3-132 | 3-132 |
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Er zou een wijziging worden voorbereid aan de wet van 6 augustus 1990 op de ziekenfondsen op voorstel van de Controledienst voor de ziekenfondsen, waarbij de concurrentiemogelijkheden tussen ziekenfondsen zouden worden beperkt. Een aantal ziekenfondsen hebben daarover de alarmklok geluid.
De minister heeft al gesuggereerd dat het om een werkdocument gaat met een aantal denksporen. De Controledienst stelt voor om voortaan met drie types van diensten te werken in de aanvullende verzekering: diensten die de ziekenfondsen moeten aanbieden en waarbij de leden aangesloten moeten zijn, diensten die ze mogen aanbieden en waarbij de leden aangesloten moeten zijn en diensten die ze mogen aanbieden en waarbij de leden aangesloten mogen zijn.
Die verplichte aansluiting bij de aanvullende verzekering voor alle aangesloten leden is voor mij al een eerste grote zorg. Is dit geen inbreuk op de vrijheid van aansluiting en bovendien een concurrentievervalsing ten opzichte van de private verzekeringen?
Er zou ook bij koninklijk besluit een lijst worden opgesteld van diensten die door de aanvullende verzekeringen moeten worden aangeboden. Er wordt dus geen democratisch debat meer gevoerd over wat in een aanvullende verzekering moet worden verzekerd en wat in de eerste pijler thuishoort, maar de minister zou daar zelf over kunnen beslissen. De minister zei eerder al terecht dat het onze zorg moet zijn om in de eerste pijler van de ziekteverzekering een maximale toegang en maximale solidariteit te blijven garanderen voor de patiënten en vooral voor de zwakste onder hen. Op een gespreksdag over de grenzen aan de gezondheidszorg in de VUB vandaag waren de sprekers het erover eens dat er nu al een sluipende privatisering aan de gang is. Wat hier wordt voorgesteld gaat ook in die richting: er is een verschuiving van wat in de eerste pijler moet zitten naar een tweede pijler. Dit behoeft een debat over de keuzes die daarbij moeten worden gemaakt en over een wettelijke regeling voor wat betreft de toegankelijkheid en de risicoselectie in de aanvullende verzekeringen.
Daarnaast zou de mogelijkheid om reclame te maken worden beperkt. Dit is het resultaat van een bittere strijd die op het terrein wordt uitgevochten om patiënten te overtuigen om van ziekenfonds te veranderen. Maar is een dergelijke beperking niet concurrentievervalsend? Ziekenfondsen kunnen immers enkel concurreren met hun aanbod en met de kwaliteit van dat aanbod in de aanvullende verzekering. Als dat wordt weggenomen, vrees ik dat er opnieuw een soort concurrentie zou kunnen ontstaan in de verplichte pijler van de ziekteverzekering. Men zou dan in de toepassing van de wettelijke ziekteverzekering, bijvoorbeeld door lakser te zijn met het afgeven van attesten, een concurrentievoordeel kunnen halen op een ander ziekenfonds.
Het laatste deel van mijn vraag betreft de maximumfactuur en het dubbel gebruik. De minister heeft verklaard dat hij daar iets aan wil doen in het wetsontwerp tot uitvoering van de begroting 2006. Hij zegt dat hij de zorgverstrekkers op de hoogte zal brengen van de toepassing van de maximumfactuur. Ik wens daarover graag enige verduidelijking.
Zullen de ziekenhuizen, die de meeste kosten factureren, geen remgelden meer kunnen aanrekenen als de maximumfactuur wordt toegepast? Geldt dat ook voor de zorgverleners van de eerste lijn, namelijk de artsen en de apothekers? De zorgverstrekkers en zeker de artsen zijn daar mijns inziens nog niet klaar voor. De integratie van de sociale en de fiscale maximumfactuur maakt het iets gemakkelijker omdat de uitgaven voor de maximumfactuur dan via één kanaal verlopen. De praktische uitvoering doet niettemin nog heel wat vragen rijzen.
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen heeft me op de hoogte gebracht van het bestaan van een werkdocument met voorstellen tot wijziging van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.
Een van de voorstellen betreft het onderscheid tussen drie types van diensten van de vrije en aanvullende verzekering, namelijk de diensten die een ziekenfonds ten minste moet inrichten en waarbij de leden zich verplicht moeten aansluiten, de diensten die het ziekenfonds mag inrichten en waarbij de leden zich in voorkomend geval moeten aansluiten, de diensten die een ziekenfonds mag inrichten en waarbij de leden zich mogen aansluiten.
Een ander voorstel betreft de invoering van het maximumbedrag dat een ziekenfonds of een landsbond per kalenderjaar mag gebruiken voor reclamedoeleinden.
Deze twee voorstellen werden in het werkdocument opgenomen na advies van het Nationaal Intermutualistisch College.
Het werkdocument bevat alleen de denksporen die door de Raad van de Controledienst werden voorgelegd aan het Technisch Comité binnen de Controledienst waarin onder meer de verschillende verzekeringsinstellingen vertegenwoordigd zijn met het oog op een zo breed mogelijk debat over de beraadslaging binnen het Nationaal Intermutualistisch College.
Tot nog toe werd geen enkel dossier ingediend. Als zulks het geval zou zijn, zal ik dat onderzoeken rekening houdend met de opmerkingen van mevrouw Van de Casteele.
Wat de aanvullende verzekering betreft, zal ik de voorrang geven aan de behoeftedekking inzake gezondheidszorg in het kader van de verplichte verzekering. Bovendien zal het ontwerp ter uitvoering van de begroting 2006 een bepaling bevatten die de dubbele betaling via de maximumfactuur en de aanvullende verzekeringen, moet voorkomen. Hiertoe zullen de gegevens ook worden meegedeeld aan de zorgverstrekkers en aan de verpleeginrichtingen.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik heb dit antwoord reeds veertien dagen geleden gekregen en ben ik niet veel wijzer geworden. Het kan volgens mij nooit de bedoeling zijn dat de minister alleen beslist over wat verplicht en wat aanvullend moet worden verzekerd. Het kan evenmin de bedoeling zijn dat wie geen aanvullende verzekering wil, zich bij de hulpkas moet aansluiten. Er zijn precedenten waarbij de vrije aansluiting voor de tweede pensioenpijler ook moest worden gegarandeerd tegenover de sociale verzekeringskassen.
Het kan ook niet dat de concurrentie via de aanvullende verzekeringen van de mutualiteit wordt vervalst aangezien dit laatste systeem een aantal voordelen biedt ten opzichte van andere privé-verzekeringsmaatschappijen met een gelijkaardig aanbod. De vrije concurrentie moet behouden blijven.
Ik dring aan op een voorafgaand debat over een wettelijke reglementering voor de aanvullende verzekeringen, waarbij de toegankelijkheid en de risicoselectie van die verzekeringen wordt georganiseerd.
Ik blijf met vragen zitten over het dubbel gebruik van de maximumfactuur. Hopelijk kunnen we hierover debatteren bij de bespreking van de programmawet. Ik vrees alleen dat we dan te weinig tijd zullen hebben voor een grondig debat.