3-1787/2 | 3-1787/2 |
12 JULI 2006
Nr. 1 VAN DE HEER DELPÉRÉE
Art. 6
Het 4º van het voorgestelde artikel doen vervallen.
Verantwoording
Deze bepaling voorziet in een koninklijk besluit waarin de gevallen worden genoemd waarvoor, nadat bij tussenarrest over de vordering tot schorsing werd beslecht, de met het dossier belaste auditeur geen nieuw verslag moet opstellen. Het koninklijk besluit bepaalt ook de nadere regels ter zake.
Het betreft een nutteloze bepaling aangezien de gecoördineerde wetten nu al een lid van het Auditoraat toestaan om een summier verslag op te stellen waarin hij verwijst naar de overwegingen van het schorsingsarrest. Deze ontworpen bepaling maakt de procedure inderdaad ingewikkelder terwijl de ermee beoogde tijdwinst in werkelijkheid nihil is.
Nr. 2 VAN DE HEER DELPÉRÉE
Art. 80
In het ontworpen artikel 39/2, § 1, tussen het eerste en het tweede lid, een lid invoegen, luidende :
« Wanneer de Raad een uitspraak doet over de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen, beschikt hij over onderzoeks- en injunctiebevoegdheid bij het samenstellen van het rechtsplegingsdossier. ».
Verantwoording
Uit de commentaar op artikel 39/2 blijkt dat de uitoefening van de bevoegdheid van volle rechtsmacht, in asielzaken, uitsluitend geschiedt « op basis van het rechtsplegingsdossier -i.e. het administratief dossier waarop de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich heeft gesteund om tot de aangevochten administratieve beslissing te komen, te samen met de procedurestukken (...) ». Daar wordt nog aan toegevoegd dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen « geen eigen onderzoeksbevoegdheid » heeft. « Hij kan noch zijn administratie noch derden noch de CGVS opleggen een aanvullend onderzoek te doen. ».
Het is evenwel ondenkbaar dat het nieuwe rechtscollege zijn bevoegdheid van volle rechtsmacht uitoefent wanneer het over geen enkele onderzoeksbevoegdheid of vrijheid beschikt om het rechtsplegingsdossier samen te stellen. Het is geenszins normaal noch correct ten aanzien van de gelijkheid van middelen, dat één van de bij de rechtspleging betrokken partijen in haar eentje, zonder dat de rechter injunctiebevoegdheid heeft, het administratief dossier zou mogen samenstellen.
Nr. 3 VAN DE HEER DELPÉRÉE
Art. 119
Paragraaf 4 van het voorgestelde artikel 39/29 doen vervallen.
Verantwoording
Volgens het voorgestelde artikel 39/30, § 4, eerste en derde lid, richt de korpschef van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen na twee opeenvolgende « onvoldoende » evaluaties een voorstel tot ontslag aan de voor benoemingen bevoegde instantie en spreekt deze het ontslag wegens beroepsongeschiktheid uit.
De voorgestelde regel in artikel 39/30, § 4, eerste en derde lid, is niet verenigbaar met het beginsel van de onpartijdigheid van de rechter. Dat beginsel, dat is opgenomen in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, vereist dat de leden van een rechtscollege onafzetbaar zijn tijdens de uitoefening van hun functies.
Ook de Grondwet waarborgt de onafhankelijkheid van de rechter, onder andere in de artikelen 152, 154 en 155; daarin staat dat de rechters voor het leven worden benoemd, niet uit hun ambt kunnen worden ontzet en zonder hun toestemming niet kunnen worden overgeplaatst, een door de wetgevende macht vastgestelde wedde ontvangen en hun functie niet met door de regering bezoldigde functies mogen combineren. Voor het Arbitragehof en de Raad van State is de onafhankelijkheid van de rechters en de raadsheren gewaarborgd door wetsbepalingen die nauw aansluiten bij die van de Grondwet en die de rechtspositie van de leden van de gewone rechterlijke macht regelen. De rechters in het Arbitragehof en de raadsheren zijn ook allen voor het leven benoemd en kunnen alleen door een rechterlijke beslissing worden afgezet of geschorst. De regel in het voorgestelde artikel 39/30, § 4, eerste en derde lid, wijkt af van een principe dat tot op heden is bekrachtigd door het Belgisch grondwettelijk recht en, wat de hoven en rechtbanken betreft, van een principe in de Grondwet, luidens hetwelk de onafzetbaarheid van de rechter een waarborg is voor de onafhankelijkheid van de « rechterlijke macht » ten opzichte van de uitvoerende macht.
Tot slot moet de Raad van State eveneens vaststellen dat « met het ontworpen artikel 39/30, § 4, eerste en derde lid, de stellers van het voorontwerp van wet ten onrechte een rechtstreeks verband leggen tussen de evaluatie en het tuchtrecht. Daarbij verliezen de stellers van het voorontwerp van wet uit het oog dat het tuchtrecht, enerzijds, en de evaluatie, anderzijds, twee los naast elkaar staande zaken zijn.
De evaluatie van magistraten moet ertoe strekken een interne, periodieke kwaliteitscontrole door te voeren om de interne werking van het rechtscollege te verbeteren. Het tuchtrecht van magistraten daarentegen strekt ertoe diegenen die hun ambtsplichten verzuimen of door hun gedrag afbreuk doen aan de waardigheid van hun ambt, te straffen. ».
Daarom wordt voorgesteld § 4 van dat nieuwe artikel 39/29 weg te laten.
Nr. 4 VAN DE HEER DELPÉRÉE
Art. 80
Het voorgestelde artikel 39/2 wijzigen als volgt :
1º) in de punten 1 en 2 van § 1 na de woorden « van de commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen » telkens de woorden « en van de dienst Vreemdelingenzaken » invoegen.
2º) § 2 doen vervallen.
Verantwoording
Artikel 79 van het wetsontwerp bepaalt de bevoegdheid van de Dienst voor Vreemdelingenbetwistingen en maakt een onderscheid tussen de volle rechtsmacht inzake asiel (§ 1) en de gewone, objectieve vernietigingsbevoegdheid in de andere aangelegenheden (§ 2).
De toelichting bij het artikel legt deze ongelijke behandeling als volgt uit : « Inzake immmigratie, waarin een beleidsvrijheid van de regering zijn plaats vindt hetgeen tot uiting in het constitutieve karakter van beslissingen ter zake, wenst de regering het bestaande wettigheidstoezicht te behouden, met dien verstande dat het niet langer wordt uitgeoefend door de Raad van State, maar door een evenwaardig administratief rechtscollege dat een gelijkwaardige rechtsbescherming biedt ».
Hieruit volgt dat de enige reden om niet stelselmatig een beroep te doen op het subjectieve beroep met volle rechtsmacht voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingegeven is door de vrees van de regering om een rechtscollege gedeeltelijk althans te laten ingrijpen op de controle van de migratiestromen. Nochtans is het zo dat het optreden van een onafhankelijke rechter in het kader van een subjectief beroep om ongeacht welke vordering te onderzoeken een waarborg biedt tegen willekeur en ongetwijfeld netelige toestanden en negatieve reacties kan voorkomen bij de vreemdelingen ten opzichte van de beslissingen die louter door een administratieve overheid worden genomen.
Het invoeren van een beroep met volle rechtsmacht voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op het stuk van het asiel biedt dus de mogelijkheid deze handelwijze uit te breiden tot de andere aspecten van de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de vestiging van vreemdelingen.
Het amendement verleent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een bevoegdheid met volle rechtsmacht zowel ten opzichte van de beslissingen van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen en de Staatlozen als van de Dienst Vreemdelingenzaken.
Nr. 5 VAN DE HEER DELPÉRÉE
Art. 162
In het voorgestelde artikel 39/65, derde en vierde lid, de woorden « in de gevallen, » weglaten.
Verantwoording
Het derde lid van de voorgestelde bepaling stelt dat de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen « toegankelijk [zijn] voor het publiek in de gevallen, in de vorm en onder de voorwaarden vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. ».
In de commentaar wordt verwezen naar het streven om de vreemdelingen te beschermen : « De regering wenst evenwel niet te opteren voor een onvoorwaardelijke toegankelijkheid voor het publiek van de uitspraken van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ». Tevens « wordt het wenselijk geacht dit toegangsrecht — dat ter griffie wordt uitgeoefend — te beperken. ». Die handelwijze, die thans reeds door de Raad van State wordt gevolgd, leidt ertoe dat alle arresten van het algemeen administratief contentieux op de internetsite van de Raad van State worden bekendgemaakt, maar dat op de site slechts een gering aantal arresten inzake het vreemdelingencontentieux terug te vinden is. Dat doet een ernstig probleem rijzen betreffende de gelijkheid van middelen, en verstoort grondig het evenwicht tussen de advocaten van de Dienst Vreemdelingenzaken of de leden van het CG VS, die bekend zijn met alle arresten (ook de meest recente), en de advocaten van de eisers, voor wie die essentiële documentatie ontoegankelijk is.
In de praktijk zouden de problemen met betrekking tot de veiligheid van de eisers makkelijk kunnen worden omzeild door een lid van de griffie te verzoeken hun namen, en eventueel de weinige feitelijke overwegingen, die in bepaalde arresten de identificatie van de betrokkene al te makkelijk zouden maken, te schrappen.
Nr. 6 VAN DE HEER DELPÉRÉE
Art. 217
Het artikel aanvullen met het volgende lid :
« Die evaluatie wordt overgezonden aan de voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat ».
Verantwoording
Het rapport met de evaluatie moet zowel aan de Kamer van volksvertegenwoordigers als in de Senaat worden meegedeeld, opdat de parlementaire assemblees er de nodige conclusies uit kunnen trekken.
Nr. 7 VAN DE HEER DELPÉRÉE
Art. 8
In § 2, derde lid, van het voorgestelde artikel 20, in de tweede volzin, na de woorden « een schending van de wet » invoegen de woorden « van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ».
Verantwoording
Het voorgestelde artikel 20 voorziet in een procedure van toelating tot cassatieberoep voor alle ingediende cassatieberoepen (de zogenaamde filterprocedure). Die voorafgaande toelaatbaarheidsprocedure waardoor men toegang krijgt tot het cassatieberoep biedt de Raad van State de mogelijkheid de rechtzoekende al dan niet de toestemming te geven de zaak bij dat rechtscollege aanhangig te maken.
Die procedure van toelaatbaarheid wordt georganiseerd in de vorm van « het zeven van de bij de Raad van State ingestelde voorzieningen in cassatie », op grond waarvan de Raad van State, volgens een verkorte en versnelde procedure, elke ingestelde vordering kan afwijzen of niet-toelaatbaar verklaren op grond van een summiere motivering. Dit heeft tot gevolg dat elke verzoeker een zodanige voorziening mag instellen en dat deze voorziening in rechte hangende is bij de Raad van State, op zijn minst totdat de Raad een beslissing neemt op het niveau van de toelaatbaarheidsprocedure.
Opdat een filterprocedure efficiënt kan zijn, moeten de criteria niettemin duidelijk en selectief zijn. Dit is een essentiële voorwaarde voor het goed functioneren ervan. De filterprocedure is nodig om de internationale verplichtingen van België in acht te nemen, meer bepaald wat het recht op een daadwerkelijk rechterlijk beroep betreft.
Die filterprocedure is immers één van de middelen die in hoge mate moeten bijdragen tot het wegwerken en beheersen van de achterstand, zowel van de betwistingen in het algemeen als van die van de vreemdelingen. Om dat te bereiken, moeten de toelaatbaarheidsvoorwaarden, die met dat doel voor ogen zijn vastgelegd, zo worden geformuleerd dat ze beantwoorden aan de criteria van nauwkeurigheid en helderheid waarover de Raad van State het in zijn advies heeft.
De criteria die in artikel 8 van het ontwerp zijn opgenomen, zijn echter niet selectief genoeg en dreigen de filterprocedure te beletten haar doelstelling, het wegwerken en beheersen van de achterstand, te bereiken. Daarom moet de efficiëntie van de filter worden opgevoerd, door ervoor te zorgen dat het criterium van het overtreden van de wet beperkt wordt tot dat van het overtreden van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
| Francis DELPÉRÉE. |
Nr. 8 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE EN MEVROUW THIJS
Art. 8
In § 2 van het voorgestelde artikel 20, het derde en het vierde lid vervangen als volgt :
« Worden alleen toelaatbaar verklaard, de cassatieberoepen waarvoor de Raad van State niet onbevoegd of zonder rechtsmacht is om het beroep in cassatie te berechten of die niet zonder voorwerp, kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond zijn en :
1º waarvan het onderzoek door de afdeling noodzakelijk blijkt om te zorgen voor de eenheid van de rechtspraak;
2º waarvan het onderzoek door de afdeling noodzakelijk blijkt voor het beslechten van een principiële rechtsvraag;
3º waar op gemotiveerde wijze een schending van een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste wordt aangevoerd die begaan werd door het administratief rechtscollege en die daadwerkelijk van die aard was dat ze de strekking van de beslissing kan hebben beïnvloed. »
Verantwoording
Aangaande de filterprocedure heeft de regering het advies van de Raad van State niet gevolgd, en heeft integendeel uit de in het voorontwerp onderscheiden filters voor vreemdelingen- en andere zaken de minst strikte voorwaarden gekozen.
Uit het ontwerp blijkt onder meer dat het cassatiemiddel gesteund op de schending van een fundamenteel recht of een kennelijke schending van de wet en een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste moet worden « aangevoerd » waarbij dan in de toelatingsprocedure zal moeten onderzocht worden of er geen sprake is van kennelijke ongegrondheid en daadwerkelijke mogelijkheid van beïnvloeding van de beslissing.
Los van het feit dat dit onderzoek het werk van de Raad van State niet zal verminderen, stelt de Raad dat de voorgestelde filterprocedure zo ruim is dat ze haar doel voorbij schiet.
Zo stelt de Raad (advies, blz. 289 ontwerp) dat een schending van de motiveringsplicht zou kunnen worden beschouwd als een « substantiële procedurefout » (bijvoorbeeld onvoldoende antwoorden op een middel), waardoor zeer veel cassatieberoepen in vreemdelingengeschillen toelaatbaar zullen moeten worden verklaard.
Uit de hoorzittingen van 31 mei 2006 met de Staatsraden en ook uit het advies van de Raad van State blijkt dat, indien deze voorwaarde op een al te soepele wijze wordt geïnterpreteerd, er een reëel risico bestaat dat de zogenaamde filter onwerkzaam wordt en in feite veeleer een « raamwerk zonder gaas » dreigt te worden.
Opdat de filterprocedure efficiënt zou zijn, moeten de criteria ook duidelijk en selectief zijn. Dit is een essentiële voorwaarde voor het goed functioneren ervan. De criteria van het ontwerp van wet zijn te vaag.
De Raad van State stelt daarom drie criteria voor, met dien verstande dat het niet volstaat dat de elementen in verband met die criteria alleen maar worden aangevoerd (blz. 289 ontwerp) :
1) eenheid van rechtspraak;
2) principiële rechtsvragen (rechtskwesties die het belang van de verzoeker overstijgen);
3) substantiële procedurefouten.
Een uitzondering moet daarbij volgens de Raad worden gemaakt voor de kennelijk onontvankelijk of ongegronde beroepen.
Onderhavig amendement volgt het advies van de raad van State, door in de eerste plaats aan de wet toe te voegen dat het om een gemotiveerd middel moet gaan, waarna de door de raad van State voorgestelde criteria worden opgenomen..
Nr. 9 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE EN MEVROUW THIJS
Art. 19
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
De wet van 17 februari 2002 heeft een boetesysteem ingevoegd voor « kennelijk onrechtmatige beroepen ».
De regering wenst nu dit boetesysteem uit te breiden tot cassatieverzoeken die op grond van het gewijzigde artikel 20 Gecoördineerde wetten « niet toelaatbaar » zijn verklaard.
Dit maakt de mogelijkheid om een boete te heffen veel ruimer, en creëert ongewenste gevolgen, zowel voor de vreemdelingen als voor de andere categorieën van rechtzoekenden die een cassatieberoep willen instellen.
Deze bepaling is manifest een inbreuk op de rechten van verdediging, omdat zij geen onderscheid maakt tussen de verschillende redenen op basis van dewelke de ontoelaatbaarheid is uitgesproken, en toelaat de rechtzoekende te beboeten ook al is zijn vordering gegrond.
Dat beroepen die kennelijk onontvankelijk, zonder voorwerp of kennelijk ongegrond zijn tot een boete aanleiding kunnen geven is enigszins verdedigbaar, maar daarom dient de wet niet gewijzigd te worden, vermits deze beroepen in het algemeen ook kennelijk onrechtmatig zullen zijn.
Door de wetswijziging wordt evenwel een mogelijkheid gegeven een boete op te leggen voor beroepen die weliswaar gegrond zijn, doch waarbij de niet-toelaatbaarheid wordt uitgesproken op grond van het feit dat na onderzoek de Raad van mening is dat de schending niet van aard is geweest dat de strekking van de beslissing is beïnvloed, of dat een uitspraak niet noodzakelijk is voor het behoud van de eenheid van rechtspraak (dit zijn enige gronden van ontoelaatbaarheid van nieuw artikel 20 Gecoördineerde wetten.
Dit is niet meer of niet minder dan de mogelijkheid creëren de burger en de vreemdeling te beboeten voor het instellen van een rechtsgeding tegen een ten gronde betwistbare, ja zelfs onwettige administratiefrechtelijke uitspraak.
De rechtzoekende dreigt hiermee beboet te worden voor zijn optreden in rechte tegen een begane wetschending of schending van een vormvereiste. Dergelijke boete is desgevallend zelfs strijdig met artikel 6 EVRM, vermits zij duidelijk als doel heeft de rechtstoegang -zelfs bij erkende onwettigheid- te verhinderen.
Bovendien is het heffen van een boete ten aanzien van vluchtelingen wiens verzoek tot cassatie voor de raad van State wordt afgewezen onwerkzaam en zelfs lachwekkend. Vele van deze vluchtelingen zullen immers onvermogend zijn en zelfs voor het procederen voor de Raad rechtsbijstand moeten vragen. De vraag is dan ook hoe ooit de inning van de opgelegde boete bij deze personen zal kunnen gebeuren.
Nr. 10 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE EN MEVROUW THIJS
Art. 69
Het voorgestelde artikel 122 wijzigen als volgt :
a) in § 1, eerste lid :
— het cijfer « 44 » vervangen door het woord « vierenveertig »,
— het cijfer « 50 » vervangen door het woord « vierenvijftig »
— de cijfers « 28 » en « 34 » vervangen door de cijfers « dertig » en « veertig »
— het woord « drie » vervangen door « vijf ».
b) in § 1, vierde lid het woord « derde » vervangen door « zesde » en het woord « twee » vervangen door « drie ».
Verantwoording
a) Het regeringsontwerp houdt ten eerste voor wat het aantal staatsraden betreft geen rekening met de verhoging doorgevoerd door art. 2 van de wet van 14 januari 2003 die hun aantal bracht op 30 in plaats van 28.
Ten tweede is de verhoging met 6 staatsraden ruim onvoldoende, zoals ook gebleken is uit de hoorzitting met vertegenwoordigers van de Raad van State op 31 mei 2006. Immers, gelet op de huidige achterstand, en op het feit dat enkel en alleen de nieuwe vreemdelingendossiers naar de Raad voor vreemdelingenbetwistingen verhuizen, waarna een deel ongetwijfeld terug bij de raad van State zal belanden via de te ruime filter, dient men eerder te vrezen voor een status quo in plaats van te hopen op een vooruitgang.
Het uitbreiden van het aantal staatsraden met 20 % zal dan ook enkel — en alleen en in het beste geval — leiden tot het herleiden van de wachttijd in « gewone zaken » met 20 %, zijnde van 5 naar 4 jaar, hetgeen verre van een voldoende vooruitgang is.
Daarom stelt indiener voor het aantal staatsraden te verhogen met 10, zijnde 33 %.
Tot slot worden door de wet van 14 januari 2003 cijferwoorden en geen cijfers gebruikt, zodat de cijfers door cijferwoorden dienen vervangen te worden.
b) De vertegenwoordigers van de Raad van State hebben in de commissie gesteld dat, met de huidige maatregelen tot het wegwerken van de achterstand dit wegwerken 12 tot 15 jaar zal duren. Door een grotere toename van het aantal staatsraden (zie a) gecombineerd met een langere duurtijd van de uitbreiding van het kader in overtal, voor een maximumperiode van 9 jaar, komt indiener tegemoet aan de terechte bezorgdheid van de raad en worden de maatregelen efficiënt, zodat ervan uitgegaan moet worden dat de achterstand bij de Raad effectief zal weggewerkt zijn binnen een tijdspanne van 6 à 9 jaar. De door de regering vooropgestelde periode van 3 à 5 jaar, met de voorziene kaderuitbreiding, is totaal ontoereikend.
Nr. 11 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE EN MEVROUW THIJS
Art. 70
Het voorgestelde artikel 123 wijzigen als volgt :
a) in § 1, eerste lid, het cijfer « 64 » vervangen door het woord « vierenzestig » en het cijfer « 70 » vervangen door het woord « vierentachtig » en het woord « drie » vervangen door « tien »
b) in § 1, vierde lid het woord « derde » vervangen door « zesde » en het woord « twee » vervangen door « drie ».
Verantwoording
De verhoging met 6 eerste auditeurs, auditeurs of adjunct-auditeurs is ruim onvoldoende, zoals ook gebleken is uit de hoorzitting met vertegenwoordigers van de Raad van State op 31 mei 2006. Immers, gelet op de huidige achterstand, en op het feit dat enkel en alleen de nieuwe vreemdelingendossiers naar de Raad voor vreemdelingenbetwistingen verhuizen, waarna een deel ongetwijfeld terug bij de raad van State zal belanden via de te ruime filter, dient men eerder te vrezen voor een status quo in plaats van te hopen op een vooruitgang.
Het uitbreiden van het aantal auditeurs met 10 % (procentueel de helft van de voorziene uitbreiding van het aantal staatsraden) dreigt een bottleneck-syndroom te creëren op het gebied van de op te stellen verslagen.
Daarom stelt indiener voor het aantal auditeurs lineair met het aantal staatsraden te verhogen met 20, zijnde 33 %.
Tot slot moet om wetstechnische redenen de oorspronkelijke bewoordingen van de wettekst worden gerespecteerd, die cijferwoorden en geen cijfers gebruikt.
Nr. 12 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE EN MEVROUW THIJS
Art. 71
Het voorgestelde artikel 123 wijzigen als volgt :
a) in § 1, eerste lid, het cijfer « 25 » vervangen door het woord « vijfentwintig » en het cijfer « 31 » vervangen door het woord « drieëndertig » en het woord « drie » vervangen door het woord « vier »
b) in § 1, derde lid het woord « derde » vervangen door « zesde » en het woord « twee » vervangen door « drie ».
Verantwoording
Zie de verantwoordingen bij de vorige twee amendementen.
Nr. 13 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE EN MEVROUW THIJS
Art. 175
In het derde lid van artikel 174, dat een artikel 39/76 in de Vreemdelingenwet invoert, de woorden « en desgevallend van artikel 39/60, tweede lid » schrappen en tussen de woorden « hem » en « ter » de zinsnede « in een bijkomende nota, ten laatste neergelegd 8 dagen voor de terechtzitting » invoegen.
Verantwoording
Overeenkomstig nieuw art. 39/60 Vreemdelingenwet is de procedure schriftelijk. Door hierop een uitzondering te voorzien voor nieuwe feiten, die zelfs niet hun oorsprong vinden in het verzoekschrift of het verzoekschrift tot tussenkomst, maakt men het mogelijk dat de verzoeker mondeling op de terechtzitting allerlei mondelinge beweringen doet die de rechtsgang onnodig zullen vertragen. Het behoud van de schriftelijke procedure voor deze gegevens en het toekennen van een termijn van onderzoek aan de raad zullen eventuele vertragingsmanoeuvers tegengaan, zonder dat hiermee de rechten van verdediging worden geschaad.
Nr. 14 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE EN MEVROUW THIJS
Opschrift
In het opschrift en het gehele ontwerp, telkens het de woorden « raad voor Vreemdelingenbetwistingen » vervangen door de woorden « Raad voor vreemdelingenzaken ».
Verantwoording
Door het woord « betwistingen » te gebruiken in de benaming van het rechtscollege dat bevoegd zal zijn, met volle rechtsmacht voor de vluchtelingen en als annulatierechter voor alle andere beslissingen genomen op grond van de Vreemdelingenwet wordt een negatieve bijklank gegeven aan een procedure die enkel en alleen bestaat om het vreemdelingen toe te laten hun rechten te doen gelden, en dit in overeenstemming met internationale en supranationale rechtsregels.
Noch de vreemdelingen, noch de publieke opinie is er in dit verband mee gediend de internationaal ingeschreven en in de wet voorziene normale rechtstoegang voor vluchtelingen en andere vreemdelingen te zien als een « twistzaak ».
Indiener stelt voor het neutrale woord « vreemdelingenzaken » te gebruiken.
| Hugo VANDENBERGHE Erika THIJS. |
Nr. 15 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE
Art. 242bis (nieuw)
Een artikel 242bis invoegen, luidende :
« Art. 242bis. — Eén jaar na de inwerkingtreding van artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals hersteld bij artikel 7 van deze wet, evalueert het Parlement de werking van de Raad van State in het bijzonder de in voornoemd artikel 20, § 2, tweede tot en met het vierde lid, bepaalde toelaatbaarheidsgronden, evenals de werking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen »
Verantwoording
Het amendement nr. 34 bij artikel 216 van dit ontwerp strekt ertoe om een evaluatie door te voeren van de in artikel 20, § 2 gestelde « filterprocedure » bij de Raad van State. Tijdens de bespreking van het ontwerp in commissie is door verschillende partijen — zelfs door de regering — de wil geuit om de evaluatie verder uit te breiden over de gehele werking van de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dit is bijzonder belangrijk om in de eerste plaats na te gaan of de nu voorgestelde maatregelen inderdaad voldoende zijn om de achterstand bij de Raad van State weg te werken binnen een redelijk termijn. Zo blijft het de vraag of de tijdelijke verhoging van de staatsraden en auditeurs voldoende is om dit doel te bereiken.
Het amendement nr. 34 stelt eveneens dat de evaluatie van de filterprocedure door de Ministerraad zal gebeuren. Het is echter aangeraden om het Parlement de werking van deze instellingen te laten evalueren en eventuele aanbevelingen aan de regering te doen om mogelijke tekortkomingen bij te sturen.
Nr. 16 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE
Art. 80
Het ontworpen artikel 39/2, § 1,
A) het eerste lid aanvullen met volgende bepaling : « en tegen de beslissingen van de minister of zijn gemachtigde »
B) in het tweede lid, 1º tussen de woorden « de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de Staatlozen » en « bevestigen », de woorden « en van de minister of zijn gemachtigde » invoegen.
C) in het tweede lid, 2º tussen de woorden « de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de Staatlozen » en « vernietigen », de woorden « en van de minister of zijn gemachtigde » invoegen.
Verantwoording
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is bevoegd in volle rechtsmacht inzake de beroepen die worden ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
Tegen alle overige beroepen inzake de beslissingen die genomen worden in toepassing van de wet van 15 december 1980 kan enkel een annulatieberoep worden ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Een beroep inzake een beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken betreffende een verzoek tot gezinshereniging bijvoorbeeld kan dus enkel als annulatieberoep worden behandeld door de RVV, terwijl de Raad hierover eveneens in volle rechtsmacht moet kunnen beslissen.
| Hugo VANDENBERGHE. |