3-450/24 | 3-450/24 |
30 NOVEMBER 2005
HOOFDSTUK I
Artikel 1
Deze wet regelt aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, met uitzondering van de in artikel 2 bedoelde artikelen 15, 16, 17, 24, 26, 30, 32, 34, 35, 36, § 2, 46, 48, tweede lid, 51, 52, §§ 1 en 2, 55, eerste lid, 57, 60, tweede lid, 63, 64, 67, 68, 70, § 1, eerste lid, 80, 81, 85, 92, 93, 100, § 1, 103, 104, 105, 108, 110, 111, 121, §§ 1 en 4 tot 6, 124, § 1, 125, § 1, 127, 128, 131, tweede lid, 132, 134, § 1, eerste lid, 136, 137, §§ 2 en 4, 140, 142 tot 145, 152, eerste lid, 153, 163, § 1, 167, 168, § 1, eerste lid, 169, eerste lid, 171, 178, 182, 183, § 1, 184, §§ 1 tot 5, 192, § 1, 193, §§ 1 en 2, 197, eerste lid, 198, 204, 211, derde lid, 212, §§ 1, 5 en 6, 213, §§ 1, 4 en 5, 214, §§ 1, 5 en 6, 215, 218, 219, 227, 232, 235, § 1, 237, 242, 246, 247, 250, 1º en 9º, 251, 252, 263, § 1, 268, § 1, 269, eerste lid, 273, §§ 1 en 2, 274, §§ 3 tot 5, 275, 276, 278, § 1, 279, § 2, 282, § 2, 283, § 1, 284, § 1, 286, 287, 290 tot 296, 317, § 1, eerste lid, 318, 319, § 1, eerste lid, 320, §§ 1 en 2, 322, § 1, 323, § 4, 313, 326, 372 tot 375, 382, 383, 390, 398, 500, eerste lid, 514, 517, 521, 529, 551, 554 tot 558, 570, 571 en 575, en van de artikelen 13, 41 tot 54, 129, 130, 132, eerste lid, 134, 136 en 138, die aangelegenheden regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
HOOFDSTUK II
Art. 2
WETBOEK VAN STRAFPROCESRECHT
Art. 22
§ 1. De rechtsbijstand wordt geregeld overeenkomstig Deel IV, Boek 1 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 2. Indien de beklaagde die behoeftig is bevonden, zoals bepaald in de artikelen 508 tot 508/23 van het Gerechtelijk Wetboek, ten minste drie dagen vóór de dag van de terechtzitting de bijstand van een advocaat vraagt, zendt de voorzitter zijn verzoekschrift aan de gemachtigde van het bureau voor juridische bijstand en wordt door diens toedoen een verdediger aangewezen.
Is de zaak in onderzoek, dan kan het verzoek vanaf het eerste verhoor tot de onderzoeksrechter worden gericht.
Het wordt dadelijk doorgezonden aan de gemachtigde van het bureau voor juridische bijstand.
Indien de beklaagde of de verdachte geen van de landstalen spreekt, wijst het bureau voor juridische bijstand een verdediger aan die de taal van de beklaagde of verdachte kent of een andere taal die deze kent. Indien hieraan niet kan worden voldaan, voegt het bureau voor juridische bijstand aan de advocaat, ten einde hem in de mogelijkheid te stellen de verdediging voor te bereiden van de beklaagde of verdachte, een tolk toe, wiens emolumenten ten laste komen van 's Lands kas voor een prestatie van ten hoogste drie uren. De salarisstaten worden door het bureau voor juridische bijstand vastgesteld. De vergoedingen worden berekend met toepassing van het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.
§ 3. Wanneer de verdachte of de beklaagde onder aanhoudingsbevel geplaatst, behoort tot een legeronderdeel dat zich in het buitenland bevindt en wanneer de omstandigheden het niet toelaten om een advocaat te kiezen of een advocaat ambtshalve aan te wijzen, kan de commandant van het legeronderdeel waar de persoon zich bevindt, een doctor of licentiaat in de rechten aanwijzen. Bij ontstentenis van een doctor of licentiaat in de rechten wijst hij een officier aan en indien ook geen officier beschikbaar is, een persoon die bekwaam wordt geacht om betrokkene te verdedigen. Hij moet deze onmogelijkheid in het verslag van de commandant van het legeronderdeel vermelden.
Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op alle in het eerste lid bedoelde personen.
Zodra een advocaat kan optreden, trekken de in het eerste lid bedoelde personen zich terug. Bij het strafdossier worden de stukken gevoegd waaruit blijkt dat deze formaliteiten werden nageleefd.
Art. 67
§ 1. De procureur des Konings van de plaats van het misdrijf, die van de plaats waar de verdachte verblijft of zijn laatste gekende verblijfplaats heeft gehad, die van de plaats waar de verdachte werd of kan worden gevonden en, wat betreft de rechtspersonen, die van de plaats van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon en die van de plaats van de bedrijfszetel van de rechtspersoon, zijn bevoegd om de handelingen op het gebied van opsporing of gerechtelijk onderzoek te verrichten of te gelasten die tot hun bevoegdheid behoren.
De procureur des Konings die binnen die bevoegdheid kennis krijgt van een misdrijf, kan buiten zijn arrondissement alle handelingen verrichten of gelasten die tot zijn bevoegdheid behoren op het gebied van opsporing of gerechtelijk onderzoek. Hij stelt de procureur des Konings van het arrondissement waar de handeling verricht moet worden hiervan in kennis.
§ 2. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden beschikt de federale procureur over alle wettelijke bevoegdheden van de procureur des Konings. In het kader daarvan kan hij over het gehele Belgisch grondgebied alle handelingen verrichten of gelasten die tot zijn bevoegdheden behoren, alsmede de strafvordering uitoefenen.
De federale procureur neemt alle dringende maatregelen die met het oog op de uitoefening van de strafvordering noodzakelijk zijn, zolang een procureur des Konings zijn wettelijk bepaalde bevoegdheid niet heeft uitgeoefend. Deze maatregelen zijn bindend voor de procureur des Konings.
§ 3. Een federale magistraat wordt belast met het toezicht op de werking van de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie. Deze magistraat waakt er in het bijzonder over dat de gespecialiseerde gerechtelijke opdrachten door deze algemene directie worden uitgevoerd overeenkomstig de vorderingen en richtlijnen van de gerechtelijke overheden.
Een federale magistraat wordt belast met het specifieke toezicht op de werking van de « dienst ter bestrijding van de corruptie » binnen de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie. Deze magistraat brengt jaarlijks verslag uit aan de minister van Justitie. Het verslag wordt door de minister van Justitie aan de Wetgevende Kamers medegedeeld. Deze magistraat kan door het Parlement worden gehoord over de algemene werking van deze « dienst ter bestrijding van de corruptie ».
Art. 374
De politierechtbank neemt kennis van de overtredingen.
Onverminderd het recht van het openbaar ministerie om een opsporingsonderzoek in te stellen of een gerechtelijk onderzoek te vorderen inzake wanbedrijven, neemt zij bovendien kennis :
1. van de misdrijven in het Veldwetboek omschreven;
2. van de misdrijven in het Boswetboek omschreven;
3. van de misdrijven omschreven in de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van dronkenschap, met uitzondering van die bedoeld in de artikelen 8 en 11, eerste en tweede lid;
4. van de misdrijven omschreven in de wetten op de riviervisserij;
5. van de misdrijven omschreven in de wetten en verordeningen op de barelen, de openbare en geregelde diensten van gemeenschappelijk vervoer te land en te water, de wegen te land en te water en het wegverkeer;
6. van de wanbedrijven omschreven in de artikelen 418 tot 420bis van het Strafwetboek, wanneer de doding, de slagen of verwondingen het gevolg zijn van een verkeersongeval;
7. van de wanbedrijven omschreven in de artikelen 22, 23 en 26 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;
8. van de misdrijven omschreven in de artikelen 56 en 57 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999;
9. van de misdrijven omschreven in de provincieverordeningen, met uitzondering van de verordeningen door de provinciegouverneurs en de arrondissementscommissarissen vastgesteld krachtens de artikelen 128 en 139 van de provinciewet;
10. van de misdrijven omschreven in de gemeenteverordeningen tenzij anders wordt bepaald;
11. van de misdrijven omschreven in het koninklijk besluit van 6 december 1897 betreffende het toezicht over het krijgsdomein;
12. van het misdrijf omschreven in artikel 4 van de wet van 30 juli 1922 waarbij een verlofbrief voor de vogelvangst met netten ingevoerd wordt;
13. van de misdrijven omschreven in de wet van 24 juli 1923 ter bescherming van militaire duiven en ter beteugeling van het aanwenden van duiven voor verspieding;
14. van de misdrijven omschreven in de artikelen 77 tot 79 van de besluitwet van 25 februari 1947 tot coördinatie en wijziging van de wetten betreffende de pensioenregeling voor de mijnwerkers en de ermee gelijkgestelden;
14. van de misdrijven omschreven in de artikelen 77 tot 79 van de besluitwet van 25 februari 1947 tot coördinatie en wijziging van de wetten betreffende de pensioenregeling voor de mijnwerkers en de ermee gelijkgestelden;
15. van de misdrijven omschreven in de artikelen 155 en 158 van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 19 december 1939;
16. van de wanbedrijven waarvan de kennisneming hem door een bijzondere bepaling is opgedragen;
17. van de overtredingen en de wanbedrijven gepleegd ter terechtzitting van de politierechtbank.
Na verzachtende omstandigheden in aanmerking genomen te hebben overeenkomstig de artikelen 233 en 234, neemt de politierechtbank tevens kennis van de gecontraventionaliseerde wanbedrijven.
Art. 376
Een zaak kan bij de politierechtbank aanhangig worden gemaakt :
1º door een beschikking tot verwijzing van de raadkamer of door een arrest tot verwijzing van de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer het feit slechts een overtreding is of wordt door het in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden. Deze beslissing wordt gevolgd door een dagvaarding om te verschijnen, die op verzoek van het openbaar ministerie aan de beklaagde wordt betekend;
2º door een rechtstreekse dagvaarding betekend aan de beklaagde, op verzoek van het openbaar ministerie of op verzoek van het slachtoffer, in de vorm en op de wijze bepaald in dit Wetboek;
3º door de rechtstreekse dagvaarding als bedoeld in artikel 233, tweede lid;
4º door een arrest van het Hof van Cassatie waarbij de zaak na regeling van rechtsgebied naar de politierechtbank wordt verwezen;
5º door vrijwillige verschijning van de beklaagde op gewoon bericht, zonder dat het openbaar ministerie een dagvaarding moet uitbrengen, of door een gewoon verzoek van de magistraat op de terechtzitting, indien de beklaagde het debat aanvaardt over een andere tenlastelegging dan deze bedoeld in de dagvaarding;
6º door middel van een oproeping bij procesverbaal overeenkomstig artikel 30.
In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1º en 4º tot 6º, roept het openbaar ministerie de partijen in het geding op.
Art. 382
De correctionele rechtbank neemt kennis van :
1º het beroep ingesteld tegen vonnissen van de politierechtbank;
2º misdrijven die bij wet worden gestraft met een correctionele straf en waarvan de kennisneming niet aan de politierechtbank is opgedragen;
3º misdaden die gecorrectionaliseerd zijn doordat, overeenkomstig de artikelen 230 en 231, een verschoningsgrond of verzachtende omstandigheden in aanmerking worden genomen;
4º overtredingen bedoeld in artikel 2ter van de wet van 24 februari 1924 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen;
5º overtredingen die samenhangen met wanbedrijven die tot haar bevoegdheid behoren;
6º overtredingen en wanbedrijven gepleegd ter terechtzitting van de correctionele rechtbank.
HOOFDSTUK III
Wijzigingsbepalingen
Art. 40
Artikel 111, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt opgeheven.
Art. 56
In artikel 55bis van dezelfde gecoördineerde wetten, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º § 1, derde lid, wordt vervangen door de volgende twee leden :
« Artikel 332, tweede lid, van het Wetboek van strafprocesrecht is van toepassing.
In dringende gevallen kunnen de termijnen worden verkort en de partijen gedagvaard om nog op de dag zelf en op een bepaald uur te verschijnen, krachtens een door de rechter in de politierechtbank verleende cedel. »
2º in § 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het derde lid worden de woorden « artikel 162 van het Wetboek van strafvordering » vervangen door de woorden « de artikelen 535 en 536 van hetWetboek van strafprocesrecht »;
b) in het vierde lid worden de woorden « artikel 187, eerste tot vierde lid, van het Wetboek van strafvordering » vervangen door de woorden « de artikelen 500 en 501, eerste lid, van het Wetboek van strafprocesrecht ».
HOOFDSTUK IV
Opheffingsbepalingen
Art. 132
De bepalingen van het Wetboek van strafvordering die een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet regelen, worden opgeheven.
De bepalingen van hetzelfde Wetboek die een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet regelen, worden opgeheven.