3-1404/1

3-1404/1

Belgische Senaat

ZITTING 2005-2006

21 OKTOBER 2005


Wetsvoorstel betreffende daderherkenning en het recht van slachtoffers van misdrijven om foto's van daders die op heterdaad gefilmd of gefotografeerd werden openbaar te maken

(Ingediend door mevrouw Anke Van dermeersch en de heer Jurgen Ceder)


TOELICHTING


Aan de basis van dit wetsvoorstel ligt de spijtige maar feitelijke vaststelling dat de overheid faalt in haar strijd tegen de criminaliteit. Voorliggend wetsvoorstel strekt ertoe de herkenning van daders van misdrijven te bevorderen, naar analogie van de foto's van opsporingsberichten die door de media worden getoond en de filmbeelden die via opsporingsprogramma's op de televisie worden getoond. Handelaars en beoefenaars van vrije beroepen die het slachtoffer worden van een misdrijf, zouden het recht krijgen om foto's van daders die op heterdaad gefilmd of gefotografeerd werden, openbaar te maken.

Het recht op afbeelding (of het portretrecht) is het recht om te beslissen of men al dan niet gefotografeerd wil worden. Zonder de toestemming van de afgebeelde persoon mag men geen foto maken, reproduceren, publiceren, aan het publiek mededelen ... Het recht op afbeelding is enkel van toepassing op personen die niet in de openbare belangstelling staan. Bij publieke personen, zoals politici en mensen uit de muziekwereld, wordt de toestemming tot publicatie van hun afbeelding vermoed, voor zover de foto's genomen werden tijdens de uitoefening van hun openbare activiteiten. De uitoefening van het portretrecht is ook afhankelijk van het feit of de afgebeelde persoon zelf de opdracht heeft gegeven tot het maken van de foto of niet. Het recht op afbeelding vervalt twintig jaar na de dood van de afgebeelde persoon.

Het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (« het EVRM ») heeft het in artikel 8 over het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Volgens de rechtspraak betekent dit ook dat het recht op afbeelding is beschermd. Men hoeft niet te bewijzen dat de reproductie van de afbeelding nadeel heeft berokkend.

Artikel 10 van de Belgische wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht zegt : « De auteur of de eigenaar van een portret dan wel enige andere persoon die een portret bezit of voorhanden heeft, heeft niet het recht het te reproduceren of aan het publiek mede te delen zonder toestemming van de geportretteerde of, gedurende twintig jaar na diens overlijden, zonder toestemming van zijn rechtverkrijgenden. ». Volgens dit principe moet de toestemming van de persoon op de foto worden gevraagd. Voor publieke personen en privépersonen die tijdelijk in het openbare leven treden, wordt de toestemming als impliciet beschouwd, voor zover de foto's met betrekking tot het openbare leven van de betrokkenen worden gepubliceerd in een context van gebeurtenissen die met de actualiteit te maken hebben.

Volgens de rechtspraak impliceert iemands toestemming om een foto te maken niet dat hij toestemming geeft om zijn foto te reproduceren of mee te delen aan het publiek. De rechtspraak bevestigt tevens dat men er niet vanuit mag gaan dat de persoon op de foto toestemming geeft om voor alle doeleinden te beschikken over de negatieven : de uitdrukkelijke toestemming tot publicatie is vereist.

Opdat iemand het recht op afbeelding kan inroepen, moet de persoon op de foto kunnen worden geïdentificeerd. Het recht op afbeelding is niet van toepassing op personen die langs achteren of in een menigte werden gefotografeerd.

Het recht op privacy is een mensenrecht dat onder andere in het EVRM wordt omschreven. Artikel 8 van het EVRM bepaalt inderdaad :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is bepaald en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. »

Het recht op privacy is dus duidelijk niet absoluut en zeker niet onbeperkt. De wet kan in afwijkingen voorzien in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Deze beperkingen moeten in een democratische samenleving nodig zijn.

« Winkeliers moeten zonder risico op een strafproces en schadeclaims foto's van winkeldieven kunnen publiceren. Winkeldieven genieten in dit land momenteel te veel bescherming. » Dat vindt het Nederlandse Platform Detailhandel, belangenbehartiger van grootwinkelketens en zelfstandige ondernemers in de detailhandel. Platform Detailhandel roept minister Donner (Justitie) op de noodzakelijke wijzigingen in portret-, auteurs- en privacywetten door te voeren. De moderne variant van de schandpaal moet toekomstige winkeldieven afschrikken en helpen daders te pakken. Het platform heeft zich altijd terughoudend opgesteld tegenover de publicatie van foto's van dieven, maar vindt dat de maat nu vol is.

« Het water staat de winkeliers aan de lippen. Winkeldiefstal kost gewoon te veel, » zegt secretaris winkeldiefstal Annet Koster van Platform Detailhandel. « Wij zeggen niet dat alle winkeldieven op posters in winkels moeten komen. Er kleven soms ook nadelen aan, zoals represailles door de dief. Maar ondernemers die ervoor kiezen naar dit middel te grijpen, moeten niet later een proces aan hun broek kunnen krijgen. »

De discussie rond het ophangen van foto's van winkeldieven is opnieuw opgelaaid nu een ondernemer in Roden een poster in zijn winkel heeft opgehangen van een winkeldievegge. Justitie en politie stonden meteen bij de winkelier op de stoep met de eis de foto te verwijderen. De ondernemer houdt echter voet bij stuk en werd daarom overstelpt met steunbetuigingen van winkeliers en klanten uit het hele land.

De afgelopen jaren hebben verschillende ondernemers dit middel al eens beproefd. Vorig jaar bleek dat in Friesland nog uiterst effectief toen de dief van een laptop het apparaat bij de winkelier terugbracht nadat zijn foto was opgehangen in de zaak. Volgens Koster van Platform Detailhandel geven de winkeliers die foto's ophangen, een belangrijk signaal. « Wij krijgen signalen van supermarkten, drogisterijen en andere winkels die het niet meer redden door de enorme kosten van winkeldiefstal. Justitie en politie doen gewoon te weinig. Aangiftes blijven liggen, dus nemen ondernemers het heft zelf in handen. ».

De jongste jaren komen middenstanders steeds vaker in het geweer tegen winkeldieven. Bij een tankstation in Drunen werden alle bewakingsbeelden opgehangen. Ook een videotheek in Alkmaar en een sigarenboer in Amsterdam hoopten op herkenning. Winkeldiefstal en overvallen kosten het Nederlandse bedrijfsleven jaarlijks ruim een miljard euro aan directe schade en kosten voor beveiligingsmaatregelen (« Winkeldieven worden te veel beschermd — Middenstand eist groen licht voor tonen daderfoto's », De Telegraaf, 1 juni 2005).

Het komt ons voor dat de situatie in België niet veel anders zal zijn. Er wordt voorgesteld de slachtoffers van misdrijven die beschikken over een foto van de dader, het recht toe te kennen om deze daderfoto openbaar te maken. De benadeelde overhandigt de daderfoto aan de verbalisanten en laat in het proces-verbaal optekenen dat hij deze foto openbaar wil maken. De politiediensten verwittigen het parket, dat over achtenveertig uur beschikt om zich tegen deze publicatie te verzetten. Tegen dit verzet kan de benadeelde binnen zeven dagen na kennisname hiervan opkomen door zich tot de voorzitter van de raadkamer te wenden. De voorzitter van de raadkamer doet uitspraak zoals in kort geding.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Dit artikel regelt het recht om daderfoto's te publiceren. Zij die het slachtoffer zijn van een misdrijf en beschikken over een of meer foto's of filmbeelden van de dader of de daders van het misdrijf, genomen vóór, tijdens of na het plegen van het misdrijf, mogen deze foto's, hierna zoals reeds gezegd « daderfoto's » genoemd, openbaar maken, en inzonderheid door middel van affiches, publicatie in tijdschriften en via het internet, wanneer de daders op heterdaad door een camera werden gefilmd of gefotografeerd, op voorwaarde dat zij het bepaalde in het volgende artikel in acht nemen. Alleen het slachtoffer van het misdrijf mag de daderfoto publiceren, geen buitenstaanders. Anderzijds is het niet vereist dat de daderfoto gemaakt werd door het slachtoffer zelf.

Het tweede lid regelt het geval waarin een daderfoto een persoon voorstelt die duidelijk minderjarig is. De bepaling van het vorige lid blijft van toepassing, zelfs indien de daderfoto een persoon afbeeldt die minderjarig is.

Artikel 3

Dit artikel bevat waarborgen tegen het lichtvaardig openbaar maken van foto's die personen afbeelden die zouden gefilmd zijn als dader van een misdrijf.

Artikel 4

Artikel 4 van het wetsvoorstel bevat een strafbepaling. Zij die daderfoto's openbaar maken in strijd met de bepalingen van deze wet worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro of met een van die straffen alleen.

De voorgestelde wet is een bijzondere strafwet waarop artikel 100 van het Strafwetboek van toepassing is. Daarom wordt er bepaald dat alle bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, van toepassing zijn op het misdrijf omschreven in dit artikel. Dat wil hoofdzakelijk zeggen dat de straf kan verminderd worden wanneer er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn.

Artikel 5

Het is nuttig deze wet na een voldoende lange periode te laten beoordelen op haar praktische toepassing.

Anke VAN DERMEERSCH
Jurgen CEDER.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Hij die het slachtoffer is van een misdrijf als omschreven in boek 2, titel IX, hoofdstuk I, afdelingen I en II, van het Strafwetboek en beschikt over foto's of filmbeelden van de dader of daders, genomen of gemaakt vóór, tijdens of na het plegen van het misdrijf, mag die foto's, hierna « daderfoto's » genoemd, openbaar maken door middel van affiches, publicatie in tijdschriften of via het internet, hierna « afficheren » genoemd.

Het eerste lid is van toepassing, zelfs indien de op de daderfoto afgebeelde persoon minderjarig is.

Art. 3

§ 1. Hij die gebruik maakt van het recht om daderfoto's te afficheren, kan in geen geval strafrechtelijk of burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld worden, wanneer hij zijn voornemen heeft laten opnemen in het proces-verbaal dat door de politiediensten werd opgemaakt. Bij het proces-verbaal wordt een kopie van de daderfoto's gevoegd. Het proces-verbaal vermeldt een adres, telefoonnummer, faxnummer of e-mailadres waarop het slachtoffer te bereiken is.

De verbalisanten brengen het voornemen van het slachtoffer onmiddellijk ter kennis van de procureur des Konings en vermelden het tijdstip van de kennisgeving in hun proces-verbaal.

§ 2. De procureur des Konings kan zich binnen achtenveertig uur na de kennisgeving tegen de affichering van de daderfoto's verzetten. Hij betekent zijn met redenen omkleed verzet aan het slachtoffer per brief, per faxbericht of per elektronische post met ontvangstbevestiging.

Het verzet kan alleen worden gedaan op grond van de overweging dat er tegen de gefotografeerde persoon te weinig aanwijzingen van schuld aanwezig zijn.

§ 3. In geval van verzet van de procureur des Konings kan het slachtoffer zich binnen zeven dagen na de kennisgeving van het verzet wenden tot de voorzitter van de raadkamer.

De zaak wordt ingeleid op eenzijdig verzoekschrift neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank of overgezonden aan de griffie, en wordt behandeld in raadkamer zoals in kort geding, met toepassing van de regels gesteld in het Wetboek van strafvordering. De griffier brengt het verzoekschrift onverwijld ter kennis van de procureur des Konings. Het verzoekschrift hoeft niet door een advocaat te worden ondertekend.

De voorzitter van de raadkamer doet uitspraak na het openbaar ministerie te hebben gehoord. Zijn beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande de aanwending van enig rechtsmiddel.

§ 4. Het recht om daderfoto's te afficheren houdt op zodra de dader gevat is en het slachtoffer daarvan op de hoogte werd gesteld door het parket.

Art. 4

Hij die daderfoto's afficheert in strijd met de bepalingen van deze wet wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro of met een van die straffen alleen.

De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in het eerste lid.

Art. 5

Deze wet wordt drie jaar na haar inwerkingtreding door de Koning geëvalueerd, na het college van procureurs-generaal te hebben gehoord. De Koning brengt bij de Wetgevende Kamers verslag uit van die evaluatie.

10 oktober 2005.

Anke VAN DERMEERSCH
Jurgen CEDER.