullen de Europeanen zich daartegen niet verzetten, ook niet diegenen die het meest gekant zijn tegen een dergelijke ontwikkeling. Deze ontwikkeling kadert immers in de Harmeldoctrine die de politieke rol van de Alliantie als een tegengewicht zag voor haar militaire functie.
Een nieuwe Alliantie die streeft naar collectieve veiligheid en die op bepaalde terreinen de rol van de VN en op andere die van de EU overneemt, zal echter leiden tot bijzonder moeilijke transatlantische debatten, ook vanwege de mondialisering van de NAVO waardoor het Bondgenootschap in de ogen van sommigen een nieuwe Westerse hegemonie dreigt te incarneren. De Europese landen vinden dat uiteraard onaanvaardbaar.
Het debat over de bestaansreden van de Alliantie blijft dus belangrijk. Ook de politisering zal nog lang na de Top van Riga het voorwerp uitmaken van debatten.
Ten slotte zal in Riga evenmin beslist worden over de Euro-Amerikaanse evenwichten binnen de Atlantische Alliantie.
In de huidige fase is het Bondgenootschap voor Amerika geen absolute prioriteit en zijn Europa en ook de Europese Unie op zoek naar andere fora waar ze zich strategisch kunnen affirmeren. De NAVO zal het bijgevolg niet gemakkelijk hebben zich verder op te werpen als de enige vertegenwoordiger van de transatlantische relatie.
Om deze transatlantische relatie te kunnen behouden, zijn meerdere scenario's mogelijk.
Allereerst zal men de oude NAVO van de Koude Oorlog willen aanpassen aan de nieuwe situatie. De Amerikanen zeggen nu dat dat mechanisme al bij al toen goed heeft gewerkt en dat het vandaag kan blijven functioneren. Daarom wil Amerika zich opnieuw inzetten voor de NAVO. Het is echter niet zeker dat de Europeanen dat zullen blijven aanvaarden indien de NATO een grondiger transformatie ondergaat en een alliantie blijft waarin Europa als dusdanig (de EU dus) niet vertegenwoordigd is.
Zoals gezegd, komt een nieuwe relatie tussen de Verenigde Staten en Europese Unie versneld tot stand. Op de Top van Wenen is duidelijk geworden dat beide partijen in die richting verder willen gaan in het verlengde van de aanzet in Brussel van februari 2005.
Ten slotte rijst de vraag of het ogenblik niet is gekomen om de NAVO zelf om te vormen en de organisatie aan te passen aan de nieuwe Europese realiteit. Kan de NAVO met meer dan 25 leden — de Verenigde Staten en de anderen — blijven functioneren ? Moet de Europese Unie geen grotere zichtbaarheid krijgen binnen een Atlantisch Bondgenootschap dat blijkbaar een alliantie van soevereine staten is, wat voor de Europeanen die als dusdanig collectief naar buiten willen treden, een probleem is.
Op middellange termijn en zelfs op lange termijn ziet de heer Bozo geen NAVO totstandkomen met de Verenigde Staten, de Europese Unie en enkele andere landen, met name Canada en de Europese NAVO-leden die geen deel uitmaken van de Europese Unie. Een dergelijk symmetrisch bondgenootschap is nog verre toekomstmuziek. Niettemin kan de zichtbaarheid van de EU binnen de NAVO binnen afzienbare tijd worden verbeterd, bijvoorbeeld door de vertegenwoordiger van de EVDB in de Noord-Atlantische Raad op te nemen.
Tot zover de mogelijke scenario's voor de fundamentele kwestie van de interne evenwichten binnen het Bondgenootschap en de Europese zichtbaarheid binnen het Bondgenootschap, die zich ook nog lang na Riga zullen afspelen.
2.6.2. Gedachtewisseling
Mevrouw Annane wenst te weten of de NAVO zich moet toespitsen op het terrorisme. Volgens sommige NAVO-ambtenaren zou de NAVO niet de geschikte plaats zijn om het terrorisme te bestrijden. Een NAVO-ambtenaar stelde dat de NAVO daartoe niet over de nodige instrumenten beschikt en dat het uitvoeren van bewakingsoperaties het enige instrument is waarvan momenteel enigszins gebruik wordt gemaakt. De NAVO maakt daar enkel gebruik van in de mediterrane regio als afschrikking.
Het artikel 5, dat de basis van het Bondgenootschap vormt, zou niet ter discussie staan en er zou op de Top van Riga geen definitieve, maar veeleer een symbolische, beslissing genomen worden over de uitbreiding. Zal deze tendens tot steeds verdere uitbreiding artikel 5 en de collectieve verdediging niet op de helling plaatsen, ook al is het begrip in de loop der jaren geëvolueerd zodat het nu wordt gezien als een vorm van solidariteit tegenover een globale bedreiging ?
Een derde vraag betreft dat globale aspect. Sedert 11 september is de NAVO-strategie gebaseerd op dat globale uitgangspunt. Er is sprake van globale bedreigingen, van een globale opdracht en van de globale geografische zone. Wat houdt dat begrip precies in ?
Betekent het zoeken naar nieuwe partners niet dat de modernisering van de NAVO-strijdkrachten in zekere mate mislukt is ? Heeft de NAVO de grenzen van zijn militaire en financiële mogelijkheden niet bereikt en is ze daarom op zoek naar nieuwe partners ?
Mevrouw Zrihen verwijst naar de geografische beperkingen van het Bondgenootschap. Kan de heer Bozo uitleggen waarom de vraag over de situering buiten de zone niet meer aan de orde is ?
De politisering van het Bondgenootschap houdt in dat het de politieke middelen krijgt voor de uitoefening van zijn militaire functie. Wat verstaat men onder « politieke middelen » ? Welke vorm zal dat aannemen ? Zullen er tegenstellingen ontstaan met het charter ? Is de idee dat de NAVO een organisatie is met een mandaat van de Verenigde Naties al dan niet veranderd ?
Volgens sommige gezagsdragers zou geld van doorslaggevend belang zijn. Wie betaalt wat en hoe gebeurt dat ? Gaat het om een systeem van burden sharing, is er een proportionele kostenverdeling, of wordt er nog gedacht aan een derde formule ?
Tot slot blijft de NAVO nadenken over een partnerschap met Israël. Beschouwt men Israël als een land in oorlog ? Zo ja, wat is dan de betekenis van dat partnerschap ?
De heer Roelants du Vivier meent dat, aangezien er op de top van Riga niet veel fundamentele beslissingen zullen worden genomen, het misschien nu het ogenblik is om belangrijke stappen voor de toekomst voor te bereiden. Er zijn er al een paar aangehaald. Als echte Europeaan en pacifist vraagt spreker zich af of de toekomstige politieke dimensie van de NAVO niet in tegenspraak zal zijn met het Europees gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. De ideeën daarover zijn echter zeer uiteenlopend. Wat dent de heer Bozo daarover ?
Antwoorden van de heer Bozo
De geschiedenis eindigt niet met de Top van Riga. Die Top vindt inderdaad plaats in een tijd van onzekerheid op lange termijn ondanks de huidige kalme fase maar die is van voorbijgaande aard.
Moet het Bondgenootschap zich toespitsen op terrorisme ? Die vraag houdt verband met de vraag of terrorisme vooral militair, dan wel met andere middelen, moet bestreden worden. Sedert 11 september 2001 zijn Europeanen en Amerikanen verdeeld over deze vraag en bovendien zijn de Europeanen het er onderling niet over eens.
De Europeanen zijn geneigd te zeggen dat militaire macht slechts één van de instrumenten is om het terrorisme te bestrijden. Dat was de strekking van de verklaring die de Franse President Jacques Chirac kort na 11 september 2001 aflegde. Hij hekelde zelfs de idee van een oorlog tegen het terrorisme, op het gevaar af op onbegrip te stuiten bij de Amerikanen.
Men moet dus eerst bepalen wat men begrijpt onder de strijd tegen het terrorisme. Terrorisme is veel complexer dan een louter militaire problematiek. Niettemin kan militaire macht nuttig zin om terrorisme te bestrijden. Een goed voorbeeld daarvan is wat er in Afghanistan is gebeurd sedert 11 september 2001 : de interventie van de NAVO gaf geen aanleiding tot noemenswaardige problemen tussen de geallieerden, in tegenstelling tot wat er met Irak is gebeurd. De NAVO heeft een rol te spelen in de bestrijding van terrorisme in de mate dat een multilaterale militaire macht kan en moet ingezet worden voor dat doel, maar dit kan geen exclusieve opdracht zijn. Andere actiemogelijkheden kunnen aan bod komen zoals politie, justitie, economische en financiële instrumenten. In dat verband is de rol van de NAVO miniem, althans in vergelijking met die van de Europese Unie.
Wat de vraag over de gevolgen van de uitbreiding voor artikel 5 betreft, onderstreept de heer Bozo dat artikel 5 niet ter discussie staat in die zin dat er daarover geen open debat wordt gevoerd, ook al stelt iedereen zich in werkelijkheid wel de vraag. Die vragen bestaan, niet zozeer na de eerste uitbreiding in 1999, maar wel sinds de tweede uitbreiding in 2004, die volgde op de gebeurtenissen van 11 september, en die wel eens de « big bang » wordt genoemd.
Door er tien nieuwe leden bij te nemen, liep men het risico op uitholling van artikel 5. In feite, hoe groter het Bondgenootschap wordt, hoe relatiever het belang van artikel 5 wordt. Om evidente politieke redenen, wordt dat zo niet gezegd. Bijgevolg blijft men artikel 5 terecht als een bindmiddel van de transatlantische solidariteit beschouwen. In ieder geval is de uitbreiding van het Bondgenootschap een verklaring voor het feit dat de Europeanen hun onderlinge solidariteit willen bevestigen ten aanzien van aanvallen. Dat is ook een verklaring voor de formulering van het Grondwettelijk verdrag. Bijvoorbeeld : de solidariteitsclausule of de antiterrorismeclausule die een aanzet vormen tot een Europees artikel 5. Hoe kan een Europese Unie, die een eigen Grondwet ambieert, het zonder zulk een clausule stellen ? Voor het ogenblik praat men er best niet te veel over, maar men kan er wel over nadenken.
De « globale » draagwijdte is een vlag die alle ladingen kan dekken.
Over het feit dat de bedreiging globaal is kan men het wel eens zijn. Na de aanslagen van 11 september, zullen weinig bondgenoten dat betwisten. Dat betekent dat de opdrachten van het Bondgenootschap ook globaal kunnen zijn.
Dat geldt ook voor de partnerschappen, vermits de landen die geen deel uitmaken van het Bondgenootschap en die soms ver van Europa gelegen zijn, deelnemen aan operaties die door de NAVO worden geleid. De idee van eventueel globaal lidmaatschap van het bondgenootschap is daarentegen nog niet bespreekbaar. Kan men zich voorstellen dat landen van buiten de Euro-Atlantische zone lid zouden worden van het Bondgenootschap ? Momenteel is dat niet denkbaar.
De Amerikaanse idee om een globaal partnerstatuut te promoten voor landen als Zuid-Korea, Japan Australië en Nieuw-Zeeland geeft effectief de grenzen aan van de mogelijkheid voor het Atlantisch Bondgenootschap om financiële of militaire middelen en bijdragen te leveren. Daarom zullen de Amerikanen deze logica in de komende jaren waarschijnlijk verder promoten.
Op basis van geen enkele tekst kan gesteld worden dat de geografische vereiste is weggevallen, maar de gebeurtenissen van 11 september en de NAVO-operatie in Afghanistan tonen aan dat de NAVO voortaan minstens buiten Europa, zoniet wereldwijd optreedt. Zo is het nu eenmaal en dat kan wellicht niet meer worden teruggeschroefd. De vraag is of de NAVO ook nog zal optreden op andere plaatsen in de wereld, zoals in Oost-Azië bijvoorbeeld. Spreker heeft de indruk dat we in continentaal Eurazië en zelfs ook al in Afrika een mondialisering van de NAVO-operaties zien en bijgevolg een vervaging van de notie van het optreden buiten de zone.
Met betrekking tot de vraag over de politisering van het Bondgenootschap ziet de heer Bozo geen onoverkombare moeilijkheden, in de mate dat dit tot doel zou hebben de voornaamste functie van het Bondgenootschap, namelijk de militaire functie, te vergemakkelijken, met name voor opdrachten van heropbouw en stabilisering.
Daarentegen zijn er in feite twee beperkingen. De eerste beperking is de internationale legitimiteit en wettelijkheid. Vele bondgenoten zullen de idee niet genegen zijn dat het Bondgenootschap door een radicale politisering in de plaats zou kunnen treden van de Verenigde Naties, in het bijzonder van de Veiligheidsraad, in verband met de mogelijkheid om militair op te treden. De tweede beperking is Europees. De idee dat het Bondgenootschap zich werkingsmiddelen zou kunnen toe-eigenen waardoor het een soort concurrent van de Europese Unie zou worden is voor de meeste EU-lidstaten ondenkbaar.
Zoals reeds gesteld, moet de problematiek van de politisering van het Bondgenootschap pragmatisch bekeken worden met als doel de NAVO de mogelijkheid te bieden haar militaire opdrachten uit te voeren in een geglobaliseerde context zonder dat het een concurrent wordt van de Verenigde Naties of van de Europese Unie.
Over de financiering heerst grote onduidelijkheid. De heer Bozo heeft hier geen uitgesproken mening over.
De vraag over de tegenspraak tussen de politieke dimensie van het Bondgenootschap en wat de Europese Unie probeert te realiseren is een zeer goede vraag. Spreker ziet niet in waarom de Europese bondgenoten zich daarmee zouden inlaten.
De verleiding daartoe bestaat wel. Zo heeft men bijvoorbeeld de idee geopperd van een omgekeerd Berlijn Plus-akkoord, waardoor het Atlantisch Bondgenootschap activa van de Europese Unie zou kunnen gebruiken, bij voorkeur van de eerste pijler van de Unie, die normaal onder de bevoegdheid van de Commissie valt, om ze te gebruiken voor opdrachten van stabilisering en heropbouw.
Waarom zou een Europees land instemmen met een proces dat leidt tot de ontmanteling van de Europese Unie, terwijl de kracht van de Unie precies ligt in de mogelijkheid om de verschillende pijlers te bundelen ? Waarom zouden zelfs de meest Atlantisch gezinde lidstaten het risico willen lopen de eengemaakte bevoegdheid van de Unie te beperken en de actiemogelijkheden op lange termijn van het GBVB en van het EVDB te bezwaren ?
Het probleem is reëel, maar het scenario van concurrentie van het Bondgenootschap met de Europese Unie heeft op lange termijn geen kans op slagen. Ondanks de recente institutionele mislukkingen is de Europese integratie duurzaam genoeg om dit soort scenario af te wenden.
2.7. Hoorzitting met de heer Remacle en mevrouw Delcourt, professoren, ULB
2.7.1. Uiteenzetting van de heer Remacle
De heer Remacle wijst vooreerst op de vijf kaders voor samenwerking tussen de NAVO en de Europese Unie.
Het eerste, bekendste, kader bestaat al sinds maart 2003 : de Berlijn Plus-regeling. Dat kader is gewijd aan de samenwerking inzake crisisbeheer. De EU heeft gegarandeerd toegang tot de NAVO-operationele planning; de Unie kan gebruik maken van NAVO-capaciteiten; voor operaties onder leiding van de Unie benut de NAVO Europese commando-opties, vooral via de plaatsvervangende SACEUR; het defensieplanningssysteem van de NAVO wordt zodanig aangepast dat NAVO-troepen ter beschikking worden gesteld voor EU-operaties.
Wat minder vaak wordt onderstreept, is dat de Berlijn Plus-regeling ook voor de NAVO voordelen biedt. Zo wordt de Europese Unie in een vroeg stadium betrokken bij de planning van de operaties. De Europese NAVO-lidstaten die geen lid zijn van de Unie worden nauw betrokken bij de Europese operaties via het Comité van contribuanten. Ten slotte is het niveau van Europese planning zwak, zodat de NAVO een doorslaggevende rol heeft bij de planning van de operaties.
Een tweede samenwerkingselement is het zogenaamde « kader voor een verbeterde dialoog tussen de NAVO en de EU en een gezamenlijke aanpak inzake veiligheid en stabiliteit in de Westelijke Balkan ». Dat kader werd in juli 2003 aangenomen en voorziet in :
— de uitwisseling van informatie op alle niveaus, ook over de militaire opties van beide organisaties;
— de samenwerking op het vlak van conflictpreventie en crisisbeheersing in het algemeen, en in het bijzonder coördinatie op een reeks omschreven domeinen;
— hervorming van defensie- en veiligheidsbeleid;
— versterking van de rechtsstaat;
— strijd tegen het terrorisme;
— veiligheid aan de grens en grensbeheer;
— wapenbeheersing en verwijdering van handvuurwapens.
De NAVO en de EU werken nu al samen voor die aspecten van het crisisbeheer die niet strikt militair zijn. Ook bestaan er overlegmechanismen op alle niveaus, gaande van raden en comités tot werkgroepen.
Een derde kader heeft betrekking op een reeks werkgroepen die de afgelopen jaren werden opgericht. De werkgroep « capaciteit » werkt hoofdzakelijk op macropolitiek niveau. Ook bestaat er een coördinatie voor problemen inzake de bevoorrading in de lucht. Luchttransport is voor beide organisaties een van fundamenteel belang. De ontwikkeling van het Europese transportvliegtuig A400M van de Europese onderneming EADS is onrechtstreeks ook belangrijk voor de NAVO, voor zover de onderneming de vooropgestelde leveringsdatum van 2010 haalt.
Een vierde vorm van samenwerking is het politieke overleg. Er werd een regelmatige uitwisseling van informatie ingesteld. Elk semester komen de ministers van Buitenlandse Zaken samen, de ambassadeurs vergaderen drie maal per semester, de twee militaire comités houden twee keer per semester een gezamenlijke vergadering en de secretarissen-generaal en de verschillende comités komen regelmatig samen.
Op het vlak van het overleg ontwikkelt zich een vrij gesofistikeerd mechanisme dat aantoont hoezeer beide organisaties steeds meer naar elkaar toegroeien. Na de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Unie zullen van de 27 EU-Lidstaten en 26 NAVO-leden, 21 landen van beide organisaties lid zijn. In de gemeenschappelijke vergaderingen kan het coördinatievermogen op de verschillende genoemde domeinen naar voren komen.
Op een vijfde niveau kunnen we de concrete samenwerking vermelden die gekoppeld is aan het systeem van concentrische cirkels die beide organisaties rond zich hebben opgebouwd. De Europese Unie doet dat op het vlak van de stabilisering van het milieu en het nieuwe nabuurschapsbeleid. De NAVO heeft daarentegen een reeks cirkels zoals het partnerschap voor de vrede, de gezamenlijke raden met Oekraïne en met Rusland en het NAVO-beleid voor het Middellandse Zeegebied. Die beleidsdomeinen overlappen elkaar, vullen elkaar aan of wedijveren met elkaar.
Welke problemen doen zich in die processen voor ?
Het is opvallend dat de politieke dialoog tussen de NAVO en de EU bijna is stilgevallen. Eigenlijk werkt alleen de Berlijn Plus-regeling nog, en dan nog alleen met betrekking tot de ALTHEA-operatie in Bosnië-Herzegovina. Sinds de toetreding van Cyprus tot de Unie in mei 2004 verhinderen de bilaterale problemen tussen Turkije en Cyprus dat officiële institutionele overlegvergaderingen worden georganiseerd. Dat probleem wordt omzeild via informele vergaderingen, maar officiële vergaderingen op het niveau van de ministers of de twee raden van ambassadeurs zijn onmogelijk, behoudens in het Berlijn Plus-kader waarbij alleen de EU-leden betrokken zijn die het partnerschap voor de vrede hebben ondertekend. Men heeft kunnen voorkomen dat Cyprus dat partnerschap ondertekende en, op basis van een gemeenschappelijk akkoord, houdt het land zich afzijdig.
De werkgroep « capaciteit » werkt ook, maar houdt zich enkel bezig met het bestuderen van technische dossiers. Op politiek vlak lopen de meningen van de lidstaten over de capaciteit uiteen. Sinds de NAVO-top te Praag van 2002 worden we geregeld met onenigheden geconfronteerd, die deels van budgettaire aard zijn en deels te wijten zijn aan de spanning tussen het EVDB voor de EU-lidstaten en de NAVO-initiatieven inzake capaciteit, zoals de NRF.
Op het vlak van de operaties verloopt de samenwerking verre van perfect.
De EU heeft een soort voorpost ingesteld in de Democratische Republiek Congo, waar zij alleen de stabilisatieoperaties leidt. Het is voor de Unie een symbool om haar vermogen te tonen om zonder steun van de NAVO op te treden.
De EU heeft Afghanistan niet als experiment voor het EVDB willen kiezen, ongetwijfeld omdat het er te gevaarlijk is. Nochtans hebben heel wat lidstaten troepen in dat land en hebben de Britten, de Italianen, de Duitsers en het Eurocorps zelf het commando over de ISAF-vredesmacht gevoerd.
De EU en de NATO hebben elk een zending naar Soedan gestuurd ter ondersteuning van de Afrikaanse Unie. De samenwerking tussen die twee zendingen is moeizaam verlopen en heeft veeleer een symboolwaarde.
In Irak heeft de Unie twee operaties : één ter ondersteuning van de rechtsstaat voor de EU en één voor opleiding van veiligheidstroepen voor de NAVO. Het gaat om kleine operaties, verschillend van aard en met een verschillende rolverdeling. Bovendien worden beide operaties gekenmerkt door de politieke meningsverschillen over het Irak-dossier, waardoor beide organisaties weinig zichtbaar zijn en er geen wisselwerking tussen beide bestaat.
De Balkan blijft dus een schoolvoorbeeld dat veeleer een uitzondering zal blijven, en geen model zal staan voor de toekomstige betrekkingen tussen beide organisaties op het vlak van de operaties. Dat geldt dan nog meer bepaald voor Bosnië-Herzegovina want het militaire optreden in Macedonië is zeer beperkt. Ongetwijfeld zal het Kosovo-dossier aantonen of er sprake is van een soort van model in de betrekkingen tussen beide organisaties.
Ook in het dossier van de uitbreiding van beide organisaties zitten heel wat overlappingen.
De meer algemene context is die van de strategische globalisering. Die Amerikaanse wens dateert al van vóór 11 september 2001. Voor de Amerikanen is de NAVO een instrument om hun mondiale belangen te vrijwaren.
Aan de vooravond van de Top van Riga kan de vraag worden gesteld hoe de toekomstige relaties tussen de NAVO en de EU in het licht van die context kunnen worden bekeken. De Europese Veiligheidsstrategie vormt zeker een eerste stap. Wie dat document leest, zal merken dat in Europa de evaluaties van de mondiale dreigingen en risico's niet sterk uiteenlopen. Het verschil tussen de Amerikaanse en de Europese visie, dat soms sterk in de verf wordt gezet, is niet zo groot. Het zet er de Europeanen alleszins niet toe aan een soort utilitaire visie van de NAVO te ontwikkelen. Dat is het fundamentele verschil tussen de Verenigde Staten en Europa : de VS hebben een utilitaire visie van de NAVO, de EU niet. De Unie blijft bij het standpunt dat haar relatie met de NAVO in de eerste plaats functioneel is. Er is geen sprake van dat de Europeanen de NAVO als een instrument beschouwen binnen hun gemeenschappelijke langetermijnpolitiek.
Aan de vooravond van de Top van Riga komt het erop aan te weten of de Europese Unie — of een groep lidstaten die het vermogen hebben om hun belangen te bundelen — in staat is te bepalen welk nut de NAVO voor haar kan hebben. De Verenigde Staten hebben dat jaren geleden al bepaald en ze passen dat principe sinds de Top van Washington van 1999 ook toe.
De Top van Riga biedt ongetwijfeld een buitenkans want de VS zijn vragende partij voor verdere hervormingen van de Alliantie. Ze zijn zeker bereid een prijs te betalen voor die hervorming, al was het maar om een antwoord te bieden op de geopolitieke en budgettaire problemen waarmee het land wordt geconfronteerd door zijn imperial overstretch.
Er is in de eerste plaats ruimte om één Amerikaans concept terug te dringen, dat van het right of first refusal. Die idee is zeer sterk aanwezig in verschillende geledingen van de Amerikaanse administratie en het Amerikaanse establishment en ze bestaat erin dat de Europeanen slechts internationale problemen naar zich toe mogen trekken nadat de NAVO de verantwoordelijkheid om zich met die problemen bezig te houden heeft geweigerd. Die idee is altijd sterk aanwezig in de Amerikaanse aanpak en ze legt het Berlijn Plus-mechanisme onrechtstreeks aan banden. Er werd een bres in geslagen door de twee Europese operaties in Congo : eerst Artemis en nu de EUFOR-RDC-operatie voor de verkiezingen. Niettemin blijven de Amerikaanse en een deel van de Europese bondgenoten de verhoudingen tussen de twee organisaties grotendeels vanuit dat oogpunt bekijken.
Het is nochtans een cruciaal punt, want de NAVO heeft nooit een beroep gedaan op het right of first refusal ten aanzien van de Verenigde Staten. De NAVO kan zich dat trouwens niet permitteren. Er is bijgevolg geen enkele reden waarom Europa zich bij zulke beperking zou neerleggen.
De twee parallelle missies die in Soedan werden uitgevoerd om de Afrikaanse Unie te steunen, tonen aan dat er op het terrein een concurrentie blijft bestaan tussen de twee organisaties, waardoor hun inspanningen versnipperd worden omdat ze politieke zichtbaarheid nastreven die hen beide trouwens weinig kost.
Deze toestand is al langer aan de gang, vermits de NAVO-vloot en de vloot van de WEU tijdens het conflict in Bosnië al met elkaar wedijverden in de Adriatische zee voor de controle van het embargo.
Dat bewijst dat het geen conjunctureel, maar wel een structureel probleem is dat voortvloeit uit het ontbreken van een eensgezind Europees standpunt in die debatten en van een rechtstreekse dialoog tussen politiek Europa en de Verenigde Staten.
In deze algemene context zou men kunnen zeggen dat de NAVO de Europese besluiteloosheid op de internationale scène bestendigt.
De Amerikaanse visie behelst een politisering van de NAVO-agenda, zodat het een politiek forum wordt, terwijl vele Europese landen er wellicht belang bij hebben dat men de organisatie een technische rol blijft toebedelen, zodat het politiek overleg binnen de Europese Unie bepalend wordt voor de manier waarop Europa nadenkt over problemen op wereldvlak.
Er lijkt een tegenstelling te zijn tussen deze visie, die een soort voorbereiding is van de democracy caucus, waaraan het State department al sedert Madeleine Albright veel belang hecht, en de Europese stemmen die opgaan voor het zogenaamde effectieve multilateralisme en de centrale rol van de UNO-Veiligheidsraad.
Wat de capaciteiten betreft, heeft men vastgesteld dat het de bedoeling is van de Amerikanen om de modularisering van de NAVO-troepen te bevorderen door de oprichting van de NAVO Reactiestrijdmacht (NRF) en de transformatie van het Geallieerd Commando (ACT). Het hoofddoel hiervan is een reservoir van strijdmachten te creëren waarmee ad hoc coalities kunnen worden gevormd. De NAVO zou dan niet zelf tussenbeide komen, maar wel bepaalde lidstaten naar het model van enduring freedom sedert 2001.
In deze visie is de NRF veeleer een reservoir van strijdmachten, die de interoperabiliteit van de nationale troepen van de lidstaten garandeert, dan een eigenlijke strijdmacht. Ze vormt de basis voor het smeden van coalitions of the willing en niet voor de uitvoering van operaties van de NAVO.
Tot voor kort droegen de Amerikanen zelf niet bij tot de NRF. Ze beschouwden het als een instrument dat hun ter beschikking stond zodat ze konden optreden zonder gecontroleerd te worden door hun bondgenoten, terwijl ze wel over hun middelen konden beschikken.
Mutatis mutandis geldt ongeveer dezelfde situatie inzake de financiering.
Voor Europa staat dus een dubbel belang op het spel, rekening houdend met de Europese politieke ambities, die minder interventionistisch zijn dan die van Washington : een grotere autonomie verwerven in het keurslijf dat sedert de akkoorden van Berlijn in 1996 tot stand is gekomen en bijdragen tot de verdere Europeanisering van de NAVO.
Operationeel zullen de commando- en controlestructuren de voornaamste inzet vormen van het streven naar grotere Europese autonomie.
In december 2003 hadden de drie grote Europese landen een compromis uitgewerkt met betrekking tot het hoofdkwartier. Europa kon voor zijn operaties een beroep doen op 3 types van hoofdkwartieren : hetzij een Europese cel bij de NAVO in de SHAPE zoals Tony Blair suggereerde, hetzij nationale hoofdkwartieren op operationeel niveau, zoals die in slechts vijf staten bestaan, namelijk Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië en Griekenland, hetzij die burgerlijk-militaire eenheid die de generale staf van de Europese Unie heeft mogen oprichten ten gevolge van dat compromis. Dat is in feite wat nog is overgebleven van het voorstel tot oprichting van een hoofdkwartier in Tervuren dat gedaan werd door de groep van vier op de Chocoladetop van april 2003.
Nu staan we verder dan het compromis van eind 2003. De operatie EUFOR, die momenteel wordt gevoerd in de DRC, bevat al nieuwe elementen. Het hoofdkwartier steunt op de Duitse strijdkrachten in Potsdam en de Franse troepen in Libreville. De generale staf van de Europese Unie stelt zijn operatiecentrum van vijf officieren ten dienste van die operatie. Het is dus mogelijk en noodzakelijk om verder te gaan dan het compromis van december 2003.
Er zijn drie, parallelle, nieuwe middelen denkbaar. Ten eerste kan men de rol van de burgerlijk-militaire eenheid van de Europese Unie uitbreiden, zoals voorgesteld op de Chocoladetop van april 2003, waar ons land aan deelnam. Ten tweede kan men geïntegreerde hoofdkwartieren samenstellen vanuit verschillende Europese lidstaten, wellicht vertrekkend van een Frans-Duits duo, maar de politieke machtsverhoudingen in Spanje en Italië effenen de weg voor een significante kritieke massa. Ten derde kan men de SHAPE verder europeaniseren en misschien wel helemaal overdragen aan de Europese Unie, vermits hij de VS van geen nut is, tenzij om hun eigen bondgenoten te controleren. De Amerikanen beschikken immers voor commando en controle over alle nodige middelen op hun eigen grondgebied.
De europeanisering van de SHAPE zal uiteraard in etappes moeten gerealiseerd worden, maar de Top van Riga is een gelegenheid om de idee te bespreken. Deze Top biedt kansen om nieuwe evenwichten tot stand te brengen binnen de NAVO. Het is ook een gelegenheid voor de Europese Unie om te antwoorden op de Amerikaanse signalen met betrekking tot de globalisering van de Organisatie en daarbij aan te geven in hoever die globalisering aanvaardbaar is en welke grenzen niet overschreden kunnen worden. Gelet op de huidige toenadering tussen Frankrijk en de VS, zal de Top van Riga in dit verband niet leiden tot revolutionaire veranderingen, maar er zijn wel enkele mogelijkheden.
2.7.2. Uiteenzetting van mevrouw Delcourt
Mevrouw Delcourt zal de relaties tussen de NAVO en de VN behandelen vanuit het oogpunt van de studie van de evolutie van het concept veiligheid en zijn verschillende uitingsvormen, alsook van de fundamentele vragen over de legitimiteit van het gebruik van geweld in de internationale betrekkingen.
Binnen de NAVO zelf zijn een aantal doctrinaire evoluties aan de gang die problematisch zijn, ten minste indien deze Alliantie wordt beschouwd als een organisatie die valt onder Hoofdstuk VIII van het VN-Handvest en zich daarom zou moeten richten naar de letter en de geest van het Handvest.
Om diegenen die zich over de evolutie van de NAVO zorgen maakten, stelde Manfred-Wörner, secretaris-generaal in 1991, dat zij die hopen dat de NAVO zich zal omvormen tot mondiaal politieagent of tot een alternatief voor de VN-Veiligheidsraad naar het voorbeeld van de grootmachten die ermee belast zijn agressors af te schrikken en te straffen, ontgoocheld zullen zijn. Sommigen werden inderdaad ontgoocheld en anderen niet. Binnen de NAVO zelf bestaan spanningen. In 1991 neemt de secretaris inderdaad dat engagement, maar in 1999 voert de NAVO luchtbombardementen uit in Joegoslavië zonder te wachten op groen licht van de Veiligheidsraad.
Dat soort spanningen vindt men terug in de politieke toespraken en de wetenschappelijke uitleg over de NAVO. Op de NAVO-website kan men officiële teksten lezen die het principe van de hoofdverantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad inzake handhaving van vrede en veiligheid herbevestigen, maar in het tijdschrift van de NAVO huldigen academici en politici een erg ruim concept van wettige zelfverdediging wanneer zij zich uitspreken over het interventierecht, over de noodzaak de bevolking te beschermen, over de wettige zelfverdediging en over de strijd tegen het terrorisme. Zij stellen dan ook voor om de mogelijkheden om geweld te gebruiken uit te breiden en rechtvaardigen daarmee een meer autonome positie van de NAVO tegenover de VN.
Die ambivalentie is het voornaamste kenmerk van de positie van de NAVO.
Een eerste punt van betoog betreft de juridische impact van die dubbelzinnigheid ten opzichte van de principes van het Handvest, het tweede de meer politieke impact.
Als het gebruik van geweld legitiem is indien het wordt ondernomen door liberale democratieën die de mensenrechten en de rechtsstaat enz. respecteren, en niet omdat een aantal procedures werden geëerbiedigd, zoals bijvoorbeeld de uiteenzetting voor de Veiligheidsraad van de redenen voor de militaire interventie, dan betekent dit dat men meer belang hecht aan het ideologische profiel van de interveniërende staten dan aan wettelijke overwegingen. Deze tendens ziet men vandaag zeer sterk in de doctrinaire evolutie van de NAVO.
Het systeem van het VN-Handvest steunt nochtans op de overtuiging dat het feit om meer gewicht te geven aan wat unilateraal als rechtvaardig of onrechtvaardig wordt beschouwd, leidt tot de ergste misbruiken in de internationale betrekkingen en geen garantie vormt voor het behoud van de internationale vrede en veiligheid.
De NAVO-verantwoordelijken zijn tot de overtuiging gekomen dat deze instelling wel degelijk een regionale organisatie is, maar wel één die universele waarden vertegenwoordigt die buiten het eigen grondgebied moeten worden toegepast zonder zich al te veel zorgen te maken over legalistische, formalistische of procedurele beschouwingen. Die overtuiging komt ook sterk naar voren in de huidige ideologie van de NAVO, net zoals het ter discussie stellen van bestaande rechtsregels over het verbod op het gebruik van geweld. Alles wat nu wordt verkondigd, vergroot rechtstreeks of onrechtstreeks de mogelijkheden om geweld te gebruiken. Die tendens, die tevens tot uiting komt op juridisch vlak, is ook een gevolg van een verbreding van het veiligheidsconcept op een meer politiek vlak.
Die evolutie van het veiligheidsconcept dateert van vóór 1989. Men dacht toen al dat de veiligheid niet enkel betrekking moest hebben op staten en hun grondgebied, maar ook op hun bevolking. Er diende ook aandacht te zijn voor milieuproblemen of de problemen die werden veroorzaakt door migratiestromen.
Toen hij nog secretaris-generaal van de NAVO was, dus vóór 1989, heeft Javier Solana tijdens een conferentie op de ULB verklaard dat, gelet op de verveelvoudiging van de dreigingen en risico's, de opdrachten van de NAVO wellicht moesten worden aangepast. Die aanpassing zou moeten overeenstemmen met het veranderlijke karakter van de mondiale dreiging. Na dat te hebben gehoord, leek het evident dat de NAVO zou deelnemen aan een militaire operatie tegen Joegoslavië, zonder het groen licht van de Veiligheidsraad.
De specialisten van de veiligheidsstudies, met name de school van Kopenhagen, onderstrepen dat die verandering van het veiligheidsconcept met veel enthousiasme werd ontvangen. Alle initiatieven om de veiligheid voor de mensen te bevorderen, worden door NGO's, diplomaten en internationale organisaties toegejuicht. Het individu wordt eindelijk centraal geplaatst. Die specialisten, die op kritische wijze de concepten en doctrinaire evoluties deconstrueren, tonen aan dat door het veiligheidsconcept uit te breiden, maatschappelijke activiteiten onder de veiligheid vallen, zoals de bescherming van de petroleumbronnen, de immigratie, enzovoort.
Men eindigt met de vaststelling dat die fenomenen, die processen, die politieke problemen veiligheidsproblemen zijn. Het concrete gevolg daarvan is de rechtvaardiging van het gebruik door de staat of door een internationale organisatie van buitengewone middelen, waaronder het gebruik van geweld en de opschorting van de vrijheden.
Zoals de Belgische ambassadeur bij de NAVO onlangs zei, is het nu denkbaar dat de NAVO militair optreedt om onze petroleumbevoorrading te verzekeren.
Deze bijzonder verruimde opvatting van het veiligheidsconcept, de evolutie van de dreigingen, de toename van wat wordt beschouwd als dreigingen en risico's vergroten de gelegenheid om geweld te gebruiken. Op juridisch vlak vertaalt zich dat door het ter discussie stellen van twee fundamentele regels, namelijk het principiële verbod op het gebruik van geweld en het feit dat de hoofdverantwoordelijkheid bij de Veiligheidsraad ligt.
De NAVO-praktijken brengen een tweede negatief gevolg aan het licht. De veiligheidsorganisaties eigenen zich inderdaad meer en meer burgerlijke opdrachten toe van preventie, post-conflict-wederopbouw en stabilisering.
Dat brengt er veiligheidsorganisaties en militairen toe bepaalde verantwoordelijkheden op zich te nemen, met name inzake het zenden van humanitaire hulp of beveiliging van vluchtelingen.
Degenen die deze uitbreiding van de NAVO-opdrachten ernstig hebben bestudeerd, met name in Kosovo, hebben aangetoond welke problemen dat op het terrein oproept voor de NGO's, maar vooral voor diegenen die de humanitaire hulp ontvangen. In Kosovo is de NAVO zich gaan bezighouden met een belangrijke opdracht voor hulp aan vluchtelingen. Het ging er natuurlijk om de militaire interventie te legitimeren.
Welke impact kan dat hebben op het collectief veiligheidssysteem en de VN ? Hoe meer de NAVO zich engageert in dergelijke opdrachten, hoe meer zij de VN-instellingen, zoals het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen, in een marginale positie brengt. Het is duidelijk dat die instelling in Kosovo volledig buiten spel werd gezet.
Aangezien dat geen deel uitmaakte van de traditionele NAVO-opdrachten, hebben sommigen erop gewezen dat de organisatie niet altijd efficiënt is opgetreden. Zo werden niet altijd de beste plaatsen gekozen voor het bouwen van kampen. Er trad vooral een bilateralisering van de hulp op. De NAVO liet immers toe dat troepen van een bepaald land een bepaalde plaats bezetten en daarbij een beroep deden op de eigen NGO's. Daaruit zijn discriminaties gegroeid tussen vluchtelingenkampen afhankelijk van de staat die een bepaalde plaats bezette. Dat bracht de fundamentele principes van de humanitaire hulp in het gedrang, namelijk de neutraliteit en de onpartijdigheid. Het is evident dat een bepaald soort vluchtelingen volledig werd genegeerd, in het bijzonder de Servische bevolking en de zigeuners of Roma die de provincie Kosovo waren ontvlucht. Zowel uit het oogpunt van de efficiëntie als van de grote principes van het humanitair recht ziet men dus dat de uitbreiding van de opdracht van de NAVO problemen doet rijzen.
Tot besluit, de strategische evolutie van de NAVO houdt zowel juridisch als politiek een tendens in die op een bepaalde manier het collectief veiligheidssysteem, zoals het na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht, aantast.
Tegelijk is die evolutie niet lineair of eenduidig, omdat er weerstand tegen bestaat. Dankzij het verzet van Frankrijk tegen Washington, naar aanleiding van het 50-jarig bestaan van de Atlantische Alliantie, kon het principe van de hoofdverantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad worden herbevestigd.
Één van de doelstellingen van de VS was inderdaad om de autonomie van de NAVO door te drukken, maar dat is niet aanvaard.
Er is weerstand en er wordt opgeroepen tot verzet binnen de civiele samenleving. Sommige NGO's zijn in opstand gekomen. In Kosovo heeft AZG op een bepaald moment geoordeeld dat de situatie niet langer houdbaar was. De toekomst zal afhangen van de krachtsverhoudingen en van de evolutie binnen de EU. Wat is de inhoud van de consensus die binnen de EU zal worden bereikt over haar relatie tot de NAVO ?
Er bestaat ook weerstand binnen de VN.
De NAVO kan misschien een zeer nuttig instrument zijn voor de vredesmissies van de VN, zoals bijvoorbeeld in Bosnië-Herzegovina gezien. Op bepaalde momenten zal de mondiale ambitie of de strijd tegen het terrorisme, zoals Washington die opvat, binnen de NAVO spanningen uitlokken. Derde landen zullen zich rekenschap geven van de westerse ambities. Dat toont aan dat de VN soms door de NAVO wordt geïnstrumentaliseerd. De derdewereldlanden of de niet gebonden landen kunnen de door de NAVO ontwikkelde ambities nauwelijks appreciëren. Die ambities maken de relaties binnen de VN en het collectief veiligheidssysteem enkel maar ingewikkelder.
2.7.3. Gedachtewisseling
Mevrouw Annane verwijst naar de nieuwe politieke dimensie van de NAVO, de uitwisseling van informatie en het ingewikkelde nieuwe mechanisme, en evenals naar het aantal gezamenlijke informele vergaderingen van de ministers van buitenlandse zaken van de NAVO en de EU. De beslissingen werden genomen in het kader van de versterkte samenwerking tussen de NAVO en de EU. Welke zijn de positieve effecten van de dialoog en van het nieuwe mechanisme ?
Volstaat het Berlijn Plus-akkoord voor de Europese landen die geen lid zijn van de NAVO en die deelnemen aan initiatieven van de EU, meer bepaald in de Balkan ?
Mevrouw Annane had tevens graag meer uitleg over het politiek leiderschap in deze fase van transformatie van het Bondgenootschap van de Noord-Atlantische Raad, de enige politieke instantie die over echte beslissingsbevoegdheid beschikt in het Bondgenootschap. Bestaat het werkelijk of nemen de militairen nog steeds de beslissingen ?
Over de wedijver tussen de NAVO en de EU, in het bijzonder in Soedan, peilt mevrouw Annane naar de aard is van de betrekkingen tussen de NAVO en de VN. Er werd verwezen naar het gevaar voor overlapping van de operaties van de NAVO en van de VN in Kosovo. In Afghanistan hebben de VN aan de NAVO gevraagd om op het terrein op te treden. Beschikt de NAVO over de nodige middelen om burgerlijke taken uit te voeren wanneer ze haar opdrachten uitbreidt en beschikken de VN over voldoende middelen voor hun humanitaire operaties ?
Mevrouw Zrihen had graag wat meer uitleg over de strategische globalisering. Volgens de heer Remacle was die al vóór 2001 merkbaar. Kan de NAVO zowel in Azië als in Afrika optreden ? Zijn er praktijken die tengevolge van precedenten geen aanleiding meer zouden geven tot discussie, als het ware volgens een soort interne rechtspraak ?
Is de benaming « Chocoladetop » geen blijk van misprijzen voor een klein land als België ?
Gaan we werkelijk naar een politisering van het Bondgenootschap ? Dreigt de Noord-Atlantische Raad te evolueren naargelang de gebeurtenissen die zich in de wereld voordoen ?
Het Bondgenootschap zou zulke universele waarden belichamen dat het zich buiten het eigen territorium kan begeven zonder dat het zich hoeft te bekommeren over enig formalisme. Welke zijn de waarden die op basis van de teksten door de NAVO hoog in het vaandel worden gedragen ? Stemmen onze hypotheses overeen ?
Het concept van marginalisering van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen (HCR) is treffend. Het leidt tot een volledige wijziging van de betrekkingen tussen de instellingen. Indien de SHAPE onder de vleugels van de EU zou terechtkomen, blijft hij dan in Bergen of verhuist hij naar Berlijn, wat voor ons een groot verhuisprobleem zou betekenen ?
Volgens de heer Galand heeft de uiteenzetting van Belgische ambassadeur duidelijk gemaakt hoezeer de Amerikanen het NAVO-project instrumentaliseren. De Amerikanen zijn rotsvast overtuigd van de suprematie van de waarden die zij belichamen. Ze vinden dat ze een beschavingsopdracht te vervullen hebben. Ze vinden bovendien dat veiligheid een zaak van militairen is en dat daarvoor voldoende middelen moeten worden vrijgemaakt. De adjunct-secretaris-generaal van de NAVO heeft gezegd dat het budget stabiel blijft. Bijgevolg worden de uitgaven geval per geval voor elke interventie toegekend. Die formule wordt steeds duurder.
Zo komt men ook in een aantrekkelijke positie en spreekt men over een ruimteschild in Europa. Op die wijze maakt men veel vrienden. Wegens het belang dat een deelname aan dat enorme project kan betekenen, worden een aantal mensen lobbyisten voor een dergelijk schild. Bankconsortia staan klaar. Onderzoekers menen dat het de enige mogelijkheid is om bij te blijven inzake spitstechnologie. Op die manier groeit een enorme lobby die niets meer te zien heeft met de veiligheid, noch met de NAVO, noch met onze visie op de opbouw van Europa. Het wordt een economische kwestie en dat geeft een slecht gevoel.
Wanneer met name professor Remacle spreekt over de NRF, vraagt de heer Galand zich af of dit niet opnieuw een andere manier is om bijkomende middelen te doen besteden aan de militaire veiligheid. Wordt het fundamentele debat over onze definitie en ons concept van veiligheid niet volledig gehypothekeerd door al die voorstellen waarvan sommige erg aanlokkelijk zijn voor de industrie en het onderzoek ?
Antwoorden van de heer Remacle
De algemene vraag over de strategische globalisering werd op verschillende manieren gesteld.
De VS denken al zestig jaar na over een wereldwijde strategie. Dat is dus niets nieuws. Kernwapens hebben hun daartoe de mogelijkheid gegeven. Gedurende een bepaalde periode kon de Sovjet-Unie ook op die manier denken. Sommigen voorspellen dat er over enkele decennia een andere kandidaat op het toneel zal verschijnen en dat zal zeker België niet zijn ...
De strategische globalisering is een proces op lange termijn. De aard van dat proces is veranderd op het einde van de Koude Oorlog, omdat kernwapens niet langer de voornaamste vector van de globalisering van het denken zijn. Dat element is nog altijd aanwezig, maar meer op de achtergrond. Het duikt opnieuw op bij debatten, bijvoorbeeld over Iran en Noord-Korea, die het probleem opwerpen over het behoud van het machtsevenwicht tussen landen die kernwapens bezitten en landen die er geen hebben. Voor de rest blijft dat aspect op de achtergrond; het is de « dekking van alle risico's » van de kernmachten, met inbegrip van de NAVO in zijn geheel, die de garantie van de nucleaire afschrikking behoudt. Artikel 5 is daarover zeer duidelijk. Het wordt vergeten omdat men er niet aan hoeft te denken, maar het is er wel. Sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in de periode 1989-1991 moesten de VS op een andere manier over die strategische globaliteit gaan denken teneinde een andere manier te vinden om hun belangen in de wereld te verdedigen. Ze hebben dat grotendeels met eigen middelen gedaan en, telkens als dat mogelijk was, door middel van verschillende bondgenootschappen die zij sinds de jaren veertig hebben opgebouwd en die soms steunen op een vroegere aanwezigheid, zoals in Latijns-Amerika.
Ook op dat vlak gaat het om een omvorming van verschillende hulpmiddelen. De vrijhandel maakt daar ook deel van uit. De ontwikkeling van een doctrine voor de Wereldhandelsorganisatie, die vooral werd uitgedacht bij de toepassing van het systeem van Bretton Woods tijdens de conferentie van Havana, is ook een globale projectie van belangen die strategische belangen kan dienen.
Men moet niet focussen op de globalisering van de NAVO, maar veeleer inzien dat de overheersende macht, de enige die in globale termen denkt en daarvoor de middelen heeft, zijn visie op de NAVO in die doelstelling inschrijft. Het betreft dus een vernieuwing in nieuwe omstandigheden, met nieuwe rivalen en met een verlies aan invloed in bepaalde domeinen. Emmanuel Todd herinnert eraan dat de VS de NAVO als een instrument, maar niet het enige, van die globale visie ten dienste van hun belangen bekijken.
Er is een probleem van overstretch. We stellen vast dat zelfs die macht niet altijd de nodige middelen heeft voor haar beleid. Ze is verstrikt geraakt in Irak en niemand wil haar vervangen. Ze zal de situatie wellicht overlaten aan de Iraakse troepen, zo goed, maar vooral zo kwaad als dat kan. Ze is ook in zekere mate verstrikt geraakt in Afghanistan. Daar kan niet van een groot succes worden gesproken, maar ze kan zich er misschien wel laten vervangen, door ons, door de Australiërs en door enkele anderen.
Wat de keuze van de zones betreft, is het aangewezen de vraag te stellen over de duurzaamheid van de praktijk om buiten de zones op te treden. Elke keuze is immers gebonden aan specifieke omstandigheden en noden van de verschillende Europese en niet-Europese actoren, hetzij binnen de NAVO, hetzij erbuiten. Het is bijvoorbeeld overduidelijk dat de staten die zich hebben geëngageerd in de oorlog tegen het terrorisme, vandaag daarvan de balans beginnen op te maken. Dat is het geval voor de Europese staten. Sommige ervan trekken zich terug uit Irak. Dat is ook zo voor Japan, dat een halfslachtige balans van zijn deelname opmaakt. Het heeft daardoor de spanningen met Noord-Korea niet belet. Het hoopte dat het bondgenootschap met de VS het land daarvoor zou behoeden. Japan is niet zeker of het zoveel voordeel heeft gehaald uit die toenadering met de Amerikaanse politiek in de Indische Oceaan en de Golf.
De vraag is niet zozeer te weten of er buiten de zone wordt opgetreden, dan wel of, geval per geval, de NAVO-lidstaten bereid zijn gezamenlijk dat soort acties te voeren. Zoals de samenwerking in de Balkan misschien eenmalig zal blijven, zo is het ook mogelijk dat de NAVO-actie in Afghanistan een eenmalige gebeurtenis in haar geschiedenis zal blijven. Het is niet zeker dat er opnieuw zo gemakkelijk een gelijkaardige toestand zal ontstaan. Sommigen denken dat zoiets in de Kaukasus zou kunnen gebeuren. Enkele jaren geleden dachten sommigen aan een protectoraat van de NAVO over de Palestijnse gebieden. Daar zijn we vandaag ver van verwijderd. Andere denkwijzen hebben dat soort scenario's van tafel geveegd. Alleen in Afghanistan is er iets concreet tot stand gekomen.
De strategische globalisering heeft een ruimtelijke impact. In de strategische visies van de grootmachten merkt men thans een grotere integratie van een wereldwijde strategie en tactiek.
In dat kader zijn de pogingen om ruimteschilden te bouwen een middel voor het uitoefenen van globale controle, zoals Echelon een middel tot globale controle is.
Er bestaan nog enkele andere vormen van dat droombeeld van globale controle, die ongetwijfeld zullen botsen op technische gegevens en weerstanden en waarvoor het argument van de economische wortel of dat van de technological gap wordt gebruikt : indien dat soort technologie niet wordt versterkt, gaat een generatie van technologische veranderingen teloor en dat haalt men nooit meer in. Dat schept dilemma's.
Die vraag rees al in de jaren tachtig over het strategisch defensie-initiatief van president Reagan.
Dat impliceert alleszins dat een Europees industriebeleid moet kunnen worden bedacht waarbij rekening wordt gehouden met die technologische vragen zonder dat die technologieën worden gemilitariseerd. Momenteel wordt daarover echter zeer weinig nagedacht, ook niet binnen het Europese kader, in de groep van wijzen waarin Philippe Busquin en het kruim van de militair-industriële lobby zitting hebben en die een militair beleid voor Europa probeert te bedenken waarin de industriële belangen worden geïntegreerd en die fundamenteel gebonden is aan die globale visie.
Andere vragen gingen over de Noord-Atlantische Raad. Wordt zijn agenda meer en meer politiek ? Komt er een politiek leiderschap te voorschijn ? Sommigen, vooral de VS, sturen aan op een politisering van de agenda. De idee om er een forum van te maken waar over alles wordt gediscussieerd gaat terug tot de jaren '90. James Baker heeft die idee gelanceerd en aan de hand van bepaalde dossiers geconcretiseerd. Die dossiers zijn nu brandende kwesties geworden, bijvoorbeeld de non-proliferatie van kernwapens. In het begin van de jaren '90 werd die kwestie op de NAVO-agenda gezet onder de vorm van de oprichting van een werkgroep die samen door de VS en Frankrijk wordt voorgezeten. Vandaag stelt men vast dat al dat werk tot bepaalde resultaten heeft geleid in de Europees-Amerikaanse toenadering met betrekking tot dossiers als Iran. Daarin wordt een relatief gemeenschappelijk, zij het asymmetrisch discours gehanteerd, een discours van de sterken tegenover de zwakken, waarbij de zwakken uitsluitend worden geassocieerd met bedreiging, maar waarbij niet wordt gerept over onze eigen kracht als staten of groep van staten die over kernwapens beschikken en die de mogelijkheid hebben hun standpunt aan anderen op te leggen.
Vandaag heerst dezelfde bezorgdheid over het Chinese dossier op de NAVO-agenda. De vraag rijst of alle geallieerden bereid zijn om dit soort dossier te aanvaarden. Voor de non-proliferatie was dat mogelijk in de context van de periode na de oorlog tegen Irak in 1991. Die vraag was cruciaal voor Mitterrand en Bush senior na de nederlaag van Saddam Hussein tegen de coalitie van 1991. Dat geldt echter niet automatisch voor elke situatie, voor elk dossier. Ook daar kan de aanpak verschillen. Niet alle thema's komen automatisch op de NAVO-agenda. Dat zal grotendeels afhangen van de lidstaten zelf. Het is vanuit dat standpunt dat de vraag over het politieke leiderschap moet worden onderzocht.
Wat de vraag over het burgerlijk politiek leiderschap binnen de NAVO betreft, meent spreker dat de Noord-Atlantische Raad zonder twijfel de militaire logica domineert. Er is wel geen overwicht van de militairen, maar er is wel een overwicht van de idee over het gebruik van militaire middelen. Op dat vlak precies beperkt de Noord-Atlantische Raad in zekere wijze nog zijn agenda. Hij beperkt die vanuit een logica van securitisation en dat is een uitgangspunt voor de verschillende problemen die de NAVO aanpakt. Als er al een politiek leiderschap bestaat, komt dat ook door het feit dat bepaalde staten politiek zeer sterk in die instelling investeren.
Wat zijn de resultaten van Berlijn Plus en van de informatie-uitwisseling ?
Sommige EU-staten die geen lid zijn van de NAVO, zijn niet helemaal tevreden over Berlijn Plus. De landen die het Partnerschap voor de Vrede hebben ondertekend zoals Zweden, Finland en Oostenrijk vinden dit instrument in zekere zin belangrijk omdat het voor hen het enige middel is om op het terrein met de NAVO te werken. Ze zijn niet in dezelfde mate geïnformeerd over de interne procedures van de NAVO als de lidstaten, maar kunnen wel met de organisatie samenwerken, wat toch hun doel was na de lessen die ze uit de Bosnische kwestie hadden getrokken.
In het algemeen blijft Berlijn Plus, net als de andere vormen van informatie-uitwisseling, een asymmetrisch proces, waarin Europa de NAVO nodig heeft, wat niet het geval is voor de Verenigde Staten. Bovendien kunnen de Verenigde Staten daardoor een zekere controle over Europa uitoefenen.
De financiering van de operaties behoort tot de bevoegdheid van de minister. Hij stelt de cruciale vragen op het gepaste ogenblik.
Is elk instrument — men noemde de NRF — uiteindelijk geen middel om de Europeanen onrechtstreeks te laten betalen voor hun eigen veiligheid, voor die van de Verenigde Staten of voor het interventionistische VS-beleid, waarover we onvoldoende controle zouden uitoefenen ? Dat is zeker het geval.
Antwoorden van mevrouw Delcourt
Documenten van Amerikaanse denktanks zijn vaak veel directer en eerlijker dan de Europese. Ze wijzen nog duidelijker uit wat er inzake machtsverhoudingen op het spel staat in de transatlantische betrekkingen. Zo is er een document om de NAVO in te zetten in de strijd tegen het terrorisme. De eerste aanbeveling wil van de Noord-Atlantische Raad een forum maken waar de belangen van Europeanen en Amerikanen samenvallen zodat een bedreiging van de Amerikaanse belangen als een gemeenschappelijke bedreiging wordt gezien en unilaterale acties en initiatieven worden omgevormd tot gemeenschappelijke.
Dat is niet nieuw : in de jaren tachtig, toen Reagan besliste te reageren op de terroristische aanslagen die gesteund werden door Kadhafi, werd eerst geweld gebruikt. De Europeanen aarzelden. Uiteindelijk werd hun kritiek binnen de NAVO weerlegd en werd eensgezindheid bereikt over een aantal standpunten.
Het is de bedoeling de dreiging zo voor te stellen dat particuliere belangen samenvallen met de gemeenschappelijke. Daartoe moeten de perceptie en de evaluatie van de risico's en dreigingen samenvallen, moet de strijd tegen het terrorisme zowel door de Verenigde Staten als door de Europeanen worden gevoerd en moet dus de transatlantische communicatie worden verbeterd.
Een nieuw strategisch concept is dringend gewenst. Concreet wordt voorgesteld, zoals ook de heer Bozo onderstreepte, de communicatie met de Europese Unie te verbeteren. Op dit vlak is de Amerikaanse houding tegenover de Europese Unie geëvolueerd. In feite vinden de VS het gemakkelijker rechtstreeks met de Commissie en de Europese Unie te onderhandelen over maatregelen tegen het terrorisme dan met elke staat afzonderlijk. In dat opzicht is het belangrijk een aantal contacten te gebruiken zoals de Bilderberg-groep, waarvan de heer Davignon voorzitter is.
Wat de aard van de relaties tussen de NAVO en de VN betreft, is het vanzelfsprekend dat beide organisaties er belang bij hebben samen te werken. Dat standpunt wordt overigens ook door de VN-secretarissen-generaal sinds de jaren tachtig verdedigd.
Het ontbreekt de VN aan inkomsten en mogelijkheden voor hun operaties. De VN wilden uiteraard samenwerken met regionale organisaties zoals de NAVO. De hiërarchische organisatie van de VN en dus ook van het collectief veiligheidssysteem impliceerde echter ook een zekere controle op wat gebeurde.
Vandaag stellen we echter vast de VN niet langer vasthouden aan een politieke of strategische leiding, wat misschien goed is omdat de VN sommige crisissen niet altijd even goed heeft beheerd.
Zo vertonen regionale instellingen thans de neiging zich af te scheiden van de VN. Dat valt ten dele te verantwoorden omdat de VN niet overal kan optreden noch alle interventies uitvoeren die in sommige crisistoestanden nodig zijn.
De regionale organisaties hebben dus gelijk op te treden. Daardoor krijgen machtigere Afrikaanse staten echter de kans in buurlanden tussenbeide te komen. Dat probleem betreft wel niet alleen de NAVO, maar ook de VN-organisaties die humanitaire hulp verschaffen en vluchtelingen bijstaan.
Vastgesteld wordt dat multilaterale hulpverlening aan belang inboet ten voordele van bilaterale. Specialisten hebben aangetoond dat een dergelijke bilateralisering van de hulpverlening gepaard gaat met een politisering, die eens te meer problemen doet rijzen.
De multilaterale hulp werd inderdaad niet altijd even efficiënt en intelligent aangewend. Men kan evenwel kritiek hebben op wat bestaat en tegelijk vinden dat wat ervoor in de plaats moet komen niet in de juiste richting evolueert.
2.8. Hoorzitting met de heer Duqué, permanent vertegenwoordiger van Frankrijk bij de NAVO
2.8.1. Uiteenzetting van de heer Duqué
Hoe ziet Frankrijk de rol van het Atlantisch Bondgenootschap in het huidige internationaal systeem ?
De eerste taak van de Alliantie is het garanderen van onze collectieve verdediging. Dat is overigens de grondslag van het Atlantisch Bondgenootschap. In artikel 5 is de solidariteit tussen de bondgenoten aan beide zijden van de Atlantische Oceaan ingeschreven.
Ook al ligt de Koude Oorlog achter ons en is de strategische configuratie niet meer dezelfde als enkele jaren geleden, toch blijft deze waarborg van collectieve verdediging nog altijd de belangrijkste drijfveer van de Alliantie.
De tweede opdracht van de Alliantie is nieuw : regionale crisissen helpen beheersen en in bepaalde plaatsen in de wereld stabiliteit en veiligheid brengen. Dit gebeurt onder het mandaat van de Veiligheidsraad van de VN, het belangrijkste orgaan op het vlak van de internationale veiligheid. De NAVO moet zich concentreren op haar militaire rol en haar bevoegdheid om belangrijke operaties te leiden.
Frankrijk levert een belangrijke bijdrage in het kader van de Alliantie. Men heeft soms de neiging te denken dat Frankrijk zich terughoudend opstelt ten opzichte van de Atlantische Alliantie. Frankrijk maakt geen deel uit van de geïntegreerde structuur van de Alliantie en werkt niet mee aan het Comité voor Verdedigingsplannen. Het feit dat Frankrijk geen deel uitmaakt van dat Comité belemmert in geen geval haar deelname aan NAVO-activiteiten.
De ambassadeur geeft enkele cijfers.
Frankrijk staat op de derde plaats voor het leveren van troepen aan de Atlantische Alliantie. Er dienen meer Franse soldaten onder NAVO-vlag dan Amerikaanse, en dat is een beetje vreemd. Frankrijk heeft zich heel sterk ingezet in Afghanistan en Kosovo.
Frankrijk staat op de vierde plaats wat de financiering van de NAVO betreft : de bijdrage bedraagt 15 % voor wat de burgerlijke begroting betreft en 13 % voor de militaire begroting. Frankrijk is dus één van de landen die het meeste bijdragen aan de Alliantie.
Frankrijk is eveneens vertegenwoordigd in de verschillende structuren, ook in het opperbevel. Dat is tamelijk nieuw. Er zijn een honderdtal Franse officieren in het opperbevel van de Alliantie, zowel in Bergen, in de SHAPE, als in Norfolk, bij het commando voor transformatie, of in een ander ondergeschikt bevel.
Wat de operaties betreft, meent Frankrijk dat de Alliantie kan bijdragen tot de vrede en de internationale stabiliteit. Dat werd reeds aangetoond door haar rol in belangrijke operaties in Afghanistan of in Kosovo.
In Afghanistan werd vooruitgang geboekt in de politieke instellingen. De heropbouw van het land is begonnen, maar de taak van de NAVO is nog lang niet af. Er blijft een belangrijke terreurdreiging. De Afghaanse regering heeft onze hulp nog nodig om haar rol op het vlak van de veiligheid volledig te kunnen spelen.
Er is ook een enorm drugsprobleem, dat gedeeltelijk aan het terrorisme is gelinkt.
Volgens de ambassadeur is Afghanistan een echte beslissende test is voor de wilskracht en de actiemiddelen van de NAVO.
De Franse bijdrage aan de NAVO strijdkracht in Afghanistan is geconcentreerd in Kaboel, waar deze zomer meer dan duizend manschappen zijn opgesteld. Frankrijk zal, samen met onze Italiaanse en Turkse bondgenoten, over enkele weken het bevel voeren in de regio van Kaboel.
Daarnaast neemt Frankrijk ook deel aan een andere operatie in Afghanistan, die geen NAVO-operatie is, maar een operatie van een coalitie die door de Verenigde Staten wordt geleid, zijnde de operatie Enduring Freedom. Die operatie vindt plaats op de grens van Afghanistan en Pakistan en er werden Franse speciale eenheden voor ingezet.
Kosovo is een andere belangrijke operatie. Frankrijk is betrokken bij het onderhandelingsproces over het toekomstige statuut van Kosovo. In de Atlantische Alliantie is iedereen van oordeel dat waakzaamheid geboden blijft en dat het militair apparaat in stand moet gehouden worden in Kosovo.
In Darfour levert de NAVO een kleine eenheid als steun aan de troepenmacht van de Afrikaanse Unie. Er is sprake van om de hulp van de Noord-Atlantische Alliantie aan de Afrikaanse Unie in Darfour te versterken.
In november 2006 zal in Riga een Top van de staats- en regeringshoofden van de NAVO plaatsvinden. Een andere is gepland in 2008.
De NAVO-toppen worden, in tegenstelling tot de semesteriële topbijeenkomsten van de Europese Unie, niet regelmatig georganiseerd. Ze zijn niet gebonden aan bepaalde periodes en worden bijeengeroepen wanneer de omstandigheden dat vereisen.
De agenda van Riga zal worden opgedeeld in twee grote onderwerpen.
Het eerste onderwerp is militair en betreft de transformatie van het militaire werktuig van de NAVO, die de troepen wil moderniseren om ze gemakkelijker te kunnen inzetten en hun actiecapaciteit te vergroten.
Eén van de steunpunten van deze moderniseringen is de NRF, de Nato Response Force, een reactiestrijdmacht waaraan Frankrijk een belangrijke bijdrage levert. De ambassadeur hoopt dat de NRF in Riga door de staats- en regeringsleiders volledig paraat zal worden verklaard.
Er liggen andere initiatieven ter tafel. Zo is er een initiatief met betrekking tot de opleiding. Wat kan de Alliantie meer doen op het vlak van opleiding, meer bepaald ten voordele van de partnerlanden rond de Middellandse Zee ? Er is ook een initiatief inzake de speciale eenheden en een initiatief aangaande het strategisch langeafstandstransport.
Het tweede gedeelte van de Top van Riga zal betrekking hebben op de evolutie van de partnerschappen binnen de Alliantie.
In de loop der jaren heeft de NAVO allerlei partnerschappen ondertekend : met de landen van de Kaukasus en van Centraal-Azië, de neutrale landen van West-Europa, de Middellandse Zeelanden en heel recent met de Golfstaten. Er liggen een aantal ideeën ter discussie om de partnerschappen te versterken. Volgens de ambassadeur zal over sommige een consensus worden bereikt, maar andere, die verder gaan, zullen zeker meer problemen opleveren.
Enkele initiatieven neigen in feite meer naar een betere samenwerking met wat we de contactlanden noemen. Dit zijn verafgelegen landen rond de Stille Oceaan, zoals Japan, Australië, Nieuw-Zeeland of Zuid-Korea. Er zal dus over een eventueel partnerschap worden gediscussieerd.
Frankrijk is hier erg voorzichtig want het trans-Atlantische karakter van de NAVO moet absoluut behouden blijven en er moet vermeden worden dat de NAVO wordt omgevormd tot een soort blok van de democratische landen van de wereld. Deze beleidsbenadering lijkt niet opportuun en kan de spanningen opdrijven of de diepe verdeeldheid in de wereld van vandaag groter maken.
De ambassadeur geeft twee voorbeelden.
Het eerste betreft humanitaire operaties. Wanneer er zich in de wereld een catastrofe voordoet, zal de Alliantie een oproep positief beantwoorden. Zulke operaties behoren echter niet tot de normale en reguliere verantwoordelijkheid van de NAVO.
Een ander voorbeeld is de strijd tegen het terrorisme. De NAVO kan daarin uiteraard een nuttige, maar heel beperkte rol spelen. Dit is veeleer een zaak voor de politie, de justitie, de inlichtingen en de strijd tegen de financieringsnetwerken van het terrorisme dan een militaire zaak.
Een aantal activiteiten van de Alliantie die verbonden zijn met de strijd tegen het terrorisme, zijn zeer nuttig. Zo is er de uitwisseling van het onderzoek naar de terroristische dreiging. Het zijn geen operationele inlichtingen, maar algemene analyses met betrekking tot het type, de oorsprong en de uiting van de dreigingen. Een technologisch programma brengt onze kennis en onze ondervinding over heel precieze technische problemen samen, zoals de manier waarop men het gevaar van geïmproviseerde explosieven moet aanpakken.
Een voorbeeld zijn de « in elkaar geknutselde » springstofsystemen die ontstaan, in het bijzonder in Afghanistan. Er bestaan technische studies die zeer nuttig zijn om die systemen op te sporen en ze te neutraliseren. Een ander voorbeeld betreft de methode voor de neutralisatie van grondluchtraketten, die een bedreiging kunnen vormen voor het luchtvaartverkeer. Dat is één van de technieken die door de geallieerden worden bestudeerd. Dat is nuttig werk, maar de strijd tegen het terrorisme wordt hoofdzakelijk op een ander niveau gevoerd.
Wat de Europese defensie betreft ten slotte, zijn het Atlantisch Bondgenootschap en de ontwikkeling van een Europees veiligheids- en defensiebeleid niet tegenstrijdig, maar complementair. Er moet niet worden gedacht in termen van concurrentie, competitie of rivaliteit tussen de NAVO en de Europese Unie, maar eerder in termen van complementariteit.
Er is duidelijk een nieuwe dynamiek op gang gebracht in het Europese veiligheids- en defensiebeleid, ondanks de verwikkelingen met de Europese Grondwet en de negatieve uitslag van het referendum in Frankrijk en Nederland. In het EVDB is geen vertraging opgetreden. Integendeel, de zaken gaan vooruit. Voorbeelden zijn de battle groups, gevechtseenheden van 1 500 militairen, een zeer nuttig militair instrument; de Europese gendarmeriemacht en de operatie van de Europese Unie in Congo om veiligheid bij de verkiezingen te verzekeren.
In ieder geval hebben we slechts één geheel van strijdkrachten. De strijdkrachten die werken in het kader van de NAVO of in het kader van de Europese Unie zijn dezelfde. Het is totaal verkeerd te denken dat de twee organisaties concurrenten zijn. We moeten complementair samenwerken.
2.8.2. Gedachtewisseling
Mevrouw Zrihen is enigszins verwonderd te horen dat er geen precies vastgestelde zone zou zijn en dat er « buiten de zone » kan worden opgetreden. Bestaat de mogelijkheid dat die kwestie ter sprake komt in Riga ?
Bekleden we in de politisering van de Alliantie in het algemeen een bijzondere plaats of wordt eraan gedacht de Noord-Atlantische Raad, die toch de enige beslissende autoriteit blijft, te doen evolueren ?
Bestaat het gevaar dat China, waarvan de interesse voor dat soort alliantie gekend is, als thema aan bod komt in Riga ?
De heer Galand verwijst naar het strategisch concept van de NAVO, dat over de stabiliteit « buiten de zone » handelt. Welke verantwoordelijkheid hebben de partners in dat strategisch concept buiten de zone ?
De contactlanden zijn vooral landen in het gebied van de Stille Oceaan. Betekent dit dat de NAVO eveneens een strategisch concept tracht te ontwikkelen in die regio ? Heeft het project van de NAVO, waarin de Europeanen zichzelf zien als een tweede pijler, in dat geval nog zin en is het nog relevant voor de Europeanen ?
Wat is de rol van overleg en consensus — die nog als de politieke basisprincipes van de NAVO worden beschouwd — in dat strategisch concept buiten de zone ?
Antwoorden van de heer Duqué
« Buiten de zone » is een achterhaald concept. Vandaag is het de taak van het Atlantisch Bondgenootschap om op te treden onder het mandaat van de Veiligheidsraad van de VN wanneer er een beroep op wordt gedaan om bij te dragen aan de stabilisering en de veiligheid in landen in moeilijkheden. De Balkan en Kosovo bevinden zich in Europa, maar Afghanistan bevindt zich veel verder.
Zodra de Noord-Atlantische Raad beslist om in te gaan op een vraag van de Veiligheidsraad van de VN, grijpen de geallieerden in. Als het om een plaats gaat die ver verwijderd is van Europa, maar waar onze veiligheidsbelangen op het spel staan — wat het geval is met Afghanistan — stellen we ons niet de vraag of het land « buiten de zone » ligt. Dat geldt ook voor het optreden in Darfour, dat zeer beperkt is. De Alliantie heeft eveneens deelgenomen aan de humanitaire operaties van oktober vorig jaar in Pakistan. Dat was heel ver van de basissen in Europa verwijderd.
In onze geglobaliseerde wereld zijn de veiligheidsproblemen niet meer beperkt tot een welbepaalde geografische regio. Als we optreden in Afghanistan, is dat omdat onze veiligheidsbelangen op het spel staan. We moeten dus over de nodige militaire uitrusting beschikken om interventies op verafgelegen plaatsen mogelijk te maken. Dat is overigens het doel van de huidige modernisering van de geallieerde strijdkrachten.
Wat betreft de vraag over de politisering van de Noord-Atlantische Raad, antwoordt de ambassadeur dat indien de Raad gezien wordt als een ruimte waar een politieke dialoog wordt gevoerd tussen de geallieerden, men dan inderdaad kan spreken van politisering. Artikel 4 van het verdrag van Washington voorziet overigens in politiek overleg over veiligheidskwesties tussen de geallieerden. In de Raad worden dus geregeld debatten gevoerd over de situatie in de Balkan of Afghanistan en over het probleem van het internationaal terrorisme.
De Noord-Atlantische Raad is een ruimte voor politieke debatten. Dat is geen enkel probleem voor zover er niet naar wordt gestreefd tot een beslissing of een conclusie te komen. Meestal gaat het om gedachtewisselingen.
Dankzij die gedachtewisselingen kunnen we ons standpunt over de toestand in het Midden-Oosten aan elkaar verduidelijken. Dat betekent evenwel niet dat in de Atlantische Raad een enkel beleid over het Nabije Oosten de boventoon voert. Het gaat enkel om een uitwisseling van ideeën en informatie. Dat is nuttig, maar het heeft niet als doel een gemeenschappelijke politiek te bepalen. Binnen de Europese Unie daarentegen trachten we te evolueren naar een gemeenschappelijk en eensgezind buitenlands beleid.
China bevindt zich uiteraard heel ver van de Euro-Atlantische zone en er is niet de minste wil tot toenadering tussen dat land en het Atlantisch Bondgenootschap. We zijn zeer waakzaam ten opzichte van de gebeurtenissen in het Verre Oosten.
Rekening houdend met het strategisch evenwicht in Azië, staat Frankrijk zeer terughoudend tegenover het idee om een wereldblok van democratieën te vormen onder NAVO-vlag door landen als Japan, Zuid-Korea of Australië te laten toetreden. Wat zou de reactie van China zijn als het een groep landen ziet toetreden tot het Atlantisch Bondgenootschap ? Hoever moeten we gaan als we het hebben over democratieën in de wereld ? India is één van de grootste democratieën van de wereld, misschien de grootste als we rekening houden met het bevolkingsaantal. Moet India toenadering zoeken tot het Atlantisch Bondgenootschap ? In ieder geval wil Frankrijk niet evolueren naar een blok van werelddemocratieën.
Het strategisch concept van 1999 is sindsdien niet gewijzigd. Sommige geallieerden denken dat het goed zou zijn het opnieuw op tafel te gooien. Zo werd binnen de Alliantie een document goedgekeurd met als titel « Het globaal politiek concept », dat in zekere zin een ersatz van het strategisch concept is. Het zal in Riga ter goedkeuring worden voorgelegd aan de staats- en regeringshoofden. Het is geen formeel strategisch concept, maar een opiniedocument dat in die richting gaat.
Wat de partnerschappen betreft, staat Frankrijk open voor een grotere participatie van de partners of de contactlanden aan de NAVO-operaties. Anders gezegd, als Australië troepen wil leveren voor de NAVO-operatie in Afghanistan, dan is dat land welkom. Als Japan hetzelfde willen doen, des te beter. Ook landen als Finland, Zweden of Oostenrijk leveren een belangrijke bijdrage tot de operaties van het Bondgenootschap. De partners moeten worden aangemoedigd om bij te dragen tot de operaties. Ze moeten daarom in de mogelijkheid gesteld worden hun strijdmachten operationeel zo goed mogelijk af te stemmen op die van de NAVO.
Wat de uitbreiding van het Bondgenootschap betreft, stipt de ambassadeur aan dat er momenteel 26 lidstaten zijn. Tijdens de periode van de Koude Oorlog en de confrontatie met de Sovjetunie waren er dat 16.
Er zijn echter nog steeds landen die tot de NAVO willen toetreden. Daartoe werd een stappensysteem uitgewerkt : de eerste stap is het partnerschap; de tweede stap, de geïntensifieerde dialoog en de derde stap, het Membership Action Plan of het Actieplan voor Aspirant-leden. De kandidaten doorlopen deze drie stadia. Op dit ogenblik heeft Georgië de eerste fase doorlopen en is het klaar voor de geïntensifieerde dialoog. Oekraïne bevindt zich in de fase van de geïntensifieerde dialoog en wenst door te gaan naar deze van het MAP. Drie Balkanlanden bevinden zich in de fase van het MAP : Albanië, Macedonië en Kroatië.
Theoretisch zal in 2008 een top plaatsvinden over de uitbreidingskwesties. Tijdens de Top van Riga zullen echter wel al signalen worden uitgestuurd naar de landen die meer toenadering zoeken tot de NAVO. Het komt erop aan te weten of Georgië klaar is voor de geïntensifieerde dialoog en of Oekraïne naar het MAP kan overstappen.
In dit bijzonder belangrijke politieke debat wordt ook rekening gehouden met de toelatingscriteria tot het Atlantisch Bondgenootschap, die zowel betrekking hebben op de modernisering van de strijdmachten en het veiligheidssysteem, als op de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten, de strijd tegen de corruptie en zo meer. Dat belangrijke debat zal in Riga zeker worden gevoerd.
Het laatste punt betreft de consensus. Het Bondgenootschap werkt op basis van unanimiteit. Een beslissing binnen de Atlantische Raad kan alleen maar bij eenparigheid worden genomen. De pogingen die werden gedaan om deze bepaling te omzeilen, zijn altijd mislukt. Het gaat duidelijk om een bondgenootschap van democratische, soevereine, onafhankelijke, gelijke landen. Elkeen heeft een stem in de Raad, waar de unanimiteitsregel geldt. Dat is een fundamenteel principe van de werking van de NAVO.
Volgens de heer Galand worden steeds meer operaties « buiten de zone » gevoerd. Hoeveel is Frankrijk bereid extra te betalen om deel te nemen aan die talrijke operaties, die gezien de verantwoordelijkheid die de NAVO wenst op te nemen in de partnerschappen en met de contactlanden, de uitgaven zullen opdrijven ?
De heer Duqué antwoordt dat, net als de Belgische regering, ook Frankrijk zich zorgen maakt over de financiering van het Bondgenootschap. De Franse en de Belgische leden van de delegaties bij de NAVO werken trouwens nauw samen en zijn het eens over de essentie van de standpunten waarover in het Atlantisch Bondgenootschap wordt gedebatteerd, met inbegrip van het financiële luik.
De ontsporing van de NAVO-financiën moet worden ingedijkt. Als de NAVO het nodig vindt deel te nemen aan deze operaties, moet zij de financiële kosten ervan dragen. Een beheersing van de stijging van de uitgaven van de organisatie is noodzakelijk.
Zo kosten de operaties in Afghanistan en Kosovo Frankrijk dit jaar ongeveer 210 miljoen euro, wat een belangrijk bedrag is in het defensiebudget.
Het principe is dat elke Bondgenoot betaalt voor het inzetten van zijn eigen strijdmachten. Een gedeelte van de uitgaven wordt gemeenschappelijk gefinancierd, namelijk de gemeenschappelijke infrastructuur voor de Bondgenoten. Op dit ogenblik is er veel discussie over de omvang van de gemeenschappelijke financiering. Een aantal lidstaten wil de gemeenschappelijke financiering uitbreiden; andere landen — waaronder Frankrijk — zijn veeleer terughoudend omdat ze geen twee keer willen betalen. Naast het inzetten van de strijdmachten willen we niet nog eens betalen voor de strijdmachten van andere Bondgenoten.
2.9. Hoorzitting van 3 juli 2006 met de heer de Hoop Scheffer, secretaris-generaal van de Navo (samen met de commissies voor de Landsverdediging en voor de Buitenlandse Betrekkingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers)
Zie : Integraal verslag, stuk Kamer, CRIV 51 COM 1027.
2.10. Hoorzitting met de heer Lammerant, Forum voor Vredesactie en met de heer Ghys, CNAPD (Coordination nationale d'Action pour la Paix et la Démocratie)
2.10.1. Uiteenzetting van de heer Lammerant
Op 28 en 29 november 2006 komen de staatshoofden en regeringsleiders van de NAVO-lidstaten samen in Riga, Letland om de nieuwe koers van de NAVO als « globale veiligheidsorganisatie » officieel te bevestigen. De NAVO voert een hervormingsdiscussie die verregaande gevolgen kan hebben. In Riga worden de eerste bouwstenen gelegd voor een NAVO die de ambitie heeft om een wereldwijde militaire alliantie te worden. Belangrijke gespreksonderwerpen zijn : de ontwikkeling van de interventiecapaciteit van de NAVO, de financiering van de militaire interventies en de verdere uitbreiding van de Alliantie. Maar het is belangrijk te kijken naar de visie die achter deze agendapunten zit en waar men met de NAVO naartoe wil. Want de top in Riga is slechts een begin van een discussie die zal voortduren tot in 2008 of 2009.
1) Als het Forum voor Vredesactie de verschillende voorstellen naast elkaar legt, lijken ze een frontale aanval op de Verenigde Naties. De NAVO wil evolueren van een Europees-Amerikaanse militaire alliantie tot een globale collectieve veiligheidsorganisatie. Een soort « Verenigde Naties van the willing », waarbij de eigenlijke VN gemarginaliseerd worden. Is dit een overdreven stelling ? Op de tafel liggen toch maar enkel voorstellen voor partnerschappen ?
Dat de Verenigde Naties bij Amerikaanse politici niet populair is, is algemeen geweten. Velen zouden de VN graag afgeschaft zien of vervangen door iets anders, iets dat beter de Amerikaanse belangen dient. Dit leeft niet enkel bij enkele neo-conservatieven maar het is een visie die breed gedeeld wordt. Spreker wijst daarbij op het eindrapport van het Princeton Project on National Security. Dit is een bipartisan project of anders gezegd met zowel democraten als republikeinen, dat onder leiding stond van de voormalige minister van buitenlandse zaken George Shultz. Hierin wordt gepleit voor de oprichting van een Concert of Democracies : « While pushing for reform of the United Nations and other major global institutions, the United States should work with its friends and allies to develop a global « Concert of Democracies » — a new institution designed to strengthen security co-operation among the world's liberal democracies. This Concert would institutionalise and ratify the « democratic peace ». If the United Nations cannot be reformed, the Concert would provide an alternative forum for liberal democracies to authorise collective action, including the use of force, by a supermajority vote. » Ook een democraat als Ivo Daalder, adviseur onder Clinton, pleit voor de vervanging van de VN door een Alliance of Democracies. Dit zijn dus geen ideeën van enkele neo-conservatieven, maar een visie die breed gedeeld wordt in de Amerikaanse politiek. Belangrijk is dat het daarbij niet gaat om een bijkomende internationale organisatie maar om één die de centrale rol van de Veiligheidsraad in het autoriseren van het gebruik van geweld moet overnemen.
De huidige president Bush heeft dit in zijn eerste ambtsperiode in praktijk proberen brengen door het tot stand brengen van alliances of the willing voor de oorlog in Afghanistan en Irak. De moeilijkheden voor de Amerikaanse politiek in Irak heeft de Bush-administratie het belang van een institutioneel uitgebouwde multilaterale samenwerking doen inzien, maar heeft hun visie op de internationale politiek niet fundamenteel veranderd.
Het laatste jaar heeft de Bush-administratie besloten de NAVO te herwaarderen als vehikel voor de Amerikaanse buitenlandse politiek en zien we pleidooien opduiken voor een globale NAVO. De voormalige Spaanse eerste minister Aznar, die een even hevige fan van Bush is als Tony Blair, schreef vorig jaar een rapport met titel « NATO : An Alliance for Freedom » waarin hij pleit voor een NAVO met leden wereldwijd. Hij noemt daarbij Japan, Australië, Zuid-Korea, ... Net die landen waar nu partnerschappen mee voorgesteld worden. Sinds begin dit jaar staat de discussie over de partnerschappen met landen uit de Pacific op de politieke agenda van de NAVO. Officieel wordt gesteld dat het hier om praktische samenwerkingen gaat met landen die deelnemen aan dezelfde missies, maar daarnaast klinkt telkens ook de stelling dat daaraan meer politiek overleg binnen de NAVO moet gekoppeld worden, onder meer met die partnerlanden. In het laatste nummer van Foreign Affairs publiceerden Ivo Daalder en James Goldgeier een artikel met titel « Global NATO ». Zij stellen onverbloemd dat deze partnerschappen een eerste stap naar lidmaatschap moeten zijn, net zoals de Partnerships for Peace dat waren voor de Oost-Europese landen.
Wat betekent dit voor landen die géén deel uitmaken van deze militaire alliantie en potentieel als veiligheidsprobleem gedefinieerd worden ? Voor hen vormen deze ontwikkelingen een bedreiging waar tegenover zij een militair antwoord zullen trachten te stellen. Het resultaat is een verdere wapenwedloop en militarisering van de internationale betrekkingen. De stelling dat bedreigingen globaal zijn, zou wel eens een self-fulfilling prophecy kunnen worden.
Momenteel is de Veiligheidsraad het forum waar over collectieve veiligheid gepraat wordt en de instantie waar het gebruik van geweld in de internationale betrekkingen al dan niet gelegitimeerd wordt. Dergelijke instelling zou als een garantie moeten dienen tegen een militarisering van de internationale betrekkingen. In praktijk wordt ze verder uitgehold. Met het precedent van Kosovo stelt de NAVO en haar lidstaten dat ze in bepaalde gevallen zelf kunnen ingrijpen wanneer de Veiligheidsraad niet werkt zoals zij verwachten of met andere woorden unwilling is. Als dan de VS en haar bondgenoten wereldwijd ook nog een alliantie gaan vormen waarin zij tot hun oplossing van collectieve veiligheidsproblemen komen en waarmee ze die oplossing desnoods eigenmachtig militair vorm geven, heeft de Veiligheidsraad nog weinig te betekenen. In elk geval biedt dit soort multilateralisme voor de landen die ervan uitgesloten worden geen antwoord op veiligheidsproblemen. Integendeel, deze alliantie wordt voor hun een veiligheidsprobleem waartegen ze zich gaan wapenen.
Is dit de nieuwe wereldorde die ons te wachten staat ? Is België daar een voorstander van ?
2) Een tweede voorstel in het debat rond een nieuwe NAVO gaat over de gemeenschappelijke financiering. Momenteel draagt elk land zelf de kosten voor zijn troepen als het die inzet bij een NAVO-operatie. Er is een beperkte hoeveelheid gemeenschappelijk gefinancierde infrastructuur, zoals de AWACS-vliegtuigen of de opslagbunkers van Amerikaanse kernwapens in Europa. NAVO-secretaris-generaal De Hoop-Scheffer en de militaire opperbevelhebber van de NAVO Jones stellen dat deze manier van financieren drempels opwerpt voor deelname aan operaties. Met gemeenschappelijke financiering zouden kleinere landen gemakkelijker aan operaties kunnen deelnemen. De Hoop-Scheffer stelt voor om meer gemeenschappelijke infrastructuur uit te bouwen bijvoorbeeld op het vlak van strategisch luchttransport, en om de inzet van de NATO Response Force, althans in aanvang, gemeenschappelijk te financieren.
De vraag is wie hier beter van wordt. Dit voorstel lijkt vooral bedoeld om een deel van de Amerikaanse defensiefactuur richting Europa te verschuiven. De operaties in Irak en Afghanistan kosten de VS handenvol geld. Tijdens de Irak-oorlog in 1991 werd de factuur voor een groot deel betaald door Saoedi-Arabië, Japan en andere landen. Unilateraal optreden wordt echter niet zo moedwillig door anderen gefinancierd. Dergelijke operaties en het daarop volgende, langdurige verblijf als « vredesoperatie » bij de NAVO onderbrengen en gemeenschappelijk laten financieren, haalt de druk van het Amerikaanse budget. Ook de genoemde infrastructuur zoals het strategisch luchttransport is momenteel vooral een Amerikaanse zaak. Gepleit wordt om een aantal C-17 vliegtuigen te kopen. Toeval of niet, Boeiing kondigde midden augustus aan de productie van dit vliegtuig af te zullen bouwen bij gebrek aan nieuwe binnenlandse bestellingen. Ook de missile defense-plannen in NAVO-verband kan een rinkelende kassa voor de Amerikaanse defensie-industrie betekenen.
Dergelijke financiering doet landen de controle over hun defensiebudget verliezen. Wie geen zin heeft om te voldoen aan de Amerikaanse vraag om meer aan defensie te besteden of wie afzijdig wil blijven bij bepaalde missies zoals in Irak, krijgt dan de rekening via de gemeenschappelijke NAVO-factuur gepresenteerd.
3) Ten slotte iets wat niet op de Riga-agenda staat maar niet onbesproken kan blijven bij een globaler optredende NAVO : de kernwapenpolitiek. Wanneer de NAVO en de rol die ze zich toemeet verandert, verandert ook de rol van de kernwapens. Zeker als de NAVO zich het recht voorbehoudt om als eerste kernwapens in te zetten en in het midden laat wanneer ze die kernwapens zal inzetten. Plots bedreigen we heel wat meer landen met kernwapens dan daarvoor.
De NAVO stelt in haar Strategisch Concept : « Het fundamentele doel van de nucleaire strijdkrachten van de Bondgenoten is politiek van aard : de vrede te bewaren en dwang en iedere soort van oorlog te voorkomen. Zij zullen een essentiële rol blijven spelen door te zorgen dat er in de geest van een eventuele agressor onzekerheid heerst over de aard van de Bondgenootschappelijke respons op militaire agressie. Zij bewijzen dat agressie van welke aard dan ook geen rationele optie is. »
Kernwapens in handen van landen als Noord-Korea en Iran zijn een groot gevaar. Maar de vraag is of kernwapens in de buitenlandse politiek van deze landen een andere rol zouden krijgen dan ervoor te zorgen dat « agressie van welke aard dan ook geen rationele optie is ». In elk geval geven speculaties over regime change aan deze regimes de boodschap dat zij een veiligheidsprobleem hebben. De motiverende factor voor het streven naar kernwapens bij deze landen is het groeiende militaire interventionisme, met andere woorden de ambitie om een globale rol met militaire middelen te spelen.
Om proliferatie van kernwapens tegen te gaan, moet er iets gedaan worden aan deze motiverende factoren en ook duidelijk gemaakt dat regime change niet tot de opties in de internationale politiek hoort. Tegelijk de boodschap geven zelf kernwapens nodig te hebben voor onze veiligheid, is weinig geloofwaardig om dit aan andere landen te ontzeggen. Het transformatieproces van de NAVO is een goed moment om een consequentere houding in de NAVO-politiek te brengen en de kernwapenpolitiek ter discussie te stellen.
2.10.2. Uiteenzetting van de heer Ghys
Hoewel het nog grotendeels binnenskamers gehouden wordt, is het debat over de toekomst van de NAVO van essentieel belang en zouden de burgers er meer oor naar moeten hebben. De CNAPD zal haar rol van bewustmaking, vulgarisatie, van verduidelijking van wat op het spel staat blijven spelen, en zal de spreekbuis blijven van de eisen van onze leden en partners.
In een interview voor de International Herald Tribune van een paar maanden geleden, verklaarde generaal James Jones (de opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten in Europa, of SACEUR) : « er zijn twee aspecten verbonden aan de reorganisatie van de NAVO. Het ene is de materiële reorganisatie van de bevelstructuren en de oprichting van een snelle interventiemacht. Het andere is van culturele aard : wat zal men doen met deze nieuwe interventiecapaciteiten ? Het roept vragen op die te maken hebben met de bestaansreden zelf van het bondgenootschap, dat in de 20e eeuw werd opgericht als een defensieorganisatie. » Men richt met andere woorden een instrument op, waarvan men later wel zal zien wat men ermee aanvangt. Dit is des te meer onaanvaardbaar voor een militair instrument !
De NAVO is geleidelijk geëvolueerd van een defensiebondgenootschap dat op eigen grondgebied opereert en zich aan de VN-regels houdt, naar een preventieve interventiemacht dat zowat overal ter wereld optreedt, als het moet zonder VN-mandaat. Het schild is een zwaard geworden, of een lans.
Als men het Noord-Atlantisch Verdrag bekijkt, dat op 24 augustus 1949 in werking is getreden, stelt men vast dat de NAVO zich opwerpt als een militair bondgenootschap, dat defensief optreedt op het grondgebied van de lidstaten en de regels van het internationaal recht naleeft.
Reeds in de inleiding erkent het Noord-Atlantisch Verdrag het hogere gezag van de VN. Artikel 7 bepaalt dat het Verdrag geen invloed kan hebben op de « primaire verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad voor de handhaving van internationale vrede en veiligheid ».
Het Verdrag bepaalt dat het optreden van de NAVO beperkt blijft tot het grondgebied van de leden : de artikelen 5 en 6 stellen een collectief project van zelfverdediging voor, een gezamenlijk antwoord in geval van een gewapende aanval « in Europa of Noord-Amerika ». Belangrijk daarbij is dat « deze maatregelen zullen worden opgeheven zodra de Veiligheidsraad de nodige maatregelen zal hebben genomen om de internationale vrede en veiligheid te herstellen en te handhaven ». Het is dus de Veiligheidsraad die zodra het mogelijk is, weer het heft in handen neemt.
Sinds de val van de Berlijnse muur in 1989 is het zeer de vraag of de NAVO zal verdwijnen dan wel evolueren.
Met het Verdrag van Maastricht (1991) stelt de Europese Unie een Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid in. Volgens Sven Bicop van het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen is deze oprichting grotendeels ingegeven door het feit dat de Europeanen vrezen dat zij met de beëindiging van de Koude Oorlog niet langer automatisch de Amerikaanse bescherming zullen genieten. Het voorbeeld van Joegoslavië heeft aangetoond dat de Amerikanen van oordeel zijn dat de Europeanen in eerste instantie de verantwoordelijkheid moeten dragen voor de vrede en veiligheid in hun regio.
Zoals iedere instelling vertoont de NAVO de neiging om zichzelf in stand te houden ook al zijn de redenen van zijn oprichting verdwenen. De redenering valt als volgt samen te vatten : we beschikken over de NAVO als over een militair instrument dat betrouwbaar is gebleken — het risico van een gewapende aanval tegen de lidstaten van de NAVO is bijna onbestaand — en dan is het de vraag is wat met de middelen ?
Met het strategisch concept van de Alliantie (april 1999) evolueert de NAVO naar een interventiemacht buiten het eigen grondgebied en verleent hij zichzelf het recht om zonder UNO-mandaat op te treden.
Het strategisch concept breidt de traditionele NAVO-opdrachten uit met niet aan artikel 5 gebonden opdrachten (collectieve zelfverdediging). Dat is dus revolutionair ! Warren Christopher, de voormalige Amerikaanse minister, heeft daarover verklaard dat het veiligheidsrisico voor de lidstaten van de NAVO niet meer bestaat in een mogelijke aanval doch wel in de bedreiging van hun gemeenschappelijke belangen buiten hun grondgebied.
Na 9/11 kreeg artikel 5 toepassing en hebben de Verenigde Staten de hulp van de NAVO-lidstaten afgewezen omdat ze geen onderhandelingen wilden aangaan inzake de voorwaarden van hun tegenaanval. Zo zijn ertoe gekomen de « coalition of the willing » bilateraal op te richten met een aantal landen die bereid waren op te treden volgens de zuiver Amerikaanse voorwaarden.
De NAVO vindt dan ook nieuwe opdrachten uit zonder die uit te voeren waarvoor hij werd opgericht.
Te noteren valt dat de belangrijke ontwikkelingen van een Verdrag dat ons land bindt door het Belgisch Parlement nooit werden goedgekeurd, wat regelrecht ingaat tegen onze Grondwet (artikel 68, § 2). Zich beroepen op de loutere ontwikkeling van het begrip verdediging zoals sommigen doen, is volstrekt onvoldoende.
Wat denkt de publieke opinie in Europa en in Amerika daarvan ?
Volgens « Transatlantic Trends » (2006), dat een gedetailleerd onderzoek biedt van de publieke opinie in Europa en in Amerika, is de steun van de Europeanen aan de NAVO gedaald van 69 % naar 55 % tussen 2002 en 2006. Oorspronkelijk was 64 % van de Europeanen voorstander van het Amerikaanse leadership in internationale aangelegenheden doch in 2006 blijft daar nauwelijks 37 % van over. Eigenaardig genoeg is de Amerikaanse steun voor de NAVO gestegen van 56 % naar 61 %.
Een meerderheid van de Europeanen (55 %) staat thans gunstig tegenover een onafhankelijke aanpak van de veiligheid en de diplomatieke aangelegenheden en zelfs van een Europees leadership in de internationale betrekkingen via een Europees minister van Buitenlandse Zaken (76 %) doch een kleine minderheid is gekant tegen de versterking van de Europese militaire macht.
Volgens een Europees diplomaat beschouwen de Amerikanen de wereld als een gevaarlijk oord en de Europeanen de wereld als een ingewikkeld oord.
Eisen
In oktober 1998 kondigt Javier Solana aan dat hij geen beroep zal doen op de VN om in Kosovo te interveniëren : « De NAVO heeft de legitimiteit om alleen te handelen. We denken dat er gevallen zijn waarin wij, binnen de geest en de filosofie van het VN-Handvest blijvend, moeten handelen ». De redenering is de volgende : aangezien wij democratieën zijn, kunnen we eenzijdig bepalen wat een reden voor interventie is, zonder langs de filter van het VN-multilateralisme te moeten passeren. Ligt het niet precies in de geest van het Handvest dergelijke unilaterale interventies te voorkomen ? Het is een gevaarlijk precedent, want het zet de deur open voor andere interpretaties van de geest van het Handvest, door andere grootmachten.
De CNAPD wijst opnieuw op de dwingende noodzaak het Handvest van de Verenigde Naties nauwgezet in acht te nemen : elke militaire interventie moet steeds een duidelijk mandaat krijgen van de Veiligheidsraad.
In het debat dat is gevoerd, heeft de heer de Donnea verklaart dat de Europese pijler moet worden uitgebouwd, omdat men pas geloofwaardig is wanneer men sterk is, omdat men slechts een dialoog kan voeren op voet van gelijkheid wanneer men even sterk is als degene met wie men een dialoog voert. Het is niet denkbaar dat wij de Verenigde Staten inhalen of zelfs maar benaderen in hun bewapeningswedloop zonder de prijs te betalen van een radicale omslag in het maatschappijmodel, ten koste van sociale en culturele uitgaven ... Dat model is precies specifiek voor de Europese aanpak. Zelfs binnen een nauw beveiligingsperspectief bewijst het geval van de grootste militaire macht van het ogenblik ons dagelijks dat een omvangrijke militaire capaciteit geen garantie vormt voor veiligheid.
De CNAPD kant zich resoluut tegen elke verhoging van de militaire budgetten.
Het nieuwe evenwicht tussen de Amerikaanse pijler en de Europese pijler, waar België om vraagt, lost geenszins het politieke probleem op van het nut van de NAVO en van zijn strategische koers, noch overigens dat van de dwalingen van het Europees buitenlands beleid. Wanneer men de zaak goed bekijkt, zijn de Europese Petersberg-missies in hoge mate vergelijkbaar met de « out of area »-missies van de NAVO. De atlantisten en de europeanisten zijn het over één zaak eens : de kans op een conventionele aanval in Europa of in de Verenigde Staten is nagenoeg nihil en nu gaat men de potentiële vijand op zijn terrein opzoeken. Uit de opiniepeilingen blijkt nochtans dat er weliswaar veel steun onder de bevolking bestaat voor een Europese defensie in België en in Europa, maar dat het percentage dat zich aan militaire avonturen wil wagen, in de vier uithoeken van de planeet opvallend lager is.
Er moet een democratisch debat worden gevoerd over de Europese keuzes inzake buitenlands beleid en die keuzes moeten worden verduidelijkt.
De CNAPD en het Forum voor Vredesactie vragen de eerste minister en de bevoegde ministers :
— dat ze op geen enkele manier samenwerken met een NAVO die tot een wereldwijd militair bondgenootschap is getransformeerd en dat ze te kennen geven dat ze daartegen gekant zijn;
— dat ze zich uitspreken tegen gemeenschappelijke financiering van de NAVO-operaties en tegen de uitbreiding van de gemeenschappelijke financiering voor de aankoop van nieuw NAVO-materieel;
— dat ze op de Top van de staatshoofden en regeringsleiders van de NAVO in Riga de nodige stappen ondernemen om een einde te maken aan het nucleair beleid van de NAVO en, indien die stappen tot niets leiden, dat ze onmiddellijk de Belgische deelname aan dat onwettige defensiebeleid beëindigen.
Uiteindelijk pleitte het regeerakkoord van 2003 ervoor :
— het aantal kernwapens te verminderen; de NAVO kan daartoe bijdragen door geen kernwapens meer te laten plaatsen op het grondgebied van de nieuwe NAVO-lidstaten en door de ontmanteling van het kernwapenarsenaal in de huidige NAVO-lidstaten voort te zetten;
— de nucleaire strategie transparanter te maken;
— de akkoorden die in het raam van de NAVO tijdens de koude oorlog werden gesloten, te herzien.
De CNAPD herinnert de regering aan haar verbintenissen en vraagt dat het geen ijdele woorden blijven.
2.10.3. Gedachtewisseling
De heer Roelants meent dat men het debat over de NAVO voortaan in alle openheid moet voeren.
De heer Galand wijst erop dat de NAVO-operaties binnen de perken van het internationaal recht moeten blijven. De multilaterale aanpak van België moet altijd en overal behouden blijven. Dat betekent dat ons land bij alle internationale organisaties hetzelfde standpunt inneemt.
Kan men de NAVO een Europese pijler geven ? Hoe kan men de snelle interventiestrijdmacht definiëren ?
De NAVO blijft in eerste instantie een militaire organisatie die zich niet teveel met humanitaire operaties moet inlaten. Het sturen van troepen dreigt het imago van de organisatie aan te tasten.
China poogt zich te profileren ten opzichte van de NAVO en volgt zijn operaties in Afghanistan op de voet.
België hoeft zijn bijdragen voor de NAVO niet te verhogen. Indien de NAVO-capaciteit inzake kernwapens groter wordt, komt de veiligheid van de planeet in gevaar.
Mevrouw Hermans merkt op dat de bondgenootschappen moeten worden aangepast aan de nieuwe internationale context. De snelle NAVO interventies moeten worden uitgebouwd en geëvalueerd. Het behoud van de vrede in bijvoorbeeld een land als Afghanistan is essentieel voor Europa. De Europese Unie moet in deze een duidelijk standpunt innemen tegenover de Verenigde Staten zodat er een evenwicht tussen beide kan ontstaan. In de internationale onderhandelingen moet meer blijk worden gegeven van goodwill tegenover de nieuwe partners en de hoofdrol van de Verenigde Naties hierin moet gerespecteerd worden.
De heer Dubié meent dat het NAVO-verdrag, omdat het naar het VN-Handvest verwijst en in artikel 4 in een overlegprocedure voorziet, tegen het unilateralisme ingaat. Dat betekent dat een klein land als België een beslissende rol kan spelen. Er is dus weerwerk mogelijk tegen de voorbereidingen van de top van Riga.
Artikel 10 bepaalt het volgende : « De partijen kunnen, bij eenstemmigheid, elke andere Europese staat die de verwezenlijking van de beginselen van dit Verdrag kan bevorderen en die kan bijdragen tot de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden. ».
Daaruit volgt dat de uitbreiding van de NAVO met landen als Australië, Japan of Zuid-Korea strijdig is met het verdrag.
Spreker verklaart zich zorgen te maken over de toestand in Afghanistan. De NAVO-troepen die momenteel als bevrijders worden beschouwd, dreigen morgen als een bezettingsmacht te worden gezien. Het schijnt dat de bevolking van kamp aan het veranderen is en in grote meerderheid de Taliban weer gunstig gezind is. In het midden van de 19e eeuw heeft het Engels leger een pijnlijke nederlaag geleden tegen de Afghanen. Rusland kende een vergelijkbare ervaring. Het nationalisme en het islamitisch extremisme zijn er zeer sterk !
De heer Wille merkt op dat de subcommissie Defensie van het Europees parlement met alle nationale parlementen overlegt behalve met de WEU, de organisatie die nochtans de defensiepolitiek van de EU ten uitvoer moet brengen. De structuren van de WEU zijn immers totaal ontoereikend. Een visie zonder onderbouw leidt tot niets.
Antwoorden van de heer Lammerant
De heer Lammerant antwoordt dat het oprichten van een Europese pijler binnen de NAVO een totale illusie is. De Secretaris-generaal die deze pijler leidt, is gewoonlijk een overtuigd Atlantist. De EU zou zich beter concentreren op haalbare zaken zoals civiele doelstellingen. Er is binnen de NAVO vooral een continu debat met betrekking tot het ontwikkeling van visie en de structuren worden in functie hiervan aangepast.
Het is twijfelachtig of het objectief van de vredesmissies via militaire middelen kan worden tot stand gebracht. Het komt er in de praktijk enkel op aan te sluiten bij de politieke logica van de Verenigde Staten, zonder rekening te houden met wat haalbaar is op het terrein. De strategie van de Verenigde Staten bestaat er volgens spreker in om een bepaalde partij te ondersteunen zodat het conflict eerder gepolariseerd wordt dan opgelost.
Sinds begin augustus 2006 lijdt de NAVO proportioneel evenveel verliezen in Afghanistan als de toenmalige Sovjet-Unie tijdens haar bezetting van het land. President Karzai is een voormalig zakenman zonder politieke basis in het land. De Taliban blijft een fundamenteel politiek gegeven, waarmee men moet rekening houden. Ook de rol van de omringende landen hierin mag niet onderschat worden. Er zal waarschijnlijk ooit een exit-scenario uit het conflict moeten bedacht worden, zoals de Verenigde Staten indertijd hebben moeten doen voor Vietnam.
De operatie van de NAVO om mijnen te ruimen in Libanon zal weinig uithalen omdat er geen wapenstilstand is maar een militaire patstelling. Er is geen wapenstilstand maar de beide partijen hebben er gewoon geen belang bij de oorlog verder te zetten. Bovendien moet ook hier worden rekening gehouden met alle politieke krachten waaronder de Hezbollah.
De heer Wille merkt op dat de nieuwe landen van de Europese Unie niet pacifistisch gericht zijn wel integendeel.
De heer Lammerant antwoordt dat de Atlantistische strekking niet enkel uitgaat van de nieuwe landen van de EU maar ook reeds sterk aanwezig is bij de oudere leden van de Europese Unie zoals het Verenigd Koninkrijk. Deze is voor het behoud van de kernwapens op zijn grondgebied immers totaal afhankelijk van de politiek van de Verenigde Staten.
Antwoorden van de heer Ghys
De heer Ghys herinnert aan het belang van het VN-Rapport van het High-level Panel on Threats, Challenges and Change.
Uit een studie van professor Rik Coolsaet is gebleken dat men veel over terrorisme praat, maar dat het eigenlijk afneemt, uiteraard op de gebeurtenissen van 11 september 2001 na. Ondanks die vaststelling worden de mensenrechten vaak ingeperkt. Volgens de heer Coolsaet mag men de terroristische dreiging noch onder-, noch overschatten.
De heer Ghys meent dat de toestand in Afghanistan geen aanleiding geeft tot optimisme. De deskundigen achten die aanpak om het internationaal terrorisme te bestrijden contraproductief.
De heer Wille vindt dat het oordeel van de sprekers van de dreiging van het terrorisme van de laatste 30 jaar nogal summier is. Deze is inderdaad afgenomen maar voornamelijk door een grondige analyse en het gebruik van speciale opsporingsmethodes. De parlementaire controle op deze methoden dreigt in gevaar te komen.
Spreker verwijst naar de « Uniting and Strengthening America by Providing Appropriate Tools Required to Intercept and Obstruct Terrorism Act of 2001 » (USA Patriot Act) een Amerikaanse wet die in 2001 in werking is getreden en tot op de dag van vandaag is verlengd. De wet heeft als doel meer mogelijkheden te geven aan de Amerikaanse overheid om informatie te vergaren over en op te treden in geval van mogelijk terrorisme. Men wil deze Patriot act zelfs toepassen op het grondgebied van een soevereine staat als België. De informatie die men in ons land zou inwinnen zou rechtstreeks aan de Amerikaanse inlichtingendiensten overgemaakt worden.
De heer Dubié verwijst naar het gesprek dat hij op 13 september 2006 heeft gevoerd met mevrouw Lizin, voorzitter van de Belgische Senaat, en de heer Musharraf, President van Pakistan. Hij wijst erop dat in die regio het potentiële gevaar bestaat dat de Taliban en hun aanhang zich opneiuw groeperen om hun aanvallen tegen alle NAVO-strijdkrachten voort te zetten.
De heer Galand meent dat de woorden van de heer Dubié gegrond zijn. Het risico dat de afstand tussen de moslims en het Westen nog groter wordt, is inderdaad groot.
3. Voorstel van aanbevelingen
Het Atlantisch Bondgenootschap is opgericht op 4 april 1949, door de ondertekening van het verdrag van Washington door 12 landen, waaronder België. Artikel 10 legt vast dat het verdrag openstaat voor Europese landen en 14 landen hebben zich vervolgens bij het Bondgenootschap vervoegd. Het bestaat nu uit 26 landen, terwijl er nog 5 landen (Kroatië, Macedonië, Albanië, Georgië en Oekraïne) een verzoek tot toetreding hebben ingediend.
Het oorspronkelijk doel van het Verdrag, waarvan de verplichtingen alle in overeenstemming zijn met het Handvest van de VN, is om de vrijheid en de veiligheid van alle leden van de alliantie te beschermen, alsook de veiligheid en het welzijn in het Noord-Atlantisch gebied te bevorderen. De Trans-Atlantische band wordt, met dit doel voor ogen, zonder omwegen bevestigd, zowel in de aanhef als in de tekst van het verdrag. Iedere gewapende aanval tegen één van de leden wordt beschouwd als een aanval tegen het Bondgenootschap, dat vervolgens, op basis van artikel 5 van het verdrag, de verschillende middelen van de lidstaten kan mobiliseren.
Sinds in 1991 de Sovjet-Unie verdween, is het bestaan van de NAVO niet meer gestoeld op de vrees dat die Staat heel Europa zou domineren en is er geen enkele vergelijkbare dreiging in de plaats van de oorspronkelijke dreiging gekomen. Sedert het einde van de koude oorlog stelt de nieuwe internationale omgeving de risico's en de bedreigingen vast. De omvang van deze risico's en bedreigingen en de politieke en militaire respons erop vormen een moeilijker basis voor een eenmakende consensus tussen de 26 geallieerden.
Nadat de landen van Centraal en Oost-Europa en ook de Sovjet-Unie plotse veranderingen hadden gekend, werden de leden van het Atlantisch Bondgenootschap geconfronteerd met de noodzaak om de organisatie in stand te houden als fundamenteel element voor de veiligheid in Europa en ook om de structuur te bewaren van militair bondgenootschap en van verankering voor Noord-Amerika en Europa. Eind 1992 zijn er dus voor het Bondgenootschap twee nieuwe functies bijgekomen : het uitbouwen van de stabiliteit in de zone die gedekt wordt door de Noord-Atlantische samenwerkingsraad en vervolgens de Euro-Atlantische partnerschapsraad en het uitbouwen van vredesmissies onder het toezicht van de Verenigde Naties.
Door de geografische uitbreidingen (in maart 1999 en maart 2004), waarvan de beperkingen in artikel 10 staan vastgelegd en de criteria die de kandidaten worden opgelegd bepaald in de Studie over de uitbreiding van september 1995 (10) , de uitbreiding van de missies naar vredesoperaties buiten de zone die is vastgelegd in artikel 6 van het Verdrag (tijdens de oorlog in ex-Joegoslavië, in 1994, en vervolgens bij de toepassing van het militaire onderdeel van de Dayton-akkoorden in 1995, alsook bij de operaties in Kosovo en Servië in 1999) en bovendien het uitwerken van verschillende partnerschapsakkoorden met Rusland (de gezamenlijke permanente raad, de Rusland-NAVO raad in 1997), met Oekraïne (de ondertekening van het specifieke handvest voor partnerschap NAVO-Oekraïne, in mei 2002) en met andere landen van het vroegere Sovjetblok (de Noord-Atlantische samenwerkingsraad van 1991, het Partnerschap voor de vrede van 1994 en dan de Euro-Atlantische partnerschapsraad van 1997, die nu 46 leden telt), is het Bondgenootschap uitgegroeid van een militaire defensieorganisatie tot een organisatie die veiligheid en stabiliteit nastreeft in haar naaste omgeving.
Hoewel de NAVO bijdraagt tot de collectieve veiligheid, is die veiligheid een bevoegdheid van de VN en in het bijzonder van de Veiligheidsraad. Wij hebben dus als taak de VN te steunen in haar hoedanigheid van organisatie voor het behoud van de vrede op wereldvlak. Om de Veiligheidsraad beter de huidige brede, regionale evenwichten te laten vertegenwoordigen, om de plaats van de EU binnen die raad te bevestigen en om van de VN een efficiëntere instelling te maken, zijn hervormingen noodzakelijk.
De NAVO moet zich dus aanpassen aan de nieuwe geostrategische situatie, maar tegelijkertijd trouw blijven aan de principes die aan de basis van haar oprichting en haar onmiskenbare succes lagen.
Om tegemoet te komen aan de militaire vereisten van de nieuwe geopolitieke omgeving, is de NAVO gestart met de herziening van haar militaire doctrine (waaronder het gebruik van een kernwapen in uiterste nood, in juni 1990), de herstructurering van haar bevelstructuur, goedgekeurd in december 1998 (herleiding van 3 naar 2 strategische bevelen : SACLANT (11) en SACEUR (12) ) en vervolgens in juni 2003 (Supreme Allied Commander « Operations » en Supreme Allied Commander « Transformation ») en de reorganisatie van de nationale strijdkrachten die tot haar beschikking zijn gesteld door de lidstaten of partners (multinationale eenheden en Rapid Reaction Forces, of strijdkrachten voor snelle interventies).
In januari 1994 en in juni 1996 heeft de NAVO besloten om CJFT (combined joint task forces)-groepen samen te stellen zodat de Europese Unie, eerst via de WEU en daarna — als gevolg van het Verdrag van Nice — in haar eigen EU-hoedanigheid, operaties kan leiden in naam van het EVDB (Petersberg-taken) met NAVO-middelen die onder Europees toezicht staan, op basis van besprekingen binnen de Noord-Atlantische Raad maar buiten de bevelstructuur van de SACEUR. De « Berlijn plus » akkoorden die in december 2002 tot stand zijn gekomen, worden in de praktijk gebracht in Bosnië met de overdracht van de SFOR (13) -missie aan de EU (operatie Althea). Dank zij dit mechanisme kan men het bestaan van een Europese pijler erkennen binnen het Bondgenootschap, wat structurele banden vereist tussen de veiligheidsorganen van de Europese Unie en de organen van de NAVO.
Het Belgische defensiebeleid kadert nu reeds in een Europese context, aangezien de oprichting van een Europese defensie de EU zichtbaarder en geloofwaardiger zal maken op het internationale toneel. Bovendien zal een Europese Defensie besparingen meebrengen. De beschikbare middelen zullen beter worden gebruikt en de organisatie zowel als de werking van de strijdkrachten verbeterd en gestroomlijnd zullen worden.
Het strategisch concept dat in april 1999 in Washington is aangenomen, vat de ontwikkeling samen die het Bondgenootschap tijdens het laatste decennium van de twintigste eeuw heeft doorgemaakt : de NAVO blijft een centrale rol spelen voor de veiligheid van Europa, blijft ook de voornaamste institutionele verankering van de Trans-Atlantische band en reikt haar vroegere tegenstanders de hand, om de stabiliteit van het continent te verstevigen. In dit document staan ook de grondslagen van de NAVO-missies in de nieuwe strategische omgeving, voornamelijk de deelname aan crisisbeheer.
Na de aanslagen van 9/11, hebben de lidstaten van de NAVO zich voor het eerst beroepen op artikel 5 van het Verdrag van Washington aangezien de aanval tegen allen was gericht en de reactie moest bestaan in een gezamenlijk optreden van de Alliantie. De regering-Bush heeft besloten geen praktische of militaire gevolgen te verbinden aan het beroep op de bepaling van gezamenlijke verdediging en heeft aldus geweigerd aan de structuren van de NAVO ook maar enig aandeel toe te kennen in de militaire verrichtingen in Afghanistan. De NAVO is dan opgetreden om een aantal zijdelingse operaties uit te voeren (Eagle Assest of Active Endeavour) en na de nederlaag van de Taliban om de Afghaanse regering bij te staan bij het herstellen van de vrede in het land (ISAF (14) , vanaf augustus 2003) in het kader van een UNO-mandaat.
Twee jaar later in januari en februari 2003 heeft de weigering van Frankrijk, Duitsland en België om onvoorwaardelijk in te gaan op de vraag om hulp vanwege Turkije tot een crisis geleid die de bestaande breuklijnen tussen de leden van de Alliantie aan het licht heeft gebracht over de wenselijkheid en de legaliteit van het conflict in Irak. Die politieke crisis heeft duidelijk uitgewezen hoe moeilijk het voor de Alliantie is om meningsverschillen tussen de leden onderling op te lossen. Bij de politieke meningsverschillen over de houding ten opzichte van Irak is er nog een polarisatie gekomen van de wederzijdse perceptie die wellicht een afspiegeling was van de transatlantische onenigheid over de waarde of de manier om op te treden.
De Top van Praag in november 2002 heeft beslist de Nato Response Force op te richten en een moderniseringsprogramma op te starten voor de militaire capaciteit in het verlengde van het ICD van april 1999. Op de Top van Istanbul (juni 2004) hebben de geallieerden de bedoeling te kennen gegeven de instrumenten van de Alliantie te ontwikkelen en de Top van Riga (november 2006) wil een standpunt bepalen over de toekomst en de bestaansredenen van de Alliantie.
Op de Top van Riga moeten de lidstaten een discussie aanvatten over een aantal punten en vraagstukken : de rol van de NAVO op het internationale vlak, het uitdiepen van de betrekkingen met de Europese Unie en met andere regionale organisaties onder auspiciën van de UNO om te bepalen welk soort militaire verrichtingen de NAVO kan uitvoeren en hoe de nationale legers daarop kunnen inspelen, het al dan niet institutionaliseren van ruimere partnerschappen, en de vraag of het aangewezen is de NAVO toe te rusten met burgerlijke bevoegdheden en zo ja, binnen welke grenzen ?
De Senaat spreekt de wens uit aan de regering het resultaat van zijn reflectie over die verschillende thema's mee te delen en hem krachtlijnen ter hand te stellen waarop hij zich kan baseren om zijn standpunt te verdedigen in Riga alsook tijdens de toekomstige onderhandelingen.
De Senaat,
A. stelt vast dat het Atlantisch Bondgenootschap volgens zijn Verdrag de letter en de geest van het Handvest van de Verenigde Naties moet naleven;
B. stelt vast dat het Atlantisch Bondgenootschap op grond van artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag in de eerste plaats een organisatie blijft die de gezamenlijke veiligheid van haar leden waarborgt, en dat de NAVO in tweede instantie kan bijdragen tot het beheer van regionale crisissituaties en tot de stabiliteit onder het mandaat van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, het centrale orgaan inzake wereldveiligheid;
C. stelt vast dat de NAVO blijft instaan voor de transatlantische stabiliteit en veiligheid;
D. stelt het belang vast van artikel 4 van het Verdrag van Washington, dat voorziet in politieke raadplegingen tussen geallieerden over veiligheidskwesties die niet noodzakelijkerwijze uitmonden in beslissingen of besluiten;
E. is van oordeel dat de NAVO haar potentiële capaciteiten als forum voor het transatlantisch overleg moet ontwikkelen;
F. is van oordeel dat humanitaire operaties niet onder de verantwoordelijkheid van de NAVO zouden moeten vallen, ten nadele van de Europese Unie of de gespecialiseerde instellingen van de Verenigde Naties;
G. is van oordeel dat de strijd tegen het terrorisme geen grondbeginsel van de NAVO vormt, en dat deze strijd een multidimensionele en multilaterale aanpak vereist;
H. stelt vast dat de betrekkingen tussen de Europese Unie en de NAVO worden geregeld in :
a. de overeenkomsten van Berlijn Plus (maart 2003) betreffende de samenwerking inzake crisisbeheer;
b. een kader voor een versterkte dialoog tussen de NAVO en de Unie en een gezamenlijke benadering van de veiligheid en de stabiliteit in de westelijke Balkan (juli 2003);
I. is van oordeel dat er geen sprake zou mogen zijn van rivaliteit tussen de Europese Unie en de NAVO, maar dat men erop moet toezien dat het Europees veiligheidsbeleid de Europese pijler van de NAVO versterkt zodat de interventiemiddelen in alle mogelijke situaties maximaal benut worden;
J. stelt vast dat de Europese Unie een politieke unie is die de samenwerking tussen haar lidstaten en met de rest van de wereld regelt; dat zij over niet-militaire hefbomen beschikt zoals de humanitaire hulp, de gezondheidszorg, het onderwijs, de economische hulp, om alle aspecten van hedendaagse conflicten te beheren, en niet te vergeten het EVDB (Europees Veiligheids- en Defensiebeleid) dat men moet blijven versterken;
K. stelt vast dat een zo groot mogelijke complementariteit en samenwerking tussen de EU en de NAVO vereist is, terwijl beide organisaties hun autonomie moeten behouden;
L. stelt vast dat de EU en de NAVO hun strategisch partnerschap inzake crisisbeheer moeten blijven ontwikkelen, onder meer dank zij een optimalisering van de vaste EU-cel bij de SHAPE (15) , van het verbindingsteam van de NAVO bij de staf van de EU, en van de activiteiten van de EU/NAVO-capaciteitengroep;
M. is van oordeel dat als de Europese Unie een belangrijke rol binnen de NAVO wil spelen, zij niet omheen een coherent EVDB met de NAVO als partner kan; dat het defensiepartnerschap op basis van twee pijlers — een Amerikaanse en een Europese — van fundamenteel belang is voor de toekomst van het Atlantisch Bondgenootschap;
N. is van oordeel dat een grotere inbreng van Europa in de SHAPE gewenst is;
O. is van oordeel dat binnen de NAVO de politiek boven het militaire moet staan, dank zij regelmatige vergaderingen van de ministers van Defensie waarvan de agenda herzien moet worden;
P. is van oordeel dat het van groot belang is dat de Comprehensive Political Guidance (CPG), die de politieke keuzes die de militaire instanties begeleiden in hun defensieplanning vaststelt en de krachtlijnen van de omvorming aangeeft, tijdens de top in Riga bekendgemaakt wordt;
Q. stelt vast dat alle lidstaten en partners individueel en collectief hun verplichtingen inzake conventionele en NBC (16) -ontwapening moeten naleven, meer bepaald :
— de wederzijdse en controleerbare afbouw van atoomwapens voortzetten;
— nieuw leven inblazen in het non-proliferatieverdrag (NPT) en erop toezien dat het Verdrag inzake een volledig verbod op kernproeven (CTBT) wordt uigevoerd;
— erop toezien dat de ultieme deadline voor de vernietiging van chemische wapens, in 2012, wordt nageleefd, zoals de overeenkomst inzake chemische wapens bepaalt;
— de partijen herinneren aan hun verantwoordelijkheid in het welslagen van de zesde onderzoeksconferentie betreffende de overeenkomst inzake het verbod op biologische wapens, dat eind 2006 gehouden moet worden;
— via multilaterale acties onder toezicht van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de strijd tegen de verspreiding van massavernietigingswapens opvoeren;
R. stelt vast dat de geleidelijke terugtrekking van Amerikaanse tactische kernwapens uit Europa en het niet vernieuwen van de Europese vliegtuigen met een dubbele capaciteit onderzocht kan worden;
S. stelt vast dat sommige landen wensen toe te treden tot de NAVO en eventueel opgenomen willen worden in de Euro-Atlantische familie;
T. stelt vast dat drie landen aan wie de NAVO een perspectief op toetreding, een membership action plan, geboden heeft, met name Kroatië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Albanië, wachten op een groen licht om effectief toe te treden;
U. stelt vast dat Georgië een vooruitzicht op toetreding tot de NAVO wil hebben; dat de NAVO een uitgebreidere dialoog met Georgië wenst aan te gaan, maar dat dit niet overhaast mag gebeuren en dat de gevolgen voor de regeling van bevroren conflicten grondig in overweging genomen moeten worden;
V. overwegene dat de nieuwe eerste minister van Oekraïne heeft afgezien van een snelle toetreding van zijn land tot de NAVO;
W. overwegende dat het belangrijk is dat de NAVO zijn betrekkingen met Rusland verder blijft uitbreiden;
X. dat de NAVO de deelname van andere partners dan de lidstaten toestaat of zelfs aanmoedigt, maar dat deze nieuwe partners de bestaande partnerschappen niet in het gedrang mogen brengen;
Y. overwegende dat het partnerschap voor de vrede moet worden versterkt, alsook de samenwerking met de Europese partners die geen lid zijn van de NAVO (Finland, Zweden, Oostenrijk, Ierland, Malta en Cyprus);
Z. overwegende dat het Atlantische Bondgenootschap zijn militaire apparaat in Kosovo moet behouden, gelet op de lopende onderhandelingen aangaande de toekomstige status van Kosovo, en zijn samenwerking met de Europese Unie moet versterken om een vredevolle toekomst voor Kosovo te verzekeren;
AA. overwegende dat het Atlantische Bondgenootschap zijn militaire apparaat in Kosovo moet behouden, gelet op de lopende onderhandelingen aangaande de toekomstige status van Kosovo, en zijn samenwerking met de Europese Unie moet versterken om een vredevolle toekomst voor Kosovo te verzekeren;
AB. overwegende dat de gemeenschappelijke financiering duidelijk moet worden gedefinieerd en afgebakend, en dat ze niet mag worden beschouwd als een alternatief voor de conferenties over de opbouw van de troepenmacht (Force Generation Conference); dat het Bondgenootschap zijn begroting strikt moet beheren en dat het moet proberen « beter te besteden » veeleer dan « meer te besteden »; dat het beginsel « costs lie where they fall » moet worden nageleefd;
AC. overwegende dat de begrotingsvooruitzichten voor de operaties of de uitbreiding van de operaties sneller moeten worden opgesteld, alsook beter begeleid en doorzichtiger moeten worden, opdat de voorgestelde begrotingen niet voortdurend worden herzien;
AD. overwegende dat de lidstaten van de NAVO ongeveer 2 % van het BBP moeten uittrekken voor landsverdediging, gezien de militaire opdrachten die ze moeten uitvoeren;
AE. Overwegende dat de regering, volgens het regeringsakkoord van juni 2003, voorstander is van de ontwikkeling van een nieuw Noord-Atlantisch Bondgenootschap dat moet berusten op twee sterke pijlers — een Europese en een Noord-Amerikaanse —, en dat gebaseerd moet zijn op een aantal duidelijke krachtlijnen :
— de uitbreiding van de taak van de NAVO tot crisisbeheer en vredesoperaties, zodat de NAVO een organisatie wordt die bijdraagt tot de handhaving van de wereldvrede, met een mandaat van de Verenigde Naties;
— de synergie tussen de NAVO-middelen en de middelen van de Europese Unie. De NAVO-middelen moeten ter beschikking staan van en kunnen worden gebruikt voor de Europese defensie en omgekeerd. Dat moet ook het geval zijn voor de NATO Response Force en de Rapid Reaction Force (Snelle Reactiemacht) van de Europese Unie, waaraan België zal deelnemen.
Vraagt de federale regering om de volgende punten te verdedigen op de Top van Riga en tijdens de komende diplomatieke onderhandelingen :
1. de rol van de NAVO blijft de gemeenschappelijke verdediging van de 26 lidstaten;
2. de NAVO moet bij zijn optreden steeds de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties in acht nemen en zijn militaire operaties moeten gebeuren met een mandaat van de Veiligheidsraad;
3. de NAVO moet samenwerken met de instellingen van de VN en de regionale instellingen die bevoegd zijn in burgerrechtelijke aangelegenheden, met inachtneming van de specifieke bevoegdheden van elke instelling;
4. de NAVO mag zichzelf geen centrale rol toe-eigenen in de strijd tegen terrorisme, die immers in de eerste plaats om een diplomatiek en burgerlijk antwoord vraagt, en die een multidimensionele aanpak behoeft;
5. de NAVO moet zijn basisbeginselen opnieuw bekrachtigen, namelijk overleg en consensus, alsook de centrale rol van de Noord-Atlantische Raad en ten slotte de transparantie binnen het orgaan om een betere parlementaire controle mogelijk te maken;
6. de bijdrage van de NAVO tot de aanzienlijke vermindering van het aantal conventionele wapens en NBC-wapens (17) ;
7. de andere lidstaten van de NAVO aan te moedigen om wetten goed te keuren die vergelijkbaar zijn met de Belgische wetgeving inzake het verbod op sub-munitie;
8. de oprichting van een echte Europese pijler binnen de NAVO zonder afbreuk te doen aan de noodzakelijke autonomie van de EVDB door het GVDB op gemeenschapsniveau te brengen, met inachtneming van het beschikbare budget en de rationalisering van het leger;
9. de verdieping van de politieke besprekingen tussen de Europese Unie en de NAVO over andere thema's dan Berlijn Plus;
10. via de uitbreiding van de NAVO en het openstellen van de Euro-Atlantische partnerschapsraad, niet alleen streven naar de interoperabiliteit van de strijdmachten maar ook naar de inrichting van een democratische controle op de strijdkrachten en van mechanismen die zorgen voor transparante defensiebudgetten;
11. de uitbreiding van de Atlantische Alliantie moet gebeuren overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag van Washington; de uitbreiding kan alleen betrekking hebben op Europese landen die in staat zijn bij te dragen tot de doelstellingen van de Alliantie en die geen militaire of politieke geschillen hebben met hun buurlanden; de uitgebreide NAVO moet zijn doelstellingen efficiënt kunnen blijven nastreven;
12. het aanvatten van een verruimde dialoog met Georgië en het voortzetten van de samenwerking via een individueel actieplan inzake partnerschap;
13. het aanvatten van een verruimde dialoog met Oekraïne en het uitvoeren van het actieplan dat in 2002 in Praag werd goedgekeurd;
14. het bestaande partnerschap met Rusland voortzetten en ontwikkelen;
15. de NAVO moet de gemeenschappelijke defensieprogramma's bevorderen zonder die van het European defence Agency te overlappen en een reflectie aanvatten over het evenwicht van de markt op het stuk van de transatlantische defensie;
16. het gemeenschappelijke budget van de NAVO moet gelijk blijven en volgens strenge regels worden beheerst; de operaties van de NAVO moeten op een meer transparante manier worden gefinancierd;
17. de werkzaamheden bij het ACT (Allied Command Transformation) moeten verlopen volgens precieze politieke richtlijnen (Comprehensive Political Guidance) en regelmatig bekrachtigd worden door de NAC (North Atlantic Council) opdat de politieke instanties van de Alliantie de omvorming van de strijdkrachten van de lidstaten kunnen leiden.
4. Bespreking van het voorstel van aanbevelingen
Mevrouw Annane verklaart dat dit voorstel van aanbevelingen opgesteld werd door de drie rapporteurs.
Het voorstel schetst vooreerst een korte historiek van het Atlantisch Bondgenootschap om daarna te wijzen op de discussie die zal gevoerd worden eind november tijdens de top van Riga : de rol van de NAVO op het internationale vlak, het uitdiepen van de betrekkingen met de Europese Unie en met andere regionale organisaties onder auspiciën van de VN om te bepalen welk soort militaire verrichtingen de NAVO kan uitvoeren en de manier waarop de nationale legers daarop kunnen inspelen, het al dan niet institutionaliseren van ruimere partnerschappen, en de vraag of het aangewezen is de NAVO toe te rusten met burgerlijke bevoegdheden en zo ja, binnen welke grenzen.
De drie rapporteurs hebben 17 aanbevelingen opgesteld die het resultaat zijn van een reflectie over die verschillende thema's en waarin het respect voor het Handvest van de VN, het belang van de rol van de regionale organisaties alsmede het feit dat de NAVO geen centrale rol in de strijd tegen het terrorisme moet opnemen, worden onderstreept.
Daarnaast voorzien de aanbevelingen in de creatie van een echte Europese pijler binnen de NAVO, in de uitbreiding van de NAVO overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag van Washington, in een geïntensifieerde dialoog met Oekraïne en in een voortzetting van het partnerschap met Rusland en het bevorderen van gemeenschappelijke defensieprogramma's.
De heer Galand wijst op het belang van de voorliggende tekst die de visie van de commissie weerspiegelt over het thema van de veiligheid in de wereld. Deze evenwichtige tekst kan ook dienstig zijn na de verkiezingen, bij de bespreking van een volgende regeerakkoord.
Volgens de heer Brotcorne is de wijze waarop de missies van de NAVO worden gezien, aan evolutie onderhevig. Uit de aanbevelingen moet bijgevolg duidelijk blijken dat de commissie het accent legt op het belang van de VN, van de Veiligheidsraad en op de defensieve rol van de NAVO, in overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag. Tot op heden heeft die evolutie steeds plaatsgehad zonder dat het Verdrag werd aangepast. Indien op de top van Riga men nu zou besluiten dat er nood is aan een nieuw verdrag, dan moet aangedrongen worden op artikel 53 van het handvest van de VN.
Mevrouw Hermans merkt op dat in de toelichting bij de aanbevelingen de woorden « militaire alliantie » zouden moeten vervangen worden door « politico-militaire alliantie ». Dit woordgebruik komt meer overeen met de realiteit in die zin dat diplomatie en politiek ook een belangrijke factor is in de NAVO.
Bespreking van de considerans
Considerans I
De heer Lionel Vandenberghe dient een amendement in dat ertoe strekt in de considerans I de woorden « is van oordeel dat er geen sprake zou mogen zijn van rivaliteit tussen de Europese Unie en de NAVO, maar dat men erop moet toezien dat het Europees veiligheidsbeleid de Europese pijler van de NAVO versterkt zodat de interventiemiddelen in alle mogelijke situaties maximaal benut worden » te vervangen door de woorden « is van oordeel dat er geen sprake zou mogen zijn van rivaliteit tussen de Europese Unie en de NAVO, maar dat men erop moet toezien dat de Europese pijler van de NAVO het Europees veiligheidsbeleid versterkt zodat de interventiemiddelen in alle mogelijke situaties maximaal benut worden ».
De heer Vandenberghe onderstreept dat volgens de oorspronkelijke tekst het Europees veiligheidsbeleid zich moet aanpassen aan de Europese pijler van de NAVO. Het is aangewezen dat de NAVO-pijler zich aanpast aan het Europees veiligheidsbeleid.
Het amendement wordt aangenomen met 7 stemmen tegen één stem, bij twee onthoudingen.
Considerans J
Mevrouw Annane stelt voor tussen de woorden « dat zij » en de woorden « over niet-militaire » de woorden « voor alles » in te voegen.
Considerans N
De heer Lionel Vandenberghe dient een amendement in dat ertoe strekt in de considerans N de woorden « is van oordeel dat een grotere inbreng van Europa in de SHAPE gewenst is » te vervangen door de woorden « is van oordeel dat een grotere inbreng van de EU in de SHAPE gewenst is ».
Volgens spreker heeft « Europa » geen structuur en kan dus niet voor een inbreng zorgen, terwijl de EU dat wel kan.
De heer Galand stelt voor het amendement als volgt te wijzigen : de woorden « een grotere inbreng van Europa » te vervangen door de woorden « een grotere Europese inbreng ». Op die manier sluit de Nederlandse tekst beter aan bij de Franse tekst.
Het amendement, aldus gewijzigd, wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Considerans R
Mevrouw Hermans dient een amendement in dat ertoe strekt om de woorden « en het niet vernieuwen van de Europese vliegtuigen met dubbele capaciteit » te schrappen.
Volgens de auteur is de veiligheidssituatie niet van die aard om dit wapentuig volledig terug te trekken.
Het amendement wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen.
Considerans Rbis
De heer Lionel Vandenberghe dient amendement in dat ertoe strekt een considerans Rbis in te voegen luidende :
« Rbis. herinnert aan de resolutie betreffende het beleid inzake non-proliferatie en nucleaire ontwapening (stuk Senaat, nr. 3-985/5) ».
Dit amendement wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Considerans U
Mevrouw Annane stelt voor de woorden « wenst aan te gaan » te vervangen door de woorden « heeft aangegaan », omdat de NAVO al een verruimde dialoog met Georgië heeft aangegaan.
De commissie stemt in met deze tekstcorrectie.
Considerans V
De heer Dubié meent te weten dat er in Oekraïne een politiek akkoord voor een volksraadpleging over de toetreding tot de NAVO zou zijn. Het volk zal dus zelf kunnen beslissen.
Mevrouw Annane dient een amendement in dat ertoe strekt punt V te vervangen als volgt :
« V. gezien het politieke debat in Oekraïne over de toetreding van dat land tot de NAVO; eraan herinnerend dat over die toetreding van Oekraïne tot de NAVO een referendum zal worden georganiseerd ».
Mevrouw Annane wijst erop dat in Oekraïne tegenstrijdige standpunten worden ingenomen.
Spreekster verwijst daarbij naar de verklaringen van de eerste minister en van de president van Oekraïne. Gezien het politieke debat en gezien het referendum dat zal gehouden worden, is het aangewezen de tekst aan te passen.
Dit amendement wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Considerans AB
De heer Lionel Vandenberghe dient een amendement in dat ertoe strekt de woorden « dat de nationale regeringen steeds de controle behouden over hun eigen defensie-uitgaven » in fine toe te voegen.
Spreker onderstreept dat vandaag besluiten binnen de NAVO met consensus worden genomen. Bijgevolg kan één land een NAVO-besluit tegenhouden. Voorstellen doen de ronde om een « constructieve onthouding » mogelijk te maken of om meerderheidsbesluitvorming in te voeren. Gekoppeld aan het voorstel tot meer gemeenschappelijke financiering kan dit ertoe leiden dat een land mee moet betalen aan een langdurige militaire operatie waartegen het gekant is. Wie geen zin heeft om te voldoen aan de Amerikaanse vraag om meer aan defensie te besteden, krijgt ook dan de rekening via de gemeenschappelijke NAVO-factuur gepresenteerd.
Dit amendement wordt verworpen met 5 tegen 5 stemmen, bij één onthouding.
Considerans AD
De dames Annane en de Bethune en de heer Galand dienen een amendement in teneinde dit punt dat voorziet dat de lidstaten van de NAVO ongeveer 2 % van het BNP moeten uittrekken voor landsverdediging, te schrappen.
Volgens de heer Galand is dit immers niet voorzien in het regeringsakkoord en is het totaal onredelijk te denken dat België in staat zou zijn om dit te doen zonder de hele begroting in onevenwicht te brengen.
Dit amendement wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Bespreking van de aanbevelingen
Aanbeveling 1
De heer Brotcorne dient een amendement in, dat ertoe strekt om aan het slot van aanbeveling de woorden « bij een gewapende aanval tegen een of meer van hen » toe te voegen.
Volgens de heer Brotcorne verduidelijkt deze verwijzing naar de bewoordingen van artikel 5 het concept gemeenschappelijke verdediging.
Dit amendement wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Aanbeveling 2
De heer Brotcorne dient een amendement in dat ertoe strekt aan het slot van aanbeveling 2 de woorden « overeenkomstig artikel 53 van het Handvest » toe te voegen.
Volgens de heer Brotcorne moet hier worden verwezen naar het genoemde artikel van het VN-Handvest. Het optreden van de regionale organen moet in overeenstemming met hoofdstuk VIII van het Handvest verlopen. Artikel 53 van het Handvest bepaalt dat militaire dwangacties niet mogen worden ondernomen zonder voorafgaande duidelijke machtiging van de Veiligheidsraad.
Dit amendement wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Mevrouw Hermans dient een amendement in om de woorden « en indien mogelijk onder VN mandaat opereren » in te voegen tussen « de beginselen van het Handvest van de VN in acht nemen » en « en zijn militaire operaties ».
Volgens spreekster wordt door de tekst van het punt 2 elke interventie zonder VN mandaat onmogelijk gemaakt, terwijl de realiteit op het terrein anders kan zijn. Mevrouw Hermans verwijst hierbij naar de Kosovo crisis die niet toeliet om te opereren met een VN mandaat.
Dit amendement wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen.
Aanbeveling 2bis
De heer Dubié stelt amendement nr. 7 voor, dat ertoe strekt een punt 2bis in te voegen, luidende :
« 2bis. dat wordt herhaald dat alle artikelen van het Noord-Atlantisch Verdrag, dat op 4 april 1949 te Washington werd ondertekend, in acht worden genomen, in het bijzonder artikel 4, volgens hetwelk de partijen onderling overleg plegen telkens wanneer naar de mening van een van hen de territoriale integriteit, politieke onafhankelijkheid of veiligheid van een der partijen wordt bedreigd ».
De heer Dubié verwijst naar de uiteenzetting van de heer Struye de Swielande die verklaarde dat het Verdrag onvoldoende gekend is, zelfs op essentiële punten, door de mensen die toch geacht worden het Verdrag te kennen. Sommigen zouden zelfs het Verdrag nooit hebben gelezen. Daarom is het nuttig om te onderstrepen dat alle artikelen van belang zijn. Iedereen wordt geconfronteerd met een zeker Amerikaans unilateralisme dat strijdig is met de geest en de letter van het Verdrag.
Mevrouw de Bethune is het eens met de heer Dubié, maar de aanbevelingen moeten zich eerder toespitsen op de punten die de Belgische onderhandelaars moeten inspireren. Spreekster is geen voorstander om iets wat al wettelijk voorzien is, nog eens op te nemen in de aanbevelingen.
Ook mevrouw Hermans ziet de toegevoegde waarde van dit amendement niet, vooral omdat alle artikelen toch moeten gerespecteerd worden.
Volgens de heer Lionel Vandenberghe kunnen er niet genoeg lessen getrokken worden uit het verleden en is het goed nogmaals het respect voor alle artikelen van het Verdrag te beklemtonen.
Aangezien de auteur niet aanwezig is bij de stemming van het amendement, wordt het amendement niet ter stemming voorgelegd.
Aanbeveling 6bis
De heer Lionel Vandenberghe dient een amendement in dat ertoe strekt een aanbeveling 6bis in te voegen, luidende :
« 6bis. bij de Navo initiatieven ter sprake brengen in verband met :
— de herziening van de strategische doctrines inzake kernwapens;
— de graduele terugtrekking van de Amerikaanse tactische kernwapens uit Europa met het oog op naleving van artikel 6 van het non-proliferatieverdrag; ».
De heer Vandenberghe meent dat als de NAVO zichzelf een globale rol toedicht, haar kernwapens dan ook automatisch een nieuwe globale functie krijgen. Een NAVO met een globale rol en gewapend met kernwapens wordt een aanzet voor een nieuwe nucleaire wapenwedloop en militarisering van de internationale verhoudingen.
Binnen de huidige strategische doctrines behoudt de NAVO zich het recht voor om als eerste kernwapens in te zetten en wordt in het midden gelaten wanneer ze die kernwapens kan inzetten.
Spreker citeert artikel 6 van het non-proliferatieverdrag dat stelt : « Each of the Parties to the Treaty undertakes to pursue negotiations in good faith on effective measures relating to cessation of the nuclear arms race at an early date and to nuclear disarmament, and on a treaty on general and complete disarmament under strict and effective international control ».
De heer Vandenberghe herinnert aan de belofte dienaangaande van de secretaris-generaal van de NAVO en generaal Jones drie jaar geleden.
Dit amendement wordt aangenomen met 9 stemmen tegen één stem bij één onthouding.
Aanbeveling 7
De heer Galand stelt voor de woorden « wapens met » in te voegen voor de woorden « submunitie ».
De commissie stemt in met deze tekstcorrectie.
Mevrouw Hermans dient een amendement in dat ertoe strekt het punt 7 te schrappen.
Volgens de auteur is het weinig diplomatisch de andere lidstaten van de NAVO aan te moedigen om wetten goed te keuren die vergelijkbaar zijn met de Belgische wetgeving inzake het verbod op sub-munitie. Er is binnen Europa weinig consensus over dit punt en spreker vreest dat het een blokkering kan zijn op verdere onderhandelingen.
Dit amendement wordt verworpen met 9 stemmen tegen één stem bij één onthouding.
Aanbeveling 8
Mevrouw Hermans dient een amendement in dat ertoe strekt om de woorden « de oprichting van een echte Europese pijler binnen de NAVO » te vervangen door de woorden « streven naar een gelijkwaardige Europese pijler binnen de NAVO ».
Volgens de auteur wordt door het amendement de tekst evenwichtiger. De regering heeft trouwens de doelstelling van een gelijkwaardige Europese pijler onderschreven.
De heer Lionel Vandenberghe is het niet eens met dit amendement omdat het de tekst verzwakt. Er moet gepleit worden voor de oprichting van een Europese pijler.
Mevrouw Hermans wijst op het belang van het woord « gelijkwaardig » en stelt voor om de woorden « een echte Europese pijler binnen de NAVO » dan te vervangen door de woorden « een echte en gelijkwaardige Europese pijler binnen de NAVO ».
Het amendement, aldus gecorrigeerd, wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Aanbevelingen 11 en 12
De heer Dubié ziet een tegenstelling tussen de aanbevelingen 11 en 12 : volgens punt 11 kan de uitbreiding van de NAVO alleen betrekking kan hebben op Europese landen die geen militaire of politieke geschillen hebben met hun buurlanden terwijl punt 12 pleit voor het aanvatten van een verruimde dialoog met Georgië terwijl iedereen weet dat Georgië verwikkelt is in geschillen met zijn buurlanden Abchazië en Zuid-Ossetië, en in een verkapt conflict met Rusland.
Mevrouw Annane wijst op het verschil tussen de uitbreiding van de NAVO en een verruimde dialoog. Het is evident dat Georgië alleen kan toetreden tot de NAVO indien het land geen geschillen meer heeft met zijn buurlanden.
Aanbeveling 16
Mevrouw Hermans dient een amendement in dat ertoe strekt het punt 16 te schrappen.
Volgens de auteur laat het huidige budget van de NAVO niet toe om nog meer operaties te doen in de toekomst. Daarom is het beter om niets te zeggen over het budget van de NAVO.
Mevrouw Annane antwoordt dat het budget van de NAVO niet instaat voor de financiering van de operaties. Deze financiering wordt voor elke missie afzonderlijk afgesproken. Het feit te pleiten voor een beheersing van het budget belemmert geenszins de financiering van de operaties of vermindert ze ook niet.
Mevrouw Hermans pleit voor het behoud van het amendement om de toekomst niet te hypothekeren.
Mevrouw Van de Casteele meent dat de vraag naar meer transparantie van de financiering volkomen terecht is. Door het feit dit in één punt te vermelden met de vraag dat het budget van de NAVO moet gelijk blijven geeft men de indruk dat men dat men zeker niet wil dat er meer middelen naar de NAVO gaan dan de middelen die vandaag besteed worden. De vraag is dan wat met nieuwe opdrachten van de NAVO ? Hoe zullen die gefinancierd worden ?
De heer Lionel Vandenberghe spreekt zich uit tegen elke verhoging van militaire budgetten.
Het amendement wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen bij één onthouding.
Mevrouw Annane dient een amendement in, dat ertoe strekt het woord « gemeenschappelijke » te doen vervallen..
Volgens de auteur moet er een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen het budget en de financiering. Er bestaat geen gemeenschappelijk budget van de NAVO; er is soms wel een gemeenschappelijke financiering maar dat moet de uitzondering blijven. De regel is dat elke lidstaat zijn eigen operaties financiert.
Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Aanbeveling 18
Mevrouw Annane dient een amendement in, dat ertoe strekt een punt 18 toe te voegen, luidende :
« 18. Ervoor pleiten dat de NAVO het ISAF-mandaat blijft aanwenden om de Afghaanse regering te helpen haar gezag over het hele grondgebied uit te breiden; de lidstaten aanmoedigen om in het raam van hun bilaterale ontwikkelingshulp, hun ontwikkelingshulp voor Afghanistan op te voeren. »
Voor mevrouw de Bethune bevat dit amendement in feite twee aanbevelingen : de steun van de NAVO aan Afghanistan en de ontwikkelingssamenwerking.
Wat de ontwikkelingssamenwerking betreft, wijst spreekster op het feit dat Afghanistan geen partnerland inzake ontwikkelingssamenwerking is. Zij is ook geen voorstander om de partnerlanden met Afghanistan uit te breiden, want België heeft geen enkele expertise terzake en de budgetten zijn ook onvoldoende. Dit belet evenwel niet dat België hulp kan voorzien via de budgetten voor conflictpreventie.
Daarnaast is er nog het luik over de steun aan Afghanistan : het is een feit dat de Belgische regering haar verplichtingen in Afghanistan niet nakomt.
De heer Brotcorne meent dat het debat over het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking niet moet gemengd worden met de discussie over de toekomst van de NAVO.
De heer Galand wijst eveneens op het feit dat Afghanistan geen partnerland inzake ontwikkelingssamenwerking is. We moeten de discussie over de grote beleidslijnen met betrekking tot de NAVO niet vermengen met een specifiek punt over Afghanistan.
Volgens de heer Nimmegeers is er een strikte scheiding tussen militaire assistentie en humanitaire hulp.
Voor mevrouw Pehlivan is het amendement zeker waardevol, doch niet op zijn plaats in de discussie over de evolutie van de NAVO. Indien er wordt verwezen naar Afghanistan, dan rijst de vraag waarom ook niet naar andere landen wordt gerefereerd. Het debat over Afghanistan moet op een ander moment en in een ander kader worden gevoerd.
Mevrouw Annane onderstreept dat de voorliggende tekst in feite een voorbereiding is van de top van Riga. In Riga zal zeker over Afghanistan worden gepraat. In die zin is het dan ook nuttig om in de aanbevelingen een standpunt in te nemen.
Ze stelt voor de woorden « de lidstaten aanmoedigen om in het raam van hun bilaterale ontwikkelingshulp, hun ontwikkelingshulp voor Afghanistan op te voeren » in het amendement te doen vervallen.
Het amendement wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen bij één onthouding.
5. Stemming
Het geheel van de aanbevelingen, aldus geamendeerd, wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteurs voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteurs, | De voorzitter, |
|
Jihane ANNANE. Sabine de BETHUNE. Pierre GALAND. | François ROELANTS du VIVIER. |
6. Aanbevelingen aangenomen door de commissie
De Senaat,
A. stelt vast dat het Atlantisch Bondgenootschap volgens zijn Verdrag de letter en de geest van het Handvest van de Verenigde Naties moet naleven;
B. stelt vast dat het Atlantisch Bondgenootschap op grond van artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag in de eerste plaats een organisatie blijft die de gezamenlijke veiligheid van haar leden waarborgt, en dat de NAVO in tweede instantie kan bijdragen tot het beheer van regionale crisissituaties en tot de stabiliteit onder het mandaat van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, het centrale orgaan inzake wereldveiligheid;
C. stelt vast dat de NAVO blijft instaan voor de transatlantische stabiliteit en veiligheid;
D. stelt het belang vast van artikel 4 van het Verdrag van Washington, dat voorziet in politieke raadplegingen tussen geallieerden over veiligheidskwesties die niet noodzakelijkerwijze uitmonden in beslissingen of besluiten;
E. is van oordeel dat de NAVO haar potentiële capaciteiten als forum voor het transatlantisch overleg moet ontwikkelen;
F. is van oordeel dat humanitaire operaties niet onder de verantwoordelijkheid van de NAVO zouden moeten vallen, ten nadele van de Europese Unie of de gespecialiseerde instellingen van de Verenigde Naties;
G. is van oordeel dat de strijd tegen het terrorisme geen grondbeginsel van de NAVO vormt, en dat deze strijd een multidimensionele en multilaterale aanpak vereist;
H. stelt vast dat de betrekkingen tussen de Europese Unie en de NAVO worden geregeld in :
a. de overeenkomsten van Berlijn Plus (maart 2003) betreffende de samenwerking inzake crisisbeheer;
b. een kader voor een versterkte dialoog tussen de NAVO en de Unie en een gezamenlijke benadering van de veiligheid en de stabiliteit in de westelijke Balkan (juli 2003);
I. is van oordeel dat er geen sprake zou mogen zijn van rivaliteit tussen de Europese Unie en de NAVO, maar dat men erop moet toezien dat de Europese pijler van de NAVO het Europees veiligheidsbeleid versterkt zodat de interventiemiddelen in alle mogelijke situaties maximaal benut worden;
J. stelt vast dat de Europese Unie een politieke unie is die de samenwerking tussen haar lidstaten en met de rest van de wereld regelt; dat zij vóór alles over niet-militaire hefbomen beschikt zoals de humanitaire hulp, de gezondheidszorg, het onderwijs, de economische hulp, om alle aspecten van hedendaagse conflicten te beheren, en niet te vergeten het EVDB (Europees Veiligheids- en Defensiebeleid) dat men moet blijven versterken;
K. stelt vast dat een zo groot mogelijke complementariteit en samenwerking tussen de EU en de NAVO vereist is, terwijl beide organisaties hun autonomie moeten behouden;
L. stelt vast dat de EU en de NAVO hun strategisch partnerschap inzake crisisbeheer moeten blijven ontwikkelen, onder meer dank zij een optimalisering van de vaste EU-cel bij de SHAPE (18) , van het verbindingsteam van de NAVO bij de staf van de EU, en van de activiteiten van de EU/NAVO-capaciteitengroep;
M. is van oordeel dat als de Europese Unie een belangrijke rol binnen de NAVO wil spelen, zij niet omheen een coherent EVDB met de NAVO als partner kan; dat het defensiepartnerschap op basis van twee pijlers — een Amerikaanse en een Europese — van fundamenteel belang is voor de toekomst van het Atlantisch Bondgenootschap;
N. is van oordeel dat een grotere Europese inbreng in de SHAPE gewenst is;
O. is van oordeel dat binnen de NAVO de politiek boven het militaire moet staan, dank zij regelmatige vergaderingen van de ministers van Defensie waarvan de agenda herzien moet worden;
P. is van oordeel dat het van groot belang is dat de Comprehensive Political Guidance (CPG), die de politieke keuzes die de militaire instanties begeleiden in hun defensieplanning vaststelt en de krachtlijnen van de omvorming aangeeft, tijdens de top in Riga bekendgemaakt wordt;
Q. stelt vast dat alle lidstaten en partners individueel en collectief hun verplichtingen inzake conventionele en NBC (19) -ontwapening moeten naleven, meer bepaald :
— de wederzijdse en controleerbare afbouw van atoomwapens voortzetten;
— nieuw leven inblazen in het non-proliferatieverdrag (NPT) en erop toezien dat het Verdrag inzake een volledig verbod op kernproeven (CTBT) wordt uigevoerd;
— erop toezien dat de ultieme deadline voor de vernietiging van chemische wapens, in 2012, wordt nageleefd, zoals de overeenkomst inzake chemische wapens bepaalt;
— de partijen herinneren aan hun verantwoordelijkheid in het welslagen van de zesde onderzoeksconferentie betreffende de overeenkomst inzake het verbod op biologische wapens, dat eind 2006 gehouden moet worden;
— via multilaterale acties onder toezicht van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de strijd tegen de verspreiding van massavernietigingswapens opvoeren;
R. stelt vast dat de geleidelijke terugtrekking van Amerikaanse tactische kernwapens uit Europa en het niet vernieuwen van de Europese vliegtuigen met een dubbele capaciteit onderzocht kan worden;
S. herinnert aan de resolutie betreffende het beleid inzake non-proliferatie en nucleaire ontwapening (stuk Senaat, nr. 3-985/5);
T. stelt vast dat sommige landen wensen toe te treden tot de NAVO en eventueel opgenomen willen worden in de Euro-Atlantische familie;
U. stelt vast dat drie landen aan wie de NAVO een perspectief op toetreding, een membership action plan, geboden heeft, met name Kroatië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Albanië, wachten op een groen licht om effectief toe te treden;
V. stelt vast dat Georgië een vooruitzicht op toetreding tot de NAVO wil hebben; dat de NAVO een uitgebreidere dialoog met Georgië heeft aangegaan, maar dat dit niet overhaast mag gebeuren en dat de gevolgen voor de regeling van bevroren conflicten grondig in overweging genomen moeten worden;
W. gezien het politieke debat in Oekraïne over de toetreding van dat land tot de NAVO; eraan herinnerend dat over de toetreding van Oekraïne een referendum zal worden georganiseerd;
X. overwegende dat het belangrijk is dat de NAVO zijn betrekkingen met Rusland verder blijft uitbreiden;
Y. overwegende dat de NAVO de deelname van andere partners dan de lidstaten toestaat of zelfs aanmoedigt, maar dat deze nieuwe partners de bestaande partnerschappen niet in het gedrang mogen brengen;
Z. overwegende dat het partnerschap voor de vrede moet worden versterkt, alsook de samenwerking met de Europese partners die geen lid zijn van de NAVO (Finland, Zweden, Oostenrijk, Ierland, Malta en Cyprus);
AA. overwegende dat het Atlantische Bondgenootschap zijn militaire apparaat in Kosovo moet behouden, gelet op de lopende onderhandelingen aangaande de toekomstige status van Kosovo, en zijn samenwerking met de Europese Unie moet versterken om een vredevolle toekomst voor Kosovo te verzekeren;
AB. overwegende dat de Europese samenwerking met betrekking tot de defensie-industrie binnen het Europees defensieagentschap moet worden uitgebreid, zodat de kosten van de militaire uitrusting dalen, de compatibiliteit toeneemt en de wapenindustrie in Europa wordt geconsolideerd;
AC. overwegende dat de gemeenschappelijke financiering duidelijk moet worden gedefinieerd en afgebakend, en dat ze niet mag worden beschouwd als een alternatief voor de conferenties over de opbouw van de troepenmacht (Force Generation Conference); dat het Bondgenootschap zijn begroting strikt moet beheren en dat het moet proberen « beter te besteden » veeleer dan « meer te besteden »; dat het beginsel « costs lie where they fall » moet worden nageleefd;
AD. overwegende dat de begrotingsvooruitzichten voor de operaties of de uitbreiding van de operaties sneller moeten worden opgesteld, alsook beter begeleid en doorzichtiger moeten worden, opdat de voorgestelde begrotingen niet voortdurend worden herzien;
AE. Overwegende dat de regering, volgens het regeringsakkoord van juni 2003, voorstander is van de ontwikkeling van een nieuw Noord-Atlantisch Bondgenootschap dat moet berusten op twee sterke pijlers -een Europese en een Noord-Amerikaanse —, en dat gebaseerd moet zijn op een aantal duidelijke krachtlijnen :
— de uitbreiding van de taak van de NAVO tot crisisbeheer en vredesoperaties, zodat de NAVO een organisatie wordt die bijdraagt tot de handhaving van de wereldvrede, met een mandaat van de Verenigde Naties;
— de synergie tussen de NAVO-middelen en de middelen van de Europese Unie. De NAVO-middelen moeten ter beschikking staan van en kunnen worden gebruikt voor de Europese defensie en omgekeerd. Dat moet ook het geval zijn voor de NATO Response Force en de Rapid Reaction Force (Snelle Reactiemacht) van de Europese Unie, waaraan België zal deelnemen.
Vraagt de federale regering om de volgende punten te verdedigen op de Top van Riga en tijdens de komende diplomatieke onderhandelingen :
1. de rol van de NAVO blijft de gemeenschappelijke verdediging van de 26 lidstaten bij een gewapende aanval tegen een of meer van hen;
2. de NAVO moet bij zijn optreden steeds de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties in acht nemen en zijn militaire operaties moeten gebeuren met een mandaat van de Veiligheidsraad overeenkomstig artikel 53 van het Handvest;
3. de NAVO moet samenwerken met de instellingen van de VN en de regionale instellingen die bevoegd zijn in burgerrechtelijke aangelegenheden, met inachtneming van de specifieke bevoegdheden van elke instelling;
4. de NAVO mag zichzelf geen centrale rol toe-eigenen in de strijd tegen terrorisme, die immers in de eerste plaats om een diplomatiek en burgerlijk antwoord vraagt, en die een multidimensionele aanpak behoeft;
5. de NAVO moet zijn basisbeginselen opnieuw bekrachtigen, namelijk overleg en consensus, alsook de centrale rol van de Noord-Atlantische Raad en ten slotte de transparantie binnen het orgaan om een betere parlementaire controle mogelijk te maken;
6. de bijdrage van de NAVO tot de aanzienlijke vermindering van het aantal conventionele wapens en NBC-wapens (20) ;
7. bij de NAVO initiatieven ter sprake te brengen in verband met :
— de herziening van de strategische doctrines inzake kernwapens;
— de graduele terugtrekking van de Amerikaanse tactische kernwapens uit Europa met het oog op de naleving van artikel 6 van het non-proliferatieverdrag;
8. de andere lidstaten van de NAVO aan te moedigen om wetten goed te keuren die vergelijkbaar zijn met de Belgische wetgeving inzake het verbod op wapens met sub-munitie;
9. de oprichting van een echte en gelijkwaardige Europese pijler binnen de NAVO zonder afbreuk te doen aan de noodzakelijke autonomie van de EVDB door het GVDB op gemeenschapsniveau te brengen, met inachtneming van het beschikbare budget en de rationalisering van het leger;
10. de verdieping van de politieke besprekingen tussen de Europese Unie en de NAVO over andere thema's dan Berlijn Plus;
11. via de uitbreiding van de NAVO en het openstellen van de Euro-Atlantische partnerschapsraad, niet alleen streven naar de interoperabiliteit van de strijdmachten maar ook naar de inrichting van een democratische controle op de strijdkrachten en van mechanismen die zorgen voor transparante defensiebudgetten;
12. de uitbreiding van de Atlantische Alliantie moet gebeuren overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag van Washington; de uitbreiding kan alleen betrekking hebben op Europese landen die in staat zijn bij te dragen tot de doelstellingen van de Alliantie en die geen militaire of politieke geschillen hebben met hun buurlanden; de uitgebreide NAVO moet zijn doelstellingen efficiënt kunnen blijven nastreven;
13. het aanvatten van een verruimde dialoog met Georgië en het voortzetten van de samenwerking via een individueel actieplan inzake partnerschap;
14. het aanvatten van een verruimde dialoog met Oekraïne en het uitvoeren van het actieplan dat in 2002 in Praag werd goedgekeurd;
15. het bestaande partnerschap met Rusland voortzetten en ontwikkelen;
16. de NAVO moet de gemeenschappelijke defensieprogramma's bevorderen zonder die van het European defence Agency te overlappen en een reflectie aanvatten over het evenwicht van de markt op het stuk van de transatlantische defensie;
17. het budget van de NAVO moet gelijk blijven en volgens strenge regels worden beheerst; de operaties van de NAVO moeten op een meer transparante manier worden gefinancierd;
18. de werkzaamheden bij het ACT (Allied Command Transformation) moeten verlopen volgens precieze politieke richtlijnen (Comprehensive Political Guidance) en regelmatig bekrachtigd worden door de NAC (North Atlantic Council) opdat de politieke instanties van de Alliantie de omvorming van de strijdkrachten van de lidstaten kunnen leiden.
(1) De drie dreigingen zijn het terrorisme, de massavernietigingswapens en de verspreiding van drugs.
(2) De meest Europees gezinde bondgenoten (Frankrijk, België, Luxemburg), de nieuwe Atlantische bondgenoten (Polen, Letland), de zuidelijke bondgenoten van de NAVO (Spanje, Portugal) en de historische bondgenoten (Nederland) willen niet weten van een wereldwijde NAVO. De eersten uit principe, de tweeden omdat ze niet gemarginaliseerd willen worden, de derden omdat ze de mediterrane prioriteiten voorop stellen, de laatsten uit transatlantische traditie.
(3) Toespraak tot het transatlantisch forum van het German Marshall Fund, 28 april 2006.
(4) Cf. André Dumoulin (dir.), France-OTAN. Vers une convergence doctrinale ?, Bruylant, Brussel, 2006.
(5) Deze nieuwe onderliggende flexibiliteit zou dan geleidelijk uitmonden in vier grote scenario's : — ik neem aan de opdracht deel; — ik verleen mijn politiek akkoord aan de opdracht maar onthoud mij ervan eigen manschappen te sturen; — ik ga akkoord met de opdracht maar verleen alleen logistieke steun; — ik ben politiek gekant tegen de NAVO-opdracht.
(6) Meer bepaald toen de secretaris-generaal van de NAVO, de heer Jaap de Hoop Scheffer met de steun van Washington in Taormina (10 februari 2006) pleitte voor meer gemeenschappelijke financieringen voor somige opdrachten — met het risico dat beslissingen worden genomen die het Bondgenootschap niet langer kan uitvoeren. In feite wensen sommige geallieerde landen de regel te behouden waarbij elk land dat aan een opdracht deelneemt er zelf de kosten van draagt (« costs lie where they fall ») maar willen ook voorkomen dat zij tweemaal moeten betalen voor gezamenlijke uitrusting (die van de EU en die van de NAVO) zoals bijvoorbeeld voor de vrachtvliegtuigen (FLA/EU en het NAVO-vervoerprogramma). Op 8 juni 2006 hebben de ministers van Defensie van het CPD herhaald dat zij de doelstelling behouden van 2 % van het BBP voor militaire uitgaven. Slechts enkele van de zesentwintig landen halen dat percentage : de Verenigde Staten, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Turkije, Griekenland, Noorwegen. België geeft ongeveer 1,3 % van zijn BBP uit (Nicholas Fiorenza, « Belgium. Niche operators », in Jane's Defence Weekly, 7 juni 2006).
(7) Verklaring van Istanbul, 28 juni 2004.
(8) Cf. André Dumoulin en Francis Gevers, Union de l'Europe occidentale : la déstructuration (1998-2006), reeks « Axes Savoir », Bruylant, Brussel, 2005.
(9) André Dumoulin : « La sémantique de la « stratégie » européenne de sécurité. Lignes de force et lectures idéologiques d'un préconcept » in Annuaire français de relations internationales — 2005, Bruylant, Parijs, 2005.
(10) De kandidaat-lidstaat moet Europees zijn; zijn grenzen moeten zijn vastgelegd en er mogen geen conflicten gaande zijn binnen de landsgrenzen noch met een derde land; er dient burgerlijke controle te zijn op de strijdkrachten; er moet stabiliteit zijn door economische vrijheid, sociale rechtvaardigheid en verantwoordelijkheidszin inzake milieukwesties; het land moet in staat zijn bij te dragen tot de gemeenschappelijke NAVO-structuur en de verplichtingen van het Bondgenootschap.
(11) SACLANT : Supreme allied commander atlantic naval forces.
(12) SACEUR : Supreme allied commander europe.
(13) SFOR : Stabilisation force.
(14) ISAF = International Security Assistance Force.
(15) Hoofdkwartier van de geallieerde strijdkrachten in Europa.
(16) Nucleair, Biologisch en Chemisch.
(17) Nucleaire, Biologische en Chemische Wapens;
(18) Hoofdkwartier van de geallieerde strijdkrachten in Europa.
(19) Nucleair, Biologisch en Chemisch.
(20) Nucleaire, Biologische en Chemische Wapens.