3-450/22 | 3-450/22 |
30 NOVEMBER 2005
Nr. 541 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE
Art. 1
Het artikel wijzigen als volgt :
1º de woorden « 197, § 1 » vervangen door de woorden « 197, eerste lid »;
2º de woorden « 304, § 1, eerste lid, 305, 306, § 1, eerste lid, 307, §§ 1 en 2, 309, § 1, 310, § 4 » vervangen door de woorden « 317, § 1, eerste lid, 318, 319, § 1, eerste lid, 320, §§ 1 en 2, 322, § 1, 323, § 4 »;
3º de woorden « 129 tot 132, 134 en 137, 138 en 139 » vervangen door de woorden « 129, 130, 132, eerste lid, 134, 136 en 138, die aangelegenheden regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. ».
Verantwoording
Technische correcties.
Nr. 542 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE
Art. 2
(Artikel 22)
Het voorgestelde artikel 22 wijzigen als volgt :
1º de huidige tekst van het artikel vormt § 1;
2º het artikel aanvullen als volgt :
« § 2. Indien de beklaagde die behoeftig is bevonden, zoals bepaald in de artikelen 508 tot 508/23 van het Gerechtelijk Wetboek, ten minste drie dagen vóór de dag van de terechtzitting de bijstand van een advocaat vraagt, zendt de voorzitter zijn verzoekschrift aan de gemachtigde van het bureau voor juridische bijstand en wordt door diens toedoen een verdediger aangewezen.
Is de zaak in onderzoek, dan kan het verzoek vanaf het eerste verhoor tot de onderzoeksrechter worden gericht.
Het wordt dadelijk doorgezonden aan de gemachtigde van het bureau voor juridische bijstand.
Indien de beklaagde of de verdachte geen van de landstalen spreekt, wijst het bureau voor juridische bijstand een verdediger aan die de taal van de beklaagde of verdachte kent of een andere taal die deze kent. Indien hieraan niet kan worden voldaan, voegt het bureau voor juridische bijstand aan de advocaat, teneinde hem in de mogelijkheid te stellen de verdediging voor te bereiden van de beklaagde of verdachte, een tolk toe, wiens emolumenten ten laste komen van 's Lands kas voor een prestatie van ten hoogste drie uren. De salarisstaten worden door het bureau voor juridische bijstand vastgesteld. De vergoedingen worden berekend met toepassing van het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.
§ 3. Wanneer de verdachte of de beklaagde, onder aanhoudingsmandaat geplaatst, behoort tot een legeronderdeel dat zich in het buitenland bevindt en wanneer de omstandigheden het niet toelaten om een advocaat te kiezen of een advocaat ambtshalve aan te wijzen, kan de commandant van het legeronderdeel waar de persoon zich bevindt, een doctor of licentiaat in de rechten aanwijzen. Bij ontstentenis van een doctor of licentiaat in de rechten wijst hij een officier aan en indien ook geen officier beschikbaar is, een persoon die bekwaam wordt geacht om betrokkene te verdedigen. Hij moet deze onmogelijkheid in het verslag van de commandant van het legeronderdeel vermelden.
Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op alle in het eerste lid bedoelde personen.
Zodra een advocaat kan optreden, trekken de in het eerste lid bedoelde personen zich terug. Bij het strafdossier worden de stukken gevoegd waaruit blijkt dat deze formaliteiten werden nageleefd. »
Verantwoording
De artikelen 184bis en 184ter van het Wetboek van strafvordering werden niet overgenomen in het nieuwe Wetboek. Zij bevatten evenwel belangrijke bepalingen, onder meer inzake de toevoeging van een tolk aan een behoeftige beklaagde.
Het voorgestelde artikel 22 van het nieuwe Wetboek bepaalt enkel dat de rechtsbijstand wordt geregeld overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek. Dit amendement vult artikel 22 aan met de tekst van de artikelen 184bis en 184ter van het Wetboek van strafvordering.
Nr. 543 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE
Art. 2
(Artikel 67)
Het voorgestelde artikel 67 aanvullen met een § 3, luidende :
« § 3. Een federale magistraat wordt belast met het toezicht op de werking van de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie. Deze magistraat waakt er in het bijzonder over dat de gespecialiseerde gerechtelijke opdrachten door deze algemene directie worden uitgevoerd overeenkomstig de vorderingen en richtlijnen van de gerechtelijke overheden.
Een federale magistraat wordt belast met het specifieke toezicht op de werking van de « dienst ter bestrijding van de corruptie » binnen de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie. Deze magistraat brengt jaarlijks verslag uit aan de minister van Justitie. Het verslag wordt door de minister van Justitie aan de Wetgevende Kamers medegedeeld. Deze magistraat kan door het Parlement worden gehoord over de algemene werking van deze « dienst ter bestrijding van de corruptie ».
Verantwoording
Overname van artikel 47tredecies van het Wetboek van strafvordering. Dat artikel werd niet overgenomen in het wetsvoorstel, hoewel het niet de bedoeling is om de functie van federale magistraat af te schaffen.
Nr. 544 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE
Art. 2
(Artikel 374)
Het voorgestelde artikel 374, tweede lid, aanvullen als volgt :
« 17. van de overtredingen en de wanbedrijven gepleegd ter terechtzitting van de politierechtbank. »
Verantwoording
De zittingsmisdrijven worden best vermeld in artikel 374, dat de bevoegdheden van de politierechtbank opsomt, en niet in artikel 376, dat de vormen van aanhangigmaking betreft.
Aldus wordt bovendien de symmetrie met de bepalingen inzake de correctionele rechtbank hersteld. Ook daar worden de zittingsmisdrijven vermeld als een bevoegdheid, niet als een vorm van aanhangigmaking.
Bovendien is de politierechtbank niet bevoegd voor alle zittingsmisdrijven, zoals de Nederlandse tekst van artikel 376 ten onrechte bepaalt. Misdaden die worden gepleegd ter terechtzitting van een politierechtbank, behoren tot de bevoegdheid van de hoven van Assisen (zie artikel 506 van het Wetboek van strafvordering, overgenomen in artikel 46 van het wetsvoorstel houdende regeling van enkele bijzondere rechtsplegingen in strafzaken en andere diverse bepalingen).
Anderzijds is de politierechtbank niet alleen bevoegd voor wanbedrijven die ter zitting worden gepleegd, zoals de Franse tekst van artikel 376 ten onrechte bepaalt, maar ook voor overtredingen die ter zitting worden gepleegd. Het huidige artikel 181 van het Wetboek van strafvordering vermeldt weliswaar alleen de zittingswanbedrijven, maar wordt vanouds ook toegepast voor de regeling van overtredingen ter zitting begaan (Cass., 2 juni 1887, Pas., blz. 283).
Nr. 545 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE
Art. 2
(Artikel 376)
Het voorgestelde artikel 376, eerste lid, 7º, doen vervallen.
Verantwoording
De zittingsmisdrijven worden in dit artikel vermeld als één van de vormen waarop een zaak bij de politierechtbank aanhangig kan worden gemaakt.
Zij horen echter veeleer thuis in artikel 374, dat de bevoegdheden van de politierechtbank opsomt.
Aldus wordt bovendien de symmetrie met de bepalingen inzake de correctionele rechtbank hersteld. Ook daar worden de zittingsmisdrijven vermeld als een bevoegdheid, niet als een vorm van aanhangigmaking.
Nr. 546 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE
Art. 2
(Artikel 382)
Het voorgestelde artikel 382, 6º, vervangen als volgt :
« 6º overtredingen en wanbedrijven gepleegd ter terechtzitting van de correctionele rechtbank. »
Verantwoording
De correctionele rechtbank is niet bevoegd voor alle zittingsmisdrijven, zoals de Nederlandse tekst van artikel 382 ten onrechte bepaalt. Misdaden die worden gepleegd ter zitting van een rechtbank waartegen hoger beroep openstaat, behoren tot de bevoegdheid van de hoven van Assisen (zie artikel 506 van het Wetboek van strafvordering, overgenomen in artikel 46 van het wetsvoorstel houdende regeling van enkele bijzondere rechtsplegingen in strafzaken en andere diverse bepalingen).
Anderzijds is de correctionele rechtbank niet alleen bevoegd voor wanbedrijven die ter zitting worden gepleegd, zoals de Franse tekst ten onrechte bepaalt. Het huidige artikel 181 van het Wetboek van strafvordering vermeldt weliswaar alleen de zittingswanbedrijven, maar wordt vanouds ook toegepast voor de regeling van overtredingen ter zitting begaan (Cass., 2 juni 1887, Pas., blz. 283). Het verdient aanbeveling dit uitdrukkelijk in de wettekst zelf te bepalen.
Nr. 547 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE
Art. 40
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 40. — Artikel 111, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt opgeheven. »
Verantwoording
Artikel 111, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat er achterstand in correctionele zaken is zodra het onmogelijk is geworden te voldoen aan artikel 209 van het Wetboek van strafvordering. Aangezien artikel 209 van het Wetboek van strafvordering niet wordt overgenomen in het nieuwe Wetboek, moet artikel 111, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek worden opgeheven.
Nr. 548 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE
Art. 56
Het 1º vervangen als volgt :
« 1º § 1, derde lid, wordt vervangen door de volgende twee leden :
« Artikel 332, tweede lid, van het Wetboek van strafprocesrecht is van toepassing.
In dringende gevallen kunnen de termijnen worden verkort en de partijen gedagvaard om nog op de dag zelf en op een bepaald uur te verschijnen, krachtens een door de rechter in de politierechtbank verleende cedel. »
Verantwoording
De wet van 20 juli 2005 voegde in de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer een artikel 55bis in. Paragraaf 1 van die bepaling luidt als volgt :
« § 1. De procureur des Konings kan een beschikking tot verlenging van de intrekking met ten hoogste drie maanden vorderen voor de politierechtbank.
Tussen de datum van de dagvaarding en de datum van verschijning moet een termijn van ten minste zeven dagen gelaten worden.
Artikel 146, tweede en derde lid, van het Wetboek van strafvordering is van toepassing.
Onverminderd de wettelijke bepalingen bevat de dagvaarding tevens een opgave van de feiten die de gedaagde in die stand van het onderzoek ten laste worden gelegd. »
Artikel 146, derde lid, van het Wetboek van strafvordering luidt als volgt :
« In dringende gevallen kunnen de termijnen worden verkort en de partijen gedagvaard om nog op de dag zelf en op een bepaald uur te verschijnen, krachtens een door de rechter in de politierechtbank verleende cedel. »
Deze bepaling wordt niet overgenomen in het nieuwe Wetboek van strafprocesrecht. Het nieuwe artikel 332 bepaalt dat de termijnen tussen de dagvaarding en de verschijning kunnen worden verkort, doch dat de termijn niet korter mag zijn dan acht dagen.
Dit druist in tegen de bedoeling van de wetgever van 20 juli 2005, die, voor de bijzondere hypothese van een vordering tot verlenging van de intrekking van het rijbewijs, wenste te voorzien in de mogelijkheid om te dagvaarden op de dag zelf.
Om die reden stelt dit amendement voor de mogelijkheid om te dagvaarden op de dag zelf op te nemen in de wet van 16 maart 1968.
Nr. 549 VAN DE HEER HUGO VANDENBERGHE
Art. 132
Het artikel vervangen als volgt :
« Art. 132. De bepalingen van het Wetboek van strafvordering die een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet regelen, worden opgeheven.
De bepalingen van hetzelfde Wetboek die een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet regelen, worden opgeheven. »
| Hugo VANDENBERGHE. |
Nr. 550 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 1)
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Dit artikel dient in feite tot niets. Het zegt gewoon dat dit wetboek in overeenstemming dient te zijn met hogere normen.
Nr. 551 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 7)
In het voorgestelde artikel 7 § 3 doen vervallen.
Verantwoording
Bij gebrek aan definiëring van wat onder « specifieke wetgeving » moet worden verstaan, is het voor de strafrechter geenszins duidelijk hoe deze paragraaf in de praktijk moet worden toegepast.
Nr. 552 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 26)
Het tweede lid van dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Met enig respect voor de hiërarchie van de rechtsnormen is het volstrekt onnodig dat de wetgevende macht in zijn wetgevende akten reeds gaat verwijzen — expliciet of impliciet — naar ministeriële circulaires waar in de praktijk bij de toepassing van de wet mee rekening zal moeten worden gehouden.
Nr. 553 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 34 — Opschrift)
Het opschrift van de afdeling 2 « Minnelijke schikking en bemiddeling » vervangen als volgt : « Afdeling 2 — Minnelijke schikking ».
Verantwoording
Dit amendement heeft tot doel de tekst in overeenstemming te brengen met ons amendement nr. 554 tot schrapping van artikel 35.
Nr. 554 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 35)
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
De ganse procedure van strafbemiddeling is omslachtig en veroorzaakt een enorme werk- en financiële last bij parketten en justitieassistenten. Bovendien biedt de bemiddeling niet de garantie op een goed verloop. Het slachtoffer geraakt daarenboven hierdoor niet altijd wegwijs in de verschillende stadia van de procedure. De strafbemiddeling is niet alleen tijdrovend, vaak inefficiënt, maar vooral zeer kostelijk. Daarnaast is er ook nog steeds het systeem van het verval van strafvordering door betaling van een geldboete omschreven in artikel 34 indien het parket een alternatief wil voorstellen voor een effectieve strafvervolging.
Nr. 555 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 37)
In het vierde lid van het voorgestelde artikel 37 de woorden « en vanaf ieder gebruik » vervangen door de woorden « respectievelijk vanaf het laatste gebruik ».
Verantwoording
Zo blijft de dader strafbaar zolang hij gebruik maakt van een vals stuk en wordt de verjaring van de strafvordering pas aangevat op het moment dat hij ophoudt het misdrijf van gebruik van valse stukken te plegen.
Nr. 556 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 44)
Het tweede lid van het voorgestelde artikel 44 vervangen als volgt :
« De verklaring, in persoon of door een advocaat gedaan, gebeurt hetzij door middel van een brief aan het openbaar ministerie, hetzij door een schriftelijke verklaring ter griffie van het parket, hetzij door de loutere verklaring in het proces-verbaal van klachtneerlegging dat men als slachtoffer vergoed wenst te worden voor de geleden schade. »
Verantwoording
Er dienen zo weinig mogelijk formele vereisten te worden opgelegd aan het slachtoffer van een misdrijf.
Nr. 557 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 79)
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Aan deze aan getuigen van een aanslag opgelegde verplichting dient een sanctie gekoppeld te worden in geval van niet-naleving van deze verplichting. In die zin hoort dit artikel niet thuis in het Wetboek van strafprocesrecht, maar dient het te worden ingevoegd in het Strafwetboek.
Nr. 558 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 86)
In het voorgestelde artikel 86 het 1º, f) doen vervallen.
Verantwoording
In het kader van een efficiënte misdaadbestrijding is het niet noodzakelijk de te verhoren persoon nog eens uitdrukkelijk te wijzen op het feit dat hij niet moet antwoorden nog vóór er hem al enige vraag is gesteld, ook al heeft hij dat recht.
Nr. 559 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 92)
In § 2, eerste zin, van het voorgestelde artikel 92 het woord « uitsluitingsperimeter » vervangen door het woord « afbakening ».
Verantwoording
De term « afbakening » is beter dan een loutere en moeilijke vertaling uit de Franse tekst.
Nr. 560 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 99)
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 99. — Behalve in kennelijk spoedeisende gevallen en behalve wanneer de procureur des Konings er in een met redenen omklede beslissing anders over oordeelt, verloopt het bevolen deskundigenonderzoek op tegenspraak.
Als zij gekend zijn, worden zowel de verdachte als de burgerlijke partij en de persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd, vóór het deskundigenverslag wordt opgemaakt, opgeroepen om alle verrichtingen van de deskundige bij te wonen, waarbij zij zich kunnen laten bijstaan door een advocaat en een technisch raadsman. Indien welbepaalde burgerlijke partijen en personen die een verklaring van benadeelde persoon hebben afgelegd manifest geen belang hebben bij een specifiek deskundigenonderzoek, dienen zij niet opgeroepen te worden zoals hierboven in vorige lid bepaald. »
Verantwoording
Stel dat de verdachte van een diefstal van een autoradio het voorwerp uitmaakt van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek dat niet alleen betrekking heeft op deze kleine diefstal, maar op een honderdtal inbraken gepleegd gedurende ettelijke jaren door een bende, waarvan vermoed wordt dat deze verdachte hiervan deel uitmaakt, dan zou het absurd zijn elk van de mogelijke honderden burgerlijke partijen deel te laten nemen aan de tientallen deskundigenonderzoeken die niet eens betrekking hebben op het feit waarvoor de eigenaar van de radio zich burgerlijke partij heeft gesteld of een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd.
Nr. 561 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 124)
In § 2, eerste lid, tweede zin, van het voorgestelde artikel 124 het woord « aangetekende » doen vervallen.
Verantwoording
In de huidige dagelijkse praktijk wordt steeds het inzagerecht per gewone brief gevraagd, hetgeen geen bijzondere problemen oplevert, zodat een wijziging van dit gebruik zich niet opdringt.
Nr. 562 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 152)
Het tweede lid van het voorgestelde artikel 152 vervangen als volgt :
« Slechts indien het slachtoffer hem daartoe op schriftelijke wijze verzoekt, dient de onderzoeksrechter eerstgenoemde te verhoren. Het verhoor van het slachtoffer dient in elk geval en zelfs zonder uitdrukkelijk verzoek daartoe plaats te vinden wanneer het gaat om een strafbaar feit bedoeld in de artikelen 347bis, 368, 373, 375 en 392 tot 410 van het Strafwetboek ».
Verantwoording
Op die manier wordt onnodige werklast voor de onderzoeksrechter vermeden. Slachtoffers kunnen zo ook verhoord worden door de politie. Zo zien de indieners van dit amendement niet in waarom de onderzoeksrechter het verhoor in elk geval persoonlijk zou moeten doen.
Nr. 563 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 155)
In het derde lid van het voorgestelde artikel 155 de woorden « met uitzondering van punt 1º, f) » doen vervallen.
Verantwoording
In ons amendement nr. 558 aangaande artikel 86 wezen wij erop dat in het kader van efficiënte misdaadbestrijding de te verhoren persoon niet noodzakelijk uitdrukkelijk moet gewezen worden op het feit dat hij niet moet antwoorden nog vóór er hem al enige vraag is gesteld, ook al heeft hij dit recht. We schrapten dan ook punt f), waardoor bovenstaande uitzonderingsbepaling niet langer van toepassing is.
Nr. 564 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 172)
In het voorgestelde artikel 172 de volgende wijzigingen aanbrengen :
A) § 3 doen vervallen.
B) In § 4, de woorden « Het in § 3 gestelde verbod vindt geen toepassing. » vervangen door de woorden « Het in § 1 gestelde verbod vindt geen toepassing. »
C) In § 4, het 1º doen vervallen.
D) In § 4, het 2º, 3º, 4º en 5º hernummeren tot respectievelijk 1º, 2º, 3º en 4º.
E) In het laatste lid van § 4, de woorden « waarvan sprake in het eerste lid, 3º » vervangen door de woorden « waarvan sprake in het eerste lid, 2º ».
F) § 4 hernummeren tot § 3.
Verantwoording
1. Er dient geen beperking aan de huiszoeking te worden opgelegd afhankelijk van het feit of het nu dag dan wel nacht is.
2. De tekst in zijn huidige vorm vergeet te bepalen dat er overdag een huiszoeking zonder huiszoekingsbevel kan gebeuren ingeval van toestemming, oproep, brand, overstroming of misdaad op heterdaad.
Nr. 565 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 205)
In het derde lid van het voorgestelde artikel 205 de tweede zin doen vervallen.
Verantwoording
Dit amendement heeft tot doel de tekst in overeenstemming te brengen met ons amendement nr. 550 strekkende tot opheffing van artikel 1.
Nr. 566 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 276)
Het voorgestelde artikel 276 doen vervallen.
Verantwoording
1. § 1, 1º : Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft gesteld dat de beklaagde steeds het recht heeft zich te laten vertegenwoordigen bij de behandeling van de zaak ten gronde.
2. § 1, 2º : Deze « nieuwe en ernstige omstandigheden » moeten wettelijk bepaald zijn, aangezien het recht op vrijheid een grondwettelijk recht is. Alleen dezelfde omstandigheden die reeds wettelijk bepaald zijn voor het uitvoeren van het eerste bevel tot aanhouding kunnen gelden. Dit punt 2º is dus overbodig.
3. § 2 : Indien de rechter ten gronde zelf een verdachte kan laten aanhouden op grond van aanwijzingen van schuld (dus geen bewijzen), komt deze rechter wel als bevooroordeeld over. Dit schept een probleem van gebrek aan objectiviteit en recht op eerlijk proces. Bovendien komt de rechter ten gronde in een lastige situatie terecht wanneer hij de beklaagde na volledige behandeling van de zaak ten gronde dient vrij te spreken, want dan moet hij impliciet toegeven dat het bevel tot aanhouding niet noodzakelijk was.
Nr. 567 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 307)
Het voorgestelde artikel 307 vervangen als volgt :
« Art. 307. — De beeld- of geluidsdragers die als onderzoeksmateriaal of als bewijsmiddel werden gehanteerd in de loop van zowel het opsporings- als gerechtelijk onderzoek, als in de loop van de behandeling van de strafzaak ten gronde, dienen in elk geval ter griffie bewaard te worden en kunnen slechts vernietigd worden na afloop van de verjaringstermijn van de strafvordering of van de burgerlijke rechtsvordering wanneer deze op een later tijdstip valt en, ingeval van veroordeling, na de volledige tenuitvoerlegging of verjaring van de straf. »
Verantwoording
De indieners van dit amendement vragen zich af op welke grond men kan beslissen om vroegtijdig bewijsmateriaal te vernietigen. Zij zijn van mening dat foutieve interpretaties of kwaadwillige manipulaties nadien nog aangetoond moeten kunnen worden.
Nr. 568 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 381)
Het voorgestelde artikel 381 doen vervallen.
Verantwoording
Wij zijn van oordeel dat elke procespartij — dader of slachtoffer — het recht heeft om zich op kosteloze wijze een afschrift van het vonnis of arrest te laten toesturen indien het afschrift niet reeds overhandigd werd ter zitting. Dit recht dient niet afhankelijk gesteld te worden van de aard van het misdrijf of van de bevoegdheid van de rechtbank die de beslissing genomen heeft, noch van het feit of al dan niet een burgerlijke partij aanwezig was.
Nr. 569 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 576)
Het voorgestelde artikel 576 doen vervallen.
Verantwoording
De ganse procedure van strafbemiddeling is omslachtig en veroorzaakt een enorme werk- en financiële last bij parketten en justitieassistenten. Bovendien biedt de bemiddeling niet de garantie op een goed verloop. Het slachtoffer geraakt daarenboven hierdoor niet altijd wegwijs in de verschillende stadia van de procedure. De strafbemiddeling is niet alleen tijdrovend, vaak inefficiënt, maar vooral zeer kostelijk. Daarnaast is er ook nog steeds het systeem van het verval van strafvordering door betaling van een geldboete omschreven in artikel 34 indien het parket een alternatief wil voorstellen voor een effectieve strafvervolging.
Nr. 570 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 577)
Het voorgestelde artikel 577 doen vervallen.
Verantwoording
Zelfde verantwoording als bij amendement nr. 569.
Nr. 571 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 578)
Het voorgestelde artikel 578 doen vervallen.
Verantwoording
Zelfde verantwoording als bij amendement nr. 569.
Nr. 570 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 579)
Het voorgestelde artikel 579 doen vervallen.
Verantwoording
Zelfde verantwoording als bij amendement nr. 569.
Nr. 573 VAN MEVROUW VAN DERMEERSCH EN DE HEER CEDER
Art. 2
(Artikel 235)
Het voorgestelde artikel 235 doen vervallen.
Verantwoording
Er is nu een duidelijke opsplitsing tussen onderzoeks- en vonnisgerecht; die zou wegvallen.
Quid met de behandeling van de burgerlijke belangen die in zeer veel gevallen veel meer tijd in beslag neemt dan de behandeling van de zaak op strafgebied. Men denke aan het geval van slagen en verwondingen met tijdelijk of blijvend lichamelijk letsel waarbij er medische onderzoeken en ingewikkelde berekeningen zijn. Het zou de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling — die reeds moet oordelen over alle voorlopige hechtenissen en maandelijkse verschijningen — zwaar overbelasten.
| Anke VAN DERMEERSCH Jurgen CEDER. |