3-1366/1 | 3-1366/1 |
3 OKTOBER 2005
De regering onderwerpt vandaag aan uw goedkeuring de Algemene Overeenkomst ondertekend te Brussel op 29 mei 2002, betreffende de ontwikkelingssamenwerking tussen België en Laos.
Deze Algemene Overeenkomst betreft exclusief de ontwikkelingssamenwerking en is dus exclusief een federale overeenkomst.
1. Achtergrond en ontstaan van de Algemene Overeenkomst
Geschiedenis van de samenwerking van Laos met België
Alhoewel België de « Mekong River Commission » (Vietnam, Cambodja, Thailand en Laos) sinds de jaren zestig steunt is de Belgische samenwerking met Laos betrekkelijk nieuw.
In 1994 neemt België deel aan de « Round Table Meeting » van UNDP toegewijd aan Laos.
In 1995 participeert België in een eerste project van technische bijstand aan de « Hervorming van het Gezondheidssysteem en de Malaria Controle » voornamelijk gefinancierd door de Wereldbank.
Verder worden ook Voedsel- en Spoedhulp aan Laos toegekend.
In 1998 stuurt België ontmijners naar Laos in het kader van het project « Ontmijning in de provincie Champassak », met als objectief het leveren van « on the job » training voor Laotiaanse ontmijners.
In december 1997 besluit de Belgische Ministerraad, op basis van voorstellen van de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking Mr. Moreels, Laos als één van de partnerlanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking te beschouwen.
Een samenwerkingssectie wordt geopend in oktober 1997.
Een pre-programmatie zending van de directe bilaterale Belgo-Laotiaanse samenwerking voor de jaren 1999-2002 vindt plaats in november 1998. De begroting voor deze eerste samenwerkingsperiode wordt op 300 miljoen BEF geschat.
Een Gemengde Commissie wordt te Vientiane op 19 en 20 april 1999 georganiseerd.
Volgens de wet van 25 mei 1999 wordt een maximum 25 partnerlanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking weerhouden op basis van strenge objectieve criteria. Opnieuw wordt Laos als partnerland weerhouden (goedkeuring door de Ministerraad van 4 mei 2000).
Gedurende de periode 1999-2002 betrof de directe bilaterale samenwerking volgende sectoren : gezondheidszorg, basisinfrastructuur en maatschappijopbouw.
Een micro-interventie programma (MIP) werd gestart en studiebeurzen werden ter beschikking van Laotiaanse studenten gesteld.
De multilaterale samenwerking begon met volgende partners : WHO, UNDP en de Aziatische Ontwikkelingsbank.
De niet-gouvernementele samenwerking startte met 4 NGO's (Damiaan Aktie, Oxfam, Handicap International België en WAAW).
Vervolgens is CIUF een universitaire samenwerking met de Universiteit van Laos begonnen. APEFE heeft het Tropisch Medisch Instituut te Vientiane gesteund.
Ter gelegenheid van het bezoek aan Laos van de heer Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, vindt een pre-programmatiezending plaats te Vientiane van 13 tot 17 januari 2002. Deze wordt afgesloten met de opstelling van een ontwerp van Indicatief Samenwerkingsprogramma (ISP) 2002-2006.
Het voorgestelde ISP 2002-2006 wordt gedurende de tweede gemengde Commissie op 29 mei 2002 goedgekeurd.
De prioritaire sectoren van de Belgische samenwerking in Laos zijn de volgende : gezondheidszorg, onderwijs, basisinfrastructuur, landbouw en voedselzekerheid en maatschappijopbouw.
De Belgische interventies zijn ook geografisch hoofdzakelijk geconcentreerd in de provincies Vientiane en Savannakhet.
De Belgische prioriteiten zijn in overeenkomst met die van het partnerland wiens prioriteit de strijd tegen armoede is met als doelstelling het ontgroeien van de status van MOL (Minst Ontwikkelde Landen) tegen 2020.
De Wet betreffende de Belgische internationale samenwerking
Met deze wet geeft België een wettelijk kader aan zijn ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. De wet werd op 25 mei 1999 door de Kamer van volksvertegenwoordigers goedgekeurd en verscheen in het Belgisch Staatsblad van 1 juli 1999. Onder meer beperkt de wet de bilaterale samenwerking tot maximum 25 partners, landen of regionale organisaties van landen, geselecteerd op basis van de zeven criteria die de wet voorschrijft. Laos maakte deel uit van deze bevoorrechte 25 bilaterale partners.
Op de Ministerraad van 7 november 2003 wordt het aantal partners teruggebracht van 25 naar 18. Als gevolg van de beslissing op deze Ministerraad maakt Laos geen deel meer uit van de 18 actuele bilaterale partnerlanden.
De regering van Laos ontwierp strategieën voor sociaal-economische ontwikkeling en armoedebestrijding. Ze integreerde de beste ervaringen van de afgelopen jaren in nationale sectorale ontwikkelingsstrategieën die de nadruk leggen op 8 prioritaire ontwikkelingsprogramma's :
— voedselproductie,
— stabilisatie/vermindering van « slash and burn » cultuur,
— handelsproductie,
— infrastructuur,
— verbetering van socio-economisch management en buitenlandse economische relaties,
— rurale ontwikkeling,
— human resources,
— dienstensector.
Donoren beoordelen deze strategieën op een positieve wijze en menen dat het nuttig is het beleid van de regering rechtstreeks te steunen. België sluit zich aan bij dat standpunt.
Tijdens de laatste Belgische programmatiezending in Laos in januari 2002, werd voorgesteld het Belgisch samenwerkingsbeleid te concentreren op 5 sectoren in 2 provincies.
Een Indicatief Samenwerkingsprogramma (ISP) wordt project- of programmagewijs vastgelegd over een periode van 4 jaar.
Daarenboven blijft België Laos steunen bij zijn inspanningen om armoede te bestrijden.
De projecten en programma's zullen voor uitvoering in essentie aan BTC worden toevertrouwd.
De Algemene Overeenkomst werd ondertekend te Brussel op 29 mei 2002 door de Belgische staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking Eddy Boutmans en de Vice-President van de « Committee for Planning and Co-operation » Khempeng Pholsena.
2. Doel en inhoud van de Algemene Overeenkomst
Het doel van dit kaderakkoord is onze algemene samenwerkingsrelatie met Laos op een juridische en verdragsrechterlijke basis te gronden.
Hierbij worden een aantal fundamentele beginselen centraal gesteld :
— het respect van de mensenrechten,
— de ontwikkeling en de versterking van de democratie,
— de gelijke behandeling van man en vrouw,
— de bescherming en de vrijwaring van het leefmilieu,
— het naleven van de algemene principes en de fundamentele rechten in de werksfeer.
De inhoud van dit kaderakkoord bepaalt de essentiële kenmerken die de bilaterale samenwerking tussen België en Laos zal hebben :
— betreffende de sectoren waarin de Belgische hulp zal gebruikt worden :
— de basisgezondheidszorg, inclusief de reproductieve gezondheidszorg,
— het onderwijs en vorming,
— de landbouw en de voedselzekerheid,
— de basisinfrastructuur,
— en de conflictpreventie en maatschappij-opbouw;
— betreffende de thema's die de Belgische hulp transsectoraal zal benadrukken :
— de gelijkheid van rechten en kansen voor mannen en vrouwen,
— de zorg voor het leefmilieu,
— en de sociale economie.
Ten slotte schept dit akkoord het kader dat de concretisering van de samenwerkingsrelaties tussen België en Laos mogelijk maakt. Die concretisering zal gebeuren via het afsluiten van Bijzondere Overeenkomsten die de tenuitvoerlegging van projecten en programma's organiseren.
Om redenen van doeltreffendheid, geloofwaardigheid en juridische zekerheid is het nuttig, zoals gebeurd is bij de goedkeuring van het « Memorandum of Understanding » met Zuid-Afrika, in artikel 3 van het ontwerp van wet te stellen dat de getekende Bijzondere Overeenkomsten
— na hun ondertekening aan het Parlement zullen medegedeeld worden;
— volkomen gevolg zullen hebben op de datum die zij zullen bepalen.
Zij zullen dus geen afzonderlijk voorwerp uitmaken van een parlementaire goedkeuring. Aangezien het Parlement zal ingelicht zijn, zal het zijn bevoegdheden kunnen laten gelden.
Het afsluiten van die Bijzondere Overeenkomsten is toevertrouwd aan de minister die de Ontwikkelingssamenwerking onder zijn bevoegdheid heeft.
Op 28 juli 2005 heeft de Raad van State zijn advies gegeven met betrekking tot het voorontwerp van wet houdende instemming met de Algemene Samenwerkingsovereenkomst tussen het Koninkrijk België en de Democratische Volksrepubliek Laos, ondertekend te Brussel op 29 mei 2002 (Advies nr. 38.759/2/V).
Ten gevolge van het advies van de Raad van State werd het ontwerp van wet aangevuld met een artikel 3, dat als volgt luidt :
« Art. 3. — De specifieke overeenkomsten gesloten op basis van artikel 6 van deze Overeenkomst zullen de uitvoeringsmodaliteiten bepalen van de interventies voorzien door haar artikel 3.
Deze specifieke overeenkomsten zullen gesloten worden door de minister van Ontwikkelingssamenwerking of door een andere persoon die te dien einde werd gemachtigd; zij zullen medegedeeld worden aan het Parlement meteen na hun ondertekening en zij zullen volkomen gevolg hebben op de datum die zij zullen bepalen. »
De specifieke overeenkomsten worden niet noodzakelijk door de minister van Ontwikkelingssamenwerking ondertekend.
De minister van Buitenlandse Zaken,
Karel DE GUCHT.
De minister van Ontwikkelingssamenwerking,
Armand DE DECKER.
Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
Onze Groet.
Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken en van Onze minister van Ontwikkelingssamenwerking,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Onze minister van Buitenlandse Zaken en Onze minister van Ontwikkelingssamenwerking zijn ermee belast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
De Algemene Samenwerkingsovereenkomst tussen het Koninkrijk België en de Democratische Volksrepubliek Laos, ondertekend te Brussel op 29 mei 2002, zal volkomen gevolg hebben.
Art. 3
De specifieke overeenkomsten gesloten op basis van artikel 6 van deze Overeenkomst zullen de uitvoeringsmodaliteiten bepalen van de interventies voorzien door haar artikel 3.
Deze specifieke overeenkomsten zullen gesloten worden door de minister van Ontwikkelingssamenwerking of door een andere persoon die te dien einde werd gemachtigd; zij zullen medegedeeld worden aan het Parlement meteen na hun ondertekening en zij zullen volkomen gevolg hebben op de datum die zij zullen bepalen.
Gegeven te Brussel, 27 september 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De minister van Buitenlandse Zaken,
Karel DE GUCHT.
De minister van Ontwikkelingssamenwerking,
Armand DE DECKER.
VERTALING
ALGEMENE SAMENWERKINGSOVEREENKOMST
tussen het Koninkrijk België en de Democratische Volksrepubliek Laos.
Het KONINKRIJK BELGIË
en
de DEMOCRATISCHE VOLKSREPUBLIEK LAOS
hierna te noemen « de Partijen »,
Vastbesloten de band aan te halen in het kader van het partnerschap en de samenwerking die ze wensen te bevorderen op basis van wederzijds respect, soevereiniteit en gelijkheid van beide Partijen, het nastreven van duurzame harmonieuze ontwikkeling die alle geledingen van hun respectieve bevolking en inzonderheid de minstbedeelden ten goede komt,
Herbevestigend hun gehechtheid aan :
— de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, de democratische waarden en mensenrechten als vastgelegd in de Universele Verklaring van de Mensenrechten en de Wereldconferentie over de mensenrechten die in juni 1993 in Wenen plaatshad;
— het 20/20 concept dat in maart 1995 werd aangenomen op de Wereldtop van Kopenhagen over Sociale Ontwikkeling
— de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie met betrekking tot de beginselen en fundamentele rechten op werk, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in juni 1998;
— de waardigheid en waarde van mensen, mannen en vrouwen, actoren en begunstigden van ontwikkeling, die overeenkomstig de aanbevelingen van de vierde Wereldconferentie over Vrouwen die in september 1995 in Beijing gehouden werd, gelijke rechten hebben;
— de bescherming en het behoud van het milieu alsmede de tenuitvoerlegging van Agenda 21 als goedgekeurd op de VN-Conferentie over Milieu en Ontwikkeling die in juni 1992 in Rio de Janeiro gehouden werd;
Ervan overtuigd dat deze beginselen de wezenlijke grondslag vormen van een samenwerkingsverband tussen beide Partijen;
Overwegende dat het belangrijk is een politiek en wettelijk kader te creëren voor de samenwerking tussen beide Partijen, dat geschraagd wordt door een dialoog en gedeelde verantwoordelijkheid;
ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN :
Art. 1
Doel
Deze algemene overeenkomst heeft ten doel het politiek, institutioneel en wettelijk kader vast te leggen voor tussen beide Partijen overeengekomen directe bilaterale samenwerking.
Art. 2
Doelstelling van de directe bilaterale samenwerking
Het hoofddoel van deze samenwerking is verder werk te maken van duurzame menselijke ontwikkeling. Met dit doel voor ogen zal ze ernaar streven armoede te bestrijden, een partnerschap tussen de volkeren van beide Partijen tot stand te brengen, de democratie, de rechtsstaat, de rol van de civiele samenleving en een behoorlijk bestuur te bevorderen, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, menselijke vrijheid en de mensenrechten in de hand te werken en alle vormen van discriminatie te bestrijden, ongeacht of deze is ingegeven door sociale, etnische, godsdienstige of filosofische beweegredenen of genderbepaald is.
Art. 3
Prioritaire sectoren en thema's
De directe bilaterale samenwerking tussen de Partijen wordt toegespitst op de volgende sector(en) :
1. eerstelijnsgezondheidszorg, met inbegrip van de reproductieve gezondheid;
2. onderwijs en opleiding;
3. landbouw en voedselveiligheid;
4. basisinfrastructuur;
5. conflictpreventie en community building,
en op de volgende sectoroverstijgende thema's :
1. gelijke rechten en kansen voor mannen en vrouwen;
2. respect voor het milieu;
3. sociale economie.
Art. 4
Indicatieve samenwerkingsprogramma's
Met het oog op de tenuitvoerlegging van zodanige directe bilaterale samenwerking, worden door de Gemengde Commissie als vermeld in artikel 5 indicatieve samenwerkingsprogramma's gezamenlijk goedgekeurd of vastgelegd.
De doelstellingen van deze programma's liggen in de lijn van deze van de ontwikkelingsplannen van de Democratische volksrepubliek Laos en van de doelstellingen als vermeld in artikel 2.
Daarnaast behelzen de indicatieve samenwerkingsprogramma's de sectoren en thema's als vermeld in artikel 3. Ze dienen ervoor te zorgen dat :
— de institutionele en managementcapaciteit versterkt wordt door een grotere rol toe te bedelen aan het lokale management en de lokale uitvoering;
— de programma's technisch en financieel leefbaar zijn, ook wanneer België geen middelen meer verstrekt;
— de programma's op doelmatige en efficiënte wijze worden uitgevoerd en de doelgroepen zo nauw mogelijk worden betrokken bij de besluitvorming.
Art. 5
Gemengde Commissie
Een Gemengde Commissie samengesteld uit vertegenwoordigers van beide Partijen zal de indicatieve samenwerkingsprogramma's waarvan sprake in artikel 4, goedkeuren of vastleggen. Ook zal ze zorgen voor het toezicht op en de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de programma's teneinde ze zo nodig bij te sturen.
De Gemengde Commissie komt ten minste elke drie jaar op ministersniveau bijeen. Wanneer één van de Partijen daarom verzoekt, gebeurt zulks elk jaar op een passend niveau van vertegenwoordiging, beurtelings in België en in de Democratische Volksrepubliek Laos.
Art. 6
Samenwerkingsactiviteiten
§ 1 De indicatieve samenwerkingsprogramma's worden uitgevoerd in de vorm van specifieke samenwerkingsactiviteiten. Voor elke activiteit, kan de bijdrage van het Koninkrijk België bestaan in technische bijstand, opleidingen of studies, schenkingen in natura of geld met inbegrip van met name begrotingssteun, leningen, aandelen, schuldverlichting of een combinatie hiervan.
§ 2 Alle samenwerkingsactiviteiten worden voorbereid, gepland en uitgevoerd overeenkomstig een geïntegreerde en doelgerichte managementcyclus bestaande uit vier fasen : identificatie, formulering, tenuitvoerlegging en beoordeling.
§ 3 De identificatie van elke samenwerkingsactiviteit gebeurt in overleg tussen de Partijen.
De eindverantwoordelijkheid voor de identificatie berust bij de Democratische Volksrepubliek Laos.
§ 4 Om zeker te stellen dat elke samenwerkingsactiviteit is toegesneden op de mogelijkheden en de noden van de begunstigden zal nauwgezet een participatieve benadering worden gevolgd.
Met dat doel voor ogen zullen lokale gemengde adviesorganen in het leven worden geroepen.
§ 5 Een vóór de aanvraag van de uitvoeringsfase tussen de Partijen gesloten specifieke Overeenkomst vormt de wettelijke basis van elke samenwerkingsactiviteit.
Naargelang van de samenwerkingsmiddelen waartoe besloten werd, zal bedoelde Overeenkomst nadere toelichtingen verstrekken omtrent :
— doelstellingen;
— de mechanismen en de kalender met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de doelstellingen;
— in voorkomend geval, de voorschriften betreffende het gebruik en de overdracht van fondsen;
— in voorkomend geval, de voorschriften betreffende de aanschaf en overdracht van uitrusting;
— de rechten, verantwoordelijkheden en verplichtingen van alle betrokken partijen;
— de modaliteiten inzake rapportage, monitoring en het uitvoeren van controle;
— de eigenschappen en opdracht van de lokale gemengde adviesorganen voor die bepaalde samenwerkingsactiviteit.
Art. 7
Organen verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van deze Algemene Overeenkomst
§ 1 Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is namens de Democratische Volksrepubliek Laos verantwoordelijk voor de algehele uitvoering van deze Overeenkomst. Het Comité voor Planning en Samenwerking is belast met de uitvoering van alle aangelegenheden betrekking hebbend op ontwikkelingssamenwerking.
§ 2
1. Met het oog op de algehele tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst, wordt de Belgische Partij vertegenwoordigd door de Belgische Ambassade in de Democratische Volksrepubliek Laos.
Binnen de ambassade is de adviseur internationale samenwerking belast met alle aangelegenheden die verband houden met ontwikkelingssamenwerking.
2. De Belgische Partij vertrouwt de uitvoering van haar verplichtingen tijdens de formuleringsfases waarvan sprake in artikel 6, § 2, in principe uitsluitend toe aan de Belgische Technische Coöperatie (BTC), een Belgische vennootschap naar publiekrecht met sociaal oogmerk.
De Belgische Partij zal met de BTC akkoorden sluiten op basis waarvan de BTC de verbintenis aangaat de specifieke overeenkomsten waarvan sprake in artikel 6, § 5, na te leven.
3. Mocht zulks gezien de aard van de samenwerkingsactiviteiten nodig zijn, dan kan de uitvoering ervan door de voor samenwerking verantwoordelijke Minister dan wel door de BTC aan gespecialiseerde organisaties worden toevertrouwd.
4. In sommige gevallen en zo de adviseur internationale samenwerking de Democratische Volksrepubliek Laos hiervan in kennis stelt, kan de identificatiefase van een samenwerkingsactiviteit worden toevertrouwd aan de BTC.
Art. 8
Voorrechten en immuniteiten
1. Met het oog op de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst genieten de BTC-vertegenwoordiger ter plaatse en diens medewerkers die in België in dienst genomen zijn, op voorwaarde dat zij geen onderdaan zijn van de Democratische Volksrepubliek Laos, in principe dezelfde voorrechten en immuniteiten die eveneens gelden voor het administratief en technisch personeel dat in diplomatieke of consulaire zendingen is tewerkgesteld.
2. Met het oog op de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst genieten alle deskundigen die geen onderdaan zijn van de Democratische Volksrepubliek Laos de voorrechten en immuniteiten die technische deskundigen bij de Verenigde Naties genieten.
Ze hebben het recht om een voertuig, meubilair en goederen voor persoonlijk gebruik dan wel ten behoeve van inwonende gezinsleden belastingvrij in te voeren of aan te kopen.
Hun wedde en bezoldiging zijn op het grondgebied van de Democratische Volksrepubliek Laos vrijgesteld van belasting.
Zo nodig, zijn ze evenwel onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen overeenkomstig de Belgische wetgeving of de wetgeving van de Democratische Volksrepubliek Laos.
3. Persoonlijke eigendom en onroerend goed toebehorend aan de BTC-vertegenwoordiging alsmede benodigdheden of diensten ingevoerd of ter plaatse aangekocht in het kader van deze Overeenkomst of een hieruit voortvloeiende specifieke overeenkomst, zijn vrijgesteld van rechten en heffingen.
Art. 9
Controle en evaluatie
De Partijen nemen alle administratieve en budgettaire maatregelen die vereist zijn om de doelstellingen van de uit deze Algemene Overeenkomst voortvloeiende specifieke overeenkomsten te verwezenlijken.
Met dit doel voor ogen voeren de Partijen tezamen of afzonderlijk alle interne en externe controles en evaluaties uit die ze nuttig achten.
Elke Partij zal de andere Partij evenwel in kennis stellen van de controles en evaluaties die ze voornemens is afzonderlijk te verrichten.
Art. 10
Geschillen
Geschillen die verband houden met de tenuitvoerlegging van deze Algemene Overeenkomst en de toepassingsmaatregelen waarin deze voorziet, worden geregeld bij weze van bilaterale onderhandelingen. Blijkt het onmogelijk het geschil op die manier te beslechten, dan wordt het onderworpen aan de procedures als vastgelegd in het Handvest van de Verenigde Naties.
Art. 11
Looptijd en opzegging
Deze overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.
Elke Partij kan ze op eender welk tijdstip beëindigen mits kennisgeving hiervan aan de andere Partij. In voorkomend geval, wordt de beëindiging zes maanden later van kracht.
Zodanige opzegging heeft evenwel niet de beëindiging van de specifieke overeenkomsten of andere bilaterale akten voortvloeiend uit de Algemene Overeenkomst tot gevolg.
Daarvoor is een specifieke opzegging vereist.
Art. 12
Inwerkingtreding en overgangsmaatregelen
Deze Algemene Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op het tijdstip waarop de laatste Partij de andere Partij ervan in kennis stelt dat aan de voor de inwerkingtreding van de Overeenkomst interne vereiste procedures is voldaan.
Elke samenwerking die aan de gang is op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Algemene Overeenkomst wordt voortgezet overeenkomstig de bepalingen als vastgelegd in de overeenkomsten die op die samenwerking van toepassing zijn.
Art. 13
Kennisgeving
Elke kennisgeving met betrekking tot de uitvoering van deze Algemene Overeenkomst en de hieruit voortvloeiende specifieke overeenkomsten dient, tenzij anderszins werd overeengekomen, te worden verstuurd naar de hieronder vermelde adressen.
Iedere wijziging hieromtrent wordt via diplomatieke kanalen meegedeeld.
— Voor de Democratische Volksrepublik Laos, aan het ministerie van Buitenlandse Zaken en het Comité voor Planning en Samenwerking, Vientiane.
— Voor het Koninkrijk België, aan de Adviseur Internationale Samenwerking, Belgische Ambassade, Vientiane Commercial Bank Building Nº 33, Lane Xang avenue, Vientiane.
TEN BLIJKE WAARVAN, beide Partijen deze Algemene Overeenkomst hebben ondertekend.
Ondertekend te Brussel, op 29 mei 2002, in tweevoud, in het Engels en het Laotiaans, beide teksten zijnde gelijkelijk authentiek. In geval van verschil in uitlegging is de Engelse tekst doorslaggevend.
Voorontwerp van wet houdende instemming met de Algemene Samenwerkingsovereenkomst tussen het Koninkrijk België en de Democratische Volksrepubliek Laos, ondertekend te Brussel op 29 mei 2002.
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
De Algemene Samenwerkingsovereenkomst tussen het Koninkrijk België en de Democratische Volksrepubliek Laos, ondertekend te Brussel op 29 mei 2002, zal volkomen gevolg hebben.
38.759/2/V
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede vakantiekamer, op 11 juli 2005 door de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een voorontwerp van wet « houdende instemming met de Algemene Samenwerkingsovereenkomst tussen het Koninkrijk België en de Democratische Volksrepubliek Laos, ondertekend te Brussel op 29 mei 2002 », heeft op 28 juli 2005 het volgende advies gegeven :
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1º, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het voorontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat deze drie punten betreft, geeft het voorontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Bevoegdheid van de federale overheid
Artikel 6ter, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen schrijft voor :
« Onderdelen van de ontwikkelingssamenwerking worden vanaf 1 januari 2004 overgeheveld in zoverre ze betrekking hebben op de gemeenschaps- en gewestbevoegdheden »,
maar zoals de Raad van State heeft opgemerkt in zijn advies 35.915/VR, dat op 23 oktober 2003 is verstrekt, volgt uit het tweede lid van de voornoemde bepaling, alsmede uit de parlementaire voorbereiding ervan dat ze slechts een beginselverklaring inhoudt zodat de federale overheid, bij gebrek aan een bijzondere wet die de bevoegdheidsoverdracht nader concretiseert, haar huidige bevoegdheid terzake ook na 1 januari 2004 behoudt (1) .
Bijgevolg komt de exclusieve bevoegdheid om het thans onderzochte verdrag te sluiten nog steeds toe aan de Koning en aan de federale wetgevende vergaderingen (Grondwet, artikel 167, § 2).
Voorafgaande instemming met de specifieke akkoorden bepaald in de Algemene Overeenkomst
1. Artikel 6, § 5, van de Algemene Overeenkomst luidt als volgt :
« Een voor de aanvraag van de uitvoeringsfase tussen de Partijen gesloten specifieke Overeenkomst vormt de wettelijk(e) basis van elke samenwerkingsactiviteit.
Naar gelang van de samenwerkingsmiddelen waartoe besloten werd, zal bedoelde Overeenkomst nadere toelichtingen verstrekken omtrent :
— doelstellingen;
— de mechanismen en de kalender met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de doelstellingen;
— in voorkomend geval, de voorschriften betreffende het gebruik en de overdracht van middelen;
— in voorkomend geval, de voorschriften betreffende de aanschaf en overdracht van uitrusting;
— de rechten, verantwoordelijkheden en verplichtingen van alle betrokken partijen;
— de modaliteiten inzake rapportage, monitoring en het uitvoeren van controle;
— de eigenschappen en opdracht van de lokale, gemengde adviesorganen voor die bepaalde samenwerkingsactiviteit. »
In de memorie van toelichting gevoegd bij de aan de Raad van State gerichte adviesaanvraag staat te lezen :
« Om redenen van doeltreffendheid, geloofwaardigheid en juridische zekerheid is het nuttig, zoals gebeurd is bij de goedkeuring van het « Memorandum of Understanding » met Zuid-Afrika, in artikel 3 van het ontwerp van wet te stellen dat de getekende Bijzondere Overeenkomsten
— na hun ondertekening aan het Parlement zullen medegedeeld worden;
— volkomen gevolg zullen hebben op de datum die zij zullen bepalen.
Zij zullen dus geen afzonderlijk voorwerp uitmaken van een parlementaire goedkeuring. Aangezien het Parlement zal ingelicht zijn, zal het zijn bevoegdheden kunnen laten gelden.
Het afsluiten van die Bijzondere Overeenkomsten is toevertrouwd aan de minister die de Internationale Samenwerking onder zijn bevoegdheid heeft. »
Het aan de Raad van State voorgelegde voorontwerp van wet bevat geen artikel 3 dat, zoals hierboven is aangegeven, volgens de stellers van het voorontwerp zou zijn ingegeven door het precedent dat bepaaldelijk wordt gevormd door de wet van 11 april 1999 houdende instemming met het Memorandum van Overeenkomst over de ontwikkelingssamenwerking tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zuid-Afrika, ondertekend te Brussel op 16 maart 1995, waarvan artikel 3 als volgt luidt :
« De bijzondere vergelijken gesloten op basis van artikel 6 van dit Memorandum zullen de uitvoeringsmodaliteiten bepalen van de interventies voorzien door zijn artikel 3, en dit binnen de budgettaire beperkingen bepaald door zijn artikel 7.
Deze bijzondere vergelijken zullen gesloten worden door de minister die de Ontwikkelingssamenwerking onder zijn bevoegdheden heeft; zij zullen medegedeeld worden aan het Parlement meteen na hun ondertekening en zij zullen volkomen gevolg hebben op de datum die zij zullen bepalen. »
2. Er kan worden aanvaard dat de wetgevende kamers onder sommige voorwaarden voorafgaandelijk instemmen met een verdrag; wil een zodanige voorafgaande instemming bestaanbaar zijn met artikel 167, § 2, van de Grondwet, dan moeten de wetgevende kamers nochtans de grenzen kennen waarbinnen die instemming wordt verleend (2) .
In het onderhavige geval is de strekking van de specifieke overeenkomsten voldoende afgebakend in de Algemene Overeenkomst.
Teneinde de vergaderingen in staat te stellen een standpunt in te nemen ter zake van de inhoud van de specifieke overeenkomsten, moet evenwel een tekst analoog met die van artikel 3, tweede lid, van de voornoemde wet van 11 april 1999 worden ingevoegd in het dispositief van het voorontwerp van wet (3) , wat overigens conform het voornemen geuit in de memorie van toelichting zou zijn.
De tekst moet dienovereenkomstig worden aangevuld.
3. Artikel 190 van de Grondwet bepaalt dat alleen de wetgever bevoegd is om de vorm te bepalen waarin wetten en verordeningen moeten worden bekendgemaakt willen ze verbindend zijn. Volgens het Hof van Cassatie is die grondwetsbepaling naar analogie toepasselijk op internationale akten. Het Hof heeft immers beschikt dat bepaalde verdragen niet aan particulieren konden worden tegengeworpen zolang ze niet integraal in het Belgisch Staatsblad waren bekendgemaakt.
De voorafgaande instemming met specifieke overeenkomsten die zou voortvloeien uit de ontworpen wet levert geen afwijking op van de verplichting die volgt uit artikel 190 van de Grondwet en uit artikel 8 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, te weten dat die specifieke overeenkomsten in het Belgisch Staatsblad moeten worden bekendgemaakt willen ze aan particulieren kunnen worden tegengeworpen (4) .
De kamer was samengesteld uit
De heer Y. KREINS, kamervoorzitter,
De heer P. LIÉNARDY en mevrouw M. BAGUET, staatsraden,
Mevrouw A.-C. VAN GEERSDAELE, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door de heer J. REGNIER, eerste auditeur-afdelingshoofd.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J. JAUMOTTE, staatsraad.
| De griffier, | De voorzitter, |
| A.-C. VAN GEERSDAELE. | Y. KREINS. |
(1) Advies 35.915/VR, op 23 oktober 2003 verstrekt over het yoorontwerp van decreet « inzake ontwikkelingseducatie » (Vl. parl., zitting 2003-2004, nr. 2044/1, blz. 33 tot 41).
(2) Zie inzonderheid advies 26.355/9, op 2 juli 1997 verstrekt over het voorontwerp dat de wet van 11 april 1999 is geworden, alsmede de geciteerde jurisprudentie (Stuk Senaat, zitting 1998-1999, 1-1168/1, blz. 13-14); advies 37.900/VR, op 25 januari 2005 verstrekt over een voorontwerp van wet houdende instemming met de wijzigingen aan de Overeenkomst inzake de Internationale Organisatie voor Satellietcommunicatie « INTELSAT », aangenomen te Washington op 17 november 2000 (Stuk Senaat, zitting 2004-2005, 3-1259/1, blz. 23-35); advies 37 954-37 970-37 977~37.978/AV, op 15 februari 2005 verstrekt over een voorontwerp van decreet « houdende instemming met het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en de Slotakte, ondertekend in Rome op 29 oktober 2004 » (37.954/AV); een voorontwerp van ordonnantie « houdende instemming met het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, en met de Slotakte, gedaan te Rome op 29 oktober 2004 » (37.970/AV); een voorontwerp van ordonnantie « houdende instemming met het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, en met de Slotakte, gedaan te Rome op 29 oktober 2004 » (37.977/AV); een voorontwerp van wet « houdende instemming met het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, en met de Slotakte, gedaan te Rome op 29 oktober 2004 » (37.978/AV) (Stuk Senaat, zitting 2004-2005, 3-1091/1, blz. 526-546).
(3) Dit was reeds de teneur van het voornoemde advies 26.355/9 en van tal van latere adviezen (zie bijvoorbeeld het voornoemde advies 37.900/VR).
(4) Zie in die zin bijvoorbeeld het voornoemde advies 37.900/VR en de geciteerde jurisprudentie.