3-1574/3 | 3-1574/3 |
22 FEBRUARI 2006
I. INLEIDING
Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd door de regering in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend op 26 oktober 2005 (stuk Kamer, nr. 51-2047/1).
Het werd op 16 februari 2006 aangenomen door de plenaire vergadering met 92 stemmen bij 44 onthoudingen.
Het werd op 17 februari 2006 overgezonden aan de Senaat en op 21 februari 2006 geëvoceerd.
De commissie heeft voorliggend wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 22 februari 2006.
II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN ECONOMIE, ENERGIE, BUITENLANDSE HANDEL EN WETENSCHAPSBELEID
De minister stelt dat voorliggende bepalingen omzettingen van Europese richtlijnen betreffen en hij vat vervolgens de toelichting samen die hij in de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft gegeven.
De minister neemt tevens kennis van de bemerkingen uit het advies van de dienst wetsevaluatie van de Senaat (zie bijlage 1), van de amendementen die door de heren Willems, Dedecker en Steverlynck op basis van dit advies werden opgesteld(St. Senaat, nr. 3-1574/2) en van een aantal tekstcorrecties die eveneens door de diensten van de Senaat werden voorgesteld. Hij stelt voor dat de commissie de amendementen en tekstcorrecties zou aanvaarden.
III. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
Artikel 2
Amendement nr. 1
De heer Willems c.s. dienen een amendement in dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 2, a), 1º, het woord « Belgische » te doen vervallen. Het is immers de bedoeling dat net de diploma's afgegeven door andere lidstaten worden geviseerd.
Artikel 4
Amendement nr. 2
De heer Willems c.s. dienen een amendement in dat ertoe strekt in de Nederlandse tekst van het voorgestelde artikel 4, eerste lid, a), het woord « artikel » te vervangen door het woord « richtlijn » aangezien dat de bedoeling was van de tekst.
Artikel 5
Amendement nr. 3
De heren Willems en Dedecker dienen een amendement in dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 5 aan te vullen met een nieuw lid zodat duidelijk wordt bepaald dat de aanvrager de keuze heeft tussen een aanpassingstage en een proeve van bekwaamheid, behalve voor juridische beroepen. In dat laatste geval komt de keuze toe aan het gastland.
Artikel 7
Amendement nr. 4
De heren Willems c.s. dienen een amendement in dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 7, eerste lid, b, tweede streepje, de taalkundige en inhoudelijke onjuiste bepaling « die hem op de uitoefening van dat beroep hebben voorbereid » te doen vervallen.
Artikel 8
Amendement nr. 5
De heer Willems c.s. dienen een amendement in dat ertoe strekt in de Nederlandse tekst van het voorgestelde artikel, eerste lid, b) en c), de woorden « gedurende een zelfde periode » te vervangen door de woorden « gedurende een gelijkwaardige periode » aangezien deze term immers overeenstemt met de eigenlijke bedoeling van de tekst.
Artikel 13
Amendement nr. 6
De heer Willems c.s. dienen een amendement in dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 13 twee wijzigingen aan te brengen. Een eerste wijziging beoogt in de Franse tekst de woorden « en Belgique » in te voegen tussen de woorden « est réglementée » en de woorden « par une association ». Een tweede wijziging beoogt in de Nederlandse tekst het woord « attest » te vervangen door het woord « certificaat ».
Artikel 14
Amendement nr. 7
De heer Willems c.s. dienen een amendement in dat ertoe strekt in de Nederlandse tekst van het voorgestelde artikel volgende wijzigingen aan te brengen :
a) In het eerste lid van de tekst de woorden « 4 en 11 » vervangen door de woorden « 4 tot 11 »;
b) In het tweede lid van de tekst, de woorden « de bevoegde rechterlijke autoriteit » vervangen door de woorden « een nationale rechterlijke instantie ».
IV. STEMMINGEN
De amendementen 1 tot 7 worden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Het geamendeerde ontwerp in zijn geheel wordt eveneens eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Stéphanie ANSEEUW. | Jean-Marie DEDECKER. |
Tekst aangenomen en verbeterd door de commissie (stuk Senaat, nr. 3-1574/4)
BIJLAGE
Nota van de dienst wetsevaluatie
Wetsontwerp tot instelling van het algemeen kader voor de wederzijdse erkenning van beroepsopleidingen
(Stuk, Kamer, 51-2047)
(Stuk, Senaat, 3-1574)
Advies van de diensten
Algemene opmerking
Deze wet is grotendeels onwerkbaar. Dat is het gevolg van een fout in de definitie van het begrip « diploma ». Dat begrip vervult een centrale rol in dit wetsontwerp, zodat de gevolgen van die foute definitie ver reiken.
Volgens artikel 2, eerste lid, a), wordt in deze wet onder diploma verstaan :
« alle diploma's, certificaten en andere titels dan wel elk geheel van dergelijke diploma's, certificaten en andere titels die aan de volgende voorwaarden voldoen :
1º afgegeven door een bevoegde Belgische autoriteit in een lidstaat die is aangewezen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van die lidstaat ».
Dit is fout. Het gaat uiteraard niet om diploma's afgegeven door een bevoegde Belgische autoriteit. Het gaat daarentegen wel om diploma's afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten. Het woord « Belgische » moet worden geschrapt.
Dat blijkt onder meer uit :
1) artikel 1, a, van de richtlijn 89/48/EG, en artikel 1, a, van de richtlijn 92/51/EG, waarvan artikel 2 van het wetsontwerp de omzetting is. In die beide artikelen gaat het telkens om
« afgegeven door een bevoegde autoriteit in een Lid-Staat die is aangewezen overeenkomstig zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen. »
2) de toelichting bij het wetsontwerp (Stuk, Kamer, 51-2047/1, blz. 7 en 8), waarin wordt vermeld dat de diploma's « werden afgegeven of erkend door een bevoegde autoriteit van de Lidstaat van oorsprong ».
Opmerkingen bij de artikelen
Artikel 4
Eerste lid, a) (Nederlandse tekst) :
« hetzij in de zin van richtlijn 89/48/EEG, hetzij in de zin van artikel 92/51/EEG »
wordt « hetzij in de zin van richtlijn 89/48/EEG, hetzij in de zin van richtlijn 92/51/EEG »
Artikel 5
Dit artikel machtigt België om de aanvrager een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar te doen volbrengen of een proeve van bekwaamheid te doen afleggen.
Het artikel bepaalt echter niet dat de aanvrager de keuze heeft tussen de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid.
Moet het artikel niet worden aangevuld met een bepaling in die zin ?
Immers :
a) Artikel 4 van de richtlijn 92/51/EG bepaalt uitdrukkelijk dat de lidstaten de aanvragers die keuzevrijheid moeten laten. Uitzonderingen op het keuzerecht zijn slechts mogelijk mits naleving van een bijzondere procedure of voor specifieke beroepen.
In de toelichting bij dit artikel wordt verklaard dat de keuze aan de aanvrager is. Volgens diezelfde toelichting mag België echter in sommige gevallen ofwel de stage ofwel de proeve opleggen (Stuk, Kamer, 51-2047/1, blz. 15). Moeten zowel dat beginsel als de mogelijkheid om uitzonderingen in te voeren, niet in de wettekst zelf worden opgenomen ?
b) Artikel 7 van het wetsontwerp, dat de hypothese regelt van een aanvrager die wel een certificaat bezit, maar niet het door België geëiste diploma, bepaalt wél dat de aanvrager de keuze heeft tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid.
Artikel 7
In artikel 7, eerste lid, b, tweede streepje, is sprake van de houder van een opleidingstitel die « een studie of beroepsopleidingscyclus zoals bovenvermeld die hem op de uitoefening van dat beroep hebben voorbereid » heeft volbracht.
De woorden « die hem op de uitoefening van dat beroep hebben voorbereid » zijn, in deze bepaling, niet alleen taalkundig onjuist, maar moeten zelfs geheel worden geschrapt. Het is immers niet de studie- of beroepsopleidingscyclus die de houder op de uitoefening van dat beroep moet hebben voorbereid, maar wel de opleidingstitel.
Dat blijkt uit :
1) artikel 5, eerste lid, b, van de richtlijn 92/51/EG, waarvan deze bepaling de omzetting is;
2) artikel 7, eerste lid, b, inleidende zin, van het wetsontwerp, waarin (terecht) reeds sprake is van « een of meer opleidingstitels die hem op de uitoefening van dat beroep hebben voorbereid »;
3) de vergelijking met artikel 8, eerste lid, b, van het wetsontwerp, waarin alleen sprake van de opleidingstitels die hem op de uitoefening van dat beroep hebben voorbereid, en niet van een studie- of beroepsopleidingscyclus die hem op de uitoefening van dat beroep heeft voorbereid.
Artikel 8
a) Luidens de Nederlandse tekst van artikel 8, eerste lid, b, heeft de aanvrager het beroep
« tijdens de voorafgaande tien jaren gedurende twee jaar voltijds of gedurende een zelfde periode deeltijds uitgeoefend. »
Het gaat echter niet over « een zelfde » periode, maar over een « gelijkwaardige » periode. In het Frans is terecht sprake van « une période équivalente à temps partiel. » « Een zelfde » periode is een periode van twee jaar, een gelijkwaardige periode moet proportioneel worden berekend (bijvoorbeeld vier jaar voor een halftijdse uitoefening van het beroep).
Ook in artikel 6, eerste lid, b, van de richtlijn 92/51/EG, waarvan dit artikel de omzetting is, is sprake van een « gelijkwaardige » periode.
Zie ook artikel 4, eerste lid, b, tweede streepje, en artikel 8, eerste lid, b, tweede streepje, waarin telkens terecht het begrip « gelijkwaardig » wordt gebruikt.
b) Ook in de Nederlandse tekst van artikel 8, eerste lid, c, worden ten onrechte de woorden « een zelfde periode deeltijds » gebruikt, in plaats van de woorden « een gelijkwaardige periode deeltijds ».
Artikel 13
a) In de Franse tekst van artikel 13, § 3, ontbreken de woorden « en Belgique » :
« § 3. Lorsqu'une profession est réglementée en Belgique par une association ou organisation ... »
De Nederlandse tekst is correct :
« § 3. Indien een beroep in België is gereglementeerd door een vereniging of organisatie ... » »
b) De Nederlandse tekst van artikel 13, § 3, handelt onder meer over « een attest in de zin van artikel 2, punt b ».
Het moet echter gaan over « een certificaat in de zin van artikel 2, punt b ».
Artikel 14
a) De Nederlandse tekst van de eerste zin van dit artikel is fout :
« Als bewijsmiddel dat aan de in artikelen 4 en 11 gestelde voorwaarden is voldaan, worden de attesten (...) aanvaard. »
De juiste tekst luidt als volgt :
« Als bewijsmiddel dat aan de in artikelen 4 tot 11 gestelde voorwaarden is voldaan, worden de attesten (...) aanvaard. »
In de Franse tekst is terecht sprake van « aux articles 4 à 11 ».
b) De Nederlandse tekst van de laatste zin verschilt van de Franse tekst :
« Tegen dit besluit, of tegen het uitblijven ervan, kan bij de bevoegde rechterlijke autoriteit beroep worden aangetekend. »
« Cette décision, ou l'absence de décision, est susceptible d'un recours juridictionnel de droit interne. »
De Franse tekst is een correcte omzetting van artikel 12.2. van de richtlijn 92/51/EG. Die bepaling luidt in het Nederlands trouwens als volgt :
« Tegen dit besluit, of tegen het uitblijven ervan, kan bij een nationale rechterlijke instantie beroep worden aangetekend. »