3-1734/1 | 3-1734/1 |
31 MEI 2006
De Commissie Binnenlandse Zaken van de Senaat organiseerde in het kader van haar werkzaamheden hoorzittingen met diverse actoren die betrokken zijn bij het gebruik van bewakingscamera's in de praktijk. Uit deze hoorzittingen kwamen een aantal belangrijke zaken naar voor.
De wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens biedt vandaag een juridisch kader inzake bescherming van de privacy. De toepassing van deze wet op bewakingscamera's zorgt echter voor problemen.
Deze wet is niet geschreven vanuit de specifieke problematiek van cameratoezicht en sommige bepalingen zijn moeilijk hierop toepasbaar (bijvoorbeeld recht op toegang en verbetering van de persoonsgegevens).
De privacycommissie heeft weliswaar enkele specifieke adviezen gegeven omtrent de toepassing van de privacywet op cameratoezicht, maar dit neemt niet weg dat er belangrijke vragen onbeantwoord blijven. Het is bovendien zeer de vraag of de adviezen van de privacycommissie enige rechtskracht hebben. Onze hoogste rechtscolleges hebben immers al herhaaldelijk geoordeeld dat regels die een inmenging kunnen uitmaken op de privacy, enkel door een formele wet kunnen opgelegd worden.
De privacywet is zeer complex en stoelt op een aantal algemene beginselen. De toepassing van de algemene beginselen wordt toevertrouwd aan de rechtsonderhorige, terwijl die principes heel moeilijk te interpreteren zijn in het licht van concrete situaties. De wet bevat immers weinig concrete en meetbare normen. Daardoor weten de rechtsonderhorigen niet precies wat mag en niet mag. Indien van de rechtsonderhorigen zekere verplichtingen verwacht worden, krachtens een bijzondere strafwet, dan mag de burger ook verwachten dat de wet concreet is. Kan men bijvoorbeeld in het geval beelden enkel bekeken worden, en niet opgenomen, spreken over « gegevensverwerking » ? Is de privacywet in dit geval dan ook toepasselijk ? Is de wet toepasselijk op het nemen van analoge foto's ?
Het ontbreken van concrete normen voor cameratoezicht heeft tot gevolg dat er rechtsonzekerheid blijft bestaan over de legitimiteit van het cameratoezicht. Zelfs indien de houder van een camerasysteem de privacywet nauw ter harte neemt en de algemene beginselen nauwgezet tracht te vertalen naar zijn concrete situatie, kan hij geconfronteerd worden met het feit dat het beeldmateriaal door de rechter als onrechtmatig bekomen bewijs wordt bestempeld, omdat die rechter bepaalde beginselen zeer strikt interpreteert. Zo kan een strikte interpretatie van bijvoorbeeld het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel leiden tot de conclusie dat camera's vanuit hun aard excessieve instrumenten zijn die sowieso disproportioneel zijn ten aanzien van het doel.
De privacywet wordt, wat betreft camera's, in de praktijk niet of zeer weinig toegepast. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het beperkt aantal aangiftes van camerasystemen bij de privacycommissie
Verschillende EU-landen gebruiken net als België interpretaties van de privacywet om te bepalen wat kan en niet kan. Sommige landen hebben specifieke bepalingen inzake cameratoezicht opgenomen in hun privacywet. Nog andere landen hebben een combinatie tussen enkele verbodsbepalingen in het Strafwetboek en procedures in de gemeentewet. Enkel Zweden en IJsland hebben een aparte camerawet.
Een camerawet kan zorgen voor meer rechtszekerheid en transparantie. Daarvoor moet ze enkele duidelijke en eenvoudige regels bevatten over wat mag en niet mag. Een wet die tot doel heeft het cameratoezicht te reglementeren moet in ieder geval een evenwichtige afweging maken tussen twee grondrechten : het recht op privacy enerzijds en het recht op veiligheid anderzijds. De uitdaging bestaat er dus in enerzijds niet in te boeten op de bescherming van het recht op privacy en anderzijds toch zoveel mogelijk ruimte te laten aan gemeentebesturen, bedrijven en privé-personen om zelf te beslissen over het al dan niet gebruik van camera's voor veiligheidsdoeleinden.
Een wetgevend initiatief om de privacy van elkeen te beschermen is noodzakelijk. Hiertegenover staat echter dat bewakingscamera's kunnen bijdragen in het verhogen van de veiligheid. Bewakingscamera's werken ontradend en kunnen helpen bij het identificeren van daders. Ze laten de politiediensten ook toe sneller en juister een risicosituatie in te schatten. Bewakingscamera's zijn een technisch hulpmiddel voor de politiediensten, maar kunnen nooit de politie vervangen. Meer bewakingscamera's mogen niet leiden tot minder politiepatrouilles. Bewakingscamera's worden ook niet beschouwd als de ultieme remedie tegen onveiligheid, maar zijn een instrument dat, indien goed aangewend, de performantie van de politie kan verhogen.
Het wetsvoorstel doet geen afbreuk aan de bestaande regelgeving. algemene bepalingen voorzien door de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens blijven gelden, voor zover de camerawet er niet van afwijkt. Specifieke bepalingen met betrekking tot camera's voorzien in bijvoorbeeld de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective of het koninklijk besluit van 12 september 1999 betreffende de installatie en de werking van bewakingscamera's in de voetbalstadions ter uitvoering van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden en de wet betreffende de politie over het wegverkeer blijven van kracht. Hetzelfde geldt voor de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden en de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.
Het wetsvoorstel verwijst ook niet naar CAO nr. 68 van 16 juni 1998 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemers ten opzichte van de camerabewaking op de arbeidsplaats. Dit is een materie die dient te worden geregeld via het sociaal overleg.
Artikel 1
Dit artikel behoeft geen commentaar.
Artikel 2
Het artikel definieert een aantal begrippen. Er worden vier types van ruimten onderscheiden. De maatregelen die dienen te worden genomen om de privacy te garanderen hangen af van de aard van de ruimte.
De gemeentelijke openbare ruimte heeft betrekking op de openbare ruimte die onder de bevoegdheid van de gemeente valt. Voor de hand liggende voorbeelden zijn : marktpleinen, winkelstraten, gemeentelijke parkeerterreinen, parken en plantsoenen.
De niet-gemeentelijke openbare ruimte slaat op de openbare ruimte die toebehoort aan een andere dan de gemeentelijke overheid. Bedoeld worden : de provincies, de gemeenschappen en gewesten en de federale overheid.
De publiek toegankelijke ruimte is de ruimte die voor het publiek toegankelijk is. Het betreft hier bijvoorbeeld shoppingcentra, trein — metrostations, maar ook de lokettenzaal van een publieke administratie (gemeente, provincie, gemeenschap, gewest, federale overheid).
Ten slotte is er de private ruimte die niet toegankelijk is voor het publiek.
Voorts worden ook de begrippen « publiek toegankelijke ruimte en « bewakingscamera » nader gedefinieerd.
Artikel 3
Dit artikel regelt het toepassingsgebied van deze wet. Deze wet regelt de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's in ieder van de ruimtes beschreven in artikel 2.
Het gebruik van observatiesystemen die niet tot doel hebben misdrijven of overlast te voorkomen, vast te stellen of op te sporen of de orde te handhaven valt niet onder het toepassingsgebied van deze wet, maar desgevallend wel onder het toepassingsgebied van de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
In de loop der jaren, ontstonden er naast de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, sectorgebonden regelgevingen inzake cameragebruik. Deze sectoriële regelgevingen bevatten een aantal concrete en duidelijke regels en worden, in tegenstelling tot de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, in de praktijk wel toegepast. Het wordt derhalve niet aangewezen geacht aan deze sectorgebonden regelgevingen te raken. Deze camerawet is dan ook niet van toepassing indien het gebruik van bewakingscamera's reeds geregeld is in specifieke sectoriële regelgeving, zijnde : de wet betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, de detectivewet, de wet op de politie van het wegverkeer en de wet op de bijzondere opsporingsmethoden. Hetzelfde geldt voor het gebruik van bewakingscamera's op de werkplaats, dat op werkzame en bevredigende wijze geregeld wordt door de CAO nr. 68.
Artikel 4
Artikel 4 regelt de verhouding van deze wet tot de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
Artikel 5
In de gemeentelijke openbare ruimte moet de beslissing om cameratoezicht te organiseren genomen worden door de gemeenteraad. De gemeenteraad baseert haar beslissing op een veiligheids- en doelmatigheidsanalyse, uitgevoerd door de korpschef.
Deze analyse heeft twee belangrijke doelstellingen. Enerzijds moet men kunnen aantonen dat de inzet van camera's opportuun is en in verhouding staat tot de onveiligheidsgraad, zoals die blijkt uit de analyse van de veiligheidssituatie ter plekke; anderzijds verplicht het de korpschef ook om rekening te houden met de gevolgen van cameratoezicht.
Uit de analyse moet ook blijken dat het voorgestelde cameratoezicht, uitgaande van de vooropgestelde doelstelling, toereikend, terzake dienend en niet overmatig is. Deze eis heeft dus vooreerst consequenties voor de plaatsing en het bereik van de camera's. Het cameratoezicht dient zodanig te zijn ingericht dat niet meer plaatsen en personen worden gefilmd dan voor het doel noodzakelijk is. Zo mag door de camera's niet meer van de openbare ruimte worden bestreken dan strikt noodzakelijk is.
Voorts blijft de zichtbare aanwezigheid van politie op het openbaar domein een belangrijk uitgangspunt bij de veiligheidszorg. Cameratoezicht mag geen afbreuk doen aan de community-policing, de zichtbare aanwezigheid van politie op het terrein. Politie die niet alleen repressief optreedt maar ook te allen tijde aanspreekbaar is voor de grote en kleine problemen van de burger.
Dit neemt niet weg dat cameratoezicht een belangrijk hulpmiddel kan zijn voor de politiediensten. Indien dit leidt tot een beter gerichte inzet van politiemensen in situaties die daarom vragen.
Dit houdt vooreerst in dat er voldoende personeel moet zijn om de beelden te monitoren. Gekwalificeerd personeel dat over de nodige ervaring beschikt om de beelden te analyseren en incidenten die wellicht een politietussenkomst noodzaken, te herkennen. Aangezien de interveniërende politiepatrouilles op basis van de beeldinformatie operationeel aangestuurd moeten worden, gebeurt een en ander steeds onder regie van de politie. Voorts moeten er uiteraard ook voldoende patrouilles beschikbaar zijn om effectief te interveniëren bij incidentmeldingen.
Wanneer de gemeenteraad akkoord gaat met de plaatsing van bewakingscamera's, wordt hiervan melding gemaakt aan de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De commissie beschikt over een termijn 14 dagen om haar opmerkingen te formuleren. Ontvangt de gemeente geen advies, dan wordt het advies als positief beschouwd. De gemeente moet ook een termijn bepalen voor hoe lang de exploitatie van bewakingscamera's is toegestaan. Elke verlenging van het cameragebruik moet stoelen op een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van het cameratoezicht in het verleden.
Bewakingscamera's in de openbare ruimte moeten garanties bieden voor de bescherming van de privacy. Daarom mogen bewakingscamera's geen beelden tonen van publiek toegankelijke of private ruimten of ingangen van deze ruimten tenzij hier uitdrukkelijk in werd toegestemd door de betrokkene.
Verder dient elkeen die zich in een camerabewaakte zone begeeft hiervan kennis te hebben. Dit kan met een uniform pictogram. De minister van Binnenlandse Zaken is verantwoordelijk voor het bepalen van dit pictogram.
De beelden kunnen enkel worden geanalyseerd in het kader van de openbare ordehandhaving of het voorkomen of ophelderen van misdrijven. De beelden kunnen enkel worden bekeken onder regie van de politie. In de wet wordt in de mogelijkheid voorzien dat door middel van een koninklijk besluit overlegd in de Ministerraad andere personen kunnen worden aangewezen om beelden van bewakingscamera's te bekijken. Dit in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit legt vast aan welke voorwaarden deze personen moeten voldoen. Het bekijken van beelden is voor de politie een tijdrovende bezigheid. Het feit dat de politie gebruik maakt van bewakingscamera's mag er niet toe leiden dat er minder politie aanwezig is in het straatbeeld. Daarom moet een mogelijkheid worden voorzien dat ook andere personen bevoegd zijn voor het bekijken van beelden opgenomen door bewakingscamera's.
Beelden die niet bijdragen tot het leveren van een bewijs in een gerechtelijk onderzoek mogen maximaal één maand worden bewaard.
Artikel 6
In de niet-gemeentelijke openbare ruimte moet de beslissing om bewakingscamera's te installeren, worden genomen door het bevoegde democratisch orgaan. Voor de provincie is dit de provincieraad; voor de gewesten en de gemeenschappen is dit het bevoegde deelstaatparlement en voor de federale overheid de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat.
De in dit artikel bedoelde overheid vraagt het advies van de gemeenteraad bevoegd voor het grondgebied van de gemeente waarop camera's worden geplaatst.
Verder dient de beheerder van de niet-gemeentelijke openbare ruimte de plaatsing van één of meer bewakingscamera's te melden aan de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan de hand van een standaardformulier. Uit dit formulier moet door middel van enkele precieze vragen duidelijk blijken dat de plaatsing van bewakingscamera's beantwoordt aan de principes van finaliteit, proportionaliteit en subsidiariteit.
Daarnaast voorzien we in een meldingsplicht aan de lokale politiezone (naar analogie met bijvoorbeeld het aanmelden van het gebruik van een alarmsysteem). Het is immers belangrijk dat politieambtenaren weten waar op hun grondgebied registrerende camerasystemen aanwezig zijn. Op die manier weten de privacycommissie en de politie waar de systemen zich bevinden. Beiden kunnen dan ter plaatse verifiëren of het systeem aan alle wettelijke bepalingen voldoet. Zo worden zowel het recht op privacy als het recht op veiligheid beschermd.
Beide meldingen dienen te gebeuren op basis van één eenvoudig formulier, eventueel elektronisch, dat via een website kan worden ingevuld. Het formulier wordt dan automatisch verzonden naar de bevoegde korpschef en naar de privacycommissie. De minister van Binnenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer van dit systeem.
Daarnaast garanderen een aantal bijkomende voorwaarden het recht op privacy van ieder individu :
— Een pictogram dat aangeeft dat er zich bewakingscamera's bevinden in de ruimte waarin men zich bevindt.
— Een verbod op het plaatsen van bewakingscamera's op plaatsen waarvan men zelf niet de beheerder is.
— De beelden kunnen enkel worden bekeken om misdrijven, overlast of ordeverstoring te voorkomen, vast te stellen of op te sporen.
— Beelden kunnen enkel worden opgenomen met het oog op het vergaren van bewijzen van een misdrijf.
— Beelden die geen bijdrage kunnen leveren tot het ophelderen van een misdrijf mogen niet langer dan een maand worden bewaard.
Artikel 7
Ook in de publiek toegankelijke ruimte heeft de burger recht op bescherming van zijn of haar privacy. Met publiek toegankelijke ruimtes worden bedoeld shoppingcentra, parkings aan grootwarenhuizen, trein —, bus — en metrostations (alsook alle voertuigen van openbaar vervoer), luchthavens, en dergelijke. Vandaag wordt de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens zelden toegepast. Dit blijkt uit het beperkt aantal aangiftes bij de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Bovendien is de vragenlijst op basis waarvan een melding bij de commissie dient te gebeuren niet aangepast aan cameratoezicht. De documenten zijn in een zeer moeilijk jargon opgesteld, hetgeen vele personen afschrikt.
Dit wetsvoorstel stelt een aangepaste procedure voor. De beheerder van de publiek toegankelijke ruimte moet de plaatsing van één of meer bewakingscamera's melden aan de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan de hand van een standaardformulier. Uit dit formulier moet duidelijk blijken dat de plaatsing van bewakingscamera's beantwoordt aan de principes van finaliteit, proportionaliteit en subsidiariteit.
Daarnaast voorzien we wel in een meldingsplicht aan de lokale politiezone (naar analogie met bijvoorbeeld het aanmelden van het gebruik van een alarmsysteem). Het is immers belangrijk dat politieambtenaren weten waar op hun grondgebied registrerende camerasystemen aanwezig zijn. Op die manier weten de privacycommissie en de politie waar de systemen zich bevinden. Beiden kunnen dan ter plaatse verifiëren of het systeem aan alle wettelijke bepalingen voldoet. Zo worden zowel het recht op privacy als het recht op veiligheid beschermd.
Beide meldingen dienen te gebeuren op basis van één eenvoudig elektronisch formulier dat via een website kan worden ingevuld. Het formulier wordt dan automatisch verzonden naar de bevoegde korpschef en naar de privacycommissie. De minister van Binnenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer van dit systeem.
Daarnaast garanderen een aantal bijkomende voorwaarden het recht op privacy van ieder individu :
— Een pictogram dat aangeeft dat er zich bewakingscamera's bevinden in de ruimte waarin men zich bevindt.
— Camera's mogen niet gericht zijn op plaatsen waarvan men niet de beheerder is.
— De beelden kunnen enkel worden bekeken om misdrijven, overlast of ordeverstoring te voorkomen, vast te stellen of op te sporen.
— Beelden kunnen enkel worden opgenomen met het oog op het vergaren van bewijzen van een misdrijf.
— Beelden die geen bijdrage kunnen leveren tot het ophelderen van een misdrijf mogen niet langer dan een maand worden bewaard.
Artikel 8
Met betrekking tot de private ruimte wordt geen specifieke procedure voorzien. Wel worden er twee voorwaarden voorzien om de privacy van elkeen te beschermen :
— Private ruimte waar zich één of meer bewakingscamera's bevinden, moeten dit bij de toegang aangeven met behulp van een pictogram.
— De bewakingscamera's mogen niet specifiek gericht zijn op ruimtes waarvan men zelf niet de beheerder is.
Artikel 9
Dit artikel verbiedt elk heimelijk gebruik van bewakingscamera's. Hiermee wordt bedoeld het filmen van een persoon zonder zijn toestemming of zonder het aangeven door middel van een pictogram dat er camerabewaking plaatsvindt.
Artikel 10
Dit artikel bepaalt welke personen toegang hebben tot de in dit kader opgenomen beelden.
De beheerders en de personen die onder hun gezag handelen worden geresponsabiliseerd in het kader van de bescherming van de privacy. Ze moeten vermijden dat onbevoegde toegang hebben tot de beelden van bewakingscamera's. Tevens moeten ze deze beelden behandelen met de nodige discretie. De beelden mogen slechts in welbepaalde gevallen aan welbepaalde personen worden overgemaakt. Ten slotte dienen de beheerders ook bereid te zijn om deze beelden over te maken aan de politiediensten indien zij hierom vragen in het kader van een hun opdrachten van gerechtelijke of bestuurlijke politie.
Artikel 11
Dit artikel verbiedt het vastleggen van beelden van personen op privacygevoelige plaatsen (kamer, toiletten, enzovoort). Technisch kan het registreren van dergelijke beeldgegevens worden voorkomen door het draaibereik van de camera's te beperken of zwarte vlekken op te nemen in de draaibeweging.
Naar analogie met de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens wordt het bewaren van beelden opgenomen door een bewakingscamera enkel en alleen gericht op het registreren en worden opnames die gegevens bevatten over de politieke, ideologische of religieuze gezindheid van een individu alsook gegevens die betrekking hebben op zijn seksuele voorkeur verboden. Er is ook de toestemming van de beheerder vereist. Hierbij kan gedacht worden aan het portaal van een kerk, de ingang van een vakbondslokaal, enzovoort.
Wat betreft de informatie over de raciale of etnische afkomst kan, zoals de commissie voor de persoonlijke levenssfeer opmerkt, de kleur van de gefilmde personen, of zij nu blank of zwart is, niet op zich als gevoelig beschouwd worden, behalve indien het vastleggen van de beelden tot doel zou hebben om de gefilmde personen volgens hun huidskleur in te delen.
Artikel 12
De technische toepassingsmogelijkheden van bewakingscamera's evolueren constant. De overheid moet hierop kunnen anticiperen. Dit artikel biedt de mogelijkheid aan de federale overheid om regelgevend tussen te komen naar aanleiding van nieuwe toepassingssystemen.
Artikel 13
Dit artikel voorziet een mogelijkheid voor een persoon om de beelden op te vragen die van hem werden opgenomen.
In beginsel heeft elke gefilmde het recht de beheerder te verzoeken de beelden waarop hij voorkomt te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist, voor het veiligheidsdoel onvolledig of niet terzake dienend zijn, dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift voorkomen.
De persoon die toegang wenst te hebben tot zijn gegevens moet blijk geven van een duidelijk belang. Hij moet zijn vraag, vergezeld van voldoende gedetailleerde aanwijzingen, om de juiste situering van zijn gegevens op de opname mogelijk te maken (exacte datum, uur en plaats), richten tot de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De Commissie kan de beelden bij de beheerder opvragen en, indien zij de vraag gerechtvaardigd acht, de betrokkene inzage verlenen.
Artikel 14
Dit artikel bevat strafrechtelijke bepalingen ten aanzien van camerapraktijken die nooit door de beugel kunnen. Heimelijk cameratoezicht en het registreren door middel van een bewakingscamera van beelden die de lichamelijke integriteit van een persoon aantasten of gericht zijn op het inwinnen van informatie over strikt persoonlijke aangelegenheden en het veranderen of verbeteren van beelden, zijn strafbaar met een geldboete van tweehonderd vijftig tot duizend euro.
Het niet naleven van alle andere bepalingen van deze wet kan worden bestraft met een geldboete van vijfentwintig tot honderd euro.
Artikel 15
Ten slotte wordt voor de inwerkingtreding van deze wet een overgangsbepaling voorzien, zodat gemeenten of private eigenaars over een termijn van drie jaren beschikken om hun bewakingscamera's te melden conform de bepalingen van deze wet.
| Stefaan NOREILDE Philippe MOUREAUX Ludwig VANDENHOVE Berni COLLAS. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Hoofdstuk I
Definities
Art. 2
Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
1º gemeentelijke openbare ruimte : ruimten behorend tot het openbaar domein, die door de gemeentelijke overheid worden beheerd;
2º niet-gemeentelijke openbare ruimte : ruimten behorend tot het openbaar domein die worden beheerd door een andere dan de gemeentelijke overheid;
3º publiek toegankelijke ruimte : elke ruimte die voor het publiek toegankelijk is en niet behoort tot het openbaar domein. Onder publiek toegankelijk wordt begrepen : elke ruimte waar andere personen dan de beheerder en de personen die er werkzaam zijn toegang hebben ofwel omdat ze geacht worden gewoonlijk toegang te hebben tot die plaats ofwel omdat ze er toegelaten zijn zonder individueel te zijn uitgenodigd;
4º private ruimte : elke ruimte die niet publiek toegankelijk is;
5º bewakingscamera : elk vast of mobiel observatiesysteem dat tot doel heeft misdrijven tegen personen of goederen of overlast te voorkomen, vast te stellen of op te sporen of de orde te handhaven en dat hiervoor beelden van personen verzamelt, verwerkt of bewaart. In een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit wordt een limitatieve opsomming gegeven van systemen die buiten deze definitie vallen.
Hoofdstuk II
Toepassingsgebied en verhouding tot andere wetgeving
Artikel 3
Deze wet is van toepassing op het gebruik van bewakingscamera's met het oog op bewaking en toezicht in de ruimtes bedoeld in artikel 2 van deze wet.
Deze wet is niet van toepassing op het gebruik van bewakingscamera's :
— geregeld door of krachtens een bijzondere wetgeving;
— op de werkplaats met het oog op de veiligheid en gezondheid, de bescherming van de goederen van de onderneming en de controle van het productieproces en de controle van de arbeid van de werknemer;
— op ruimten aangeduid door een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
Artikel 4
Deze wet is van toepassing onverminderd de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
Hoofdstuk III
Voorwaarden waaronder het gebruik van camera's is toegelaten
Artikel 5
§ 1. Het gebruik van bewakingscamera's in de gemeentelijke openbare ruimte voldoet aan de volgende voorwaarden.
De beslissing tot plaatsing van bewakingscamera's in de gemeentelijke openbare ruimte wordt genomen door de gemeenteraad.
De gemeenteraad kan slechts beraadslagen over een voorstel van camerabewaking op basis van een gemotiveerd advies van de korpschef.
Uit dit advies moet blijken dat een veiligheids- en doelmatigheidsanalyse werd uitgevoerd en dat het voorstel beantwoordt aan de beginselen zoals bepaald in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
Het gemotiveerd advies van de korpschef van de politiezone en het verslag van de beraadslaging van de gemeenteraad worden bezorgd aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer die over een termijn van 14 werkdagen beschikt om een advies te formuleren. Bij ontstentenis van advies binnen deze termijn, wordt het advies geacht positief te zijn.
De gemeenteraad neemt na kennisname van deze adviezen een beslissing. De beslissing van de gemeenteraad bepaalt de toegestane termijn voor de exploitatie van de bewakingscamera's, dit met een maximale duur van vijf jaar. Deze termijn kan worden vernieuwd voor eenzelfde periode op voorwaarde dat de exploitatie van de bewakingscamera's wordt geëvalueerd.
§ 2. De camerabewaking wordt op zodanige wijze uitgevoerd dat zij noch beelden van publiek toegankelijke of private ruimten, noch specifiek beelden van de ingangen ervan toont, behoudens uitdrukkelijke toestemming van de beheerders van die ruimten.
§ 3. Bij de toegang tot de gemeentelijke openbare ruimte geeft een pictogram aan dat er camerabewaking plaatsvindt. Het model van dit pictogram en de te vermelden inlichtingen worden door de Koning bepaald.
§ 4. Het bekijken van beelden in real time, onder regie van de politie, is enkel toegelaten teneinde de politie toe te laten onmiddellijk tussen te komen bij incidenten, misdrijven, overlast of ordeverstoring en hun optreden optimaal te sturen. Een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit wijst aan welke andere personen hiervoor bevoegd kunnen zijn en aan welke voorwaarden zij dienen te voldoen.
§ 5. Het bekijken van opgenomen beelden is uitsluitend toegelaten teneinde bewijzen te verzamelen van feiten die een misdrijf of overlast opleveren en daders of ordeverstoorders op te sporen en te identificeren.
Indien de beelden geen bijdrage kunnen leveren tot het bewijzen van een gepleegd misdrijf, overlast of de identiteit van een dader of ordeverstoorder, worden zij niet langer dan één maand bewaard.
Artikel 6
De plaatsing van bewakingscamera's in niet-gemeentelijke openbare ruimtes is enkel toegelaten indien ze voldoet aan volgende voorwaarden.
1º De beslissing tot plaatsing van bewakingscamera's wordt genomen door de niet-gemeentelijke overheid die de ruimte beheert en na goedkeuring in het bevoegde orgaan.
De beslissing dient uiterlijk één dag vóór de inwerkingstelling van de bewakingscamera's aangemeld te worden bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze aanmelding gebeurt op basis van een standaardformulier, waaruit moet blijken of het gebruik van camera's beantwoordt aan de beginselen zoals bepaald in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van dit standaardformulier, alsook de wijze waarop dit standaardformulier aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan worden overgezonden.
2º Naar aanleiding van de beslissing van de plaatsing van bewakingscamera's wordt het advies ingewonnen van de gemeenteraad op wiens grondgebied de bewakingscamera's zullen worden geplaatst. De gemeenteraad moet binnen de maand zijn advies bezorgen. Bij ontstentenis van dit advies, wordt het advies als positief beschouwd.
3º De aanwezigheid van één of meer bewakingscamera's in de niet-gemeentelijke openbare ruimte wordt uiterlijk één dag vóór de inwerkingstelling van de bewakingscamera's door de beheerder van deze ruimte gemeld aan de korpschef van de politiezone waarin de niet-gemeentelijke openbare ruimte is gelegen.
4º In de beslissing van het bevoegde orgaan wordt bepaald voor hoelang de exploitatie van de bewakingscamera's is toegestaan, dit met een maximale duur van vijf jaar. Deze termijn kan worden vernieuwd voor eenzelfde periode op voorwaarde dat de exploitatie van de bewakingscamera's wordt geëvalueerd.
5º Bij de toegang tot de niet-gemeentelijke openbare ruimte geeft een pictogram aan dat er camerabewaking plaatsvindt. Het model van dit pictogram en de te vermelden inlichtingen worden bepaald bij koninklijk besluit.
6º Bewakingscamera's mogen niet specifiek gericht zijn op ruimtes waarvan men niet zelf de beheerder is.
7º Het bekijken van beelden in real time is enkel toegelaten teneinde misdrijven tegen personen of goederen, overlast of ordeverstoring te voorkomen, op te sporen of vast te stellen.
8º Het bekijken van opgenomen beelden is enkel toegelaten teneinde bewijzen te verzamelen van feiten die een misdrijf opleveren.
Indien de beelden geen bijdrage kunnen leveren tot het bewijzen van een gepleegd misdrijf of de identiteit van een dader, mogen zij niet langer dan een maand bewaard worden.
Artikel 7
§ 1. De plaatsing van bewakingscamera's in publiek toegankelijke ruimtes is uitsluitend toegelaten, indien ze voldoet aan volgende voorwaarden.
De beslissing tot plaatsing van bewakingscamera's wordt genomen door de beheerder van de plaats.
De beslissing voor de inwerkingstelling van de bewakingscamera's dient uiterlijk één dag vooraf aangemeld te worden bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze aanmelding gebeurt op basis van een standaardformulier, waaruit moet blijken of het gebruik van camera's beantwoordt aan de beginselen zoals bepaald in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van dit standaardformulier, alsook de wijze waarop dit standaardformulier aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan worden overgezonden.
§ 2. De beheerder van de publiek toegankelijke ruimte meldt uiterlijk op de datum van inwerkingstelling van de bewakingscamera's aan de korpschef van de politiezone waarin de publiek toegankelijke ruimte is gelegen, de aanwezigheid van één of meer bewakingscamera's. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van deze melding.
§ 3. Bij de toegang tot de publiek toegankelijke ruimte geeft een pictogram aan dat er camerabewaking plaatsvindt. Het model van dit pictogram en de te vermelden inlichtingen worden door de Koning bepaald.
§ 4. Bewakingscamera's mogen niet specifiek gericht zijn op ruimtes waarvan men niet zelf de beheerder is.
§ 5. Het bekijken van beelden in real time is enkel toegelaten teneinde misdrijven tegen personen of goederen, overlast of ordeverstoring te voorkomen, op te sporen of vast te stellen.
§ 6. Het bekijken van opgenomen beelden is uitsluitend toegelaten teneinde bewijzen te verzamelen van feiten die een misdrijf opleveren
Indien de beelden geen bijdrage kunnen leveren tot het bewijzen van een gepleegd misdrijf of de identiteit van een dader, worden zij niet langer dan één maand bewaard.
Artikel 8
De plaatsing van bewakingscamera's door de beheerder van een private ruimte is toegelaten onder de volgende voorwaarden.
Bij de toegang tot de private ruimte geeft een pictogram aan dat er camerabewaking plaatsvindt. Het model van dit pictogram wordt door de Koning bepaald. Deze bepaling is niet van toepassing op camera's in webcams, mobiele telefoontoestellen of videoparlofonen.
Bewakingscamera's mogen niet gericht zijn op ruimtes waarvan men niet zelf de beheerder is.
In het geval van de bewaking van een private ingang die grenst aan een openbare plaats, wordt de bewakingscamera zo georiënteerd dat de opname van de openbare ruimte of van de voor het publiek toegankelijke ruimte beperkt wordt.
Hoofdstuk IV
Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 9
Elk heimelijk gebruik van bewakingscamera's is verboden.
Als heimelijk gebruik wordt beschouwd, elk gebruik van bewakingscamera's zonder voorafgaande toestemming van de gefilmde persoon. Het betreden van een ruimte waar een pictogram aangeeft dat er camerabewaking plaatsvindt, geldt als voorafgaande toestemming.
Artikel 10
Uitsluitend de beheerder van de publiek toegankelijke of private ruimte of de persoon die onder zijn gezag handelt hebben toegang tot de beelden.
De beheerder van de ruimte of zijn aangestelde neemt alle nodige voorzorgsmaatregelen teneinde de toegang tot de beelden te beveiligen tegen toegang door onbevoegden.
De personen die toegang hebben tot de beelden hebben een discretieplicht omtrent de persoonsgegevens die de beelden opleveren, met dien verstande dat de beheerder van een publiek toegankelijke of private plaats of de persoon die onder zijn gezag handelt de beelden :
1º kan overmaken aan de politiediensten of gerechtelijke autoriteiten indien hij feiten vaststelt die een misdrijf kunnen vormen en de beelden kunnen bijdragen tot het bewijzen van die feiten en het identificeren van de daders;
2º moet overmaken aan de politiediensten indien zij hierom verzoeken in het kader van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie en met betrekking tot het vastgestelde misdrijf. Indien het een private ruimte betreft, kan de beheerder van de ruimte of de persoon die onder zijn gezag handelt evenwel eisen dat er een gerechtelijk mandaat wordt voorgelegd.
Artikel 11
Bewakingscamera's mogen noch beelden opleveren die de intimiteit van een persoon schenden noch gericht zijn op het inwinnen van informatie over de filosofische, religieuze, politieke, syndicale gezindheid, etnische of sociale origine, het seksuele leven of de gezondheidstoestand.
Artikel 12
Een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit kan het gebruik van bepaalde toepassingen van camerabewaking verbieden of aan bijkomende voorwaarden onderwerpen.
Artikel 13
Gefilmde personen hebben een recht van toegang tot de beelden op voorwaarde dat zij van een duidelijk belang kunnen doen blijken. Zij richten hiertoe een gemotiveerd verzoek aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De Commissie kan op basis van dit verzoek de beelden bij de beheerder opvragen.
Hoofdstuk V
Strafbepalingen
Artikel 14
Overtreding van de artikelen 8, 10 en 12 wordt gestraft met een geldboete van tweehonderdvijftig tot duizend euro. Met dezelfde geldboete wordt gestraft, hij die de beschikking heeft over een afbeelding waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat dit beeld verkregen werd met schending van de artikelen 8, 10 en 12.
Overtreding van de artikelen 2 tot 7, 9, 11 en 13 wordt gestraft met een geldboete van vijfentwintig tot honderd euro. Wordt gestraft met dezelfde geldboete, hij die de beschikking heeft over een afbeelding waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat dit beeld verkregen werd met schending van deze artikelen.
Hoofdstuk VI
Overgangsbepaling
Artikel 15
Bewakingscamera's geplaatst voorafgaandelijk aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, voldoen uiterlijk drie jaren na haar inwerkingtreding aan de bepalingen van deze wet.
21 maart 2006.
| Stefaan NOREILDE Philippe MOUREAUX Ludwig VANDENHOVE Berni COLLAS. |